Deel:


Het benoemen van een predikant of een koster heeft in ’t verleden in de Hervormde gemeente van Cothen veel voeten in aarde gehad. Hoe gebeurde dit benoemen of beroepen? De acta van de vergaderingen van de classis blijken een belangrijke bron te zijn om een beeld te vormen van de Hervormde gemeente te Cothen.  Zelfs een 15e eeuws handschrift, afkomstig uit kasteel Rijnestein, blijkt op een gegeven moment de koers van het benoemen te bepalen! 

Het is 21 juni 1659 als de predikanten van de hervormde gemeenten in zuidoost-Utrecht bij elkaar komen in Wijk bij Duurstede voor hun driemaandelijkse vergadering van de classes Rhenen-Wijk. De classis is opgericht eind 1619, vlak na de synode van Dordrecht waarop een andere kerkorde in ons land is vastgesteld. Een belangrijk punt is de voordracht aan de Staten van Utrecht voor een nieuwe koster, tevens schoolmeester, van Cothen. Er blijken twee kandidaten te zijn, Michiel Berendsen en Jacob Hendricksen Munx. Michiel wordt namens de gemeente voorgedragen door Godefridus Dellius, dominee te Cothen van 1641 – 1680. Hij is de schoonzoon van de overleden koster, Peter Willemsen. Jacob wordt voorgedragen door Cajus Bartrant Brockdorff, heer van Doorn, in zijn hoedanigheid als vader van Cajus Laurentius Brockdorff, domproost te Utrecht. 

De domproost is een belangrijk man want hij is ambachtsheer van onder meer Cothen. Dominee Dellius weet dit en hij heeft zwaar geschut meegebracht. De classes krijgt van hem een authentieke kopie van een oude akte over ‘het recht der Gemeynte van Cothen` in het (zelf) beroepen van een coster’! Dat stuk dateert van 20 juli 1446 en het recht is verleend door de toenmalige domproost, Gijsbert van Brederode. De classes is overtuigd en draagt Michiel Berendsen voor die kort daarna ook officieel wordt benoemd. De notulen van de classes zijn uitgebreid, - in mijn ogen – soms hilarisch, èn nauwgezet. Vermeld wordt dan ook dat in de kopie van dominee Dellius staat wat de bron ervan is. Die bron is een boek dat is getiteld: ‘Dit is Sinte Agnieten Register ende boeck van den kercke van Cothen’. Het recht staat op folio 11 en op folio 23 verso.[1]

Zoeken met een lampje 

In een voetnoot verwijst Cees Dekker in zijn boek Het Kromme Rijngebied in de middeleeuwen (1983) voor de naam van de patroonheilige van het kerkje Sint Agnes, naar een door Voets gememoreerd vijftiende-eeuws handschrift van Daniël van Nieuwaal.[2] (Overigens is mij een eerdere vermelding van de parochie bekend en wel uit 1302.)[3] We kunnen er bijvoorbeeld uit afleiden dat er in 1463 elf boeken in de kerk waren. Tot mijn grote verrassing krijgt ook de bovengenoemde gememoreerde acte van 20 juli 1446 aandacht! 

Voets was ooit kapelaan te Cothen en heeft in 1949 een uitgebreid artikel gepubliceerd over katholiek Cothen.[4] Voets zijn bron over het handschrift was de Schalkwijkse pastoor Hofman waar het handschrift in zijn boek over kasteel Rijnestein voorkwam.(1904). Hofman zijn bron was de hoogleraar A. Matthaei. Hofman zegt dat daarin wordt gemeld dat Daniel van Nieuwaal een handschrift heeft gemaakt en ‘op zijnen heem [Rijnestein] zorgvuldig heeft bewaard’. Aan Matthaei wordt deze vondst van het handschrift op Rijnestein toegeschreven (Hofman). De publicatie van Matthaei, ‘Fundationes et Fata eccles’, bevat informatie over de kerk, – ik citeer – ‘des H. Jonckvrouwen St. Agnieten’ in Cothen. Geciteerd wordt dat het inderdaad het handschrift van David van Nieuwaal is. Hofman is niet de enige die de pagina’s over Cothen in de publicatie van Matthaei/Matthaeus heeft gezien. In 1719 verschijnt een driedelig boek van de hand van H.V.R. (H. van Rijn) over de geschiedenis van het bisdom Utrecht, waarin in  het tweede deel een aantal pagina’s aan Cothen is gewijd. Uit de tekst, hij noemt het handschrift van Nieuwaal, is op te maken dat hij de publicatie van Matthaeus moet hebben gebruikt. Dit geldt ook voor het zesdelige werk van Van Mieris (1725 – 1726) over de kerkelijke historie der Zeven Verenigde Provinciën. Het tweede deel bevat enkele pagina’s over Cothen.  

St. Agnes

De heilige Agnes is de patroonheilige van hoveniers, jonge meisjes en verliefde stelletjes. Ze wordt dikwijls afgebeeld met een lam (‘het lam Gods’= Christus).[7] De Utrechtse kerk heeft een heel oude band met Agnes. Immers bisschop Balderik heeft in het jaar 964 vanuit Frankrijk relieken van St.-Agnes laten overbrengen naar de Domkerk te Utrecht. Op een kalender uit circa 1150 met (achttien) heiligen waarvan de feestdag in Utrecht werd gevierd, staat ook de heilige Agnes (21 januari). Overigens komt haar naam niet voor in een Utrechtse litanie – met twaalf heiligen – van omstreeks het jaar 1000. [8]

Het gebied van Cothen behoorde vanouds tot de (uitgebreide) bezittingen van de Utrechtse kerk. Rond 1040 is een deel van die bezittingen verdeeld tussen het kapittel van Oudmunster en het Domkapittel (gelieerd aan de Domkerk). Aan het Domkapittel kwamen onder meer bezittingen te Doorn (met een al in de negende eeuw genoemde kerk), Cothen en Amerongen. Rond 1200 vond binnen het kapittel een verdere verdeling plaats. Als gevolg daarvan kwamen genoemde bezittingen aan het hoofd van de Domkapittel, de proost.[9] Dit is ook de achtergrond van het feit dat de dwars door Langbroek lopende aloude weg Doorn – Cothen op een gegeven moment de Domproostenweg werd genoemd.[10] Deze weg dateert van vóór de ontginning van Langbroek, (tussen circa 1125 – 1150). Aannemelijk is dat de kerk van Cothen, vanuit Doorn door het Domkapittel is gesticht en dat dan – zoals Dekker zegt – op zijn laatst in de twaalfde eeuw. Dat de kerk is gesticht door het Domkapittel, wordt onderbouwd door het feit dat (de proost van) het kapittel het collatie- of patronaatsrecht van de kerk bezat (bijvoorbeeld in 1342). 

Kort gezegd, was het patronaatsrecht het recht om zelf een pastoor te benoemen en later het recht om een pastoor ter benoeming aan de bisschop voor te dragen. Dit recht kwam in de regel degene toe die een kerk in eigendom had (bijvoorbeeld door schenking). Dat het Domkapittel bij de stichting van de Cothense dochterkerk een bekende heilige uit de eigen Domkerk tot patroon-, tot beschermheilige ervan heeft gekozen, is mijns inziens dan ook goed voorstelbaar.[11] 

Daniël van Nieuwaal was zeer begaan met de Cothense kerk, wat ook wel blijkt uit zijn handschrift. Waarschijnlijk heeft hij dit in de periode 1460 – 1465 opgesteld. Het handschrift was in ieder geval in 1659 nog in de kerk danwel op Rijnestein aanwezig omdat dominee Dellius het noemt. Hofman die rond 1900 van het huisarchief uitgebreid gebruik heeft gemaakt, zal het niet meer hebben aangetroffen, daar hij expliciet verwijst naar de publicatie van Matthaeus. 

In de 16e en 17e eeuwse Bunnikse teksten komen drie brinken voor; de Antonisbrink, de Arrisbrink en de Zoogbrink. De Antonisbrink, genoemd naar de heilige Sint Antonius, is nog steeds duidelijk te herkennen en vormt dan ook het dorpsgezicht van Bunnik. De brink ligt centraal bij de Oude Dorpskerk, met het Oude Raadhuis, het Wapen van Bunnik, de Witte huisjes, een loswal en de Raadhuisbrug over de Kromme Rijn. De brink is ook te herkennen aan de wegen die uitkomen op deze brink, zoals de Dorpsstraat, de Molenweg en de Smalleweg, de Langstraat, Tolhuislaan en de Groeneweg. 

Een brink is een open ruimte in een dorp of aan de rand daarvan, waar de boerderijen omheen gegroepeerd staan, meestal beplant met bomen (eiken). De brink diende oorspronkelijk om het vee in te scharen (verzamelen). Vaak lag er op de brink een poel(dobbe of kolk). Iedere ochtend werd het vee naar de brink gedreven. Tegen de avond gingen alle koeien na het uitsplitsen terug naar de boerderij. De wegen die hier ontstonden werden veedriften genoemd. Zij hadden de vorm van een trechter. Bij sommige dorpen is dit nog goed te zien. De brink vormde natuurlijk ook een gemeenschappelijke ontmoetingsruimte en werd zo later vaak het dorpsplein.

De Antonisbrink moet aanzienlijk groter zijn geweest dan was gedacht. Want we kunnen lezen dat na de 16e eeuw verschillende huizen in de Langstraat, die in het oosten grensden aan de Antonisbrink, met bisschoppelijke toestemming tot kerkelijk bezit werden verklaard. Dit doet vermoeden dat de brink zich in de 17e eeuw vrij ver naar het noorden uitstrekte. Het is dit noordelijke gedeelte van de brink, in de richting van het steenhuis De Beesde, later landhuis Cammingha, dat als Achterbrenck of achterste brenck bekend stond. 

Bunnik telde in de negentiende eeuw ongeveer 900 inwoners die voor de helft woonden in de bebouwde dorpskern en rond de Antonisbrink. Iets verderop lagen aan de andere twee brinken, de Arris- en de Zoogbrink, de huizen van ambachtslieden en kleine boeren. Buiten de dorpskern kende Bunnik vele boerderijen met hun landgoederen.

Het gezin was belangrijk in `t gebied van de Kromme Rijn. Vooral hier op het platteland werd generaties lang goed gekeken naar gezinsplanning voor het behoud van de boerderij. Wie buiten de boot viel als boerenzoon moest zich zien te redden als arbeider en kwam terecht in een arbeidershuisje. Het is dan ook moeilijk voor te stellen dat een gezin, met gemiddeld vijf personen, kon leven in een huisje met een afmeting van drie bij acht of negen meter diep.

Hier en daar stonden deze huisjes in groepjes met een erf of een kleine boomgaard daartussen. Voor de Dorpskerk stond een groepje daggelderswoningen en de ruimte hiervan was, ieder afzonderlijk, niet meer dan een kamer met stookplaats en een berg- of slaapzolder. Daggelders waren landarbeiders die een dagloon kregen. Ook aan de Eendrachtstraat ``t Slot`, bij het winkelcentrum in Bunnik, stonden ze. Daggelders die werkten bij Oud-Amelisweerd, woonden in zo`n groepje kleine woningen met de naam `de Vinkenbuurt`. Aan de Langstraat, de oudste straat van Bunnik, stonden enkele groepjes Diaconiewoningen achter elkaar gerangschikt aan de Kromme Rijn.

Het Wapen van Bunnik

De naam Bringenberg springt in het oog, op de kadasterkaart van 1816. Haar naam Jacomina Bringenberg, van beroep winkelierster, en eigenaresse, staat bij een groot aantal woningen en percelen landbouwgrond in Bunnik. Zij lijkt daarmee te willen wedijveren met de landheren en grote boeren uit de omtrek. Wie was zij. Haar vader Johannes Bringenberg was de laatste smid in het gebouw dat nu het Wapen van Bunnik is, waar iedereen neerstrijkt voor een drankje en een hapje. Bringenberg was kerkvoogd in de Nederlands Hervormde kerk van Bunnik. Na zijn dood zette zijn dochter Jacomina de smederij nog vijftien jaar voort. Bij haar overlijden in 1854 bleek zij eigenaresse te zijn van 1 op elke 5 huizen in het dorp! 

