Deel:


JEAN DE GREEFF (1939) 

Jean: ‘Ik ben Jean de Greeff, geboren op 17 oktober 1939 in het voormalige koetshuis op het landgoed De Niënhoff. Mijn werkzaamheden waren begonnen als jachtopziener op het landgoed. In 1974 ben ik benoemd als boswachter van Het Utrechts Landgoed en in 1997 zijn mijn werkzaamheden bij Het Landschap beëindigd. Onze familie is verweven met het landgoed De Niënhoff. Er zijn vier generaties aan jachtopziener/boswachters geweest voor het landgoed. Een meanderende Kromme Rijn kent bochten die uiteindelijk worden afgesneden om weer door te gaan. Over die culturele omslag, van een landgoed De Niënhoff, met zijn bedrijvigheid, naar de Nienhof als bospark, zoals mijn familie deze heeft meegemaakt, wil ik graag vertellen. In mijn grootvader en vader zijn tijd was het in dienst zijn van een baron; houden aan de regels èn was er tevens een gezellige afstand.’ 

Getuigenissen

Aan de keukentafel wijst Jean de Greeff op de kleine getuigenissen; een paar aquarel tekeningen van de jager en de jacht, meegestuurd met kerstkaarten van de familie, uitnodigingen van huwelijken, waar de familie De Greeff beslist niet mocht ontbreken. Een gele stiftpen uit de Verenigde Staten. Ik heb deze gekocht op de reis, die wij aangeboden kregen door de heer M. Van Marwijk Kooy. Een kleinzoon van Coenradina de Pesters is hier ook nog eens geweest. ‘Hij en ik zijn naar de rode beuk gelopen, die door zijn moeder Wendela Elvira De Hooft Graafland is geplant. Een rode beuk staat altijd op een zichtbare en bijzondere plaats, dichtbij het grote landhuis waar zijn moeder is opgegroeid. Hiervoor moesten wij wel eerst door de natuur struinen; door een met klimop overwoekerd struikgewas, en langs omgevallen bomen. Klimop en geknakte bomen als getuigenissen van het feit dat die continuïteit inderdaad was afgebroken. De symboliek voor de familie Van Hardenbroek De Pesters van klimop en de gebroken zuil hadden niet realistischer kunnen worden uitgebeeld. 

Een zichtbaar landgoed

Jean: Ik ben geboren in het oude landhuis aan de Groote Laan. Vanuit mijn slaapkamerraam op de zolder keek ik uit op de Kromme Rijn, op weilanden. Nu zijn het de vijf eilanden aan de Kromme Rijn, bestempeld als de Utrechtse Amazone, een jungle van overhangende takken met veel dood hout. Het water op De Niënhoff, als het parkbos is nu op deze manier met de eilanden zichtbaar en beleefbaar gemaakt. De Niënhoff, samen met Oostbroek, is door de provincie aangewezen als Aardkundig monument met oude rivierlopen die nog herkenbaar zijn in het landschap. Zeker, dit gebied rond De Niënhoff, met een nog jonge bodem, is door die oude Rijn armen, moerasachtig geweest. Het kon zijn dat je ’s winters met de enkels in het water stond.  

De sprengen

Ik heb al die beekjes nog gekend! Zoals het in Zwitserland is, zo waren de bronnen hier ook. Water liep op een natuurlijke manier van de Heuvelrug naar de rivier, naar de Kromme Rijn. Op het gebied tussen Amerongen, Leersum, Driebergen, Zeist waren bronnen, sprengen zoals ze het hier noemden. In de Kromme Rijn was het water zo helder dat je de zeelt vissen nog kon zien paren in het haventje achter de Niënhoff. Maar halverwege de 20e eeuw heeft volgens mij het Waterschap fouten gemaakt bij de regulering van het water van de Heuvelrug naar de Kromme Rijn. 

Pompstations 

Pompstations werden vanaf de zestiger jaren in dit gebied neergezet. Toen er een pomp kwam bij Beerschoten heb ik, samen met Van Marwijk Kooy, eigenaar van het landgoed Vollenhoven, hier nog tegen geprotesteerd, want het was volgens ons een onttrekking van het water op verkeerde punten. We waren bang dat al het water uit de Heuvelrug meteen in dorpen en steden aan de voet van de Heuvelrug zou verdwijnen, en bij De Lage Grond, de grond bij De Niënhoff, zou gaan verdrogen. En dat is ook zo gebeurd. We dachten dat het beter was om het water op een natuurlijke manier naar beneden te laten lopen naar de rivieren toe. Als je de pompen had neergezet bij de rivieren dan zou je het kwelwater, het zuivere water, hebben behouden voor het hele gebied. Een drassige grond met een natuurlijke groei van het hakhout is hèt karakter van dit gebied. 

‘Ik stond al hout te kloven toen ik zes was!’

Het leven in mijn jeugdperiode was eenvoudig, in de zin van dat er weinig werd gekocht, op wat suiker na. Melk haalden we bij de boer. De buurvrouw maakte zelf boter en kaas. De meeste producten hadden we zelf; peren, pruimen en de omliggende boeren hadden appels. We slachtten haasjes, eenden, fazanten en patrijzen. Het was ook een wat harder leven, heel anders dan nu. Je was als kind al veel meer gewend. Je zag dat een koe doodging of hoe een varken geslacht werd. Alleen op zaterdagmiddag was je vrij van school. Ik ging naar de Barbaraschool. Op zondag moesten we naar de kerk, we waren katholiek. Dan ging mijn vader ook mee. Hij zat afzonderlijk van moeder, want mannen en vrouwen mochten niet bij elkaar zitten. Als we uit school kwamen kregen we allerlei taken: aardappels schillen, houthakken, in de groentetuin werken, het kippenhok schoonmaken. 

‘Stropers, het ging er vaak heftig aan toe!’

In de herfsttijd en winter was mijn vader ’s nachts op pad in het veld in verband met de wildstropers. Hij had een politiehond, hiermee ging hij achter de stropers aan. Tot in de jaren 60 was het hier zeer stil en donker. Als er lichten verschenen op het veld dan wist je dat de stropers met grote lichtbakken bezig waren om het wild mee te verblinden en konden ze schieten. Stropers hadden verschillende manieren om het wild te vangen; zo waren zij in bezit van geweren en buksen, zetten honderden strikken uit. Het wild, zoals hazen, konijnen, maar ook reeën, hadden hun vaste wissels waarlangs ze liepen, respectievelijk door afrasteringen en het hakhout heen. Zo kwam het voor dat een ree gestrikt werd en in het hakhout was opgehangen. Om patrijzen te vangen gebruikten zij slagnetten. Stropers kwamen eerst tegen het donker kijken waar de patrijzen zich ophielden. Ze kwamen dan 's nachts terug om de dieren te vangen als zij sliepen. Patrijzen lagen dan dichtbij elkaar als hoopjes in het veld, meestal was het een paartje met jonge patrijzen. De stroper wist waar het ‘koppeltje’ was en legde daar een vangnet overheen. Het ging er wel eens heftig aan toe als we stropers wilden grijpen. Ik herinner me uit de jaren 60 van de vorige eeuw dat ik als hulpjachtopziener met mijn vader en de andere jachtopzieners probeerde deze stropers in te sluiten. We kwamen langzaam als ring mannen op hen af. Ik weet nog dat mijn vader een stroper vastgreep, maar de tweede stroper stond al klaar met een schaar om mijn vader in de rug te steken. Ik heb de stroper nog weten te overmeesteren!

Ik was op mijn 15e jaar naar de Handelsavondschool in Zeist gegaan. Overdag hielp ik mee op de landgoederen. In 1955 ging ik mijn vader assisteren, vooral bij  de jacht en allerlei andere soorten van werkzaamheden; zoals werken in de grienden en bossen, wekelijks op zaterdag de huur ophalen en loonzakjes bij het personeel brengen. Dit deed ik ook voor het landgoed Vollenhoven en De Hoge Woerd. Aanvankelijk was ik op het landgoed Vollenhoven aangesteld als leerling-griendzichter. Met 19 jaar ging ik in militaire dienst en werd uiteindelijk gelegerd in Soesterberg. Hier regelde ik veel avonddiensten, van ‘vier uur ’s middags tot 12 uur ‘s nachts. Mijn diensttijd hield de ronde in langs objecten die bewaakt werden zoals forten, vliegbases en andere militaire objecten in de hele provincie en controleerde of de plaatselijke bewakers hun werk goed deden. Soms werd ik ingeschakeld als er buitenlandse gasten kwamen; relaties van leden van het koningshuis landden op Soesterberg om naar ons Koningshuis te gaan op paleis Soestdijk. Ik stond dan bij het vliegtuig om te zorgen dat er niets gebeurde. In die tijd stond de Dakota Friendship in de hangar. 

Overdag was ik vrij, dan hielp ik mijn vader op de landgoederen Vollenhoven, de Niënhoff, de Hoge Woerd in Driebergen. Ik deed alles op de fiets en had er wel lol in. 

De IJzeren Boom

In 1969 bouwde ik het huis aan het laantje van De IJzeren Boom dat nu het Albert Nijlandpad heet. Oorspronkelijk liep dit pad van de IJzeren Boom door tot het eind van het landgoed bij de Koelaan. Daar was een hek met deze naam, De IJzeren Boom. Ik ben met de anderen ook van mening dat oude veldnamen zichtbaar moeten blijven.   

De jaren zestig

Ik kwam in de jaren zestig terecht in een turbulente tijd, als in 1974 het landgoed Heidestein aan Het Utrechts Landschap werd geschonken. Vanaf dat moment ben ik door Het Utrechts Landschap aangenomen als boswachter van De Niënhoff. 

Uit mijn netwerk, die mijn familie had opgebouwd, kwam het bericht dat hoogstwaarschijnlijk het landgoed Oostbroek te koop kwam. Er bleek achter de schermen voor die aankoop nog een grote medespeler te zijn. Dit was de universiteit, die graag wilde uitbreiden op het gebied tot aan de Bisschopsweg/Bunnikseweg. Ik heb daar actie aan verbonden. Uiteindelijk, mede door ingrijpen van hogerhand, is het gelukt om deze aankoop naar Het Utrecht Landschap te verwezenlijken. 

Ondertussen was mevrouw De Wetstein Pfister overleden in 1976. Omdat de successierechten in 1978 zo hoog waren is een deel van het landgoed De Niënhoff, groot 90 hectare, verkocht aan Het Utrecht Landschap in mei 1978. Oostbroek en De Niënhoff waren op dat moment een belangrijke schakel geworden voor de ecologische hoofdstructuur. Hiermee is het gebied tussen het hoge gelegen Noorderpark en de Kromme Rijn tot aan Langbroeker wetering behouden gebleven. 

Tegelijkertijd, vanaf 1968, speelde ook de strijd om een grote rondweg om Zeist, Driebergen en Doorn aan te leggen, de S8. Uiteindelijk is besloten om alleen de aansluiting Zeist naar de A28 te maken, maar hier is tegen geprotesteerd door tal van milieugroepen. Uiteindelijk zijn de gemeenten van De Bilt en Zeist overstag gegaan en is de aansluiting met de A28 niet doorgegaan. 

Ik werkte steeds meer als boswachter samen met het Landschap Utrecht. Ik ben trots op wat we hebben bereikt. Zoals de natuurlijke bestrijding op de boomgaarden van Oostbroek en de ecologische verbindingen tussen de verschillende gebieden, die zijn er nog steeds. Ook heb ik een bijdrage geleverd aan het terugbrengen van de natuurlijke oevers van de Kromme Rijn. Toen ik op mijn 57e in 1997 het aanbod kreeg om met vervroegd pensioen te gaan ben ik me gaan inzetten voor het behoud van de natuur in dit gebied. Stil zitten kan ik nog steeds niet. Nu vind ik het ook langzamerhand heerlijk om helemaal vrij en ongebonden te zijn; tijd te hebben voor het onderhoud van mijn eigen buitengebeuren.'

De familie De Pesters

'Lieve Heer Hertog!    Lieve Heer Oom!     Wat zulkse Luy niet van mij maken!'

Toen Jan en Willem Nicolaas Pesters in de jaren na 1780 door de Patriotse pamfletten 'in het nieuws' kwamen, hadden zij reeds een bijna 30 jarige regeringsperiode achter de rug. Uit dat tijdperk was het meest vermaard de oprichting van een 'Correspondentie' in de stad Utrecht door Willem Nicolaas Pesters in 1759. In datzelfde jaar werd de voogdijregeling van kracht, die na de dood van de Gouvernante Anna de Stadhouderlijke bevoegdheden moest bewaren voor haar minderjarige zoon, Prins Willem V. Jan Pesters was bij de totstandkoming van de voogdijregeling nauw betrokken; Willem Nicolaas onderwierp de Utrechtse vroedschap aan zijn wil op het moment dat de voogdijregeling in werking trad; zou de betekenis van de heren Pesters niet daarin gelegen kunnen zijn dat zij stad en gewest Utrecht in de periode 1759-1766 in het stadhouderlijke vaarwater hielden? 

P. Geyl: 'Men denke zich eens in de geest van de regentenstand van de landprovincies in, die daar zeven jaar lang van het ongedacht fortuintje van hun vrijheid genieten om dan op de gestelde datum, als Assepoester op de klokslag van twaalf, in de vergulde knechtschap van de regeringsreglementen terug te keren.'

Maar, betekende de meerderjarigheid van Prins Willem V voor Utrecht wel een terugkeer in 'de vergulde knechtschap der regeringsreglementen' of, was het gewest wel uit de 'knechtschap' ontslagen geweest? Het bewind van de heren Pesters duurt ononderbroken van omstreeks 1752 tot het einde van de eeuw. Het was onveranderlijk Stadhoudersgezind en de periode 1759-1766 vormt daarop geen uitzondering. 

De continuïteit van het Stadshouderlijk bewind na 1747 is altijd min of meer als een vanzelfsprekendheid aanvaard; in werkelijkheid was zij de vrucht van een weloverwogen beleid, zegt K. Potjewijd in 1968 in 'De betekenis en de oorsprong van de positie van Jan Pesters en Willem Nicolaas Pesters in Utrecht in de 18e eeuw tot slot. Voor Utrecht kan zelfs de periode 1759 - 1766 niet als een 'stadhouderloos Tijdvak' beschouwd worden. In hoeverre dit met de andere Gewesten wel het geval is zal onderzocht moeten worden. 

Hoe het begon ...

