|

Familieverhalen van Zijl op boerderij Ter Hul 2

Familieverhalen van Zijl op boerderij Ter Hul 2
©: Nicole van Zijl

Driekus van Zijl, (1904-1993)

Ik schrijf op wat mij het sterkst is bijgebleven. Ik ben onder de petroleum lamp geboren, zeg maar. Als kinderen gingen wij naar de R.K. Barbara school in Bunnik. Voor onze zesde verjaardag brachten we de tijd door met spelen; we maakten wat ruzie met mijn broers en zusjes of soms met een vriendje. Maar dat loste zich vanzelf weer op, nadat mijn ouders het geheeld hadden. Wel moesten we in de winter water pompen voor het vee, en bieten snijden en in de zomer de tuin harken, en natuurlijk allerlei boodschappen doen. 

De omgeving is zo veranderd. Er lag een spoorlijn langs de Kromme Rijn, met het oude station aan de linkerkant van de weg. Er was nog bos; grote dikke eiken met daartussen allerlei begroeiing. Hier stond het Huis Bloemerwaard, waar de burgemeester woonde, en een koetsiers woning. Mijn vader had tegen de Kromme Rijn een kleine boomgaard van 1 hectare in pacht van de burgemeester. Zo 4 à 5 maal in de zomer werden zo’n 10 melkkoeien ingebracht. Zolang de koeien in de boomgaard liepen mochten wij van het wandelpad gebruik maken. We kregen de sleutel van het hek. Het wandelpad lag gelijk in ’t begin naast de spoorlijn, maar week snel af het bos in. Van die omgeving is niets meer over. 

Gemeente indeling, zijn gebruiken en verordeningen

Begin 20e eeuw sluimerde het dorp Bunnik nog in een zeer diepe geslotenheid, met zo ongeveer 1000 inwoners. Men leefde in die dagen heel wat rustiger dan vandaag. Een politieman en een rijksveldwachter liepen vaak samen ’s avonds door het dorp. Verder was er een raad van 5 personen, plus een burgemeester, secretaris, een ambtenaar op het kantoor om het schrijfwerk te verrichten, de koerier en een vaste werkman, hij heette Kees Pessel. Hij zorgde ervoor dat er elke avond in de winter 4 straatlantaarns werden ontstoken. Ik zie hem nog duidelijk lopen met een ladder op zijn rug, om op elke hoek één lantaarn te ontsteken en om 9 uur weer uit te draaien behalve zondag, dan één uur later. Op zaterdag werden alle 4 lampen naar beneden gehaald en van een nieuwe kous en petroleum voorzien. Verder deed Kees Pessel als wegwerker dienst. Hij had de taak van het verharden van de wegen met grind. De Dorpsstraat, de Smalleweg en de Spoorbuurt zijn later een stuk breder gemaakt. De Molenweg was toen een provinciale weg, daar behoefde de gemeente niets aan te doen. Deze werd door de Provinciale Staten in zijn geheel onderhouden. De weg van Utrecht naar Wijk bij Duurstede had midden op de weg nog een klein smal straatje van 60 cm breed. Dat was gedaan voor de voertuigen die met paard en wagen kwamen en die naar de kaas- of veemarkt gingen.

In die dagen stond er in het dorp nog een tol op de weg. Op de weg naar Zeist of naar De Bilt moest tol betaald worden. Het eigenaardige van het tol betalen was wel, dat een zwart paard, bles met 4 witte benen tolvrij waren gesteld. Dat was niet alleen in Bunnik maar over het gehele land. Langs de tol passeerden vanuit Zeist ongeveer 30 á 40 brikken langs, beladen met kaas naar de kaasmarkt in Utrecht. Zoals gebruikelijk werd er na afloop van de kaasmarkt even gestopt bij Betje van der Vecht op Vechten voor een opsteker. 

Paarden

Er bloeide een stevige handel in paarden, waar mijn vader Pieter van Zijl veel handel in deed. Ze werden toen nog voor allerlei doeleinden gebruikt en vooral in het leger. Ik ging als kleine jongen graag mee naar de paardenmarkt, al was het maar om het paard vast te houden. Er kon niet meer dan één persoon mee in de Tilbury, die voor twee personen was. Als het onderweg begon te regenen, dan kon de kap omhoog en met mooi weer omlaag. Dat was voor die tijd luxe. 

Op de markt werd vooraf aan de koop van een paard eerst in de bek van het paard gekeken om de leeftijd te bepalen, daarna kwam het spatten en gallen, het nauwkeurig kijken of er geen zwellingen zijn aan de benen, en werden het draven en de gangen nagegaan. Na de koop van het paard, als dit op de markt plaats had gehad, dan ging men er nog mee naar de veestallen. Als laatste om de ogen te bekijken, of er geen stip op aanwezig was. Dat noemde men dan het afkijken en als dat dan aanwezig was, dan ging de koop gewoon niet door.  Als de koop doorging werd altijd gezegd, ‘hij is zonder spat of gal’.  