De familie De Pesters

'Lieve Heer Hertog!    Lieve Heer Oom!     Wat zulkse Luy niet van mij maken!'

Toen Jan en Willem Nicolaas Pesters in de jaren na 1780 door de Patriotse pamfletten 'in het nieuws' kwamen, hadden zij reeds een bijna 30 jarige regeringsperiode achter de rug. Uit dat tijdperk was het meest vermaard de oprichting van een 'Correspondentie' in de stad Utrecht door Willem Nicolaas Pesters in 1759. In datzelfde jaar werd de voogdijregeling van kracht, die na de dood van de Gouvernante Anna de Stadhouderlijke bevoegdheden moest bewaren voor haar minderjarige zoon, Prins Willem V. Jan Pesters was bij de totstandkoming van de voogdijregeling nauw betrokken; Willem Nicolaas onderwierp de Utrechtse vroedschap aan zijn wil op het moment dat de voogdijregeling in werking trad; zou de betekenis van de heren Pesters niet daarin gelegen kunnen zijn dat zij stad en gewest Utrecht in de periode 1759-1766 in het stadhouderlijke vaarwater hielden? 

P. Geyl: 'Men denke zich eens in de geest van de regentenstand van de landprovincies in, die daar zeven jaar lang van het ongedacht fortuintje van hun vrijheid genieten om dan op de gestelde datum, als Assepoester op de klokslag van twaalf, in de vergulde knechtschap van de regeringsreglementen terug te keren.'

Maar, betekende de meerderjarigheid van Prins Willem V voor Utrecht wel een terugkeer in 'de vergulde knechtschap der regeringsreglementen' of, was het gewest wel uit de 'knechtschap' ontslagen geweest? Het bewind van de heren Pesters duurt ononderbroken van omstreeks 1752 tot het einde van de eeuw. Het was onveranderlijk Stadhoudersgezind en de periode 1759-1766 vormt daarop geen uitzondering. 

De continuïteit van het Stadshouderlijk bewind na 1747 is altijd min of meer als een vanzelfsprekendheid aanvaard; in werkelijkheid was zij de vrucht van een weloverwogen beleid, zegt K. Potjewijd in 1968 in 'De betekenis en de oorsprong van de positie van Jan Pesters en Willem Nicolaas Pesters in Utrecht in de 18e eeuw tot slot. Voor Utrecht kan zelfs de periode 1759 - 1766 niet als een 'stadhouderloos Tijdvak' beschouwd worden. In hoeverre dit met de andere Gewesten wel het geval is zal onderzocht moeten worden. 

Hoe het begon ...

De familie De Pesters had in de tijd van de Republiek van de Verenigde Nederlanden al een ‘Prinsgezinde’ traditie. Aan het begin van deze traditie staat Mr. Johan Pesters 1620-1703, geboren in Maastricht. Hij onderhandelde in 1674 namens Stadhouder Willem III met de comte d’ Estrades, afgevaardigde van de Franse koning, die het toen samen met de koning van Engeland, gemunt had op de ondergang van de Republiek. Johan Pesters behoort sindsdien tot de naaste medewerkers van de Stadhouder-Koning. Johan Pesters en zijn vrouw Maria Ghijsen (1637-1713), burgemeestersdochter, krijgen 6 kinderen. In 1674 verlegt hij zijn domicilie naar Utrecht. Burgemeesters en vroedschap verlenen Johan Pesters en zijn gezin bij resolutie van 15 december 1678 het burgerschap van de stad. In 1682 verwerft hij de Heerlijkheid Cattenbroek, gelegen tussen Bunnik en Zeist. Nazaten zullen daar, op het landgoed De Niënhoff, tot in de 20e eeuw verblijf houden. 

Johan Pesters(1620-1703) koopt in 1674 van de Staten van Holland een hofstede en landgoed De Niënhoff. Hij mocht zich Heer van Cattenbroeck noemen. De boerderij wordt een herenhuis ten tijde van deze Johan Pesters, want er is in 1681 op de muurijzers van de boerderij  sprake van een verbouwing van de boerderij. In februari 1703 is hij in de Kloosterkerk in Den Haag begraven. 

Na de dood van Johan Pesters dient ook zijn zoon Jacob (1662-1739) het Huis van Oranje als Raad en Rekenmeester der Domeinen van wijlen prins Willem III. Jacob Pesters en Catharina van Beaumont krijgen één zoon Jan. Er speelde een afwikkeling van de erfenis van de Stadhouder-Koning. De werkzaamheden van Jacob Pesters vallen in de tweede Stadhouderloze periode. Gedurende deze periode raakt Jacob Pesters in een proces verwikkeld met ook een politieke achtergrond. Het gaat om een proces, dat gevoerd is in een tijd dat men in Den Haag leden van de Stadhouderlijke familie ‘met de nek aankeek’ [1] 

Wie de in 1735 op last van het Hof van Holland gedrukte processtukken doorkijkt, vindt daarin veel elementen die in een opera buffa niet zouden misstaan. De aanleiding is vervat in het volgende fragment uit de aanklacht d.d. 30 mei 1727:

‘En het is conform aan de waarheid dat, juffrouw De Win in het voorjaar van het gepasseerd jaar 1726 eenigen tyd by haar goed vrienden tot Utrecht gelogeert geweest synde, in de Geselschappen of Assemblées, soo als men die noemt, sig ook wel den meesten tyd hadde laten vinden den Persoon van Jan Pesters. En dat eenigen tyd daarna was gedivulgeert mogelijk en wel aparentelijk door Jan Pesters die tenminste door syne conduites ende voorgeven daartoe aanleiding hadde gegeven als hebbende gedebiteerd dat hij verscheyde presenten presentselijk aan Juffrouw de Win soude hebben gedaan, dat er tussen Juffrouw de Win en Jan Pesters eenige familiariteiten souden wesen gepasseert dewelke tot desavantage van Juffrouw de Win strekten.’ enz.. [2] 

Zoon Jan, van Jacob Pesters, wordt in 1736 bij het vonnis ‘Uit de provintiën van Holland, Zeeland, Utrecht en West-Friesland gebannen voor het leven’. De vader wordt ten naaste bij ter dood veroordeeld. Hij wordt ‘met het zwaard over het hoofd’ gestraft, een symbolische terechtstelling die blijkbaar ook in de 17e eeuw in zwang was. 

De brieven van Jacob aan zijn zoon Jan: 

'Le porteur de cette carte vous dirai l'etat ou je fuis, qui ne me permet pas de vous en dire d'avantage. (De drager van deze kaart zal je vertellen in welke staat ik vlucht, waardoor ik je niet meer kan vertellen.) 24 februari 1730

Tegen de veroordeling van de vader gaat dan zijn broer Mr. Willem Pesters in beroep. De volgende zinsnede uit zijn Request werpt op de gang van zaken een merkwaardig licht; in oktober 1734 is Jacob Pesters in verzekerde bewaring gesteld. Willem Pesters schrijft in zijn Request: 

‘Dat ter zelfder tijd alle syne effecten en papieren ten overstaan van Heeren Commissarissen van den Hove versegelt syn.’ 

Mr. Willem Pesters schrijft verder in zijn request dat vervolgens na het verhoor van zijn broer …

‘ 2 Heeren Commissarissen van den Hove, en somstijds één alleen present synde, geassisteerd met den Procureur Generaal en de Griffier van den Hove, eenige dagen aan den anderen ten Huyse van den gedetineerde, sonder dat iemand vanwege den gedetineerde of van desselfs familie present is geweest, alles weder hebben ontsegelt, veele papieren geëxamineert en ook verscheyde meegenomen.’ 

Brieven tussen Jacob Pesters, zijn zoon Jan Pesters en andere personen. [3] en [4]

Jacob Pesters is door zijn broer op deze manier van het schavot gered. Jacob en zijn vrouw, overlijden beide te Den Haag, hun zoon Jan sterft in 1781 in Parijs, ongehuwd. 

De derde zoon van Johan Pesters Mr. Nicolaas Pesters (1671-1723) is lid van de Vroedschap; als zodanig werkte hij ook mee aan de voorbereiding van het Vredescongres dat in 1712-1713 in Utrecht gehouden werd.

Het succes van de Vrede van Utrecht was mede te danken aan de gelijkwaardige behandeling van overwinnaar en overwonnene en het grote belang dat werd gehecht aan het behoud van het machtsevenwicht. Het verdrag markeerde ook het einde van de Republiek als grootmacht, geïllustreerd door de woorden van de Franse onderhandelaar Melchior de Polignac; Nous traiterons sur vous, chez vous, sans vous ('Wij onderhandelen over u, bij u, zonder u'). Bijzonder aan deze historische gebeurtenis was dat de anderhalf jaar durende onderhandelingen omlijst werden door kunst- en cultuuruitingen.

In 1723 komt Nicolaas Pesters te overlijden, zijn vrouw achterlatend met twee minderjarige zoons: Jan (Jean) Pesters (1716-1797, en Willem Nicolaas Pesters (1717-1794). 

Deze 2 kleinzoons van Johan Pesters hebben de zaak van de Stadhouder in de provincie Utrecht, gedurende de tweede helft van de 18e eeuw, trouw gediend. De ‘Prinsgezinde’ broers krijgen in stad en gewest Utrecht na 1752 overwegende invloed en halen zich de haat van de Patriotten op de hals. Patriotse pamfletschrijvers beschuldigen twee broers Pesters. [5]

Mr. Jan Pesters

Omdat mr. Jacob Pesters een verbannen zoon heeft gaat de titel Heer van Cattenbroek naar zijn neef Jan. [6]

Het huwelijk van Jan met Adriana Everardina Godin (1737-1795) heeft plaats in de zomer van 1747 in Bunnik, en enige maanden na het herstel van het Stadhouderschap in het gewest Utrecht. De verbintenis met één van de eerste magistraatsfamilies uit de stad Utrecht is voor de familie Pesters zeker van belang geweest. Een reactie van een tijdgenoot, als de anti Pesterse pamflettencampagne in 1782 losbarst geeft duidelijk aan. ‘dat die luyden daerdoor soo eene vlak hadden gekregen, dat sij nog haar jongens, nog meisjes seer gemakkelijk konden uittrouwen.’ Deze opmerking kan alleen maar betrekking hebben gehad op de kinderen van Jan Pesters. Zijn broer Willem Nicolaas Pesters heeft slechts één zoon gehad, en deze was in 1774 al getrouwd. Daarentegen had Jan in 1782 twee huwbare dochters en twee zoons die nog niet getrouwd waren. Eén van die zoons van Jan is Willem Nicolaas Pesters (1754-1831), achterkleinzoon van Johan Pesters, die in 1813, bij het vertrek van de fransen en de terugkeer van Oranje, in Utrecht behoort tot de mannen van het eerste uur. Hij bekleedde geen functies tijdens de ‘Franse tijd’. Maar als de Prins van Oranje uit Engeland terug komt, wordt de familie Pesters weer in genade aangenomen hetgeen resulteert in de toekenning van het predicaat ‘Jonkheer’, in 1814. Jan zelf zal in 1795 onder de druk van de omstandigheden uit de bediening van zijn verschillende ambten treden. Na ruim anderhalf jaar zal hij de inval van de Fransen overleven. In 1796 overlijdt hij op de Niënhoff. 