De familie De Pesters had in de tijd van de Republiek van de Verenigde Nederlanden al een ‘Prinsgezinde’ traditie. Aan het begin van deze traditie staat Mr. Johan Pesters 1620-1703, geboren in Maastricht. Hij onderhandelde in 1674 namens Stadhouder Willem III met de comte d’ Estrades, afgevaardigde van de Franse koning, die het toen samen met de koning van Engeland, gemunt had op de ondergang van de Republiek. Johan Pesters behoort sindsdien tot de naaste medewerkers van de Stadhouder-Koning. Johan Pesters en zijn vrouw Maria Ghijsen (1637-1713), burgemeestersdochter, krijgen 6 kinderen. In 1674 verlegt hij zijn domicilie naar Utrecht. Burgemeesters en vroedschap verlenen Johan Pesters en zijn gezin bij resolutie van 15 december 1678 het burgerschap van de stad. In 1682 verwerft hij de Heerlijkheid Cattenbroek, gelegen tussen Bunnik en Zeist. Nazaten zullen daar, op het landgoed De Niënhoff, tot in de 20e eeuw verblijf houden. 

Johan Pesters(1620-1703) koopt in 1674 van de Staten van Holland een hofstede en landgoed De Niënhoff. Hij mocht zich Heer van Cattenbroeck noemen. De boerderij wordt een herenhuis ten tijde van deze Johan Pesters, want er is in 1681 op de muurijzers van de boerderij  sprake van een verbouwing van de boerderij. In februari 1703 is hij in de Kloosterkerk in Den Haag begraven. 

Na de dood van Johan Pesters dient ook zijn zoon Jacob (1662-1739) het Huis van Oranje als Raad en Rekenmeester der Domeinen van wijlen prins Willem III. Jacob Pesters en Catharina van Beaumont krijgen één zoon Jan. Er speelde een afwikkeling van de erfenis van de Stadhouder-Koning. De werkzaamheden van Jacob Pesters vallen in de tweede Stadhouderloze periode. Gedurende deze periode raakt Jacob Pesters in een proces verwikkeld met ook een politieke achtergrond. Het gaat om een proces, dat gevoerd is in een tijd dat men in Den Haag leden van de Stadhouderlijke familie ‘met de nek aankeek’ 1 

Wie de in 1735 op last van het Hof van Holland gedrukte processtukken doorkijkt, vindt daarin veel elementen die in een opera buffa niet zouden misstaan. De aanleiding is vervat in het volgende fragment uit de aanklacht d.d. 30 mei 1727:

‘En het is conform aan de waarheid dat, juffrouw De Win in het voorjaar van het gepasseerd jaar 1726 eenigen tyd by haar goed vrienden tot Utrecht gelogeert geweest synde, in de Geselschappen of Assemblées, soo als men die noemt, sig ook wel den meesten tyd hadde laten vinden den Persoon van Jan Pesters. En dat eenigen tyd daarna was gedivulgeert mogelijk en wel aparentelijk door Jan Pesters die tenminste door syne conduites ende voorgeven daartoe aanleiding hadde gegeven als hebbende gedebiteerd dat hij verscheyde presenten presentselijk aan Juffrouw de Win soude hebben gedaan, dat er tussen Juffrouw de Win en Jan Pesters eenige familiariteiten souden wesen gepasseert dewelke tot desavantage van Juffrouw de Win strekten.’ enz..

Zoon Jan, van Jacob Pesters, wordt in 1736 bij het vonnis ‘Uit de provinciën van Holland, Zeeland, Utrecht en West-Friesland gebannen voor het leven’. De vader wordt ten naaste bij ter dood veroordeeld. Hij wordt ‘met het zwaard over het hoofd’ gestraft, een symbolische terechtstelling die blijkbaar ook in de 17e eeuw in zwang was. 

De brieven van Jacob aan zijn zoon Jan: 

'Le porteur de cette carte vous dirai l'etat ou je fuis, qui ne me permet pas de vous en dire d'avantage. (De drager van deze kaart zal je vertellen in welke staat ik vlucht, waardoor ik je niet meer kan vertellen.) 24 februari 1730

Tegen de veroordeling van de vader gaat dan zijn broer Mr. Willem Pesters in beroep. De volgende zinsnede uit zijn Request werpt op de gang van zaken een merkwaardig licht; in oktober 1734 is Jacob Pesters in verzekerde bewaring gesteld. Willem Pesters schrijft in zijn Request: 

‘Dat ter zelfder tijd alle syne effecten en papieren ten overstaan van Heeren Commissarissen van den Hove versegelt syn.’ 

Mr. Willem Pesters schrijft verder in zijn request dat vervolgens na het verhoor van zijn broer …

‘ 2 Heeren Commissarissen van den Hove, en somstijds één alleen present synde, geassisteerd met den Procureur Generaal en de Griffier van den Hove, eenige dagen aan den anderen ten Huyse van den gedetineerde, sonder dat iemand vanwege den gedetineerde of van desselfs familie present is geweest, alles weder hebben ontsegelt, veele papieren geëxamineert en ook verscheyde meegenomen.’ 

Brieven tussen Jacob Pesters, zijn zoon Jan Pesters en andere personen. 3 en 4

Jacob Pesters is door zijn broer op deze manier van het schavot gered. Jacob en zijn vrouw, overlijden beide te Den Haag, hun zoon Jan sterft in 1781 in Parijs, ongehuwd. 

De derde zoon van Johan Pesters Mr. Nicolaas Pesters (1671-1723) is lid van de Vroedschap; als zodanig werkte hij ook mee aan de voorbereiding van het Vredescongres dat in 1712-1713 in Utrecht gehouden werd.

Het succes van de Vrede van Utrecht was mede te danken aan de gelijkwaardige behandeling van overwinnaar en overwonnene en het grote belang dat werd gehecht aan het behoud van het machtsevenwicht. Het verdrag markeerde ook het einde van de Republiek als grootmacht, geïllustreerd door de woorden van de Franse onderhandelaar Melchior de Polignac; Nous traiterons sur vous, chez vous, sans vous ('Wij onderhandelen over u, bij u, zonder u'). Bijzonder aan deze historische gebeurtenis was dat de anderhalf jaar durende onderhandelingen omlijst werden door kunst- en cultuuruitingen.

In 1723 komt Nicolaas Pesters te overlijden, zijn vrouw achterlatend met twee minderjarige zoons: Jan (Jean) Pesters (1716-1797, en Willem Nicolaas Pesters (1717-1794). 

Deze 2 kleinzoons van Johan Pesters hebben de zaak van de Stadhouder in de provincie Utrecht, gedurende de tweede helft van de 18e eeuw, trouw gediend. De ‘Prinsgezinde’ broers krijgen in stad en gewest Utrecht na 1752 overwegende invloed en halen zich de haat van de Patriotten op de hals. Patriotse pamfletschrijvers beschuldigen twee broers Pesters. 5

Mr. Jan Pesters

Omdat mr. Jacob Pesters een verbannen zoon heeft gaat de titel Heer van Cattenbroek naar zijn neef Jan. 6

Het huwelijk van Jan met Adriana Everardina Godin (1737-1795) heeft plaats in de zomer van 1747 in Bunnik, en enige maanden na het herstel van het Stadhouderschap in het gewest Utrecht. De verbintenis met één van de eerste magistraatsfamilies uit de stad Utrecht is voor de familie Pesters zeker van belang geweest. Een reactie van een tijdgenoot, als de anti Pesterse pamflettencampagne in 1782 losbarst geeft duidelijk aan. ‘dat die luyden daerdoor soo eene vlak hadden gekregen, dat sij nog haar jongens, nog meisjes seer gemakkelijk konden uittrouwen.’ Deze opmerking kan alleen maar betrekking hebben gehad op de kinderen van Jan Pesters. Zijn broer Willem Nicolaas Pesters heeft slechts één zoon gehad, en deze was in 1774 al getrouwd. Daarentegen had Jan in 1782 twee huwbare dochters en twee zoons die nog niet getrouwd waren. Eén van die zoons van Jan is Willem Nicolaas Pesters (1754-1831), achterkleinzoon van Johan Pesters, die in 1813, bij het vertrek van de fransen en de terugkeer van Oranje, in Utrecht behoort tot de mannen van het eerste uur. Hij bekleedde geen functies tijdens de ‘Franse tijd’. Maar als de Prins van Oranje uit Engeland terug komt, wordt de familie Pesters weer in genade aangenomen hetgeen resulteert in de toekenning van het predicaat ‘Jonkheer’, in 1814. Jan zelf zal in 1795 onder de druk van de omstandigheden uit de bediening van zijn verschillende ambten treden. Na ruim anderhalf jaar zal hij de inval van de Fransen overleven. In 1796 overlijdt hij op de Niënhoff. 

Zijn broer Mr. Willem Nicolaas krijgt ook te maken met de pamflettenmachinerie. Hij wordt beschuldigd van een anti-Stadhouderlijke gezindheid. Maar Willem Nicolaas Pesters weet het vertrouwen van de Stadhouder te winnen en te behouden. Zijn invloed op het Utrechtse stadsbestuur wordt voelbaar in 1752, en in 1759, als na de dood van de gouvernante de voogdijregeling ten behoeve van de minderjarige Willem V in werking komt krijgt hij macht in de stad. In de steden, zoals in Utrecht, bestond het college, de vroedschap, uit regenten met een wetgevende macht. De regenten tekenen een overeenkomst waarbij hun families zich verzekeren van plaatsen in de vroedschap. Aan het hoofd van die ‘Correspondentie’ staat in het midden van de 18e eeuw Willem Nicolaas Pesters; sindsdien is zijn macht in de stad Utrecht nagenoeg onbeperkt. In 1766 wordt Willem Nicolaas Pesters door Keizer Jozef II verheven tot Rijksbaron van het Heilige Roomse Rijk. In 1753 was hij in het huwelijk getreden met Isabella van Westreenen. Zodoende wordt Willem Nicolaas Pesters verwant aan mr. A.F. Godin, die toen Burgemeester van Utrecht was. Het is bekend dat in de jaren na 1780 ook in de stad Utrecht door de Patriotten sterk geageerd is tegen de bevoegdheden van de Stadhouder. Willem Nicolaas Pesters werkt eraan mee om in de jaren 1759-1766 de Stadhouderlijke bevoegdheden te bewaren; na de meerderjarigheid van Prins Willem V in 1766 blijft zijn invloed in de Stad Utrecht even groot als zijn Stadhouderlijke gezindheid; het is duidelijk dat de kritiek van de Patriotten hem niet bespaard kon blijven; in 1782 barst  een lawine van anti-Pesterse pamfletten los. Genoemd moet worden: ‘Biographia Ultrajectina of Gulde Legende van de Stichtse Sinterklaas’. In de figuur van Pesters wordt het Stadhouderlijk regiem, met name zoals dat verankerd lag in het Regeringsreglement van 1674, aangevallen. De pamfletschrijvers spuien tegelijkertijd aantijgingen van persoonlijke aard. Inmiddels komt aan de patriotten-activiteit in 1787 een abrupt einde. Willem Nicolaas werd door een beroerte getroffen; in november 1794, twee maanden voor de inval van de Franse revolutionaire legers op het gebied van de Republiek, overlijdt hij aan de gevolgen ervan op zijn buiten, de ‘Wulperhorst  onder Zeist.  

De lijn gaat door van Jan Pesters naar zijn zoon Willem Nicolaas Pesters (1754-1831).  

Lieve Heer hertog!   Lieve Heer Oom!    Wat zulkse Luy niet van mij maken!

Deze woorden worden in de ‘Gulde Legende’ in de mond gelegd van de zoon van Jan Pesters, (1716-1796). Als hij in 1754 geboren wordt is de invloed van zijn vader in het College van Geëligeerden en die van zijn oom Willem Nicolaas in de Stad Utrecht al gevestigd. Sedert 1774 maakt Mr. Willem Nicolaas Pesters deel uit van de Vroedschap van de Stad Utrecht; vanaf 1781 heeft hij ook zitting in het College van Geëligeerden; in 1782 volgt zijn benoeming als Gecommitteerde ter Staten-Generaal voor het gewest. Door de Patriotten wordt Mr. Willem Nicolaas Pesters als Prinsgezind gedoodverfd; een genuanceerd beeld van zijn houding in die voor de stad utrecht zo bewogen dagen kan hier niet gegeven worden. 

De gebeurtenissen in het jaar 1795 maken aan de twintigjarige politieke activiteit van deze regent een voorlopig eind. De volgende twintig jaar zal Mr. Willem Nicolaas Pesters op zijn buiten doorbrengen, in Bunnik, zonder een actief aandeel te hebben in de vele transformaties die het oude gebouw van de Republiek der Verenigde Nederlanden tussen 1795 en 1813 moest ondergaan. Wanneer echter op 29 november 1813 de franse troepen de Stad Utrecht ontruimen en op diezelfde dag een provisioneeel bestuur voor stad en gewest wordt gevormd, vinden wij Willem Nicolaas Pesters weer actief; op 30 november 1813 wordt hij gekozen tot President van het Provisioneel provinciaal bestuur. 7 

Een lang leven is deze bestuursvorm niet beschoren; in Den Haag oordeelt men het beter de zaken nog even ongewijzigd te laten. Utrecht bleef dus deel uitmaken van het Departement van de Zuiderzee. In maart 1814 zal hierin verandering gebracht worden. 8 

De ‘Souvereine Vorst’, later Koning Willem I, belast Mr. Willem Nicolaas Pesters nu met de bevoorrrading van de vreemde troepen die de Franse legers op hun terugtocht achtervolgen; een even moeilijke als ondankbare taak. In de nieuwe Staten-Generaal, waarin de Grondwet van Maart 1815 voorzag, vertegenwoordigt Mr. Willem Nicolaas Pesters met twee anderen de provincie Utrecht. Koning Willem I verheft in 1816 Mr. Willem Nicolaas Pesters en zijn wettige nakomelingen in de Nederlandse Adelstand met de titel van Jonkheer. 9 In 1856 wordt de familienaam Pesters gewijzigd in De Pesters. 10

'Vormgeefster van de katholieke naoorlogse wederopbouw.’

Zuster Theofoor kan worden beschouwd als dé vormgever van de naoorlogse katholieke wederopbouw in Nederland.

Ans van Zeijst werd op 28 december 1906 geboren in Utrecht en overleed op 16 februari 1988 in Werkhoven. Zij groeit op in een Katholiek gezin van vader Johannes Abraham Bernardus van Zeijst, juwelier, en moeder Aletta Hermina Maria Goosselink, huisvrouw. In Utrecht in de Zadelstraat bezat haar vader een juwelierszaak Cral.

Ontwerpster

Ans volgde de opleiding tot grafisch ontwerpster in de steden Amsterdam, Den Haag en Arnhem. In 1930 wordt zij grafisch ontwerper bij de zilverfabriek van Gerritsen & van Kempen in Zeist. Ze ontwerpt serviezen en bestek in een moderne strakke stijl. Om zich verder te bekwamen volgt ze in 1931 een half jaar een opleiding aan de Fachschule für die Edelmetall-Industrie in Hanau (Duitsland)

Haar broer is monnik en Ans kiest in 1933 voor Antwerpen, om haar andere, religieuze, roeping te volgen. Zij trad als lekenzuster onder de naam zuster Théophore in bij Vita et Pax, een stichting van de Benedictinessen Olivetanen in het klooster Regina Pacis in Schotenhof (bij Antwerpen).