Aan de Molenweg was een dorpssmid met een hoefstal buiten. Als kleine jongen heb ik daar uren naar staan kijken. Het was er altijd erg druk, met het beslaan van nieuwe ijzers onder de benen van het paard.  Met 12 jaar was er geen leerplicht meer, en vond mijn vader dat ik paard leerde rijden en de boodschappen op het paard moest doen. Hij riep dan ‘spring op het paard en neem zaaizaad mee voor de jongens op het land’. Zo bracht ik o.a. ook koffie en brood bij mijn oudere broers aan huis. Dat deed ik dan vaak met het losse paard zonder zadel. Ik weet nog heel goed dat ik met koffiepot en brood van het paard werd geslingerd, en met een zeer achterwerk naar huis kwam. 

Een jaar later was het voor mij de tijd, om als ploegdrijver te worden aangesteld. Het viel in het begin niet mee om 4 paarden voor de ploeg te besturen. Na dit werk zo’n 2 nazomers gedaan te hebben, kwam de tijd aan om deelknecht te worden. Zo leerde ik nog de oude manier van werken op de boerderij.

Voor het zaaien als het maaien kwamen veel mensen uit Brabant en uit Gelderland naar ons dorp om te helpen met de oogst. Ze bleven dan de hele zomer in de kost. Ze sliepen in de koestal op stro,  kregen ’s avonds een bord rijstpap aangevuld met brood en kaas en dan naar bed, het stro in. Zo ging dat bij ons en verdienden maar een schraal loon. 

Seizoenarbeiders en een vers gekalfde chocoladekoe

Die trek van de seizoenarbeiders naar ons dorp Bunnik begon al met het maaien van het gras, en met het plukken van de kersen en eindigde in het najaar, wanneer de koeien op stal werden gezet. Dit was nooit eerder voordat voor Sint Nicolaas de klomp buiten werd gezet. De koeien werden de laatste 6 weken niet meer gemolken. Viel er nu eerder sneeuw, dan werden ze buiten bijgevoerd. Wij hielden altijd een vers gekalfde koe op stal, dat was dan de chocolade koe, zoals wij die dan altijd noemden.  Op deze manier konden wij deze mensen langer in dienst houden, en vooral ook met het dorsen van het koren. Dat dorsen met de vlegel duurde de gehele winter. Ook al was het slecht weer, men ging met het dorsen gewoon door. Alleen tarwe en het rogge werd gedorst. De haver was voor eigen gebruik. 

Het dorsen met een vlegel was voor mij in het begin erg moeilijk. Je raakte dan wel eens de vlegel van een ander. Je moet je eens voorstellen, dat met 4 man op een en hetzelfde punt slaat, met een steel in de hand, doch waar op het einde van de steel een losse knuppel is verbonden. Op elke garf twee klappen van elk te ontvangen. Dat waren er dan acht. Vervolgens werden ze dan uitgeschud en nog eens omgekeerd. Dan werd hetzelfde nog eens herhaald, en daarna weer eens te worden uitgeschud. Met de hand het stro opbinden, en het daarna op de balk opslaan. Zo werden er altijd 4 lagen achtereen gedorst. Met de 4e laag werd ook de spreilaag opgenomen gelijk met alles. Het zaad werd dan op een hoop geveegd om de volgende morgen weer 4 lagen te dorsen. Als de hoop zaad groot genoeg was, dan werd de wanmolen van de stal gehaald. Dan begon men met het schoon blazen van het zaad. (het kaf van het koren te scheiden) Dit werk moest elk jaar gebeuren. 

Een dorsmachine

De tijd veranderde snel. De tractor deed zijn intrede. Ook de eerste dorsmachine kwam op de ‘werf’. Elke zaterdag was er een zitting in hotel Noord-Brabant op het Vreeburg in Utrecht voor de uitleg over deze machine. Samen met Bertus van Rijn, boer op Runnenburg, ging mijn vader erheen, en konden zij de machine in Vleuten gaan ophalen. Bij deze actie waren in totaal 12 mannen nodig om het gevaarte met 6 paarden, 2 voor de dorswagen, 4 voor de stoom locomobiel, over de slechte weg naar Bunnik te vervoeren. 

Wanneer de koeien in het voorjaar van de stal naar de wei werden gebracht, dan ging moeder altijd met de wijwaters kwast de ronde doen. Elke koe, die naar buiten ging kreeg een lik met wijwater. Vader deed ze eerst een touw om de nek. Die werd dan strak aangetrokken, zodat de aders begonnen te zwellen, om ze dan met een vlijm op die ader te slaan, zodat het bloed eruit sprong. Dat deden ze om kapziekte of linnenbloed te voorkomen. 

Stropen en jagen 

Het jagen werd bij ons noodzaak toen we merkten dat we geen of te weinig zakgeld kregen. We ontdekten dat er in de omgeving teveel konijnen op het land waren. Om aan meer zakgeld te komen zouden we gaan jagen, maar eerst moest consent worden aangevraagd bij de jachthouder Baron Van Hardenbroek. Hij woonde op het kasteel, dat later was afgebroken. De baron zelf was geen liefhebber van jagen, het gebeurde hoogst één maal per jaar op haas en fazant. De jachtopziener liet zich niet verder zien als rond het kasteel De Niënhoff. We kregen dan ook meteen zijn medewerking en consent.