Zijn broer Mr. Willem Nicolaas krijgt ook te maken met de pamflettenmachinerie. Hij wordt beschuldigd van een anti-Stadhouderlijke gezindheid. Maar Willem Nicolaas Pesters weet het vertrouwen van de Stadhouder te winnen en te behouden. Zijn invloed op het Utrechtse stadsbestuur wordt voelbaar in 1752, en in 1759, als na de dood van de gouvernante de voogdijregeling ten behoeve van de minderjarige Willem V in werking komt krijgt hij macht in de stad. In de steden, zoals in Utrecht, bestond het college, de vroedschap, uit regenten met een wetgevende macht. De regenten tekenen een overeenkomst waarbij hun families zich verzekeren van plaatsen in de vroedschap. Aan het hoofd van die ‘Correspondentie’ staat in het midden van de 18e eeuw Willem Nicolaas Pesters; sindsdien is zijn macht in de stad Utrecht nagenoeg onbeperkt. In 1766 wordt Willem Nicolaas Pesters door Keizer Jozef II verheven tot Rijksbaron van het Heilige Roomse Rijk. In 1753 was hij in het huwelijk getreden met Isabella van Westreenen. Zodoende wordt Willem Nicolaas Pesters verwant aan mr. A.F. Godin, die toen Burgemeester van Utrecht was. Het is bekend dat in de jaren na 1780 ook in de stad Utrecht door de Patriotten sterk geageerd is tegen de bevoegdheden van de Stadhouder. Willem Nicolaas Pesters werkt eraan mee om in de jaren 1759-1766 de Stadhouderlijke bevoegdheden te bewaren; na de meerderjarigheid van Prins Willem V in 1766 blijft zijn invloed in de Stad Utrecht even groot als zijn Stadhouderlijke gezindheid; het is duidelijk dat de kritiek van de Patriotten hem niet bespaard kon blijven; in 1782 barst  een lawine van anti-Pesterse pamfletten los. Genoemd moet worden: ‘Biographia Ultrajectina of Gulde Legende van de Stichtse Sinterklaas’. In de figuur van Pesters wordt het Stadhouderlijk regiem, met name zoals dat verankerd lag in het Regeringsreglement van 1674, aangevallen. De pamfletschrijvers spuien tegelijkertijd aantijgingen van persoonlijke aard. Inmiddels komt aan de patriotten-activiteit in 1787 een abrupt einde. Willem Nicolaas werd door een beroerte getroffen; in november 1794, twee maanden voor de inval van de Franse revolutionaire legers op het gebied van de Republiek, overlijdt hij aan de gevolgen ervan op zijn buiten, de ‘Wulperhorst  onder Zeist.  

De lijn gaat door van Jan Pesters naar zijn zoon Willem Nicolaas Pesters (1754-1831).  

Lieve Heer hertog!   Lieve Heer Oom!    Wat zulkse Luy niet van mij maken!

Deze woorden worden in de ‘Gulde Legende’ in de mond gelegd van de zoon van Jan Pesters, (1716-1796). Als hij in 1754 geboren wordt is de invloed van zijn vader in het College van Geëligeerden en die van zijn oom Willem Nicolaas in de Stad Utrecht al gevestigd. Sedert 1774 maakt Mr. Willem Nicolaas Pesters deel uit van de Vroedschap van de Stad Utrecht; vanaf 1781 heeft hij ook zitting in het College van Geëligeerden; in 1782 volgt zijn benoeming als Gecommitteerde ter Staten-Generaal voor het gewest. Door de Patriotten wordt Mr. Willem Nicolaas Pesters als Prinsgezind gedoodverfd; een genuanceerd beeld van zijn houding in die voor de stad utrecht zo bewogen dagen kan hier niet gegeven worden. 

De gebeurtenissen in het jaar 1795 maken aan de twintigjarige politieke activiteit van deze regent een voorlopig eind. De volgende twintig jaar zal Mr. Willem Nicolaas Pesters op zijn buiten doorbrengen, in Bunnik, zonder een actief aandeel te hebben in de vele transformaties die het oude gebouw van de Republiek der Verenigde Nederlanden tussen 1795 en 1813 moest ondergaan. Wanneer echter op 29 november 1813 de franse troepen de Stad Utrecht ontruimen en op diezelfde dag een provisioneeel bestuur voor stad en gewest wordt gevormd, vinden wij Willem Nicolaas Pesters weer actief; op 30 november 1813 wordt hij gekozen tot President van het Provisioneel provinciaal bestuur. [7] 

Een lang leven is deze bestuursvorm niet beschoren; in Den Haag oordeelt men het beter de zaken nog even ongewijzigd te laten. Utrecht bleef dus deel uitmaken van het Departement van de Zuiderzee. In maart 1814 zal hierin verandering gebracht worden. [8] 

De ‘Souvereine Vorst’, later Koning Willem I, belast Mr. Willem Nicolaas Pesters nu met de bevoorrrading van de vreemde troepen die de Franse legers op hun terugtocht achtervolgen; een even moeilijke als ondankbare taak. In de nieuwe Staten-Generaal, waarin de Grondwet van Maart 1815 voorzag, vertegenwoordigt Mr. Willem Nicolaas Pesters met twee anderen de provincie Utrecht. Koning Willem I verheft in 1816 Mr. Willem Nicolaas Pesters en zijn wettige nakomelingen in de Nederlandse Adelstand met de titel van Jonkheer. [9] In 1856 wordt de familienaam Pesters gewijzigd in De Pesters. [10]

In Bunnik staan of stonden langs de Kromme Rijn verschillende grote huizen of kastelen. Een van de huizen die nog bestaan is het huis Bloemerwaard. Vanaf de Provinciale weg in Bunnik richting Odijk staat het aan de linkerkant, na het spoor, verstopt achter allerlei gebouwen. Vanaf het jaagpad langs de Kromme Rijn kun je de achterkant wel zien. 

Oorspronkelijk hoorde bij de Bloemerwaard een stuk grond van 25 morgen (een morgen is ongeveer 0.85 hectare). Daarnaast hoorde bij het huis de boerderij Rijn en Dijk, die als grootste omvang maar liefst 100 morgen, dus ongeveer 85 hectare, groot was. De boerderij is afgebroken, en van de 25 morgen is ook niet veel over. De spoorlijn Utrecht – Arnhem uit de 19e eeuw en de A12 uit de 20e eeuw liepen recht over het land en er bleef maar een klein stukje over wat nog bij het huis Bloemerwaard hoorde. 

Bewoners van de boerderij waren o.a. de familie Van Zijl, Van Bemmel en Vulto.

Net als bij andere kastelen en landhuizen diende de boerderij om het huis te onderhouden als de eigenaar er niet woonde, en als inkomen voor die eigenaar. Die combinatie van huis en boerderij zie je overal in het Krommerijn gebied terug.

De 25 morgen van Bloemerwaard bestond uit 2 delen van elk 12,5 morgen. In 1637 is de ene helft en in 1644 de andere helft verkocht aan Jeremias Casteleijn. Hij is de eerst bekende bewoner van het huis Bloemerwaard en zal de voorloper van het huidige huis hebben laten bouwen. Midden in de Gouden Eeuw kochten rijke stedelingen stukken grond en lieten daar huizen op bouwen. Dat deden ze om in de zomer uit de vieze steden te ontsnappen, en het was een teken van welvaart. Zo’n buitenhuis werd meestal gebouwd aan een rivier, omdat dat de gemakkelijkste en snelste manier was om weer in de stad te komen. Voorbeelden zijn de buitenhuizen aan de Vecht en de Amstel, maar ook aan de Kromme Rijn hebben diverse buitenhuizen gestaan. Bloemerwaard stond ook dichtbij de Kromme Rijn. 

De nazaten van Jeremias Casteleijn hebben Bloemerwaard lange tijd gezamenlijk in bezit gehouden. Uiteindelijk werd alles verkocht aan Allard Rudolph van Waay, een van die nakomelingen. In 1773 verkocht hij alles aan Andries Oortman, een rijke “medicine docter” uit Utrecht. Met zijn komst begon een periode van ongekende uitbreiding. Hij kocht veel land in Bunnik (en Odijk) en verhuurde die uiteraard aan boeren.

Vanaf 1801 veranderde er veel. In 1801 werd Bloemerwaard verkocht aan Gijsbertus Achterbergh. In 1820 verkocht die alles weer aan Joseph Leijdel. Het huis werd tussendoor verhuurd aan verschillende personen, zoals C.J. van Hengst, baron De Geer en Van Ewijck. In 1860 kocht J.C. Strick van Linschoten het, en in 1899 werd het weer verkocht aan H.J. Blokhuis. Die woonde er maar kort, want in 1905 werd het al weer doorverkocht aan Van Beeck Calkoen, burgemeester van Bunnik. Die verkocht het in 1940 weer aan de heer Orie. De oorlog is dan uitgebroken, en de Duitsers vorderden het huis. Na de oorlog zaten de Canadezen er nog een poosje in, totdat ze in 1946 vertrokken. De bewoners wisselden elkaar dan af. Onder andere heeft de RK kleuterschool er in gezeten, en meester Jarich van der Zee woonde er ook een poosje. Nadat Anton van Dam (van Vrumona) erin had gewoond komt het tenslotte in 1954 in handen van de familie Van der Tol, die er nog steeds woont. 

Van het uiterlijk van het oude huis Bloemerwaard is weinig tot niets meer over. In de oorlog was het huis al eens getroffen door een bom, en daarna uitgewoond door Duitsers en Canadezen. Het huis wat er nu staat is gedeeltelijk opgebouwd uit delen van het gesloopte huis, maar het ziet er heel anders uit. (1940)

Enkele aardige feitjes over Bloemerwaard:

In 1718 werd vlak naast het huis Bloemerwaard de eerste RK kerk van Bunnik gebouwd. Aanvankelijk zal het eruit gezien hebben als een schuur, omdat de RK gemeenschap nog geen kerken mocht bouwen die te herkennen waren als kerk. Dat was na de overgang in 1580 door de Staten van Utrecht verboden. In 1769 had de kerk al een toren, wat blijkt uit een mooie gravure van Lutgers uit dat jaar.

In 1843 was er een aardbeving in Nederland, en in de krant van 10 april 1843 verscheen een artikel waarin Bloemerwaard genoemd werd:

“Deze schok van aardbeving is ook in Utrecht door eenige menschen opgemerkt, en uit Bloemerwaard, nabij Bunnik, schrijft men ons, dat ook aldaar de schok is gevoeld, zoodanig, dat de glazen dreunden, en de ringen aan een ijzeren roede rinkelden. Waarschijnlijk zal deze schudding der aarde ook elders zijn gevoeld.”  

De groep mensen die de oorlogsjaren bewust heeft meegemaakt wordt steeds kleiner. Bijzonder is het interview van Tjeerd Nielsen met zijn moeder, mevrouw A.G. Nielsen – Wit, 98 jaar, in Leeuwarden, mei 2021. Hierin geeft zij haar beleving weer van de eerste oorlogsdagen in Houten, mei 1940.  Het boek ‘De tweede wereldoorlog in Houten, ’t Goy, Tull en ’t Waal, & Schalkwijk’ noemt daarbij, dat de impact van de oorlog en de bezetting in dit gebied groot is geweest. 

Het hoofdstuk Oorlogshandelingen in mei 1940 vertelt over twee voorbereidingen in 1939 van Nederland op het dreigende oorlogsgevaar. Op de dag van de mobilisatie van Nederland, 29 augustus 1939, maakte Nederland zich klaar voor de gewapende neutraliteit, waarbij tienduizenden soldaten zich moesten melden bij verzamelplaatsen door het hele land. Op diezelfde dag stuurde het Departement van Defensie het ‘Voorschrift Afvoer Burgerbevolking’ aan alle gemeenten van ons land. Deze maatregel had tot doel veiligheidsmaatregelen te nemen voor de bevolking in gebieden waar zware gevechten verwacht werden of gebieden die geïnundeerd zouden worden. De drie gemeenten Houten, Schalkwijk en Tull en ’t Waal kwamen voor op die lijsten. 

Op 12 mei 1940  werd een gedeelte onder water gezet; Het Vechter en Oudwulverbroek. Ook een deel van Wulven en een beperkt deel van de Houtense Vlakte [tegenwoordig een deel van de Utrechtse wijk Lunetten, dat toen nog bij de gemeente Houten behoorde].  ± 2.500 inwoners van Houten, Schalkwijk en Tull en 't Waal moesten hun huizen verlaten. 