Na haar wijding in Rome werkt zij voor een nieuwe orde in Cockfosters (Londen). Hier leidt Ans van Zeijst een kunstschool en ontwikkelt zij zich tot een veelzijdig ontwerpster; ze verzorgde er onder meer het drukwerk, ontwerpt meubilair en richtte kapellen in. In 1939 trekt zij zich terug uit de orde en haalt het diploma publiciteitskunst aan de Antwerpse Vakschool voor Kunstambachten.

Hierna begint zij in Utrecht een zelfstandig bureau voor communicatie en reclame. Ze wordt lid van het Utrechtse genootschap Kunstliefde en participeert met affiches, boekbanden en miniaturen, drukwerk en reclamemateriaal voor de Utrechtse Jaarbeurs en affiches voor Philips.

Na de  oorlog werkt zij steeds meer voor katholieke organisaties. Zo wordt ze vaste ontwerpster voor de KAB en werkt voor het Aartsbisdom, de Katholieke Actie, het Katholiek Thuisfront, Herwonnen Levenskracht, de Mater Amabilis-scholen, de Gidsen, de Diocesane Kostersbond, de Katholieke Vereniging tot Bevordering van de Volksgezondheid en tot Bestrijding van Volksziekten, en de Union internationale des Ligues Féminines Catholiques. Ook ontwerpt zij boekomslagen en de lay-out van allerhande katholieke bladen. In de naoorlogse jaren reist zij veel, samen met Utrechtse kunstenaarsvrienden.

In 1952 treedt zij na een daar gekregen opdracht toch weer in bij een orde: de strenge contemplatieve Monialen Augustinessen te Maarssen, onder de naam zuster Theofoor. Pas na enige tijd kan zij hier haar kunstzinnige vak weer uitoefenen; er kwam een atelier. Ze wordt vervolgens geholpen door medezusters om kerkelijke gewaden te maken die anoniem gesigneerd waren met Mon. Aug. Voor het klooster wordt dit een belangrijke inkomstenbron.

De orde verhuisde in 1960 naar een nieuw klooster, Werkhoven, dat grotendeels ontworpen en ingericht wordt door zuster Theofoor. Door de kerkelijke vernieuwing in deze jaren krijgt zij toch meer vrijheid voor eigen werk: schilderijen geïnspireerd door de ideeën van Theilhard de Chardin en wandkleden op maatschappelijke thema’s.

Tot in de jaren ’70 bleef Ans van Zeijst / zuster Theofoor actief en was het klooster in katholieke kringen hèt adres voor kerkelijke en religieuze kunst. Daarna werd zij hulpbehoevend en verward. Zij overleed op 16 februari 1988 en werd op het door haar ontworpen kloosterkerkhof in Werkhoven begraven. Het klooster werd in 1997 gesloten.

In 2015 hield het Kath. Documentatie Centrum een tentoonstelling over haar: ‘Ans van Zeijst / Zuster Theofoor (1906-1988). Vormgeefster van de katholieke naoorlogse wederopbouw.’

Haar inspiratiebron: De Jezuïet Pierre Teilhard de Chardin (1881 – 1955). Hij is getroffen door de toename van wetenschappelijke kennis en het onvermogen om met behulp van deze kennis een verantwoorde visie op leven, wereld en geschiedenis op te bouwen. Het gevolg van dit onvermogen is een zekere stuurloosheid van de moderne mens. 

Nalatenschap

In 1998 werd het klooster verkocht aan Conferentiecentrum Samaya. De huidige eigenaren zijn er trots op dat een deel van het werk van Theofoor nog altijd aanwezig is en gebruikt wordt.

Kunsthistoricus Tim Graas heeft het nog aanwezige werk geïnventariseerd. Mieke Tollenaar schreef op basis van deze inventarisatie een rijk geïllustreerd boek over het werk van zuster Theofoor.

Auteur: S. van Ginkel-Meester

Schalkwijk, augustus 1939 - mei 1945

Op 28 augustus 1939 werd de algemene mobilisatie afgekondigd. Op een ochtend zag ik onze buurjongens Co van Wijk en Willem Seelen bepakt en bezakt op de bus stappen. Ze moesten de kwartieren in gereedheid brengen voor de gehele mobilisatie. Er ging een rilling door me heen. 

Weldra waren de forten Honswijk, Snel, Korte Uitweg en Tull en ’t Waal vol met soldaten. Alles was paraat en eigenlijk wende dat ook wel weer heel snel. ’s Avonds was het druk in het dorp en vooral ook in de dorpscafés. Avond aan avond stond ik uitsmijters te bakken; twee boterhammen, goed belegd met ham, twee eieren en een augurk voor de prijs van 65 cent. Een kop koffie kostte 8 cent. We kregen al gauw vaste kanten en dat was best gezellig. Elke avond schoven er wel een paar jongens aan de piano en dan werd er volop gezongen. Zo ging het een hele tijd goed, al werd het minder leuk toen de verloven werden ingetrokken. ’s Zondags was het dan extra druk want dan kwamen de vrouwen en meisjes, de moeders met baby’s en anderen bij hun  jongens op bezoek. We kookten soep, bakten uitsmijters en maakten papjes voor de kinderen. Ze kwamen allemaal uit het gebied rond Arnhem en Nijmegen. Maar ’s avonds bij het vertrek rolden er vaak dikke tranen. Alles was zo onzeker. Niemand wist hoe dit zou aflopen. 

Ook met kerstmis waren de verloven ingetrokken. Aan het eind van het jaar wilden twee onderofficieren, die in het dagelijks leven banketbakker en kok waren geweest, bij ons in de keuken oliebollen en appelbeignets bakken. Ze hadden ieder een grote schort van Tante Coba voor om hun mooie buitenmodelpakjes te sparen. Hun baksels gaven vele soldaten toch even een feestelijk gevoel. 

Op de forten waren geen douches. Maar daar was het volgende op gevonden. Twee keer per week kwamen er twee grote Rode Kruisauto’s met in elke wagen tien douches. Die werden achteruit bij ons voor de schuur gereden. In de schuur konden de soldaten zich uitkleden. Sommige militairen hadden muziekinstrumenten meegenomen. Daar werd een muziekkorps van gemaakt en met de muziek voorop marcheerden de mannen naar de baden. Daarna dronken ze bij ons koffie en soms deden we er een cognacje in. Dat mocht wel niet, maar ja, er mocht zoveel niet.

Op 10 mei 1940 brak werkelijk de oorlog uit, en werd alles anders. De soldaten die hier al die tijd hadden geoefend, moesten op stel en sprong verhuizen naar Rotterdam, terwijl ze niks van die afwisten. Bij ons vlogen de bommenwerpers over en begon het water al snel te stijgen. Voor we het wisten zaten we allemaal in Vreeswijk in de schuiten voor zand en grind. In het midden stonden wel zes kinderwagens met een baby erin. Langs de kanten lagen de mensen. Ze hielden om de beurt de babyflesjes in hun handen om ze iets op te warmen. De schuit met de zusters werd beschoten. De zusters deden niets anders als bidden. Alles en iedereen was vol angst en vrees. 

Toen we de volgende morgen in Utrecht aan de muntkade weer aan wal mochten, kregen we thee of koffie van omwonenden. Voor de kinderen was er melk. Ondertussen werd Rotterdam gebombardeerd. Alles brandde daar. De papieren van Vroom & Dreesman dwarrelden bij ons neer. We konden niet verder, maar we mochten ook niet terug naar Schalkwijk. We moesten de nacht in Tivoli doorbrengen. We sliepen in het stro en het verbaasde me dat sommige mensen zich volledig gingen omkleden en hun nachtjapon aantrokken. Ik zag ook een vrouw die een grote zak met banden om haar buik had gebonden. Toen ik vroeg wat erin zat zei ze: ‘Och, kind, daar zit ons fijn in, goud en juwelen.’ De volgende dag mochten we weer naar huis.

Thuisgekomen stond alles nog onder water. Tussen de bomen door moest de weg lopen, ook al zag je hem niet. Thuis was alles opengebroken en veel dingen waren weg. Bovenop de bedden lagen overal soldaten. Toen ze ons zagen waren ze eerst heel erg verward. Ze wisten niet dat de oorlog voorbij was, en Nederland bezet gebied was geworden. Sommigen begonnen te brullen, huilen kon je het niet noemen, om hun kameraden en om hun thuis. Bij de evacuatie van Schalkwijk, Tull en ’t Waal, op 13 mei 1940, werden ze opgehaald. Ze moesten maken dat ze wegkwamen voordat de Duitsers hier zouden zijn.

’s Avonds ronkten zware motoren ons erf op. Dat waren de Duitsers. We konden ze niet verstaan, maar het was hen aan te zien dat ze regelrecht van het front kwamen. In het begin ging alles nog redelijk goed, maar al spoedig werden paarden, auto’s en fietsen gevorderd. Alles ging op de bon en velen moesten onderduiken omdat ze anders in Duitsland te werk gesteld zouden worden. We hadden drie onderduikers. Het werd steeds benauwder. Er waren voortdurend razzia’s en huiszoekingen want de Duitsers vertrouwden die Hollanders niet.

Op een morgen vonden ze tijdens een huiszoeking bij van Wijk, onze buren, de mooie pet van Co. Ze vroegen aan zijn zus of die pet van een broeder was. En zij zei; “Ja”. Natuurlijk was de vervolgvraag: ‘Waar is die broeder?’ Zus riep in paniek dat hij op het land was. Ze zou meegaan om hem aan te wijzen. Ze hoopte de Duitsers te misleiden. Maar dat mislukte. Co liep hun recht in de amen. Hij werd meegenomen en naar het kamp Amersfoort gebracht. We riepen allemaal in koor dat hij thuis niet gemist kon worden, want hij had een ‘alte kranke Vater.’ Maar men luisterde niet. Co had zich moeten melden. Dat had hij niet gedaan, dus hij was een echte onderduiker. Tante Coba de Groot gooide haar laatste troef in de strijd: ‘Als jullie zorgen dat hij terugkomt, krijgen jullie schnaps van mij.’

Twee dagen later kwamen ze terug om de schnaps te halen. Ze zeiden; ‘Der junge Bauer kommt bestimmt wieder.’ Ze kregen geen schnaps want Co was nog niet terug. We baden met elkaar dat hij thuis mocht komen en zie daar; op de negende dag van onze noveen, op zondagmorgen kwam Co van Wijk ons dorp binnengefietst. We konden onze ogen niet geloven. ’s Maandags kwamen ze opnieuw om schnaps vragen. Toen konden we natuurlijk niet langer meer weigeren. 

De oorlog werd grimmiger. Vanuit de steden kwam elke dag een eindeloze stroom van hongerige mensen ons dorp binnen. Ze kregen erwtensoep en bruine bonensoep en we deelden boterhammen uit. De mensen waren er dankbaar voor. Op een morgen kwam een vader met twee zonen van 12 en 14 jaar ons dorp binnen. Ze kwamen uit Amsterdam en duwden een platte kar. Ze hoopten in de Betuwe eten te krijgen. We kookten havermoutpap. De jongens aten goed, maar de vader had geen trek. Die man was volkomen uitgeput. Twee dagen later kwamen ze weer bij ons terug. Ze waren erg bedroefd. Op hun platte kar lagen aardappelen en bieten, maar onder een kleed ook hun dode vader. Ze namen hem mee naar Amsterdam. Zoiets is haast niet te geloven, maar het is echt gebeurd. 

Op een dag werd de spoorwegovergang zwaar gebombardeerd. De weduwe Van Hengstum zat met al haar kinderen in de kelder. Niemand raakte gewond, maar hun huis was wel volkomen vernield. Naast de familie Van Hengstum woonde de familie Van Speldere. Mevrouw Van Speldere was altijd al een beetje vreemd. Tijdens het bombardement was ze buiten gebleven. Toen de bommen in de spoorsloot vielen, ontstond er een enorme modderfontein. De wijzers van de kerkklok op de Brink waren niet meer zichtbaar. Zo hoog was de bagger opgespoten. Mevrouw van Speldere was zo zwart als roet. Het was een wonder dat ze nog leefde. Haar man kwam met haar over de brug aanzetten. ‘Rie’, jammerde hij, ‘kijk nou hoe vreselijk mijn vrouw eruit ziet.’ Ik heb haar in een grote teil met water gezet. De modder kwam zelfs uit haar oren. In de kast van Tante Coba vond ik nog een hemd, een broek, een rok en een jak. Toen was ze weer een beetje toonbaar. Er gebeurde veel narigheid, maar ook wat een grote impact had op ons als directe omgeving. 

Bij de klompenmakersfamilie Hulshof waren Joden ondergedoken. De klompenmaker en zijn vrouw hadden zelf geen kinderen, maar de ondergedoken vrouw was in verwachting. De vrouw van de klompenmaker speelde de hele zwangerschap mee. Ze wikkelde lakens en doeken om zich heen en toen het zover was, ging zij in bed liggen, terwijl boven haar hoofd op zolder een kindje werd geboren. Dokter Jansen was op de hoogte. De hele buurt dacht dat hij de klompenmakersvrouw ging helpen, maar hij ging een verdieping hoger. De volgende dagen kwamen de buren op bezoek met melk en eieren en in een hoekje van de kamer stond de wieg met het kindje. Het leek wel een film. Alles verliep goed tot weken later de Duitsers onverwachts een inval deden. Iedereen werd meegenomen en iemand heeft ooit meer iets van hen gehoord. Er was veel grote droefheid in de oorlog. 

Op een gegeven moment leden de Duitsers zware verliezen. De eerste meidagen waren angstig, maar op 5 mei kwam het bericht dat Hitler de oorlog had verloren. Er liepen nog volop soldaten in het dorp. Ze gooiden handgranaten in de Wetering en alle vissen kwamen dood naar boven. Sommige mensen waren helemaal dol van vreugde, die gingen zingend en dansend de weg op. Wij hielden ons nog maar even gedeisd. Het feest was gauw over toen soldaten op de trip Jan van Dijk doodschoten. Hij had jaren ondergedoken gezeten en nu was hij te vroeg voor de dag gekomen. Op 7 mei 1945 is Schalkwijk bevrijd. 