De Van Zijlen zijn geen jagers. Maar aan moeders kant wel. Zij was dan ook onze sterke hulp bij de aanschaf van een geweer. Mijn vader kocht een waardeloos geweer op de markt in Utrecht. Toen er een dubbelloops jachtgeweer te koop was in de krant zou moeder er vader op wijzen. Het was niet moeilijk om konijnen te schieten, twee gaven we aan moeder, en één ging naar de Juffervrouwstraat in Zeist. Daar woonde een poelier en kreeg je dan 35 cent voor. Als mijn broer Pieter verlof van dienst had, gingen we meteen op jacht, en altijd onder het mom van houthakken. Wij waren volgens de regels nog te jong om te jagen. Wij merkten het al gauw in de portemonnee als Pieter uit dienst kwam. Hij kon redelijk goed schieten, en kwamen wij op ons terrein al snel konijnen te kort. We werden steeds brutaler en ons jachtveld breidde zich uit tot de Raaphof toe. Daar liepen de fazanten als in een kippenhok. Je kon haast niet mis schieten. Een haas was f 2,50, een fazant f 1,00 en een patrijs al naar gelang het een jonge of oude was. Totdat de jachtopziener koppelde met de jachtopzieners van Beverweerd, Wulperhorst en van de Raaphof om te proberen ons te pakken te krijgen. Ze hadden ons één keer ingesloten. Ze stoven met drie man op ons af, alsof we de grootste misdadigers waren. Het werd nog erger, toen Doris van Benthem aan mijn vader kwam vertellen, dat wij op zondagmorgen achter zijn boerderij, de gouddievenboom, een haas hadden geschoten. Ik kom je allen maar zeggen, dat de kruik zolang te water gaat, totdat hij breekt. Dat deed voor ons de deur dicht. Aan de ene kant ten goede, want vader beloofde ons nu wat meer zakgeld te geven, maar we moesten wel beloven niet meer te gaan stropen. 

Nieuwe wegen en een vliegtuig gespot

In de jaren 20 kwam er meer aandacht aan de wegen. De auto’s die mijn vader zag noemde hij stofdingen die het wandelen over de zanderige Provinciale weg voor hem onmogelijk had gemaakt. Hij was dus niet de enige. Auto’s, maar ook een vliegtuig vanuit Soesterberg werd al in de lucht gesignaleerd. Een vliegtuigje, want ze waren nog klein, die dan met een beetje donker weer verdwaalde en dan bij een boer op het land neerstreek. Om de vliegenier wat beter te laten oriënteren waar hij zich bevond, kwam op een dag iemand van de luchtvaart uit Soesterberg bij mijn vader informeren, of het mogelijk was, een groot bord te maken van planken, midden op de wei te plaatsen achter de boerderij, met de naam van de plaats Bunnik erop. Ze kwamen een prijs overeen, en binnen een paar weken stond daar een bord van 30 vierkante meter met een handwijzer en Bunnik. Het waren planken van ‘t beste eikenhout. Het duurde niet lang of deze borden in het weiland waren voor de luchtvaart niet meer nodig.  

Elektriciteit

Die dag kwam steeds dichterbij. De wildste geruchten deden de ronde. In die tijd gingen mijn vrienden en ik kaarten bij Willem Vernooy in Odijk. Mijn vrienden waren Gard, van Mans Vernooy, en Kees de Wit. We zaten nog op de Avondschool. Bij Willem Vernooy werden de nieuwtjes gedeeld, waaronder de aanleg van dat wonderbare licht in de straten en huizen. De verhalen over elektriciteit werden steeds sterker verteld. Er hoefde niemand meer te werken, want je drukte op een knopje en de rest zou vanzelf gaan. En dan was er natuurlijk de vraag hoelang het zou duren, want elektriciteit raakt een keer op, en wat moeten wij dan daar weer mee aan? Je komt weer uit bij de kaars en de petroleum lamp. Zo bleef het gonzen van de geruchten. Eindelijk was dan de dag aangebroken. Uit Zeist kwam mijnheer Haakman. Mijn vader en hij kwamen overeen dat er 20 lichtpunten werden aangelegd. Toen dit was aangelegd hebben we alle petroleum lampen en storm lantaarns op een hoop gegooid. 

Colofon

Auteur: Driekus Van Zijl (1904-1993) 'Herinneringen en verhalen uit mijn leven '

Stamboom familie Van Zijl: Moustache


Referenties

[1] Ter Hul Interieur Bunnik
[2] Stamboom familie Van Zijl
© Tekst: Nicole van Zijl © Foto voorblad: Nicole van Zijl

Gerelateerde informatie


Foto’s





Reageren

Via onderstaand formulier kunt u een reactie achterlaten voor de auteur of de eigenaar van het item. (Dorpscanon Krommerijngebied)