Terwijl het inundatiewater bleef stijgen kwam de bevolking van de dorpen in een benarde situatie terecht; vliegtuigen van de Duitsers scheerden laag over de Lek, de eerste boerderij [Lekdijk 26 van Jan van Rijn] was al in brand geschoten, het vee werd afgevoerd en per schip bij Schalkwijk de Lek op gestuurd, en in de nacht van 13 op 14 mei en op de vroege morgen van 15 mei trokken militairen in onafzienbare colonnes auto’s en artillerie langs de dorpen ’t Goy, Houten en Schalkwijk. Deze leger onderdelen kwamen niet alleen terug van de Grebbelinie, maar ook van de Peellinie, de grensbewaking en uit het Land van Maas en Waal. Een dichte grondmist beschermde onze troepen voor de Duitse vliegtuigen. Een meevaller, want bij helder weer hadden die een bloedbad kunnen aanrichten op de overvolle wegen. 

Op tweede Pinksterdag, 13 mei 1940, werd niet alleen een gedeelte van de bevolking van het dorp Houten en 't Goy geëvacueerd, vanwege de inundatie, maar ook Schalkwijk en Tull en ’t Waal. Dit gebeurde met de auto, paard-en-wagen of te voet. De mensen zouden naar Monster gaan. De gemeente Monster is nooit bereikt. Zij die Houten met de auto hadden verlaten, strandden in Boskoop.

Een ooggetuige van de evacuatie in Houten, mevrouw A.G. Nielsen - Wit, wonende in Leeuwarden, herinnert zich het volgende. 

Ruim tachtig jaar na de Duitse inval in ons land ontstond tussen mevrouw A.G. Nielsen – Wit [98], A.G.N.W., en mij, Tjeerd Nielsen, T.N., de volgende dialoog over de evacuatie in Houten en de vijf lange jaren van oorlog. 

T.N.: Jij zult je van die meidagen nog wel iets kunnen herinneren? 

A.G.N.W: Jazeker. Ik was toen zeventien. Ik woonde in Houten samen met mijn ouders, mijn jongere zusje en mijn twee jongere broers. Wij waren met z’n zessen. Ik zat in Utrecht op het gymnasium. Op negen mei 1940 hadden we een schoolavond. Omdat het al laat was, overnachtte ik bij een vriendinnetje in Utrecht. Omstreeks drie uur ’s nachts hoorden wij in de lucht een diep gebrom. Toen we naar buiten keken zagen wij Duitse vliegtuigen. Mijn vriendinnetje zei: ‘Het is oorlog!’ In alle vroegte ben ik naar huis gefietst, zodra het licht was geworden. Het was prachtig weer. Thuis lag iedereen nog te slapen. Niemand had iets in de gaten; ik moest ze waarschuwen. Ik wist het bij ons thuis dus als eerste. 

T.N.: Houten – dat lijkt mij toch een plek waar jullie overal dichtbij zaten, wat de oorlog betrof. 

A.G.N.W.: We woonden inderdaad op een plek waar wij overal dichtbij zaten, wat de oorlog betrof. Je had de militaire vliegbasis van Soesterberg. Woudenberg – óók militair van belang – was in de buurt. En verder was er de Grebbelinie. Wij konden thuis het schieten horen. Dan waren er de Duitse vliegtuigen, die soms zó laag overvlogen dat wij de inzittenden konden zien. Ze zwaaiden naar ons, maar natuurlijk zwaaiden wij niet terug. 

T.N.: Je hebt ooit eens verteld dat jullie in die meidagen van huis gingen.

Evacuatie Houten, tweede Pinksterdag 13 mei 1940

A.G.N.W.: Vooraf aan de inundatie waren mijn ouders gevraagd mee te willen helpen om ouderen en zieken te evacueren vanwege de Hollandse Waterlinie. Er zouden landerijen onder water worden gezet om de Duitsers tegen te houden. Mijn ouders hadden beide een rijbewijs. Wij hadden zelf geen auto, maar het garagebedrijf van ons dorp stelde wagens ter beschikking. Verder deed iedereen mee die een auto bezat. In een soort colonne vertrokken we naar het westen, richting Zuid-Holland om betrokken mensen in veiligheid te brengen. 

T.N.: Was dat niet gevaarlijk? 

A.G.N.W.: Het was een levensgevaarlijke tocht. Vanuit de lucht konden wij gemakkelijk beschoten worden. Gelukkig is dat niet gebeurd. Vader en moeder hadden ons, hun kinderen, niet alleen willen achterlaten – dus wij waren óók mee. Bij Jutphaas  [ter hoogte van het latere Nieuwegein] werden we al tegengehouden omdat er geschoten werd. Toen al raakte onze colonne uit elkaar. Ik zat in de auto die mijn vader reed. Wij vervolgden onze weg zo goed en zo kwaad het ging verder naar het westen, steeds tegengehouden door militairen die wilden weten wie in onze wagen zaten. Toen het donker werd, sommeerde men ons om niet verder te gaan. Inmiddels waren wij beland in Voorburg, waar een familielid woonde van één van de inzittenden. De rest van die eerste oorlogsdagen zijn wij in Voorburg gebleven. Daarna zijn wij weer naar huis gegaan. De evacuees, voor zover niet elders ondergebracht, hebben wij mee terug genomen. Mijn moeder was met haar auto in Boskoop terechtgekomen. Daar werd ons gezin herenigd, tot haar grote opluchting. Van pure spanningen was zij haar stem kwijt. Vóór die tijd hebben wij vanuit vaders auto Rotterdam zien branden in de verte. Wij wisten toen al van de radio, dat die stad was gebombardeerd. Terug in de buurt van Houten zagen wij dat de lager gelegen gebieden in de tussentijd onder water waren komen te staan. De wegen staken boven het water uit. De plek waar ons huis stond was hoger gelegen. Verdere autotochten met evacuees waren onmogelijk geworden. 

T.N.: Was die opdracht, jullie gegeven door de Nederlandse autoriteiten, in feite niet volkomen onverantwoord?  

A.G.N.W.: Dat idee heb ik wel. Bovendien had die Hollandse Waterlinie niet de minste zin. Er waren toch vliegtuigen? En er waren toch parachutisten? Wij leefden toch niet meer in de Tachtigjarige Oorlog? 

T.N.: Het moet een rare, chaotische toestand zijn geweest.  

A.G.N.W.: Ja, en er waren wel meer rare dingen. Mijn vader was hoofd van de plaatselijke Burgerwacht, en had opdracht gekregen bovenin de kerktoren te klimmen om te kijken of de Duitsers er al aan kwamen. Hij was hartpatiënt en kon dat niet. Daarom was mijn broertje in die toren geklommen, op zijn elfde. Natuurlijk kwamen die Duitsers eraan, Hollandse Waterlinie of niet! Toen wij terugkwamen waren onze fietsen verdwenen. Die werden door Nederlandse militairen gebruikt tijdens hun terugtocht. Ze hadden bij ons een ruitje ingeslagen in de bijkeuken. De fietsen waren weg. De hond hadden ze bij die gelegenheid buiten gelaten; die vloog ons uitzinnig tegemoet. Mijn vader kon later onze fietsen ophalen in Utrecht. Uiteraard waren ze toen al lang gestolen. Om niet met lege handen terug te komen had hij maar een paar aftandse wrakken meegebracht. 

T.N.: Hadden die militairen ook niet opa’s browning meegenomen? 

A.G.N.W.: Nee, die had hij zelf gegeven aan een Nederlandse militair die op de moment zonder wapen zat. Later heeft hij daarover nogal ingezeten, want alle schietwapens waren geregistreerd. Gelukkig is er van de Duitsers geen navraag gekomen. 

T.N.: Jullie zijn in de zomer van 1940 verhuisd. 

A.G.N.W.: Ja, mijn vader was in dat jaar benoemd tot notaris in Avenhorn. Tot die tijd was hij kandidaat – notaris in Houten. 

T.N.: Zo keerden jullie dus terug naar Noord-Holland, het gebied waar jullie familie vandaan kwam. Hebben jullie toen nog veel van de oorlog gemerkt? 

A.G.N.W.: We fietsten naar school in Alkmaar, maar op den duur niet meer; er waren geen banden meer. De bussen reden onregelmatig, en al te vaak helemaal niet. Zo misten wij nogal eens de school. Als het in de bus te vol was, moesten de schooljongens op het dak meerijden, in weer en wind. Die ‘schooljongens’, daar hoorde ik óók bij. Ik ben op kamers beland in Alkmaar, bij mensen die uit Den Helder hadden moeten vertrekken vanwege de Atlantikwall, de Duitse verdedigingswerken langs de kust. De school werd vervolgens weer gevorderd door de Duitsers, dat deden zij met alle nieuwe gebouwen. Wij moesten naar een oude school vlakbij het station. Het station is eens beschoten. De kogels vlogen door de ruiten van het klaslokaal. In 1943 heb ik mijn eindexamen gehaald. Daarna zat ik twee jaar thuis. De universiteiten waren dicht. Mijn vader heeft nog geprobeerd mij ondertussen op te leiden voor het notariaat – hij had daarvoor een bevoegdheid – maar dat lag me niet. Zelf ben ik in 1945 theologie gaan studeren, eerst in Leiden en later in Amsterdam. Zeer tot genoegen van mijn vader, die zelf graag dominee had willen worden.

T.N.: Je hebt wel eens verteld dat het dagelijks leven er juist in die latere jaren van de oorlog niet gemakkelijker op werd. 

A.G.N.W.: Dat was ook zo. Het ging geleidelijk aan, maar op het laatst was er helemaal niets meer. Wij hadden nog het geluk, dagelijks een paar liter melk te kunnen krijgen van een buurman, die boer was. Verder hadden wij zelf boeren in de familie; van één van hen kregen wij elk jaar een hutkoffer vol graan. Dat moest je nog laten malen, maar de molenaar voegde alles wat werd ingebracht samen, wat de kwaliteit beslist niet ten goed kwam. Dus maalde ik het zelf, in een handkoffiemolen. We hadden een gasinstallatie. Dat gas kwam overal ter plekke uit de sloot, en werd opgeslagen in een soort reservoir. Toen er geen stroom meer was, brachten wij het vulmechaniek in beweging door de trappers van een fiets – het zogenaamde ‘gasfietsen’. Toen er geen leidingwater meer was, konden wij toe met de regenput – waarvan trouwens op het dorp óók anderen gebruik maakten. Af en toe hakten mijn broers een boom in de tuin om; dan hadden wij weer brandhout. Maar niemand wist, wanneer dit alles voorbij zou zijn. In die jarenlange onzekerheid heeft mijn moeder soms bijna de moed verloren. Er kwamen vooral de laatste winter dikwijls mensen langs op hongertocht – uit Amsterdam onder meer. Die hadden het nog veel en veel beroerder. We zaten vlakbij het afweergeschut bij Bergen aan zee. Er zijn vliegtuigen in onze omgeving neergestort, een enkele keer nèt niet op ons huis. 

In die tijd, die voortdurend spanningen opleverde, moest je altijd op je hoede zijn, ook in wat je zei. Je had het gevoel dat je niemand kon vertrouwen. Het verraad lag overal op de loer.  Het is goed dat dit allemaal later voorbij was.

T.A.J.N. – Mei 2021 

In Nieuws over Oud schreven we dat we de aandacht zouden gaan besteden aan de bevrijding in mei 1945. Naar aanleiding daarvan kregen wij een berichtje van Jan Wieman. Hij wilde wel wat vertellen over zijn herinneringen aan de bevrijding. In dit artikel staan enkele onderdelen uit het interview met Jan Wieman.