Iedereen die deze verhalen zelf heeft meegemaakt, zal ze nooit vergeten. Ik hoop dat ik de lezers die ze niet hebben meegemaakt van één ding kan overtuigen; nooit, nee, nooit meer oorlog! 1

Het wapen van Schalkwijk/Dorpszicht

Gelegen tegenover de Brink van Schalkwijk stond sinds 1950 Het Wapen van Schalkwijk. Sinds 2016 is naast deze locatie PAND Pannenkoek verschenen. Voorloper was café Dorpszicht van de familie van Bijlevelt, dat in de tweede helft van de 19e eeuw hier stond. In Dorpszicht vergaderde het gemeentebestuur van Schalkwijk, voordat er een eigen gemeentehuis was. Dorpszicht had een doorrijschuur.2

Bestuurder en secretaris-redacteur

Eind jaren 60 van de vorige eeuw, in 1968, als Betty van der Ven haar diploma van het voortgezet onderwijs heeft, zag zij zich bijna genoodzaakt om thuis de moederrol over te nemen als haar moeder komt te overlijden. Het was ook het moment om te kiezen en inzetbaar te willen zijn in een nieuwe samenleving. Zo kwam ier n 1969 in Schalkwijk de jeugd openavonden van OJA,  werd de jeugdsociëteit Casa Fina opgericht, en niet te vergeten de tumultueuze vergadering van de vereniging Aksie Groen. Als Bestuurder en secretaris-redacteur zette Betty van der Ven zich met tomeloze energie in voor een nieuwe cultuur en samenleving. 

Betty, Gijsberta Johanna Maria van der Ven, was op 10 april 1950 geboren in Schalkwijk. Haar ouders waren Hendrikus Maria van der Ven en Maria Geertruida Elisabeth van der Most. Zij, als oudste van vijf kinderen, groeide op in een rooms-katholiek aannemersgezin in Schalkwijk. Zij volgde onderwijs op de MULO aan de Paus Adriaanschool te Utrecht. Daarna ging zij naar het Sint Bonifatiuscollege in Utrecht waar zij de MMS, middelbare meisjesschool, voltooide. 

Meteen daarna nam zij het eindredacteurschap van het tijdschrift Jeugd en Samenleving op zich en bleek haar talent voor de Nederlandse taal. Zij is MO Nederlands gaan studeren en deed hierin met glans examen. Vanaf 1977 was zij redacteur op de afdeling cursuspakketten bij de Stichting Teleac. Van de cursus Nederlandse literatuur na 1830 had zij de eindredactie en productie. Zij is in dat jaar op zelf gaan wonen. Enkele jaren later betrok zij een woning aan het Neereind in Schalkwijk. Zij legde er een uitgebreide groentetuin aan, want tuinieren was haar liefhebberij. Koken trouwens ook; zij was lid van een kookclubje dat maandelijks bijeenkwam om recepten en de wijnen die erbij horen uit te proberen.

Op tal van terreinen was Betty in Schalkwijk actief op het gebied van jeugdwerk.

‘Jongeren die het niet eens zijn met de samenleving, zien het verleden als een kolossale, onontwarbare mislukking, terwijl de toekomst in hun ogen weinig meer dan de totale vernietiging van de planeet kan brengen’. Dit schreef Margaret Mead, in haar boek ‘Culture and commitment’ en ‘Wie met iets nieuws wil beginnen, zal het oude moeten verwerpen en zich op een andere toekomst moeten richten’. 

In december 1969 was in Schalkwijk het initiatief genomen tot een vorm van open jeugdwerk voor 12- tot 16-jarigen. Doel was met spel en creatieve activiteiten niet alleen de jeugd te vermaken, maar vooral het nodige bij te brengen. Onder de naam OJA (Open Jeugdavonden) bleef deze organisatie tot in 1979 bestaan. Betty was daarvan secretaris. Mede door haar initiatief was in 1967 in Schalkwijk de jeugdsociëteit Casa Fina opgericht, bedoeld als trefcentrum voor de jeugd. Daarvoor wordt De Blokhut aan de Spoorlaan gebruikt. Deze was vrijgekomen door het op non-actief stellen van de verkennersgroep. Zij zette zich als lid van de begeleidingsgroep jarenlang in voor het goed functioneren van de sociëteit.

Ook van de carnavalsvereniging De Platneuzen te Schalkwijk was Betty een tijdlang secretaris. Vervolgens trad zij toe tot de Senaat van die vereniging, die mede door haar toedoen in het leven werd geroepen. De Senaat is niet alleen te beschouwen als een gezelligheidsclub van oud-bestuursleden en oud-raadsleden, maar ook als een mogelijkheid de opgebouwde kennis voor de vereniging aan te wenden, advies te geven en om eventueel hand- en spandiensten te verrichten. Voor haar inzet werd zij geëerd met het Grootkruis van verdiensten. Daar was zij erg verguld mee, want naar haar mening was het een uiting dat een dorpsgemeenschap haar eigen mensen op waarde wist te schatten. 

Een nieuwe secretarispost bezette Betty in 1973 bij de vereniging voor algemeen welzijn Aksie Groen, die vooral was opgericht om de ontluistering van het polderland van Schalkwijk en Tull en ’t Waal tegen te gaan. Tijdens de tumultueus verlopen vergadering van 14 januari 1974 stelden de voorzitter en twee andere bestuursleden hun functies ter beschikking. Zij toonde lef door aan het begin de leiding op zich te nemen en bracht de vergadering tot een goed einde, waarbij het agendapunt bestuursverkiezing werd verdaagd. Dit was een prestatie van formaat voor iemand die nog geen 24 jaar was en nog nooit een vergadering had voorgezeten. 

In de periode 1974-1981 was de stichting Leefbaarheid kleine kernen ’t Goy-Schalkwijk-Tull en ’t Waal actief. Betty was bij deze stichting betrokken, onder meer als secretaris. In die tijd werden vooral in Schalkwijk enkele netelige kwesties opgelost, wat mede te danken was aan haar onverflauwde inzet. De stichting verzette zich onder meer tegen de bouw door een particulier van koopwoningen in Schalkwijk. Het protest leidde tot een leefbaarheidsonderzoek voor de drie dorpen en beperkte woningbouw in elk van de drie. 

In de parochie Schalkwijk werd in 1976 het zogenoemde Parochiefonds nieuw leven ingeblazen. Betty was als secretaris hierbij nauw betrokken. Dit fonds was in december 1961 ingesteld ter stimulering van een jaarlijkse bijdrage aan de parochie, later bekend als Actie Kerkbalans. Het fonds was echter een slapend bestaan gaan leiden. Bij de heroprichting werd een Parochieraad tot doel gesteld als het begin van de democratisering. De organisatie hield automatisch op te bestaan toen in 1979 een nieuwe bestuursstructuur werd ingevoerd en het kerkbestuur plaatsmaakte voor het parochiebestuur en een parochievergadering. Van de laatste werd Betty meteen lid. In de parochie Schalkwijk was het kerkbestuur lange tijd tevens schoolbestuur. In 1976 veranderde dat en kwam er een aparte Katholieke scholenstichting Michaelparochie. In 1983 werd Betty voorzitter. Dit mag als een unicum worden beschouwd, want zij had als ongetrouwde zonder kinderen geen binding met het onderwijs. 

Gedurende vele jaren verrichtte Betty belangeloos tal van werkzaamheden voor het weekblad De Bazuin, een landelijk opinieblad voor geloof en samenleving, cultuur en spiritualiteit. Sinds 1975 was zij lid van de Commissie Welzijnszaken van de gemeente Houten. Zij was politiek actief voor de fractie Schalkwijk van de Katholieke Volkspartij in de raad van Houten. Voor die fractie stond zij zelfs op de kandidatenlijst voor de verkiezing van 1974. Landelijk voelde zij zich meer tot D66 aangetrokken. Later werd zij daarvoor ook gemeentelijk actief. Betty van der Ven verleende ook geruime tijd haar medewerking aan de redactie van het tijdschrift van de Historische Kring Tussen Rijn en Lek. 

Niet alleen voor verenigingen en instellingen stond Betty altijd klaar, maar ook voor iedereen die een beroep op haar deed. Zij was een duizendpoot. Haar geliefd dorp Schalkwijk stond centraal, maar zij keek met grote belangstelling en met graagte over de grenzen heen. Zij leefde voor haar idealen en heeft zich voor alles met hart en ziel ingezet voor een menswaardiger samenleving. Het is daarom niet vreemd dat Betty enkele malen de Communiteit van Taizé in Frankrijk bezocht om er met andere jongeren inspiratie op te doen, om binnen de eigen kerken naar de eenheid van de christelijke kerken te streven en zich toe te leggen op de maatschappelijke taken van de christenen. In die lijn is het niet verrassend dat zij op 8 mei 1985 in Den Haag aanwezig was bij de eerste manifestatie van de Acht Mei-Beweging, een stroming van een aantal katholieke organisaties en particulieren in ons land, die vanuit de behoefte om het andere gezicht van de kerk te tonen elkaar wilden bemoedigen. Aanleiding was het bezoek dat de paus later dat jaar aan Nederland zou brengen. Even vanzelfsprekend was haar lidmaatschap van de Pax Christi vredesbeweging. 

Betty was doortastend en geëmancipeerd. Daar hadden weinigen moeite mee, want zij had bovenal iets ontwapenends. Haar warme aandacht voor mensen, eerlijkheid, volledige inzet en haar heldere, rake en geestige spreektrant die niemand en niets spaarde, waren haar kenmerken. Daarnaast was zij een gezelligheidsmens, die op vaste adresjes zomaar binnen kon vallen, ook al was het laat geworden. 

Op 1 juli 1985 overleed zij op 35 jarige leeftijd in het Sint Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein, en werd op het parochiekerkhof van haar woonplaats Schalkwijk begraven. Een plotseling herseninfarct maakte plotseling een eind aan haar leven. 

Auteur: P.M. Heijmink Liesert

Tot voor kort wist ik niet dat er ooit zoiets als zakzonnewijzertjes hadden bestaan. Ik zag er voor het eerst een in de vitrine van Het Bakhuis, het toenmalige dorpsmuseum van Schalkwijk. Ik kende alleen de grotere zonnewijzers in tuinen en op kerktorens. Tijdens de opgravingen op het kasteelterrein schalkwijk kwam het ter hoogte van de voormalige keuken uit de modder. 

Het kleine eivormige houten plaatje intrigeerde me: Hoe werkte zo'n zakzonnewijzertje? Waren er meer van? Hoe kom je daarachter? Ik stapte eerst naar de afdeling natuurkundige instrumenten van het Universiteitsmuseum in Utrecht. Daar kwam ik in ieder geval te weten, dat er veel meer zakzonnewijzertjes zijn gemaakt en dat er ook nog veel van bewaard zijn gebleven. Het diende voor reizigers om de tijd af te lezen, een voorloper dus van ons horloge. In het Universiteitsmuseum is een tiental zakzonnewijzers in de collectie opgenomen. Geen van alle lijkt op 'ons' exemplaar. De vorm, de maat en het materiaal is anders. Ik kwam daar ook aan de weet dat het Schalkwijkse zakzonnewijzertje niet compleet is, het is de bovenste helft van een diptiek (tweeluik). Op ons deel staan de uren aangegeven, het ontbrekende deel was hoogstwaarschijnlijk een doosje met een compasje. 

In het Goud, zilver en Klokkenmuseum in Schoonhoven hielp de conservator me weer een stukje verder. In het boek Time is Space staat een foto met een zakzonnewijzer die gelijkenis vertoont qua vorm en maat. Het gebruikte materiaal is echter geen hout maar ivoor. In het boek staat dat in Neurenberg in de zestiende en zeventiende eeuw van dit soort zakzonnewijzers zijn gemaakt, eerst van fruitbomenhout, later van ivoor. Dit zou erop kunnen duiden dat ons exemplaar vrij oud is, zestiende eeuw. Tot nu toe is dit de enige gelijkenis vertonende zakzonnewijzer die ik heb kunnen ontdekken. De meeste zijn rechthoekig van vorm, sommige van hout, andere van ivoor en messing. 

In het archief van het Schoonhovense museum ontdekte ik ook dat er in Nederland een vereniging is van zonnewijzerliefhebbers, de 'Zonnewijzerkring'. In een van hun tijdschriften las ik een oproep van de heer Heiligenberg uit Utrecht om meer aandacht te gaan besteden aan zakzonnewijzers en bij hem ben ik met het Schalkwijkse zonnewijzertje op bezoek geweest. 

Over de herkomst en het soort zakzonnewijzer kon hij mij niet verder brengen. De oudere leeftijd van het zakzonnewijzertje bevestigde hij ook aan de hand van de vorm van de gebruikte cijfers. Vergeleken met de andere zakzonnewijzers is het een eenvoudig model met weinig versiering en van goedkoop meteriaal. Hij vond het opmerkelijk, dat dit houten voorwerp zo goed geconserveerd is. 

Met hem heb ik nog eens wat beter naar het zakzonnewijzertje gekeken met behulp van een loep. Het blijkt dat tussen de uuraanduidingen een gaatje in het hout is geprikt voor het aangeven van de halve uren. Aan de wat afgeplatte kant zijn duidelijk resten van twee scharniertjes te zien, waar een deksel aan het doosje heeft vastgezeten. Aan de tegenoverliggende kant zitten twee gaatjes, een in het midden en een wat opzij daarvan. Het eerste is de plaats waar een touwtje heeft gezeten, dat aan het andere uiteinde vastzat in het doosje. Dit touwtje zorgde voor de schaduw op de wijzerplaat en heet met een mooi woord 'gnomon'. Het gaatje opzij diende voor het vastzetten met een soort pinnetje van het deksel aan het doosje als het zonnewijzertje werd ingeklapt. 

Na een wiskundige berekening vertelde hij dat ons zakzonnewijzertje gemaakt moet zijn geweest voor gebruik in een zuidelijk gelegen land op ongeveer 41 graden N.B. (bv ItalIië of Spanje)

Hoe werkt zo'n zakzonnewijzer namelijk? Het doosje met het kompas wordt horizontaal gehouden en de gnomon wordt met behulp van het kompas gericht op de hemelpool, dus evenwijdig aan de aardas gehouden. Afhankelijk van de breedtegraad waar men zich bevindt moet de gnomon dan een andere hoek maken ten opzichte van de wijzerplaat. Hier in onze omgeving is deze hoek zo'n 52 graden N.B.

Sommige zakzonnewijzers kunnen versteld worden voor verschillende breedtegraden en hebben daarvoor meerdere gaatjes. Ons zonnewijzertje is eenvoudig en de gnomon kan slechts op één plaats bevestigd worden. Dit is dus voor 41 graden N.B. Hoe komt dit in Schalkwijk terecht? Misschien door een bedevaartganger uit Rome meegebracht? Of is een amateur, die niet goed wist hoe een zakzonnewijzer ingesteld moest worden aan het werk geweest? 

Wim Becker (1781-1845) was meesterknecht op de smederij van Johannes Bringenberg (1751-1810) op de (Anthonis) Brink. In 1829 begon Wim Becker zijn eigen smederij in een daglonerswoning op de Molenweg, die hij huurde van Jacomina Bringenberg (1776-1854). De smederij lag aan het begin van de Molenweg op nummer 29 en had als bijnaam ‘t Oortje (vernoemd naar de oude boomgaard die daar lag). Op dezelfde plek was tot december 2019 de Hubo doe-het-zelf winkel van Derk Frederiks gevestigd.

Na het overlijden van Wim Becker in 1845 werd de smederij overgenomen door Gijsbert de Heus (1809-1878). Gijsbert de Heus woonde in De Bilt en was werkzaam bij Wim Becker als smidsknecht. Hij trouwde met de dochter van zijn baas. Na Gijsbert de Heus is de smederij tot ongeveer 1880 in handen geweest van Pieter Rikkelman (1849-1934). Ook Pieter Rikkelman was smidsknecht, ook hij trouwde met de dochter van zijn baas, Gijsbert de Heus.

In 1866 was er op de Molenweg, net voorbij de molen een nieuwe smederij van de meestersmid Cornelis Roodvoets (1830-1892). De zaken gingen goed en in maart 1866 vroeg hij om een smidsknecht en ‘eenigzins bekend met het boerenwerk en het beslaan van paarden’. Bij de geboorte van zijn zoon Adrianus Roodvoets in 1855 stond Cornelis al genoteerd op de geboorteakte als hoefsmid te Bunnik. De smederij was een goed lopend bedrijf en volgens opgave in 1887 waren er 4 arbeiders in dienst.

Cornelis Roodvoets kreeg totaal 15 kinderen, waarvan er 3 vroegtijdig overlijden. Cornelis werd maar 62 jaar en na zijn overlijden namen zijn zoons het werk in de smederij over. De vrouw van Cornelis, Willemina van Raven, nam de zakelijk leiding. Ook in 1898 werd een smidsknecht gevraagd die bekwaam is in het hoefbeslag en in het boerenwerk. Hiervoor kon er geïnformeerd worden bij de weduwe van C. Roodvoets.

Zijn zoon Cornelis Roodvoets (1863-1921) doet aangifte van het overlijden en als beroep wordt omschreven ‘grof en hoefsmid’. Van de 9 broers blijven alleen Cornelis en zijn broer Jacob Jan Roodvoets (1868-1956) werken op de smederij als smid. Jacob Jan blijft op de smederij wonen en zijn broer Cornelis verhuist naar Utrecht. Jacob Jan Roodvoets is behalve meestersmid ook gemeente-ontvanger en Kerkvoogd bij de N.H. Kerk in Bunnik.(1901)

Jacob Jan Roodvoets had geen kinderen om de smederij over te nemen. De smederij wordt overgenomen door één van de smidsknechten, Derk de Geest (1878-1965). Derk was op 15 jarige leeftijd in 1893 in dienst getreden bij smederij Roodvoets. In 1924 neemt hij het bedrijf over onder de naam `Smederij de Geest`, dat later de toevoeging `& zoon` kreeg. (Lees Smederij De Geest).

Jacob Jan Roodvoets overlijdt in 1956 en zijn graf op de algemene begraafplaats in Bunnik wordt gekenmerkt door een smeedhek om zijn graf.

De landgoederen Oud en Nieuw Amelisweerd en Rhijnauwen zijn ontstaan in een bocht van de Kromme Rijn. In de Middeleeuwen is er sprake van drie ridderhofsteden. Opmerkelijk is de heuvel die naast het huidige landhuis Amelisweerd ligt waarin zich een ijskelder bevindt. Er is onderzocht of het de plaats is geweest waarop een woontoren heeft gestaan.

Amelisweerd dankt haar naam aan ridder Amelis, die in de dertiende eeuw in dit gebied gewoond heeft. Hij wordt genoemd in een oorkonde uit 1224. Het gebied dat hij in leen kreeg van het kapittel van Oudmunster was een waard. Een waard is een stuk land dat grenst aan een waterloop, in dit geval de Kromme Rijn, en naar dit stuk land noemde Amelis zich: ‘Amelius uten Werde’, = Amelis uit de waard. Waar hij precies woonde hiervan is geen beschrijving overgeleverd. De eerste beschrijving dateert uit 1395. Amelisweerd is dan in drie lenen gesplitst, een westelijk deel, genaamd Groenewoude, dat ook Amelisweerd werd genoemd, een oostelijk deel, het huidige Oud Amelisweerd, dat weer in twee lenen was onderverdeeld. Er waren dus twee stukken naast elkaar gelegen land die allebei Amelisweerd heetten. Het lijkt waarschijnlijk dat beide vroeger één geheel vormden. Aangezien later van Oud en Nieuw Amelisweerd werd gesproken, zou kunnen worden aangenomen, dat de vroegste bewoning heeft plaatsgevonden in het gebied dat nu Oud Amelisweerd heet. Een vergelijkbare ontwikkeling heeft zich voorgedaan in het verderop gelegen Wulven. Dit gebied raakte in de loop van de tijd in verval, waarna verderop een nieuw huis werd gebouwd, dat ook weer de naam Wulven kreeg. Het oorspronkelijke Wulven werd hierna als Oud-Wulven betiteld. 

Van Amelis is bekend dat hij was getrouwd met een zekere Sophia en vier kinderen had; één zoon die eveneens Amelis heette, en drie dochters, Sophia, Hildegond en Jutta. Amelis wordt in eerste instantie in de oorkonden genoemd bij de bisschoppelijke ministerialen. Dit hield in dat hij geen vrij man was, maar dienst moest verlenen aan de bisschop. In 1235 komt hij voor het eerst voor als ‘Amelis miles de Insula’ = ridder Amelis uit de waard. Amelis trad vele malen op als getuige in Utrechtse oorkonden. Verder bezat hij een hoeve te Alendorp. Aan te nemen valt dat hij tot de hogere klassen van de samenleving behoorde. 

Het is niet eenvoudig om een beeld te krijgen van de manier waarop Amelis woonde. Een voor ons vroegst bekende afbeelding van Oud Amelisweerd werd in 1731 door C. Pronk getekend. zie afbeelding 1 Dit is meer dan 500 jaar na de eerste vermelding van Amelisweerd in de eerste oorkonde van 1224. Vóór 1731 is Oud Amelisweerd wel te vinden op kaarten, maar dan alleen aangegeven met een paar boompjes en de naam Melisweerd. zie afbeelding 2 Kaart Bernard du Roy 1676. De tekening uit 1731 van C. Pronk geeft een trapgevelhuisje uit de zestiende eeuw weer, dat net als het tegenwoordige huis dicht aan het water ligt. Het huis is gebouwd op de hoger gelegen oeverwal, die ontstaan is toen de rivier nog regelmatig overstroomde. Verder van de rivier af is de grond lager gelegen; als het huis daar was neergezet zou er overlast van het water zijn geweest. Om dezelfde reden heeft in 1770 Gerard Godard Taets van Amerongen het huidige buitenhuis vlak langs het water, op de oeverwal, gebouwd. Dit had wel tot gevolg dat er aan de rivierzijde van het huis onvoldoende ruimte was voor een koets om te kunnen keren, zodat de imposante oprijlaan niet in het midden bij het huis kon uitkomen maar erlangs moest lopen en zo aan de andere zijde van het huis kwam, waar voldoende ruimte was. 

Motte

Naast het huisje is op de tekening een heuvel te zien, die ongeveer een even grote oppervlakte bestrijkt als het huis zelf en die tot de dakrand van de woning lijkt te reiken zie afbeelding 1. Deze heuvel kan, gezien de steile helling en de hoogte, niet door natuurlijke omstandigheden zijn ontstaan. Nu werden zulke heuvels wel opgeworpen ter verfraaiing van tuinen en parken, maar aangezien het hier gaat om een tekening van een eenvoudig huis uit het begin van de achttiende eeuw, kan in dit geval geen sprake zijn van een heuvel die is opgeworpen als onderdeel van een parkaanleg. Dit gebeurde pas vanaf het einde van de achttiende eeuw bij grote buitenhuizen met een park ingericht volgens de romantische Engelse landschapsstijl. Er moet een andere verklaring voor de functie van de heuvel worden gezocht. Waarschijnlijk is deze heuvel een kunstmatige verhoging, waarop in de dertiende eeuw een woontoren heeft gestaan; een motte. Motte-kastelen komen in Nederland voor vanaf de eerste helft van de twaalfde tot het midden van de dertiende eeuw. De term motte is als verbastering van het Frans terug te vinden in de plaatsnaam Montfoort, een fort op een ‘mont’ heuvel. Het twaalfde-eeuwse motte-kasteel bestond uit een imposante heuvel, met een diameter van 20 tot 45 meter, waarop de grote feodale heren een rond of ovaal kasteel bouwden. Zo’n kasteel werd niet permanent bewoond, maar had een militaire functie en diende als verdedigingspunt en toevluchtsoord in tijden van oorlog. Deze motte-kastelen verloren in de dertiende eeuw hun militaire functie. In deze tijd stonden niet langer enkele ridders tegenover elkaar, maar werden er huurlegers ingezet. Het motte-kasteel bood toen niet meer voldoende bescherming, reden waarom moest worden overgegaan tot de bouw van grote stenen kastelen, die omringd werden door diepe grachten.  

Het gebied dat nu met Amelisweerd wordt aangeduid kwam, na de aanleg van de dam in 1122 vrij voor bebouwing en bewoning. De eerste vermelding was pas in 1224. Het is onwaarschijnlijk dat er in die tussenliggende honderd jaar geen bewoning in het gebied heeft plaatsgevonden. Over mogelijke voorgangers van Amelis is niets bekend. Pas als Amelis de waard in leen krijgt en zich naar deze waard noemt, dan gaat de waard later naar hem heten niet naar één van zijn voorgangers. Mogelijk is juist zijn naam blijven bestaan, omdat hij er een motte-kasteel bouwde, dat status gaf aan het gebied. Omdat dertiende-eeuwse motte-kastelen voornamelijk vanwege hun maatschappelijke functie werden gebouwd zou het ook mogelijk kunnen zijn dat de aanwezigheid van een motte wijst op een ontwikkeling die de bewoner ervan heeft doorgemaakt naar een hogere sociale klasse. In dit geval zou een motte-kasteel ertoe kunnen hebben bijgedragen dat de overgang van Amelis als bisschoppelijk ministeriaal van hereboer naar ridder mogelijk werd. Deze verhoogde status gold ook voor Amelis’ zoon, die ook ridder was. 

Van een motte op Oud Amelisweerd is echter niets bekend, er zijn in ieder geval geen bronnen uit die tijd bewaard gebleven waarin gesproken wordt over een berg of over een motte op Amelisweerd. Maar dit wil niet zeggen dat er geen motte was. Het is mogelijk dat er een motte-kasteel is geweest dat er niet lang heeft gestaan en dat slechts een teken was van een tijdelijke opleving, waarna het misschien al na Amelis in verval raakte en de bewoners de motte verlieten om in een boerderij te gaan wonen.1

Na de vermelding van de zoon wordt Amelisweerd bijna honderd jaar lang nauwelijks in de bronnen vermeld. Pas in 1395 wordt Amelisweerd weer genoemd in een lijst van leenmannen van het kapittel van Oudmunster. Dat Melisweerd na de vermelding van de zoon van Amelis nauwelijks meer in de bronnen voorkomt zou kunnen duiden op de afname van het belang van dit gebied en van haar bewoners. De hogere status kon niet langer in stand worden gehouden, waarna de bewoners de motte verlieten. 

Note 1: Dit beeld komt overeen met de resultaten van een onderzoek dat C. Hoek in de omgeving van Rotterdam heeft gedaan naar de hofsteden Portugaal en Zwartewaal. Hoek heeft weten aan te tonen dat op deze plaatsen in eerste instantie alleen sprake was van een boerderij, waarna het gebied in de dertiende eeuw verrijkt werd met een motte. De motte van Portugaal was in de veertiende eeuw al weer verlaten. De motte van Zwartewaal was  afgevlakt, zodat er in plaats van een woontoren een hele boerderij op kon staan. 

FAMILIE VAN OOSTROM

In 1884 kwam tenslotte de familie op de boerderij van Antonie van Oostrom. Hij woonde er maar liefst 43 jaar, tot 1927. Na zijn overlijden zette zijn echtgenote de boerderij nog tot 1935 voort. Hun zoon G. van Oostrom boerde er ook lang, van 1935 tot 1961 en na hem zijn weduwe, mevrouw Van Oostrom-Spithoven. In 1964 kwam Toon van Oostrom op de boerderij. Inmiddels was het bedrijf erg ongunstig komen te liggen. Door de toenemende verkeersdruk raakte hij ook in 1995 weer land kwijt voor de verbreding van de snelweg. Nadat hij de boerderij onlangs kon kopen en deze met steun van de gemeente Bunnik aan de buitenkant prachtig heeft laten herstellen, waarbij de eerder genoemde brandsporen uit 1672 tevoorschijn kwamen en een oude deur die was dichtgezet, heeft hij nu besloten om het bedrijf de oude bestemming, restaurant, terug te geven. En nu maar hopen dat de fransen niet opnieuw Utrecht willen veroveren….! 

Ria van Oostrom: Mijn man, Antoon van Oostrom, (1939 - 2011), heeft het met de beslissing om de familieboerderij te moeten verkopen eerst moeilijk gehad. De  boerderij ligt aan de Provinciale weg, en op den duur ongunstig door de toenemende verkeersdrukte. Wanneer de verbreding van de snelweg plaats vindt in 1995 raken we steeds meer land kwijt. We besluiten te verhuizen naar het huis ernaast. Antoon hakt dan de knoop door de boerderij te verkopen. We zien het verbouwd worden naar een prachtig restaurant. Hij heeft er dan helemaal vrede mee. We hebben samen nog een half jaar van dit restaurant kunnen genieten. Hij is 71 jaar geworden. Als ik ga wandelen loop ik altijd terug via de boerderij, nu Restaurant Vroeg. Een serveerster vroeg mij laatst, ‘Ria, vind jij het niet moeilijk? Nee hoor, zei ik, want ik geniet van de gedachte dat het toch nog een beetje van ons is, wetende dat Anton trots was op de boerderij en nu op dit restaurant `Vroeg`! 

‘Een boerderij heeft in mijn leven altijd een belangrijke rol gespeeld’  

Ik ben Ria van Oostrom van der Horst. In 1941 ben ik geboren op de boerderij in Cothen als oudste van de 10 kinderen. Ik sloeg de kleuterschool over, en tijdens het eerste schooljaar werd ik achterop de fiets naar school gebracht. Een paar jaar later gingen wij met meerdere kinderen lopend naar school. Dit was drie kwartier lopen. Uit school moesten wij als kinderen allemaal klusjes doen op de boerderij. In de zomer zag je dan ook het verschil tussen de kinderen van de boerderij en zij uit het dorp; wij waren bruin, de andere kinderen niet. Dat vonden wij wel eens moeilijk. In de winter, als de wegen glad waren, kwam mijn opa met het paard en de arreslee ons van school ophalen. Het paard had onder de hoefijzers scherpe punten voor grip op de weg en een mooi tuig om met koperen bellen. Zo kon je hem van verre aan horen komen. Mijn opa trakteerde ons dan met véél rondjes door het dorp, en hadden we als kinderen altijd plezier! Ik ben daarna naar de huishoudschool en de modevakschool in Bunnik gegaan. Mijn moeder moedigde mij aan met de woorden: ‘jij moet studeren!’ Deze naaischool van de zusters was destijds gevestigd op de eerste verdieping van een huis van de Jozef-stichting, Huize Agatha, een nonnenklooster. Het stond op de plaats van het huidige Bunninchem in Bunnik aan de Provinciale weg. Maar ik kon het helaas niet afmaken, want mijn moeder overleed toen ik 15 jaar was en in zo’n situatie kom je gewoon naar huis en zorgde je als oudste voor je broers en zussen.   