Weg bij de spoorbrug

Jan is in maart 1938 geboren in het huis van zijn ouders aan de Rietput (bij de spoorlijn aan de Achterdijk A180). Zijn vader was bij de spoorwegen. Jan vertelt: "Wij woonden toen vlak bij de Culemborgse spoorbrug. Daar was het niet zo veilig om te blijven wonen. Toen zijn we in de oorlog verhuisd, niet verhuisd maar ingetrokken bij mijn opa en oma, van Kool Transport. Dat heette toen Lagedijk [nu Overeind, ce], het huisnummer ken ik nog. Dat was A63. Ik denk dat we toch zeker wel een 2 of 3 jaar aan de Heul gewoond hebben. Want er werd nooit over Schalkwijk gesproken. Altijd, we gaan naar De Heul."

Kind in de oorlog

Jan vertelt dat hij als kind niet veel wist over hoe de oorlog verliep. Hij zag natuurlijk de Duitsers overal in het dorp maar mocht als kind absoluut zelf niet naar de radio luisteren. Van Dolle Dinsdag (6 september 1994) heeft hij niets gemerkt. Zo af en toe hoorde of merkte hij wel eens wat zoals bijvoorbeeld over de spoorwegstaking vanaf 17 september 1944. "Toen is mijn vader nog ondergedoken geweest, toen bij de spoorwegstaking. Dat kwam toen over Radio Oranje 'De kinderen van Versteeg moeten  onder de wol'. Dat was het signaal dat de mensen opgeroepen werden tot de staking." Het verhaal van de spoorwegstaking heeft zijn vader later aan Jan verteld. Jan merkte ook wel eens dat bijvoorbeeld zijn oom Henk Kool regelmatig weg was, hij zat bij het verzet.

Duitsers

Tijdens de oorlog zaten er op verschillende plekken Duitsers in Schalkwijk: "In het café bij Hommelberg daar zaten Duitsers. Daar heeft ook nog een tijdje, zo'n soort kanon of iets gestaan. Maar daarvan heb ik nooit gehoord, of gemerkt, dat daarmee geschoten werd. 

Wat ik wel altijd frappant vond dat die Duitsers vermoedelijk instructies kregen. Dat er zo'n hele groep Duitsers, marcherend met een stoel ergens naar toe gingen en een paar uur later zag je ze weer terugkomen. Dan gingen ze, denk ik ergens heen voor instructie. En dan kwamen ze weer terug. Ze liepen nooit op de Provinciale weg, maar altijd op de Lagedijk.

Regelmatig zag je Duitsers voorbij marcheren. En altijd strak in het gelid. Je zou er een liniaal langs kunnen leggen." 

Op een gegeven moment kon Jan ook niet meer naar de jongensschool, de Henricus-school, in Schalkwijk omdat daar ook Duitsers zaten. 

Als kind hoorde hij alleen maar slechte dingen over de Duitsers. Dan nam je wel eens grote risico's. Jan vertelt over die keer dat er een Duitse legertruck achteruit geparkeerd stond in het steegje naast het huis van zijn opa. "Toen zie ik daar achter in zo'n kastje een blik staan, in die truck. Dus ik griste dat doosje mee. En als de sodemieter achter de auto om zo naar binnen toe en aan mijn oom gegeven. 'Waar haal je dit vandaan?' Ik zeg, van de moffen uit de auto gehaald. Toen kreeg ik op mijn falie 'Kijk uit, dat mag niet!' Maar ja, toen zat er scheergerei in met een doos scheerzeep. Daar waren ze gelukkig mee. Die dingen die weet ik nog wel, als jongen, die er gebeurden.'" 

Fahrrad ruilen?

"Aart Vermeulen was een jaar of vier, vijf ouder dan ik en woonde achter het huis van mijn opa en oma. Zij hadden thuis 10 of 11 kinderen. Die reden op een hele ouwe fiets zonder banden en zo. Toen komt er een Duitser voorbij met een hele mooie fiets. Wij staan daar langs de weg. Daar komt die Duitser aan en Aart komt daar ook op zijn rammelende fiets aan. Zegt ie tegen die Duitser 'Fahrrad ruilen?' Die Duitser, wat hij zei dat weet ik niet, maar hij gaf een snauw in ieder geval."

Inundatie en bouw schuilkelder

Van gevechtshandelingen en bombardementen op de Heul kan Jan zich niets herinneren. Behalve uit de aanwezigheid van Duitsers kwam de oorlog nog op een andere manier dichtbij. Vanaf februari 1945 werden er stukken onder water gezet door de Duitsers. Al eerder was er voor de buurt een schuilkelder gebouwd

"Op de Lagedijk, daar had je het kaaspakhuis en dan twee bruggen verder. Daar is het lager en daar stond de zaak onder water. Daar lagen toen brokken steen, daar lagen planken over, daar kon je overheen lopen. Daar gingen wij dan staan vissen. In de Schalkwijkse Wetering zat toen vrij veel vis. Daar gingen wij staan vissen. 

Voorbij het kaaspakhuis had je een fruitboomgaard met ouwe bomen. De Hoge Bogaard heette dat, werd het altijd genoemd. Daar hebben ze toen in hun vrije tijd, mensen, ik weet niet wie dat gedaan hebben, een schuilkelder gegraven. Ik weet nog wel dat er balken overheen gingen en een trap gemaakt in de klei uitgestoken. Dat we er een keer in gezeten hebben maar verders niet. Later gingen we er wel spelen. Toen stond er een laag water in en daar zwommen de kikkers in."

Honger en gebrek

"We hebben nooit armoede gekend, wat eten betreft. Mijn opa had een koe. Clandestien werd er dan een varken geslacht, want dat mocht ook niet. Hij had ook een moestuin.

Mijn opa verbouwde ook aardappels. Dan probeerden we wel eens aardappels mee te pikken van hem. Want er kwamen mensen uit de stad. Dan hadden ze een molentje gemaakt. Die kreeg je dan voor een of twee aardappels. Je was toen een jaar of zes.

Mijn opa die ziet een keer dat er een kat doodgereden werd, op de Provincialeweg. Hij gaat er gauw naar toe en die neemt de kat mee en die vilt hij. 

Dagelijks kwamen er mensen uit de stad aan de deur die om eten vroegen, zo maakte mijn oma dagelijks een aantal sneetjes brood klaar die dan gegeven werden. Als de klaargemaakte boterhammen op waren was het voor die dag gedaan. Aan een van hen is toen ook die kat gegeven. Dat mijn opa zei: Ik heb hier wel wat. Het is goed, gegarandeerd, mankeert niks mee. Maar het is geen konijn, het is een kat. Hij zegt: Ik heb de kop er af gesneden, die mag je meenemen. En toen, dat heb ik dan zelf niet meer gezien, maar wel dat die man het meenam. En dat hij een week of 14 dagen later kwam met de mededeling: Hartstikke bedankt, we hebben in jaren niet zo gegeten. Maar dat was een kat.

In de oorlog verbouwde mijn opa zelf tabak. Met een mesje zat hij dan de nerven in te snijden. En dan moesten die bladeren drogen. Kwam niet aan zijn tabaksplantjes. Die waren meer als heilig. Het stonk altijd, die zooi. Ik weet wel dat hij er altijd mee bezig was. In zijn moestuin had hij dan tabaksplanten staan."

De bevrijding

"Op 7 mei kwamen de Canadezen over de Lekdijk uit de richting Wijk bij Duurstede en naar Tull en 't Waal. Ik weet nog waar ik stond. Je had daar aan de Heul die trap naar de dijk toe. Met mijn oom Piet Kool, daar was ik achter op de fiets mee meegegaan. Dat was een broer van mijn moeder. Daar stonden we toen denk ik 10 minuten en toen kwamen de eerste jeeps. 

Wat ik mij ook nog heel goed voor de geest kan halen, dat was een vrouw uit Schalkwijk, Gradda Werkhoven. Die was zo enthousiast en die kreeg een klap van een spiegel van zo'n jeep, en zij ging neer. Ze werd aan de kant in de berm gelegd totdat de Canadezen voorbij waren. Gradda Werkhoven woonde met haar ouders aan de Pothuizerweg, als wij vanuit de Rietput naar de Heul liepen, was het het eerste huisje links van de weg waar de familie Werkhoven woonde.

Ik weet nog dat ik toen, toen ik terugkwam, van mijn moeder op mijn donder kreeg. Hoe ik dat had durven doen. Toen kreeg mijn oom ook nog van mijn moeder een uitbrander."

Na de bevrijding

Hoe en wanneer precies de Duitsers wegtrokken en hoe het zat met Militaire Gezag en de terugkeer naar het normale bestuur en normale leven weet Jan niet meer. Daar lette je niet op als kind van 7 jaar oud. Wel zijn er andere zaken die Jan zich nog levendig herinnert.

"Wat ik me herinner dat er in één keer allemaal vlaggen tevoorschijn kwamen en ook speldjes. Dat ik denk, waar komen die vandaan? Hoe komt dat in een keer? En oranje lintjes. Dat is voor mij altijd onduidelijk gebleven. Het verbaasde mij toen wel. Ik denk, hé hoe kan dat. 

De Duitsers waren weg en wij terug naar de Rietput. Het huis was min of meer heel. De Duitsers hadden er wel huisgehouden. Mijn vader had toen een fiets, een vrij nieuwe fiets. Die had hij op zolder, helemaal boven in de balken gehangen, maar die was ook weg.

Wat ik wel heb gezien, dat er na de bevrijding, bij kapper Vermeulen, aan de Provincialeweg (nu Jhr. Ramweg, ce) dames kaalgeschoren werden die geheuld hadden met de Duitsers."

DDT

Na het vertrek van de Duitsers konden de jongens weer naar de Henricusschool. Een van de dingen die Jan zich nog levendig herinnert, is de komst van onbekenden die op school kwamen controleren op luizen.

"Ik verbaas mij nu eigenlijk nog steeds over. We zaten dan in school. Toen kwamen er mensen, waar die vandaan kwamen weet ik niet. Die keken dan naar je hoofdhuid of zo of er geen luizen zaten. Dan moest je achter elkaar en klas voor klas de gang in. Dan stonden er naast de deur twee of drie mensen met een grote spuit en die spoten aan de voorkant en achterkant onder je kleren met poeder. En achteraf bleek dat DDT geweest te zijn. En denk je, ja jongens, hoe is dat in godsnaam mogelijk. Ik zie me nog staan. Aansluiten en dan ging je weer naar binnen." 

Wapens en munitie

Jan kan zich niet herinneren dat er na de bevrijding her en der nog munitie lag. Toch kwam hij daar mee in aanraking. 

"Die oom van me (Henk Kool), die was altijd onderweg en had van die hulzen waar het slaghoedje nog in zat. Die heeft hij toen bewaard en toen de oorlog voorbij was wilde hij die toch wel tot ontploffing brengen. Als zondags 's morgens opa en oma naar de kerk waren. Daar achter woonde Paul de Kruijf, en daar stond ook een berging met daar bovenop een hooizolder. Die was wel open. Dan had mijn oom zo'n grote steen die daar voor lag. Hij ging dan in de hooiberg. Dan had hij die grote huls. Dan had hij klei gemaakt of stopverf, wat hij ook had. Dan dekte hij dat slaghoedje af. Dan zette hij een ijzeren pen of een spijker en dan dat ding zo laten vallen op die steen. Dan klapte die. Er werden soms wel drie pogingen gedaan voor dat die klapte. Dat hebben we verschillende keren gedaan.

Toen wij weer bij de Rietpunt woonden, kwam mijn oom. 'Ik kom even was visjes vangen.' Toen had hij een handgranaat en die gooide hij in de Rietput. Binnen de kortste keren kwam er van alles boven. Toen ging hij met een zak met vis weg."

Kind na de oorlog

"Na de oorlog ging je de polder in, slootje springen en snoeken strikken. Met een koper draadje snoeken strikken. Toen zaten ze er echt, het water was toen nog helder. Gewoon een bonenstaak had je dan. Eerst een touw en dan koperdraad en dan een strik en dan heel voorzichtig, als je een snoek zag staan, heel voorzichtig voor zijn kop langs. En dan net achter zijn kop omhoog. Dat lukte vrij regelmatig. Om aan een koperdraadje te komen sloopten we een dynamo van een fiets. Dat was na de oorlog. School en verders had je niks.

Wat je ook deed, is spelen met de jongens van Vermeulen. In het kaaspakhuis had je planken waar de kaas op lag. Die moesten eens in de zoveel tijd schoongemaakt worden. Dat gebeurde in de Wetering. Dan werd er een soort vlot gebouwd van die kaasplanken. Die dreven dan gewoon als één vlot in de wetering.

Voor jongens van onze leeftijd, acht, negen jaar, was dat een prachtige speelplaats."

Auteur: Christ Essens

De freule aan het woord

Mij is gevraagd om mijn herinneringen over Zeist mee te delen. Ik ben Joanna Margaretha Elisabeth van de Poll (1872-1970). Natuurlijk zit ik, zo aan het eind van mijn leven, vol aan herinneringen. Waar zal ik mee beginnen of waar zal ik eindigen? Eigenlijk ben ik pas vanaf 1880, toen ik 8 jaar was, bewust geworden van hetgeen in Zeist gebeurde; daar kan ik over spreken. 

Zeist was een mooi, rustig bosrijk oud dorp met prachtige buitenplaatsen en herenhuizen. Zoveel van die herenhuizen zijn nu verbouwd tot flatgebouwen. Zoals een oude zeisterse weduwe mij onlangs  schreef: Hoe vindt u het toch dat al die mooie huizen vogelkooitjes worden met zaadbakjes ervoor?

Middelpunt van het eigenlijke dorp vroeger was het Rond met de twee Dorpsstraten. Het eind van het dorp was waar nu de winkel van Kraal staat en waar de eikenhouten bosjes begonnen.Persoonlijk betreur ik het dat er zoveel veranderd is en het dorp een druk roezemoezig stadsbeeld geeft en zijn eigen aardig cachet volkomen verliest. 

Zeer te betreuren is de verhouding tussen de mensen onderling . Vroeger was het heel merkwaardig. Er was een heel groot verschil in stand. Daarentegen een veel grotere band tussen die mensen onderling. Veel meer persoonlijke belangstelling en vriendschap voor elkaar. Nu is dit nog slechts bij enkelen over gebleven. Op "Beek en Royen", waar wij 92 jaar gewoond hebben, kenden wij alle families in de Dorpsstraten. Wij wisten van elkaar de verjaardagen. Wij keken wie er kwam en wie er niet  kwam, niet uit nieuwsgierigheid maar uit interesse. De rust van het dorp kunt u zich zeker niet voorstellen. 

De kinderen knikkerden op straat. Er was helemaal geen gevaar. Mijn vader gooide wel eens een paar chocolaadjes naar beneden om ze te paaien. Zij speelden haasje – over, over de paaltjes van de Laan van Beek en Royen. Zo stil was het dat wij 's avonds in de zomer aan de voorkant op straat konden theedrinken en het aardig vonden als er eens een wagen voorbijkwam of een equipage van de buitenplaatsen. 

Een cultureel leven was er in Zeist eigenlijk niet. Dat is pas begonnen in 1870. Toen de oprichting plaats had van de afdeling Zeist van de Maatschappij van Toonkunst door mr E.B. Labouchère en mijn vader. In 1882 volgde de oprichting van de Harmonie door mijn vader, Herman Meerdink en Herman Lentz. Vóórdien was er steeds het prachtige orgelspel van Herman Meerdink in de kerk en alleen de kerkmuziek bij de Hernhutters. 

Hoe zeer men eigenlijk in die tijd behoefte had aan muziek bleek uit het feit dat tijdens de repetities van de Harmonie in de Nieuwe Sociëteit, die op de hoek van de Hogeweg en de Donkere Laan stond, een groot publiek daarnaar kwam luisteren, steunende op hun rijwielen; een paard en wagen dat er langs kwam, moest maar een eindje om rijden, want ze wensten niet gestoord te worden.

Een groot verschil was er ook tussen armen en heel rijken. Er was geen armenzorg. Alles kwam eigenlijk neer op de weldadige dames, de gezusters Voomberg, mevrouw Van Loon van "Hoog Beek en Royen", mevrouw Pauw 5) van "Pavia" en mevrouw Labouchère van het Slot. Uitgaande van het principe de rechterhand mag niet weten wat de linker doet. De dames deden liefdadigheid in alle stilte .

Veel dankbaarheid was er niet. De dames hadden hun vaste dagen, waarom men mocht komen, eigenlijk bedelen. Op de dag dat mevrouw Van Loon het uur had om hen te woord te staan, verzamelden de vrouwen zich allemaal op de hoek van de Laan van Beek en Royen en de Oriebergseweg. En wij konden vanuit onze open ramen de commentaren horen over die arme mevrouw Van Loon, en arm was zij in dat opzicht, die ongezouten besproken werd . Zo kwam er eens een harde stem, die riep toen zij terug kwam: "Nou dat mens, dat kreng, heeft vandaag maar weer f 1,-- gegeven".

Langzamerhand werd duidelijk dat die arme gezinnen de betrokken dames schromelijk voor de gek hielden. En zij namen een Zeistenaar om controle uit te oefenen. Ook dat hielp niet. Later werd Armenzorg opgericht en de dames waren doodongelukkig dat de particuliere liefdadigheid aan banden werd gelegd en dat zij in het vervolg een verklaring moesten ondertekenen van alles wat zij gaven. Maar dit was hoognodig en droeg bij om bedrog tegen te gaan. Gelukkig dat de sociale zorg in steeds betere banen werd geleid. Zo waren er op allerlei gebied verbeteringen aangebracht die thans onmisbaar zijn en die ik zeer zeker erken. Veel moois van vroeger behoort tot het verleden en daar kan ik nog wel eens zeer naar terug verlangen. 

‘Elke plaats had toen haar eigen dorpsgekkies’

Gaarne zou ik nog iets willen vertellen van de types die Zeist vroeger had. Elke plaats had toen haar eigen dorpsgekkies. Ook Zeist. Men liet ze kalm hun gang gaan. Nu zouden ze opgenomen worden in een inrichting, maar die bestonden vroeger nog niet. En bejaardentehuizen waren er ook nog niet. Er was een zekere jongeman van ongeveer 20 jaar, voor zover als ik mij herinner, Jantje van de Achterheuvel. Hoe zijn achternaam was, weet ik niet. Een treurig uiterlijk , hangende traanogen en een hinkende manier van lopen, maar doodgoed. Zo betrouwbaar dat vrouwen die op een drukke dag geen raad wisten met hun kinderen hen geheel aan hem toevertrouwden. Jantje, die met de kinderwagen er op uit ging, kwam weer vrolijk en vriendelijk terug met het kind, goed verzorgd en op tijd thuis. Geen mens die hem kwaad deed, ook geen jeugd . Dan was er Keesje Post. Die was heel anders . Het was een onschuldige gek, maar die de malste dingen verzon. Eens had hij kans gezien om in de molen op de Bergweg een zak met meel te veroveren. Hij strooide het meel uit op de grond en wentelde zich daarin. Spierwit kwam Keesje te voorschijn. Hij nam toen een paraplu waar alle zijde uitgetrokken was, zodat alleen de baleinen overbleven en bond aan elke balein een dode rat. Zo kwam hij langs ons huis. Wij, kinderen, hadden natuur lijk dolle pret, maar men liet hem kalm gaan. Later is hij in het slootje van de  Blikkenburgerlaan gevallen en verdronken. 

Bij de brand van de Broedergemeente onlangs is mij weer te binnen geschoten wat Keesje ook eens deed. Er was een binnenbrandje in een huis op het Zusterplein. Mijn broer  ging er heen en hielp van alles, dus kostbaarheden; uit het huis te halen. De politie stond nog niet bij de brug om de mensen tegen te houden. Keesje ging er ook heen en ging eens kijken of er niets te pakken was in de keuken. Toevallig was er net een verjaardag geweest, dus Keesje vond klieken van de taart en flessen wijn. Hij ging met zijn kornuiten midden op het Zusterplein in het gras zitten en ze deden zich heerlijk te goed en lieten de hele boel maar branden.

Nu komen er een paar Zeistenaren, die waren niet krankzinnig maar toch wel een beetje vreemd . Daar had je Zwarte Hans, die was zwart van haar en heel klein. Ook zwart in alle rimpels van haar gezicht, want daar kwam nooit een spons bij te pas. Zij werd een paar keer per jaar door mijn moeder aangeroepen om de gele steentjes van het trottoir, waar het gras tussen groeide, schoon te maken. De goede ziel deed dat op haar knieën op een oud stuk tapijt en met behulp van een kromme spijker. Als alles schoon was, werd zij zelf later geschrobd en met loog afgewerkt. Dan was er Piet de Peel, die in een tentje in de schaatsenrijders tijd met een pot rokende turf op de Blikkenburgervaart borrels en warme dranken verkocht. Dan was er juffrouw Lutteberg, genaamd Lut, die leefde in adoratie van de gezusters Van Loon, Pauw en Labouchere. Urenlang stond zij te wachten bij het hek van "Hoog Beek en Rooyen" om maar een glimpje op te vangen als mevrouw Van Loon thuis kwam. Dan was er Cornelia Jansen, die in 1885 nog geen afstand kon doen van haar crinoline. Die prachtig schaatsen reed, buitenover tot groot vermaak van de zoons van Labouchère van het Slot, die reden met haar, maar konden alleen met de hand de hare bereiken vanwege de crinoline en zo zwierden zij met haar in brede slagen over de Slotvijver, tot groot vermaak van het publiek. 

In de Broedergemeente was een broeder Grasman. Hij deed voor de gemeente boodschappen en bracht de brieven op de post. Het postkantoor was toen in de lste Dorpsstraat. De beambten hadden het niet bijzonder druk. Eén van hen had gemerkt dat broeder Grasman wanneer hij een brief in de bus had gedaan terugliep en telkens omkeek of de brief er wel in lag. Toen Grasman goed en wel bij het Schneiderhotel was, liet de postbeambte de brief weer heel voorzichtig halverwege uit de bus piepen. Zo gebeurde dat enige keren en elke keer vloog die arme Grasman er in en holde weer naar de bus toe. Net als hij het puntje van de brief wou pakken, zakte de brief weer naar binnen. Dit was eigenlijk een onschuldige voor- de-gek-houderij, maar toch nog wel geestig.

Zo, nou is het op!

Afscheid van 'Beek en Royen'

Zeist. Joanna Margaretha Elisabeth ("Zus") van de Poll (1872-1970), ook wel freule Jo genaamd, was van  beroep pianiste en dol op muziek evenals andere leden van haar familie, die in 1861 het Huis "Beek en Royen" aan de 2e Dorpsstraat nummer 56 gehuurd had en later in eigendom verkreeg. Zij was er zich echter ook van bewust dat met haar de protestantse Zeister tak van het geslacht Van de Poll zou uitsterven. Ook realiseerde zij zich dat na de Tweede Wereldoorlog bewoning van "Beek en Royen" door haar alleen niet langer mogelijk zou zijn, niet in het minst om financiële redenen want haar tak was niet erg bemiddeld. Met de N.V. Schokbeton te Kampen, die belangstelling toonde voor  het pand en de tuin aan de Lageweg, was zij reeds sedert 1946 in gesprek. Uiteindelijk resulteerden de onderhandelingen in een verkoop in 1951. Freule Jo verhuisde naar  de Arnhemse Bovenweg 4. 

Tevoren waren alle verre familieleden Van de Poll afscheid komen nemen van "Beek en Royen". De waardevolle spullen (portretten, zilverwerk en porselein) werden ondergebracht in een familie-stichting: Van de Poll-Wolters-Quina Stichting. Onderdelen van het familiearchief op Huize "Beek en Royen" gingen naar uiteenlopende musea en instellingen. Ogenschijnlijk de minst 'waardevolle' onderdelen van haar archief bewaarde zij vooralsnog. Daar had freule Jo andere plannen mee. 