Antoon van Oostrom leerde ik kennen als broer van een vriendin. We kregen verkering. Hij was de oudste zoon en woonde op de boerderij de Prins. Ik deed ondertussen de boerinnen leergang want van een boerin wordt verwacht dat zij mee helpt op de boerderij en kwam met mijn eerste diploma thuis. Na een paar jaar trouwen Antoon en ik, ik was toen 23 jaar en kregen drie kinderen. Liesbeth, Gerard en Wim. Ik noem ze altijd onze prinsen en prinses van de Prins! 

Een meisje trouwt meest ook in de familie. In de familie trouwen betekent dat ik ook met Antoon zijn moeder en zusje onder één dak kwam te wonen. Anderhalf jaar later trouwt mijn schoonzusje. Mijn schoonmoeder heeft tot haar dood in 1975 bij ons gewoond. Vanaf ons huwelijk is de boerderij dus dubbel bewoond geweest, waarbij de kaaskamer rechts verbouwd werd tot woonkamer en keuken en er een tweede voordeur en raam kwam in de rechter zijgevel. Je ziet het nu als de plaats waar je ijs en friet kunt kopen. Op het erf van de Prins kun je de twee vee schuren uit de 19e eeuw nog zien en was er een 20e eeuwse hooiberg, die drie voorgangers heeft vervangen. De boerderij heeft dan ook jarenlang een agrarische bestemming gehad. We hadden 30 koeien, kippen, 300 schapen, en wat fruitbomen om te verzorgen. De deur van de boerderij de Prins stond altijd open; zo hebben we onze Boerenbond feesten en de Carnavals- en  Muziekvereniging Victoria in het Achterhuis op bezoek gehad.

Mijn man heeft het pand altijd als zodanig altijd willen onderhouden en opknappen. Maar de eigenaar, baron van Rijckevorsel, heeft dit tegengehouden. Wij zijn door hen een keer uitgenodigd op het ‘Slotje’ in Neerbosch bij Nijmegen, en zij zijn ook aanwezig geweest op ons huwelijk. 

Uiteindelijk, in 1980, kopen we de boerderij en kunnen we, met hulp van de gemeente Bunnik, de buitenkant prachtig laten herstellen. Tot onze verrassing komen we bij het bikken van de gepleisterde buitenkant van de boerderij zwartgeblakerde stenen tegen en een dichtgemetselde deur. Henk Reinders komt samen met de heer Bangma langs. 

Dat de zwart geblakerde stenen tevoorschijn zijn gekomen bij de restauratie aan de boerderij doet vermoeden dat de Fransen ook hier hebben huisgehouden, al staat dit nergens in de archieven zo genoemd. Wel weten we dat deze boerderij daarna een aantal jaren leeg heeft gestaan. Uit de archieven blijkt o.a. wel dat niemand van de bewoners op deze boerderij van 1672 tot 1675 een belastingaanslag heeft gekregen. In 1675 komt er weer leven tevoorschijn. De erfgenamen van Dirck Kip hebben Rijsoort opnieuw opgebouwd, en in 1677 werd het Utrechtse Pesthuis eigenaar van de herberg.

Namen die voorkomen op de boerderij/herberg De Prins zijn: Dirck Kip, Gerrit Teunisz. Van Doorn, Jacob de Cruyff uit ’t Goy, Arie Van Miltenburg, Jonker van Tuyll van Serooskerke, Jan Middelweert, Wijnand de Wit. Gijsbert Jerfaas Hasselman, Cornelis de Gier, Antonie van Oostrom.

Onlangs zijn twee unieke oude kaarten, die in het bezit waren van Jean de Greeff, geschonken aan het RAZU, (Regionaal Archief Utrecht Zuid), in Wijk bij Duurstede. 2 Op de twee kaarten staat het landgoed De Niënhoff weergegeven zoals dat er in 1832 en 1837 uitzag. Op deze kaart, gemaakt door Jhr. Jan Everard de Pesters, is te zien dat niet alleen het huidige wandelgebied onderdeel uitmaakte van het grondbezit van deze rijke familie, maar dat ook Cattenbroeck, het gebied tussen Bunnik en Zeist, hierbij hoorde. 

De vroegste vermelding van de Niënhoff, dateert uit de 12e eeuw toen het vermeld werd als een “uithof”, dat wil zeggen een agrarisch bedrijf, behorend bij het klooster Oostbroek. De Niënhoff betekent een nieuw hof, dat door het klooster werd gesticht aan de zuidzijde van deze Rijn-meander. In die tijd liep de Rijn in een grote meander vlak onder Zeist langs (“Zeister oever”) de Niënhoff. 

Het klooster ging ten onder door de Hervorming en de boerderij wisselde door overerving en verkoop vele malen van eigenaar, maar zijn naam heeft het gebied altijd behouden. In de Franse tijd, dus in de late 17e eeuw, wordt geschreven over ‘huyzinge en hofstede’ van de Nieuwen hof die zwaar beschadigd waren. Rond die tijd kwam het landgoed Niënhof in bezit van de familie (De) Pesters, die er tot in de 20e eeuw zou wonen.

De familie De Pesters was een invloedrijke familie waarvan de leden een belangrijke rol spelen in landsbestuur en het bestuur van de Provincie en de stad Utrecht. 

Jhr. Jan Everard de Pesters, zoon van Willem Nicolaas, heeft in 1832 en 1837  kaarten opgetekend om een overzicht te verkrijgen van de familiebezittingen. 

De tekst op achterzijde van één van de kaarten luidt: “Plan van de Buitenplaats De Niënhoff, van de Hofsteden de Nienhoff, de Brakel en verdere landerijen gelegen onder de Gemeente van Bunnik, Opgeteekend door J.E. Pesters, 1837.” Deze kaart (zie afbeelding X) laat onder meer de oorspronkelijke inrichting van de tuin zien, zoals ontworpen door de tuinarchitect Leonard Springer, die door heel Nederland het ontwerp van stadsparken en buitenplaatsen op zijn naam heeft staan.

De tweede kaart heeft als beschrijving: “Plan van twee hofsteden en verdere landerijen gelegen op het Zeister oever en in de Lage grond onder de gemeente van Zeist. Opgetekend door J.E. Pesters 1832.“ Deze kaart (afbeelding X) toont het hele landgoed waaronder dus ook “de Lage Grond”, het meer noordelijk gelegen deel van het landgoed dat helemaal tot aan het huidige Zeist-Couwenhoven liep. 

Een halve eeuw na Jhr. Jan Everard, kwam in 1882 het landgoed in bezit van Jkvr. Coenradina de Pesters. Haar echtgenoot baron Gijsbert van Hardenbroek liet in 1892-94 een nieuw landhuis bouwen, waarbij een door L.A. Springer ontworpen tuin in Engelse landschapsstijl met slingervijver aangelegd werd.1, 2 Het oude achttiende-eeuwse landhuis aan de Grotelaan werd verbouwd tot koetsierswoning. Dit gebouw zou tegen het eind van de 20ste eeuw worden gerestaureerd en uitgebreid tot excursiecentrum van Het Utrechts Landschap. 

Nadat baron Gijsbert Van Hardenbroek zijn echtgenote in 1923 verongelukte, verkocht van Hardenbroek zijn bezittingen in Bunnik aan Frans de Wetstein Pfister, eigenaar van Heidestein, en verhuisde naar Driebergen. Naar verluidt was het landhuis niet erg comfortabel en niet voorzien van elektriciteit, maar er moest wel jaarlijks een hoge belasting voor betaald worden. Na de dood van de Wetstein Pfister liet zijn dochter in 1929 het gebouw daarom slopen.1. De restanten van het kasteel werden hergebruikt voor woningen in de Maatschapslaan in Bunnik. Een vensterbank van het Landgoed de Niënhoff op kaarten uit 1837

In 1978 is het landgoed aangekocht door het Utrechts Landschap. Sinds eind jaren 90 heeft het landgoed De Niënhoff de status van “Aardkundig Monument” vanwege de oude meanders van de Rijn die het gebied gevormd hebben en die deels weer zichtbaar zijn gemaakt.

Referenties:

1 Saskia van Ginkel, Bunnik - geschiedenis en architectuur, Zeist, 1989

‘Ik schrijf gewoon, en wie ’t lezen wil is welkom’.

Thea Beckmann, geboren Petie (Rotterdam 1923 – Bunnik 2004) pakt haar koffer en reist vanuit haar woonplaats Bunnik voor haar boek KRUISTOCHT IN SPIJKERBROEK (1973) naar de plekken waar het allemaal gebeurde.

Zij trekt door het Rijndal tot Straatsburg, slaat dan af om de weg te nemen door het zwarte Woud, ook steekt zij de Alpen over via Karwendel en Brenner om dan via Cremona naar Genua te gaan. Over de balans tussen feiten en fictie zegt Thea Beckman zelf; ‘Accuraatheid in de feiten is alsof je een harnas aantrekt van het verleden, je actieradius wordt hierdoor beperkt.

Maar met dat harnas aan blijf je mens, en hoef je fantasie niet compleet uit te schakelen, zolang je de opgedoken feiten maar geen geweld aandoet.’ Thea Beckman trouwt in 1945 met Dirk Hendrik Beckmann, met wie ze twee zoons en een dochter krijgt. In 1956 zijn zij in Bunnik gaan wonen en hier schrijft Thea haar debuutroman, ANJERS VOOR ADELE, en haar eerste jeugdboek, DE ONGELOOFLIJKE AVONTUREN VAN TIM EN HOLDERDEBOLDER. Allebei werken waarvan zij later zegt dat ze best vergeten mogen worden. ‘Ik moest het vak nog leren’. Zij krijgt meer tijd in de zeventiger jaren wanneer haar kinderen uit huis zijn en komt KRUISTOCHT IN SPIJKERBROEK (1973) uit. Het boek levert haar een Gouden griffel en de Europese prijs voor het beste historische jeugdboek op. Het boek is verfilmd. Het wonen in Bunnik is wonen dichtbij Utrecht. Hier staat zij midden in de middeleeuwen en de volgende stap die ze wil maken is de studie Sociale Psychologie aan de Universiteit in Utrecht. In 1981 studeert ze af. Ze schrijft haar doctoraalscriptie over de invloed van boeken op de jeugd. Het historische kinderboek stond nog in de kinderschoenen. Zo ontwikkelt ze zelf een onderzoeksmethode om deze invloed te meten en komt tot de volgende conclusie; ‘Ofschoon dit onderzoek er niet geheel in geslaagd is de directe invloed van jeugdboeken op jonge lezers aan te tonen, zijn er wel aanwijzingen dat er van enige invloed sprake is, maar ook dat de relatie kind/boek veel gecompliceerder is dan algemeen wordt aangenomen.’

Eén voorval vertelt ze bij bijna al haar lezingen en interviews. In de brugklas van het voortgezet onderwijs werd door de docent DE VIER HEEMSKINDEREN  van Felix Timmermans voorgelezen. Ze had meteen geantwoord dat ze het een geweldig historisch verhaal had gevonden. Enkele maanden later kwam ze erachter dat het boek een navertelde middeleeuwse ridderroman was,  ‘meer legende dan feit’. In Beckmans beleving had Felix Timmermans dus aan geschiedvervalsing gedaan om een mooi verhaal te vertellen. Ze nam het de schrijver erg kwalijk en wilde nooit meer iets van zijn hand lezen, want ze vertrouwde hem niet meer. Toen ze zelf historische jeugdboeken ging schrijven nam ze zich voor dat de feiten moesten kloppen.

Wie zich prompt bedrogen voelde bij het lezen van Kruistocht in Spijkerbroek was Kees Fens (1929 – 2008). Hij vindt haar schrijftaal te modern. Hij vergelijkt het boek met de historische jeugdroman Fulco de minstreel van de auteur Cornelis Johannes Kievit (1892). Deze schrijft het verhaal zo, dat de lezer meteen al in de eerste paar zinnen midden in de 13e eeuw staat. ‘Uit het binnenste van de meester welde het verhaal, en al vertellend vertelde eigenlijk alles en iedereen mee.’

In Thea Beckman haar boeken spreekt vooral het heden een woordje mee in het verleden. In kinderboeken gaat de fantasie nog door en zij doorbreekt de grenzen van ruimte en tijd. In Kruistocht in Spijkerbroek komt een vijftienjarige jongen uit Amstelveen van 1973 via een tijdmachine terecht in het jaar 1212, waarin hij zich aansluit bij de kinderkruistocht. Dit idee berust op de middeleeuwse denkwereld van Christenen die geloofden dat zij eens zouden worden als engelen, wezens tussen hemel en aarde, die al half in de eeuwigheid leefden en die het ene moment in Rome en het andere in Jeruzalem konden zijn. 

Een historisch kinderboek is grensverleggend, heeft meer mogelijkheden dan welk ander genre boek ook. Kinderen worden geconfronteerd met en aan het denken gezet over zaken, problemen en toestanden. (Lea Dasberg, 1981)

Het werk van Thea Beckman is vele malen bekroond. In 2003 ontvangt zij de in het leven geroepen Bontekoeprijs voor het beste historische jeugdboek voor ‘GEKAAPT!’ Het jaar daarna in de nacht van 4 op 5 mei, overlijdt Thea Beckman. De Bontekoeprijs wordt hernoemd tot de Thea Beckmanprijs. Deze prijs wordt elk jaar in het derde weekend van september in Archeon uitgereikt voor het beste historische jeugdboek.

De Oude Dorpskerk ligt op de Antonisbrink en is gebouwd tegen het eind van de 12e eeuw. Het is één van de eerste bakstenen kerken van Nederland waarvan de toren het oudste deel van de kerk vormt. In 1566 is de kerk uitgebreid met een nieuw koor, wat buiten duidelijk zichtbaar is aan de pleisterlaag die niet doorloopt. De kerk was gewijd aan Sint Anthonis. De kerk bezit een orgel, dat is gebouwd door de fa. De Koff uit Utrecht en dateert uit 1912. In de loop van de eeuwen is er het nodige aan de kerk verbouwd.

Er is een tijd geweest dat Bunnik nog geen eigen kerk had. Ergens in de 12e eeuw zullen de dorpelingen de koppen bij elkaar hebben gestoken om een klein houten kerkje te bouwen, eigenlijk maar een kapel. Het enige gebouw dat men in dorpen goed kon bouwen, was een boerderij of boerenschuur en deze kapel zal dus wel meer op een boerenschuur geleken hebben; misschien met een wat hoger dak en wat grotere ramen, maar onmiskenbaar lijkend op een boerenschuur.