Haar vader, Jhr. E. H. van de Poll (1823-1909) (RNL,GGG) en haar broer Jhr. MI: Dr. F. van de Poll (1860-1937) (R.O.N. met de zwaarden), waren beiden lid van de gemeenteraad Zeist geweest en nauw verbonden met  het muziekleven als voorzitter van  het Koninklijk Zeister Harmonie Muziek gezelschap. De Nederlands Hervormde gemeente te Zeist was het kerkelijk tehuis van de familie maar in politiek opzicht waren vader en zoon Van de Poll liberaal. De familie behoorde tot de regentengeslachten van Amsterdam, die door Koning Willem I in de adelstand waren verheven. Grootvader Frederik van de Poll (1780-1853) was na een ongelukkig optreden als burgemeester van Amsterdam ontslagen. Zijn benoeming tot gouverneur des Konings in de provincie Utrecht zag hij als een rehabilitatie maar ook dit ambt liep minder goed dan gewenst. Na eerdere problemen werd hij in 1850 op voordracht van Thorbecke door Willem III ontslagen. Vader Jhr. E. H. van de Poll was tot 1901 inspecteur bij de Rijksdienst Registratie en  Domeinen. Tevens was hij van 1862-1902 directeur van de Levens-Verzekeringsbank "De Kosmos" te Zeist, waarvan later  het kantoorgebouw letterlijk in zijn tuin werd gezet! Zijn zoon Jhr. E van de Poll (2) was van deze verzekeraar eerst adjunct-directeur en   later commissaris. Het faillissement van  deze maatschappij leidde in 1922 tot de eerste toezichtswetgeving op de levensverzekeraars in Nederland. 

Het prestige van de familie Van de Poll te Zeist had vanwege de nauwe banden met de amateur muziekbeoefening hier niet onder geleden. Deze broer van freule Jo, Frits, was zoals zo velen van adel erg geïnteresseerd in genealogie, familie-en lokale geschiedenis. Vier jaar vóór zijn overlijden had hij in de Zeister Courant van 22 juli 1933 de suggestie gedaan om te komen tot een nieuw historisch museum in Zeist. In het in 1924 door de gemeente Zeist in eigendom verworven Zeister Slot is een zendingsmuseum vóór 1940 van de Zeister Broedergemeente gevestigd geweest. Naar aanleiding van een schenking van aquarellen betreffende het Huis Kersbergen sprak het gemeenteraadslid Geijtenbeek (RKS!') op 15 december 1937 de hoop uit dat "er alle aanleiding zal zijn een blijvende tentoonstelling in het leven te roepen hetgeen een attractie voor deze gemeente zal vormen". Er was dus kennelijk een bredere voedingsbodem voor deze gedachte van Jhr. F. van de Poll. Voorts werkte de Zeistenaar C. Pama aan een geschiedenis van Zeist die in drukproef met het jaartal 1940 in de collectie van het Zeister Historisch Genootschap Van de Poll Stichting aanwezig is. Deze gedachte van  jonkheer Frits kreeg in 1933 geen verdere vorm. Na de Tweede Wereldoorlog pakte zijn zus Jo de idee weer op en in 1949 stond zij in contact met het gemeentebestuur van Zeist om te komen tot een lokaal historisch genootschap, waaraan zij de naam van haar broer wilde verbinden. Op 24 september 1951 werd de Van de Poll Stichting opgericht. Freule Jo fungeerde  als oprichter en tot haar dood als beschermvrouwe. Elf koffers vol met papieren legateerde zij na haar  dood in 1970 aan de door haar gekoesterde Van   de Poll Stichting.

Het  toenmalige bestuur aanvaardde de koffers volgaarne en zette ze in de kelders van  het Zeister Slot. Op 12 maart 1988 verleende het bestuur; op voordracht van het toenmalige lid van de Raad     van Beheer Drs. B. Woelderink, thans directeur van  het Koninklijk Huisarchief te s-Gravenhage, opdracht tot inventarisatie. Het Prins Bernard Cultuurfondsfonds te Amsterdam verleende daartoe een subsidie van f 50.000,-. De Zeister gemeentearchivaris, R.P.M. Rhoen, toen lid van  de Raad   van  Beheer, bracht op 23 november 1990 persoonlijk de elf koffers naar Amsterdam, waar op  het gemeentearchief aldaar Drs. B.R. de Melker aan  het werk toog. Vrijdag 20 juni 1997  kon in de Willem  Pijperzaal van  Hotel "Figi" door    de gemeentearchivaris van Amsterdam de voltooide inventaris aan  mij worden aangeboden. In 1998 verscheen de inventaris in druk (3). 

Voor de historie van het Huis Oranje-Nassau zijn vooral de brieven van  de zussen van freule Jo, Jkvr. F.L.H. (Henriëtte) van de Poll (1853-1946), hofdame sinds 1880 van Koningin Emma en superintendante van de opvoeding van Koningin Wilhelmina in de periode 1891-1896, hofdame du Palais tot het overlijden van   Koningin Emma in 1934 en Dame du Palais honoraire tot haar dood in 1946, en Jkvr. Pauline Louise ("Lou") van   de Poll (1857-1943), Dame du Palais belast met de opvoeding van prinses Juliana (K. B. van  1 december 1909), eervol ontslag bij K.B. van 1 maart 1920 met behoud van  de titel Dame du Palais honorair aan de familie op "Beek en Royen", van groot belang. 

Brieven gekuist ..

Vanaf 1 februari 1880 deed freule Henriëtte dat dagelijks. Deze correspondentie is ook gebruikt met toestemming van het  bestuur door Cees Fasseur voor: Wilhelmina. De jonge Koningin, Uitgeverij Balans, 1998. Freule Jo heeft de correspondentie van haar zusters wel "gekuist". Te grote openhartigheid van de hofdames over leden van het  Koninklijk Huis en de hofhouding is door de censuur van freule Jo geschrapt. Daarmee heeft de briefwisseling een gedeelte van haar historisch belang verloren. Onderzoekers kunnen nu nog slechts gissen naar de verontwaardiging van freule Henriëtte over het gedrag van Koning Willem III! 

Met de verhuizing in 1951 uit "Beek en Royen" kwam een einde aan de particuliere bewoning van  het Huis "Beek en Royen". Voor  de toekomst was de Van de Poll Stichting opgericht met een  kapitaal van f25,-. Op 5 december 1949 had het College van B en  W van Zeist besloten de juridisch adviseur van freule Jo, de advocaat Mr. FA. Beunke, compagnon van Mr. H.L.L. van Hoogenhuyze, op 12 december d.a.v. te ontvangen "ten behoeve van  de vorming van een stichting voor bewaring van oudheidkundige voorwerpen". Bijna twee jaar later had zij het monument voor haar broer Frits opgericht. 

Wat gebeurde er tijdens de Tweede Wereldoorlog in ons dorp? Voor het project Oorlog in mijn dorp zoekt Cultuurplatform Bunnik lokale verhalen en spreekt met ooggetuigen.

Vandaag het verhaal van Albert Polman (79), oud-opzichter van Fort Rijnauwen in Bunnik. Albert werd op landgoed Rijnauwen geboren, toen de oorlog al een jaar gaande was. Met zijn ouders en vier zussen woonde hij in het huis met de rieten kap tegenover de ingang van Fort Rijnauwen. Zijn vader was boswachter en beheerder van tennispark Rijnauwen.

Fusilladeplek

‘Ons huis was in de oorlog niet gevorderd. Fort Rijnauwen werd wèl gevorderd door de Duitsers als munitieopslagplaats. Tijdens de oorlog lieten de Duitsers vrijwel niemand op het fort toe, maar na de oorlog bleek welke gruwelijkheden zich er hadden afgespeeld. Naar schatting zijn hier tussen de 54 en ruim honderd Nederlandse en Belgische verzetsstrijders gefusilleerd. Ook in de jeugdherberg verderop hadden Duitse officieren hun intrek genomen. Zelfs de tennisbanen waren in bezit van de Duitsers. De officieren sloegen graag een balletje op het tennispark, dat door mijn vader werd beheerd.’ 

Daar, niet ver van het hol van de leeuw, groeide de jonge Albert op in het boswachtershuis. In de oorlogsjaren gingen zijn oudere zussen gewoon naar school. Albert vermaakte zich in en rond het huis. Hoewel Albert jong was, kan hij zich nog momenten en verhalen van de oorlog herinneren.

Radio

‘Zo had mijn vader een radio verstopt in huis en dat was streng verboden. Poolse soldaten die voor de Duitsers moesten werken, kwamen hier door het open raam naar de Engelse radio luisteren. Hier verderop bij Tennisvereniging Rijnauwen had mijn vader in het verenigingsgebouw tussen de wanden een zender verstopt. Op een avond zag een officier een kastdeur in een van de dubbele wanden van het verenigingsgebouw openstaan en hij kreeg argwaan. Dagenlang werd mijn vader door de SS verhoord op het kantoor aan de Maliebaan in Utrecht. Gelukkig wist mijn vader ze van zijn ‘onschuld’ te overtuigen en werd hij weer vrijgelaten.’ 

‘Maar goed dat de Duitsers niks door hadden, want wat ze niet wisten was dat mijn vader waarnemend commandant van de ondergrondse Binnenlandse Strijdkrachten (BS) was. Hij sprak er zelf nooit over, maar ik hoorde het later van mijn oudste zus en mijn moeder. Ik herinner me wel de speciale banden om zijn mouwen. De Duitsers hebben de zender overigens nooit gevonden en deze kon dus in gebruik blijven om informatie uit te wisselen met de Engelsen, mogelijk over bombardementen van het spoor of wapendroppings.’  

Geweren

‘Wat mijn vader nou precies deed, weet ik niet. Maar ik weet wel dat er thuis geweren onder de divan lagen. Die geweren en munitie werden verdeeld. Munitie mocht je natuurlijk ook niet in huis hebben, maar mijn vader als boswachter en voormalig jachtopziener mocht dat nog wel. Op een gegeven moment zaten er Duitse soldaten binnen óp de bank terwijl de munitie er ónder lag. Ik herinner me het verhaal dat mijn vader op de fiets uit Zeist kwam met een karretje waarin geweren verstopt waren. Hij werd aangehouden door Duitsers die de weg vroegen en gaf ze een lift. Toen mijn opa bij het Tolhuis in Bunnik, waar hij woonde, mijn vader aan zag komen met de Duitsers schrok hij zich rot. Hij dacht: dit wordt zijn dood. Totdat bleek dat deze Duitsers geen idee hadden en gewoon uitstapten.’

Honger

‘Echt honger hebben we trouwens niet gehad. Mijn vader had een goed salaris en een groentetuin en als boswachter mocht hij overtallig wild afschieten, zoals duiven of konijnen. Het eten werd verdeeld onder de familie. Ook herinner ik me dat boer Van Oostrom die op boerderij De Prins woonde (nu restaurant Vroeg) van alles weggaf wat hij had.’

Bevrijding

‘Bunnik en Utrecht zijn mei 1945 door de Canadezen bevrijd. Wij woonden achteraf, dus ik heb er weinig van meegekregen. Ik herinner me wel dat alle kerkklokken luidden. In Utrecht kwamen de Canadezen via de Biltstraat de stad binnen en werd de bevrijding uitbundig gevierd, zo heb ik later op foto’s en filmpjes gezien. Mijn vader zal er best bij zijn geweest. De Duitsers in fort Rijnauwen en de jeugdherberg hebben plaatsgemaakt voor de Canadezen. Op het weiland achter huis De Eik aan de Vossegatsedijk verrees een groot NSB-kamp.’

‘Na de oorlog beheerde mijn vader als boswachter ook het terrein op fort Rijnauwen, waaronder de voormalige fusilladeplaats. Hij trof er 19 houten palen met kogelgaten aan, waar de verzetsstrijders aan vast werden gebonden. Tijdens de oorlog had mijn vader door het aantal schoten dat hij hoorde kunnen bijhouden hoeveel verzetsstrijders er waren gedood. Vanuit onze slaapkamers zagen we destijds de auto’s van de Duitsers aankomen. Vanaf de Gansstraat werden de verzetsstrijders naar de fusilladeplaats van Fort Rijnauwen gebracht en met een lijkauto werden ze weer weggevoerd.'

Monument

In de jaren 70 werd Albert opzichter van het fort Rijnauwen en werkte hij jarenlang voor Staatsbosbeheer. In die jaren zochten vele nabestaanden contact over hoe hun familie aan hun eind was gekomen. Van 54 personen is de identiteit achterhaald. Bij de executiepalen werd een gedenkmuurtje geplaatst ‘Opdat wij nooit vergeten.’ In 1985 is de klokkenstoel geplaatst en sindsdien vindt jaarlijks de dodenherdenking op het fort plaats. Albert Polman is er vaak bij geweest en hij woont nog steeds in zijn ouderlijk huis tegenover de ingang van het fort. 

Op 5 mei herdenken we elk jaar de tweede wereldoorlog. Wat gebeurde er tijdens de Tweede Wereldoorlog in ons dorp? Voor het project Oorlog in mijn dorp zoekt Cultuurplatform Bunnik lokale verhalen en spreekt met ooggetuigen. 

Jean de Greeff, oud-boswachter van de Niënhof in Bunnik, vertelt over zijn kinderjaren. Jean werd in 1939 geboren op het landgoed De Niënhof, waar zijn familie generaties lang zorg draagt voor het beheer.

Jean groeide tijdens de oorlogsjaren op in het witte huis aan de Grote Laan, niet ver van de vijver bij de ingang van het landgoed. Deze koetsierswoning maakte oorspronkelijk deel uit van het herenhuis van de familie De Wetstein Pfister, met 64 kamers en de allure van een kasteel, dat in 1927 grotendeels was gesloopt.

,,Wij waren met zes kinderen, later groeide ons gezin uit tot elf kinderen. Ik was de middelste. Al vroeg in de oorlog werd een deel van ons huis gevorderd door de Duitsers, die tenslotte vlakbij zaten op Fort Rijnauwen. Ze vielen gewoon ons huis binnen en pikten de mooiste kamer in. Overdag zaten wij in de keuken. Boven hadden mijn ouders een slaapkamer met de meisjes. Wij sliepen als jongens allemaal op zolder. In de rest van het huis zaten de Duitsers.

In het begin waren er soldaten in groene pakken, die waren nog wel aardig. Later kwamen de soldaten in de zwarte pakken, dat waren de SS’ers. Mijn moeder stak niet onder stoelen of banken dat ze moeite had met de Duitsers in haar huis. Als voormalig lerares sprak ze prima Duits en andere talen. Over de Grote Laan kwamen vaak stadse mensen of Roma met paard en wagen langs op zoek naar eten. Mijn moeder gaf al haar voedselbonnen weg, behalve die voor suiker.

Achter ons huis lag een boerderij, waardoor wij genoeg te eten hadden. Boer Blitterswijk deelde melk met ons en als mijn vader een konijn schoot deelde hij dat weer met hen. Ik ben opgegroeid met de konijntjes. Het waren er duizenden, een plaag. We ruilden konijntjes voor een knipbeurt bij de kapper. Toen de jonge zoon van Blitterswijk met de soldaten mee moest voor de Arbeitseinsatz wist mijn vader dit te voorkomen, omdat hij nodig was op het land.

Gijzelaar

Vanaf een jaar of drie ging ik naar de nonnenschool in het klooster op de plek waar nu Bunninchem staat. Ik herinner me punniken en prikken bij zuster Lidwiena. Na schooltijd speelden en hielpen we op de boerderij. Er was altijd wat te doen: eieren rapen, graan binnenhalen, op het paard zitten, prachtig. Iedereen noemde me John, want Jean konden ze niet uitspreken. Er speelden ook Joodse meisjes mee. De Duitsers liepen er ook, maar hadden er geen erg in. Na de oorlog waren de meisjes weer weg. Toen hoorde ik dat ze ondergedoken zaten op de boerderij.

We speelden ook regelmatig met de kinderen van burgemeester Van de Weijer, die in het witte huis verderop aan de Grote Laan woonde. Ook dit huis was gevorderd door de Duitsers. Ze waren veel rijker dan wij en hadden een soort nanny die voor de kinderen zorgde. Van de Weijer maakte een ondergronds blaadje met oorlogsberichten, dat stiekem in de bus werd gedaan. Mijn ouders lazen het ook." Van de Weijer moest als burgemeester weg en is door de Duitsers samen met honderden andere notabelen als gijzelaar jarenlang vastgezet in Kamp Beekvliet in Sint-Michielsgestel.

Parachutisten

,,Ik herinner me dat er wel eens parachutisten bij ons op zolder sliepen. Ze spraken Engels, dat weet ik nog. En dat terwijl de Duitsers in ons huis zaten. Ook was er een schuilkelder bij de fundamenten van het gesloopte herenhuis naast ons. Bij een razzia of controle hebben zich hier mensen verstopt. Er zaten ook onderduikers, hoewel ik ze zelden zag. Ik herinner me ook dat er wel eens mensen boven in de schuur tussen het hout zaten. Toen tijdens een controle de Duitsers de ladder opkwamen, lukte het ze gelukkig om stil te blijven zitten. Ze zijn niet ontdekt, maar het was heel spannend.

Het fijne weet ik er niet van. Mijn vader heeft er nooit over gesproken. Maar ik ben er wel van overtuigd dat er iets heeft plaatsgevonden. Ik had er na de oorlog misschien meer naar moeten vragen. De oorlogsjaren hebben mijn vader zeer aangegrepen. Hij overleed begin jaren 60 onverwacht aan een hartinfarct toen ik 24 jaar was. Toen ik zijn werk overnam, vertelden vrienden van hem me over de oorlog. Ze spraken over een soort lijn naar De Biesbosch waar Engelse piloten in het geheim langs werden gevoerd. Mijn vader zou er samen met een landeigenaar en zoon van de politie onderdeel van zijn geweest. Landgoederen zijn geschikte verstopplekken.

Bevrijding

Mijn grootste herinnering is het hoge water aan het eind van de oorlog. De Duitsers hadden op de vlucht de waterlinie in gebruik genomen. De Grote Laan en alle weilanden stonden onder water. Ik moest op blote voeten naar de nonnenschool. Wat ook veel indruk maakte, was dat de Duitsers de paarden van onze buurman wilden hebben om te vluchten. Het ging er hard aan toe. Toen ik als 6-jarige zag dat de oude boer klappen kreeg, werd ik verschrikkelijk kwaad en ging mijn moeder halen. Zowel de paarden als het tuig waren verstopt onder de Douglassparren in het bos. Ze zijn niet gevonden. Naderhand heb ik de buurman geholpen ze weer terug te halen.

Kort voor de bevrijding kwamen er honderden vliegtuigen over. Het was een groot geraas. Ik stond op bed uit het dakraam te kijken naar alle lichtjes. Er is nog een vliegtuig naar beneden geschoten, dat lang naast het huis heeft gelegen. Ook waren er voedsel droppings. Ik heb nog zo’n groot voedselpakket zien liggen op de Rijnoever met allemaal mensen eromheen. Wij kinderen verzamelden de stroken zilverpapier die ook door de vliegtuigen werden uitgestrooid. Eerder al kregen we het Zweedse wittebrood, wat een traktatie!

Van de bevrijding herinner ik me de tanks op de Grote Laan met de Canadezen. Voor mijn vader ruilden we eieren voor sigaretten. En wij kregen kauwgom, dat was een belevenis. De kerkklokken luidden overal. Mijn moeder gaf al haar kinderen een zilveren dubbeltje met Wilhelmina, ik heb het nog steeds. Na de bevrijding mochten we weer spelen in het hele dorp en hoefden we geen rekening meer te houden met spertijd. In deze tijd van corona is het ook alsof er een schot is gelost. Er vallen doden en mensen zijn minder vrij. De pandemie maakt voor jongeren een beetje invoelbaar hoe het is om minder vrijheid te hebben."

Voor het project Schalkwijk in Woord en Beeld, dat in samenwerking is met de Dorpscanon van het Kromme Rijngebied, zoekt het verhalen en foto's uit Schalkwijk Toen en Nu. 

De bakermat van het automobilisme in ons land is Nijmegen. In deze oude Keizerstad heeft de wieg gestaan van het eerste mechanische voertuig, dat zich over de gewone weg kon voortbewegen.

De "Noviomagnum", zoals zijn uitvinder P. van Rijn het voertuig noemde, werd door stoom voortgedreven en werd in 1888 door hem geconstrueerd. Hij was een geweermaker van de schutterij in Nijmegen. Erg veel snelheid had het voertuig niet, en de verlichting bestond uit een kaarslantaarn.  

In Schalkwijk reisde men tot 1851 voornamelijk met de trekschuit naar Utrecht, als je die afstand niet wilde lopen. Per 1 november van dat jaar kon men dagelijks mee met de diligence van Van Gend en Loos. De spoorwegen namen het personen vervoer over op 1 november 1868 en vanaf 1932 werd de autobus naar Utrecht geïntroduceerd. Schalkwijk was het begin en eindpunt van deze busdienst via Houten op Utrecht.

De Duitser Ing. Carel Benz bouwde de eerste automobiel in 1885 in zijn fabriek in Mannheim. Der Wagen ohne Pferde! De heer M.W. Aertnijs uit Nijmegen importeerde de eerste auto als verkoop-object in Nederland en kwam rijdend vanuit Mannheim de 2de zondag van september 1897 Nijmegen binnen. Dit was de Velocipède, een eenvoudige tweezitter. Later kwamen er ook meer comfortabele modellen bij, met en zonder overkapping.

Schalkwijk

Terug naar Schalkwijk. In 1870 volgde dokter Willem Nuijens de huisarts Dr. Willem Backer (1816-1870) op. Hij nam zijn intrek in huize "Rustenburg", het latere gemeente huis aan de Provinciale weg, maar liet in 1892 een woning met praktijkruimte voor zichzelf bouwen, villa Nuijens. De windwijzer op het dak kreeg de letter N niet van Noord maar van Nuijens! Hem werd een toelage van 200 gulden per jaar toegekend, mits hij de schutters en de behoeftigen behandelde.  

Hij bezocht zijn patiënten met de koets. Een foto van Dr. Nuijens in zijn koets hebben we niet. Wel een foto uit 1904 met van links naar rechts zijn dochters Naatje, Kee en Annabel. Hij bezat naast deze koets ook nog een Tilbury en een gesloten koets en had hiervoor nog vier paarden.

Zou dokter Nuijens een auto gekocht hebben en daarmee de eerste automobiel bezitter van Schalkwijk zijn geweest? Of was het misschien zijn opvolger Dr. Lucas A. Veeger?

Driewieler of motor

Dr. Veeger volgde dokter Nuijens op in 1907 op. Hij bezat een driewieler auto, maar dat beviel niet zo goed, dus schafte hij een motor aan. Daarmee bezocht hij zijn patiënten in de hele omgeving, want zijn praktijk was erg groot, Schalkwijk, Culemborg, Houten, Werkhoven en Cothen. Van dokter Veeger en zijn vrouw hebben we wel een foto. Het was ook dokter Veeger die in 1922 de plaatselijke afdeling van het Wit-Gele Kruis oprichtte, de eerste R.K. vereniging van deze aard ten noorden van de grote rivieren. Ook zijn vrouw hielp mee in de praktijk. Zo geeft zij voedingsadvies aan Schalkwijkse gezinnen die in 1920 “uitgeputte Weensche kinderen” opvangen.

Maar misschien was geen van beide de eerste auto bezitter in Schalkwijk? Maar wie dan wel?