Het gebouw

Het gebouw op zich had weinig belang, maar als symbool was het erg belangrijk. Het was een teken dat de Bunnikse gemeenschap op weg was naar zelfstandigheid want de kapel had vooral betekenis als gemeenschapsgebouw. Hier konden de dorpelingen bij elkaar komen, niet alleen in kerkelijke aangelegenheden, maar ook voor de rechtspraak of om een markt te houden als het buiten te slecht weer was. Men slaagde erin om diverse malen per jaar een priester naar de kapel te 'lokken', dat kon de eigen pastoor uit Zeist zijn, diens kapelaan, de huiskapelaan van een kasteelheer of - en dat is het meest waarschijnlijk - één van de vele rondreizende bedelmonniken die vanuit Utrecht uitzwermden over het platteland.

De toren

De tweede stap was meestal de aanbouw van een toren. Zo'n toren had niet alleen kerkelijke betekenis, maar werd ook gebruikt voor allerlei 'burgerlijke' zaken, zoals uitkijktoren in onzekere perioden en drager voor de klok die het levensritme van de gemeenschap aangaf en waarschuwde bij brand of gevaar. Soms was de toren verdedigbaar en kon de bevolking zich hierin terugtrekken bij een vijandige aanval. Het lijkt erop of de Bunnikse toren ook verdedigbaar was. De ramen op de begane grond zijn onmiskenbaar schietgaten. Het bouwen van de dorpstoren was dan ook geen typisch kerkelijke gebeurtenis, maar iets wat het hele dorp aanging, want de grenzen tussen kerkelijk en burgerlijk Bunnik waren vloeiend en iedere dorpeling was ook vanzelfsprekend lid van de kerk. We mogen de fase van de bouw van de toren op basis van de stenen zo ongeveer rond het jaar 1200 plaatsen. In de 14e eeuw, zal het mogelijk zijn geweest om de houten schuurkerk te vervangen door een stenen zaalkerkje, twee maal zo lang als breed.

Een kerkje van baksteen

Bijzonder is dat de Oude Dorpskerk behoort tot één van de eerste bakstenen kerken van Nederland, samen met de Dom van Utrecht. Het bakken van bouwstenen was noodzaak. Generaties vóór 1200 hadden nog Romeinse stenen tot hun beschikking gehad. Die waren opgebruikt en dus waren de steenfabrieken weer in opkomst. Bunnik had één steenfabriek.

De kerk was aanvankelijk iets kleiner dan hij nu is. De aanwijzingen daarvoor zijn niet alleen te vinden in de archieven, maar het is ook duidelijk als we kijken naar de steenmaten van de muren, (nu bepleisterd helaas), en naar de dikte van de muren.

De kapelaan

De volgende stap was de bouw van een pastorie en de gang naar de pastoor en daarvoor moest men het moment goed kiezen want deze stap was eigenlijk het belangrijkste. De pastoor moest er nu in toestemmen om een kapelaan aan Bunnik af te staan als volgende stap op weg naar volledige zelfstandigheid en dat was voor de meeste pastoors een moeilijke beslissing. Hun - toch al lage - inkomen was afhankelijk van tienden en giften van parochianen en juist het welvarende Bunnik droeg flink bij. In eerste instantie behield de pastoor van Zeist nog zijn inkomsten uit de Bunnikse kerk en mochten de sacramenten waar een vergoeding aan verbonden was ook alleen maar in Zeist bediend worden. Met een dopeling moest men naar Zeist, het huwelijk moesten Zeist gesloten worden en ook begraven mocht nog niet in Bunnik. 'Gratis' sacramenten mochten wel in Bunnik bediend worden. Voor de Mis en de Biecht kon men zo wel in Bunnik blijven want de kapelaan was tenslotte een volledig bevoegd priester en ook de Eurcharistie kon in Bunnik plaatsvinden. Voor het jaarlijkse Paassacrament (Paasbiecht en Paaseucharistie) moest men echter weer naar Zeist. Van beide kanten werd deze situatie als een overgang gezien. De Bunnikers konden zo proeven aan de zelfstandigheid en de bisschop bewijzen dat ze die aankonden terwijl de pastoor van Zeist kon wennen aan het verlies van Bunnik en de Bunnikse inkomsten.

De parochie

Vroeger of later werd deze halve zelfstandigheid door de bisschop omgezet in volledige zelfstandigheid. De kapelaan kreeg dan de status van pastoor, de kapel werd parochiekerk en het dorp een zelfstandige parochie. Dit ging tevens gepaard met het doorsnijden van de financiële banden zodat de tienden, giften en vergoedingen voortaan aan de Bunnikse pastoor ten goede kwamen. Voor de Zeister pastoor was dit een flinke aderlating, niet alleen in financiële zin, maar ook voor zijn prestige. Meestal kwam men overeen dat de pastoor en de moederparochie daarom jaarlijks een zekere vergoeding van de dochter zou blijven ontvangen. Ook in de verhouding tussen Zeist en Bunnik is er sprake van een vergoeding, in dit geval van een gulden die tot lang na de Reformatie betaald is door de kerkmeesters. In de rekeningen van de kerk van Zeist over 1582-1585 komt hij voor (dat was ten tijde van de Reformatie), maar ook in 1630 is er nog sprake van betaling van een pond aan de kerk van Zeist (dat was lang na de Reformatie). Dit bedrag werd jaarlijks op St. Anthonisdag (17 januari) betaald. Deze datum was niet zomaar gekozen, het is een verwijzing naar de beschermheilige van de nieuwe kerk. Wanneer Bunnik tot parochie verheven werd is niet meer na te gaan. Het zal wel in de loop van de 13e eeuw zijn geweest. 

Het oudste gedeelte bevindt zich vanaf de toren tot na het derde raam. Daar zit een kleine sprong in de muur. Dit oudste stuk heeft dikke muren van grote, eind 13e, begin 14e eeuwse kloostermoppen. Aanvankelijk vormde dit stuk de hele kerk en zat er hier een klein koor aan vast.

Als door Europa de godsdiensttwisten raasde ....

Dit koor is in 1566 afgebroken. De kerk is bij deze verbouwing iets verlengd en een nieuw groter koor werd aangebouwd. Hiermee brak de kerk met zijn Katholieke verleden. Het toen bij de kerk getrokken verlengde koor is buiten duidelijk zichtbaar aan de pleisterlaag die niet doorloopt. Het schip, van drie traveeën en het oudste deel van het koor, zouden van oorsprong eveneens 13e eeuws kunnen zijn.

Het is tekenend voor de kerkelijke situatie zoals we die nog uitgebreid zullen tegenkomen, dat de storm van godsdienstoorlogen die in de 16e eeuw over Utrecht en de rest van Europa raasde, geheel aan Bunnik voorbij ging. Hier werd niet geredetwist, hier bouwde men voor de Heer een nieuw koor! Het koor was relatief vrij groot, zeker als we bedenken dat Bunnik een gewone parochiekerk had zonder kapittel of koorgeestelijken en dat het koor dus maar voor één man bestemd was. Die pastoor had in lengte van de kerk gemeten twee ramen ter beschikking, de bevolking drie. Het was een mooi groot koor maar wel gebouwd volgens degelijke principes. Terwijl men in Odijk al in 1548 een rank gotisch koor in gebruik nam, hield Bunnik het op de romaanse stijl. De ramen waren er vrij klein en voorzien van rondbogen, de muren dik. Hoewel de romaanse stijl al enkele eeuwen uit de mode was, heeft men vermoedelijk toch voor deze stijl gekozen om de kerk een eenheid te laten blijven. In Odijk had men in 1548 van het zaalkerkje een kruiskerk gemaakt en bij een dergelijke aanbouw was een gotisch dwarsschip met koor minder storend dan in het in Bunnik zou zijn geweest. Om het koor te betalen werd een akker land verkocht. Er volgden meer verbouwingen.

Bij een verbouwing omstreeks 1840 werden koor en kerk één door het verlagen van het plafond van het koor. De inrichting met de blikrichting in de kerk was wel tot de 19e eeuw hetzelfde gebleven. De pastoor, later de dominee, stond nog in het koor, terwijl de kerkgangers onder de toren binnenkwamen. In 1839 werd besloten die blikrichting van de kerk te veranderen. Ook de buitenbepleistering dateert uit die tijd. De toren kreeg bij een restauratie in 1938-1939 zijn huidige tentdak. Een restauratie van de kerk volgde in 1954-1955, waarbij de laatste resten uit de kerk werden verwijderd. Die laatste resten herinnerde nog aan een oud gebruik van laatste rustplaats in en rond de kerk. De koperen lessenaars en lichtarmen op de kansel en de voorlezersplaats zijn uit de late 17e eeuw, zichtbaar en aanwezig.  

Het orgel

Het eerste orgel, een groot barok-kabinetorgel is in 1828 gekocht bij de orgelbouwen Jonathan Bätz in Utrecht en op 21 mei 1828 ingewijd. Vanaf 1830 was er met Bätz een onderhoudscontract. De koster/voorzanger, de enige die blijkbaar enig besef van muziek in het dorp had, werd tot organist benoemd. Aanvankelijk kreeg hij hier geen salaris voor, maar in 1832 krijgt hij als aanmoediging van de kerkvoogdij een gratificatie van 10 gulden. Het schijnt een leuk orgeltje te zijn geweest, maar het stond op de kerkvloer en leed erg door het vocht. Daarom werd bij de verbouwing van 1839 voor het orgel een balkon tegen de toren aan gebouwd en kwam de windkast in de toren. In 1911 had het zijn beste tijd gehad. Nadat orgelstemmer Sanders verklaard had er nu ook niets meer aan te kunnen doen als het ding vals klonk, werd besloten om informatie bij G. Spit in Den Haag  in te winnen over een nieuw orgel. In 1912 schreef De Koff als laagste in voor 2020 gulden en kreeg de opdracht een nieuw orgel te  bouwen. Jan De Koff was een meesterknecht van Witte die weer meesterknecht was van Jonathan Bätz. Het was zijn eerste zelfstandige opdracht die hij er bepaald niet slecht vanaf bracht. Hij bouwde een ‘ouderwets, vroeg-romantisch orgel met een prachtige donkere klank en een mechanische overbrenging. Hij kreeg de opdracht om het oude orgel te verkopen en als hij er 300 gulden of meer voor zou beuren, mocht hij 10% provisie houden. Dat lukte hem helaas niet. Het orgeltje werd voor 200 gulden verkocht aan de Gereformeerde kerk van de Bilt. Het orgel heeft nog de originele kleuren van 1911. Dit heeft een reden, want na de verkoop van het oude orgeltje werd besloten dat er wel een fraaier frontje voor kon dat 125 gulden extra kostte. Tijdens de restauratie van 1954/55 werd het door De Koff helemaal ingepakt om nat worden te voorkomen. De Koff leverde toen een klein huurorgeltje voor de Grondslag waar de kerkdiensten tijdelijk gehouden werden. Daarna gaf de architect opdracht om het orgel helemaal wit te schilderen, maar de schilder, die de opdracht niet vertrouwde, vroeg een bevestiging aan de kerkvoogden, hetgeen hem op een compliment van de kerkvoogdij en een uitbrander van de architect kwam te staan. Het orgel bleef zoals het was. Tot 1971 was het orgelspel langzaam en zwaar van klank, hoewel het in de vorige eeuw nog langzamer was. De stijl van Feike Asma was populair, de meeste registers gingen open tijdens de gemeentezang en de organist ‘greep’ graag in de toetsen. Ad de Jong was de laatste die de muziek wel ritmisch, maar erg langzaam speelde als teken van eerbied. Na het afscheid van organist Ad de jong en de invoering van het Liedboek voor de kerken spelen de organisten een stuk sneller. Ad de jong nam zijn voorspelen vaak uit de Hervormde Bundel van 1806 en speelde op verzoek graag iets van Johannes de Heer. De huidige organisten maken meer gebruik van Bach en de moderne Franse componisten, waarvan de muziek beter aansluit op de muziek van het Liedboek. 

Predikanten

De ideale predikantenloopbaan begint meestal in een klein dorp, gaat daarna via een wat grotere plaats naar een stad. Grote steden zoeken als predikant meestal iemand die al in twee of drie kleinere plaatsen heeft gestaan en daar voldeed, kleinere plaatsen kijken in de dorpen en de dorpen kiezen voor een pas-afgestudeerde predikant. Bunnik heeft in 1874 een jonge predikant die over zo'n geweldig preektalent bleek te beschikken dat zijn vroegere hoogleraren op zondag met plezier in Bunnik naar hun leerling kwamen luisteren. Ds. Welter heeft het later dan ook tot hofprediker bij Koningin Wilhelmina gebracht!  

Tien predikanten

1 1596-1601 Ds. Cornelis Jansz. van Cothen

2 1601-1604 Ds. Gerardo Cornelio de Vlieger

3 1615-1619 Ds. Reinier van Oosterzee

4 1622-1626 Ds. Pieter van Deyl

5 1626-1641 Ds. Anthonie van Cauwenhoven

6 1641-1644 Ds. Cornelis van der Lingen

7 1644-1686 Ds. Cornelis van Meerlant

8 1651-1686 Ds. Rutger Coesveld

9 1687-1693 Ds. Everhard Luyting

101693-1700 Ds. Matthijs Heck

Wie in de late jaren ’70 als huisvrouw in de gemeente Bunnik andere vrouwen wilde ontmoeten kon ruimschoots terecht in een van de drie dorpen. De Nederlandse Bond voor Plattelandsvrouwen, de Nederlandse Christelijke Vrouwenbond, het Katholieke Vrouwengilde, de Christelijke Plattelandsvrouwenbond Werkhoven/Bunnik, de Katholieke Plattelandsvrouwen Organisatie, de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, Vrouwen in de VVD, de Rooie Vrouwen, de VOS-werkgroep, er waren liefst veertien organisaties gericht op vrouwen. Veel van die clubs organiseerden lezingen, excursies en gezelligheid.

Toch bleek er nog een leemte in het aanbod voor activiteiten voor vrouwen. Overal in Nederland en in de buurgemeenten verrezen ze: Vrouwencafés. Iets dergelijks was er in Bunnik nog niet.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld verenigingen was de café -vorm anders georganiseerd. Er bestonden geen lidmaatschappen of verplichtingen, het waren avonden waarbij vrouwen zomaar konden binnenlopen. Het woord café bleek meer te zijn dan koffie en drankjes consumeren. Er was ook een inhoudelijke invulling op zo’n avond met discussies, een film of een voorstelling. Vanuit de VOS- cursussen (Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving) kwam het initiatief om ook zoiets te organiseren.

Ook andere vrouwen sloten zich hierbij aan en organiseerden het Vrouwencentrum dat in 1979 van start ging in het jongerencentrum De Dolfijn, gevestigd in de oude Barbara school (1895-1985), inmiddels afgebroken. De naam Vrouwencentrum in plaats van Vrouwencafé was gekozen om niet te feministisch over te komen, radicaal was de bedoeling dan ook helemaal niet.

De belangstelling was veel groter dan verwacht ondanks al die vrouwenorganisaties in de drie dorpen. Op de eerste avond liep de zaal vol met belangstellenden, nieuwsgierigen en vrouwen die mee wilden doen met het organiseren.

Een vijftiental vrouwen ging aan de slag om iedere maand een avond op te zetten Dat gebeurde niet door een bestuur. Geen vaste voorzitter of secretaris, vergaderingen leiden of notuleren kon wel bij toerbeurt. Iedereen kon haar talenten ontplooien in een Werkgroep. Thema’s bedenken, spreeksters uitnodigen of een cabaretgroepje, een film huren, publiciteit verzorgen door middel van zelfgemaakte affiches en contacten met het Bunniks Nieuws. Met een kleine subsidie van de gemeente kon maandelijks een avond in de Witte Huisjes in Bunnik gehuurd worden. De belangstelling bleef groot.

Er waren onderwerpen te over die interessant waren voor de doelgroep: vrouwen die meer wilden dan alleen gezelligheid en ontwikkeling. De vrouwencentrumbezoeksters waren geraakt door de vrouwenbeweging met de boodschap: zo gauw de kinderen iets groter worden de maatschappij weer in. Werk zoeken, een afgebroken opleiding weer oppakken of iets nieuws beginnen. En daarbij een andere taakverdeling in het gezin dan de man als kostwinner en de vrouw bezig met de kinderen en het huishouden. Het Vrouwencentrum speelde hier op in. In de doelstelling stond bewustwording van je situatie en assertiviteit: opkomen voor jezelf.

Op de thema-avonden over een bepaald onderwerp, zoals Vrouw en Gezondheid, of Werken Buitenshuis, werd begonnen met een kleine inleiding of een expositie waarna in groepjes uiteengegaan werd om te discussiëren, na afloop napraten en gezellig samenzijn.

Bij bepaalde onderwerpen kwamen er ook cursussen. Befaamd was de cursus Assertiviteit: opkomen voor jezelf. Traditioneel werden vrouwen opgevoed om bescheiden te zijn, dat kon met assertiviteit wel wat minder. Met berusting en tevredenheid kwam je niet ver. Altijd voor iedereen klaar staan was ook een groot goed voor de traditionele vrouw, dat vrouwen ook wel eens nee konden zeggen was een leerdoel bij de cursus.

Het Vrouwencentrum was succesvol wat betreft het aantal bezoeksters en hun enthousiasme. Maar  er was  veel verloop in de Werkgroep. Vrouwen gingen weer werken of studeren en hadden daardoor niet genoeg tijd en aandacht voor het Vrouwencafé. Uiteindelijk ging het aan de eigen doelstellingen  ten onder. Nog enige jaren werd het voortgezet als een Literair Café waar ook mannen welkom waren.

Maar na bijna veertig jaar is de vrouwenbeweging nog niet klaar. Er zijn nog veel kwesties : #Me Too, het glazen plafond, het vrouwenquotum bij aanstellingen, de abortuswetgeving en gratis of goedkopere kinderopvang. In het Vrouwencentrum stonden die nog niet op de agenda.  

Dochters en  kleindochters deden opleidingen en maakten carrière. Vrouwen die vroeger naar het Vrouwencentrum gingen, zie je nu als oppas-oma’s nog wel eens in het dorp met een kinderwagen of een peuter bij de hand.

Langs de provinciale weg tussen Bunnik en Utrecht ligt, ingeklemd tussen deze weg en de spoorlijn Arnhem – Utrecht, een eeuwenoude boerderij met de naam Runnenburg. Vroeger was het een grote boerderij met veel land, tegenwoordig is het verbouwd tot appartementen en is er vrijwel geen land meer bij. De boerderij is nu ingeklemd tussen de spoorlijn en de Provinciale weg.

De vroegste gegevens: de Broederschap

De oudste geschiedenis van deze boerderij is zoals zoveel boerderijen in nevelen gehuld. De geschiedenis is echter met zekerheid terug te vinden tot zeker 1470. Via via kunnen we mogelijk zelfs terug gaan tot het begin van de 15e eeuw.

Om tot 1470 terug te gaan moeten we echter eerst naar 1537. De toenmalige eigenaar, Adriaen Hermans, verklaarde toen dat hij de boerderij met een hoeve land gekocht had van de Broederschap van de Heilige Drievuldigheid.

De broederschap van de Heilige Drievuldigheid werd gesticht in 1446 door Gerrit die Keijser en zijn vrouw Heijlwigen Tijman Jansdr. Het doel was het opdragen van twee missen per week op een altaar in de Buurkerk, en verder het doen van zielmissen voor de overleden broeders. Op zondag na Bartholomei (feestdag van het altaar, waarop de broederschap gevestigd werd) werd een mis opgedragen en een feestmaal gehouden. Er mochten 33 broeders zijn, bij voorkeur uit de nakomelingen van de stichter, en 2 procurators, die de broederschap zouden besturen.

Over het land wat de broederschap bezat moest natuurlijk belasting betaald worden, en onder andere in 1470 wordt er een lijst gemaakt van de belastingplichtigen van het zogenaamde morgengeld. We lezen in 1470 dat er voor een hoeve land behorend aan een altaar in de Buurkerk 16 stoters aan belasting betaald moest worden. Omdat dit de enige vermelding van een altaar in de Buurkerk is van een hoeve land, kunnen we ervan uit gaan dat dit de bewuste hoeve is.

Intrigerend is een kwitantie van 10 november 1467, waarin Willem van Zijl verklaarde dat hij aan deze broederschap een halve hoeve land verkocht had, gelegen te Vechten, waarvan de andere helft al aan de broederschap toebehoorde. In de fundatiebrief uit 1446 van de broederschap wordt het land te Bunnik/Vechten niet genoemd. Waarschijnlijk had de broederschap de helft van de hoeve dus verworven tussen 1446 en 1467, en de andere helft van de hoeve in 1467. Als we teruggaan naar de lijst van het morgengeld van 1434 zien we dat in 1434 Geryt Snoeck en de erfgenamen van Geryt die Witten samen een hoeve bezitten.  Daarvoor had Jan Holl deze hoeve. Alhoewel het niet 100% zeker dat het over hetzelfde perceel gaat kunnen we stellen dat we met de geschiedenis van deze boerderij terug kunnen gaan tot het begin van de 15e eeuw.

Runnenburg

Vanaf de zestiende eeuw is de eigendom en zijn de gebruikers bijna continu te volgen.

Het Regulierenklooster in Utrecht had rond 1500 al veel land in Bunnik. Een van hun pachters was Adriaen Hermans. Hij werd vanaf 1490 al genoemd als landgenoot bij diverse transacties te Bunnik en Vechten en vanaf 1510 als pachter van de Regulieren. Behalve pachter had hij ook land in eigendom, namelijk de hoeve land die hij dus van de broederschap gekocht heeft.

In 1520 droeg Adriaen Hermans zijn hoeve land op aan Gijsbert van der Haer. Die gaf het land dezelfde dag weer in erfpacht aan Adriaen Hermans. In 1537 verklaarde Adriaen Hermans dat zijn hoeve land moest vererven op zijn twee zonen, Cornelis Adriaens de oude en Cornelis Adriaens de jonge. Zijn twee dochters, Adriaenke en Alijdt, werden uitgekocht voor f 100 elk. 

In 1538 volgden de beide Cornelissen hun vader op. Direct erna, op 3 juni 1538, werd de hoeve land verkocht aan Willem, vrijgraaf van Rennenberg, en zijn twee zonen Frans en Karel. Op 5 december 1544 verkocht Willem, graaf van Rennenberg, heer van Zuijlen en Oldenhoorn, deze hoeve land aan het Regulierenklooster.

De boerderij Rennenberg, of Runnenburg zoals deze nu heet, komt daarmee aan zijn naam.

Tot 1743 bleef Runnenburg eigendom van het Regulierenklooster en diens opvolger het Burgerweeshuis. In 1742 en 1743 werd een groot deel van het eigendom van de Regulieren verkocht. Runnenburg met het bijbehorende land werd op 28 mei 1743 aan Ciprianus Berger getransporteerd. Hij had het al in 1742 op een publieke veiling gekocht van het Burgerweeshuis. 

Na zijn overlijden werd het in 1785 verkocht aan Willem van Rossum en zijn erfgenamen. Waarschijnlijk in 1865, bij een openbare veiling, werd Runnenburg verkocht aan het RK Parochiaal Armbestuur. Die bleef tot in de 20e eeuw eigenaar van Runnenburg.

Omschrijving bij de verkoping van 1785

Toen in 1785 Runnenburg verkocht werd door de erfgenamen van Ciprianus Berger aan Willem van Rossum, werd er een omschrijving gegeven van wat er verkocht wordt. De omschrijving luidde toen als volgt:

Een schoon welgelegen hofstede genaamd Renneberg bestaande in een hoeve lands, met huijs, twee bergen, schuur, schaaphok, duijvenhuijs, drafkuijl, bakhuijs en boomgaard, bepootinge en beplantinge daar op staande, zijnde hof en thinsgoed van de Domainen s Lands van Utrecht, op de speciale last van twee guldens vijff stuijvers voor Hofgeld daar jaarlijks uijtgaande. Mitsgaders nog 24 mergen land, strekkende van de Groeneweg, tot aan de Rijsbruggerwetering toe, alsmede nog 10 mergen land, strekkende van de Bunnikse weg, tot aan de Vordelsloot toe. Voorts 7,5 mergen land gelegen op den Hoogen Eng, strekkende van de Groeneweg tot aan den Bunnikse weg toe. Nog 2 mergen land, strekkende als evengemeld. Eindelijk 10 mergen en ’s negentig roeden land, en alsdus te zamen en in ‘t geheel groot 69 mergen 390 roeden. zoo boomgaard, weij als bouwland, verongeldende maar voor 65 mergen, edog zoo groot en kleijn. als alle de voorsz Landerijen en derzelver strekkingen en belendingen gelegen zijn, onder den Gerecht van Bunnik en Vechten, werdende derzelver Hofstede en landen in huure gebruijkt bij Cornelis Jansz Davelaar en Neeltje van Schaik Echtelieden, voor de zomme van 850 guldens jaarlijks eens geld, dewelke daaraan nog huure hebben tot Primo January en Primo Maij 1800. Welke huur den koper zal moeten uijthouden, volgens de huurcedulle den 19 February 1780 voor de Notaris Jan Tieleman Blekman en getuijgen binnen Utrecht gepasseert, waartoe bij deeze werd gerefereert.

Opvallend is het schaaphok en de drafkuil. Er zijn weinig tot geen boerderijen in Bunnik waarbij dit vermeld wordt.

De boerderij is nu, anno 2021, verbouwd tot appartementencomplex. Aan weerszijden van de gang over wat vroeger de deel was zijn kleine appartementjes gebouwd. Het voorhuis werd in zijn geheel verhuurd. In dit voorhuis zijn een paar elementen nog bewaard gebleven, zoals een 18e eeuwse (?) haard en een middeleeuwse kelder.

DERK DE GEEST (1878-1965)

Derk trad op 15 jarige leeftijd in 1893 in dienst bij smederij Roodvoets te Bunnik. Hij maakt op 5 januari 1898, “na vijf en een half jaar eerlijke en trouwe dienst”, een uitstapje naar de Rijwielfabriek Wilhelmina te Zeist. Op 27 augustus 1898 keert hij met een getuigschrift bankwerker weer terug naar de smederij. In 1924 neemt hij het smederijbedrijf over van de heer Roodvoets, onder de naam "Smederij de Geest", dat later de toevoeging & zoon kreeg.

HENDRIK DIRK DE GEEST (1906 – 1993)

Na de lagere school in Bunnik hielp hij enige tijd de tuinman van de Niënhof. Daarna volgt hij van april 1920 tot april 1923 op de Ambachtschool in Utrecht een opleiding tot machinebankwerker die hij “met goeden uitslag heeft gevolgd”. Bovendien verwierf hij bij het verlaten van deze school “een eersten prijs voor goed gedrag en ijver”. Van 1923 tot 1942 werkt hij bij zijn vader Derk de Geest in de smederij. Per 1 januari 1942 neemt hij deze van zijn vader over. In verband met een hem overkomen ongeval op 1 oktober 1973, een aanrijding waarbij hij zijn rug brak, heeft hij zijn bedrijf niet meer kunnen voortzetten en officieel op 1 mei 1974 beëindigd.

Het bedrijf Smederij de Geest

In de “Kamer van Koophandel en Fabrieken” stond het bedrijf ingeschreven als “Grof-, Hoef-, Huis- en Kachel- smederij”.

Als een zeer onvolledige opsomming van werkzaamheden kan worden genoemd: sier-smeedwerk, zoals een hek om de oude Nederlands Hervormde pastorie, vogels op een grafzerk, wijnrekken, een bijzettafeltje, lectuurbakken, een fraaie trapleuning in het huis van zijn dochter etc.

Ook banden om de wielen van “mallejan’s” voor Houthandel Van Dam, gesmede nagels/spijkers voor bouwwerkzaamheden, tegelmallen voor de Betonfabriek Destrebecq.

Het herstellen en - in het oogstseizoen dagelijks vooral ’s avonds - slijpen van maaimessen voor loonwerkers die de weides voor de boeren maaiden.

Als hoefsmid besloeg hij niet alleen de paarden, maar maakte ook zo nodig eigenhandig (orthopedische) hoefijzers voor de hoeven van de paarden, die - veelal in de voor de smederij staande “hoefstal” - de bewerking van de hoeven ondergingen.

Kachels en haarden (hout- of kolenkachels, géén olie-) werden meestal met de handkar bij de klanten opgehaald, in de smederij schoongemaakt, zo nodig gerepareerd of onderdelen vernieuwd (bijvoorbeeld de ‘mica’ ruitjes) en daarna (per handkar of bakfiets) weer teruggebracht naar de eigenaar. Ook werden haardplaten gemaakt, waarmee zomers de schoorsteen in de kamer werd afgedekt, en pijpen voor (nieuw) geleverde haarden en kachels; daarvoor stond een speciaal apparaat in de smederij, waarmee van een vlakke plaat een pijp werd “gerold”. 

Onder de noemer Huissmederij vallen b.v. het (met een zgn “loper) openmaken van sloten (waarvan de sleutel kapot of zoek was); het herstellen van sloten, laswerk van allerhande gebruiksvoorwerpen, (b.v. ook kinderfietsjes/steps). Het laswerk gebeurde eerst door middel van carbid, waarmee acetyleengas werd geproduceerd, waar dan “autogeen” mee werd gelast. Later kwam dat gas in flessen vanuit de fabriek (Loos & Co). Bij de verbranding van het gas ontstond een steekvlam, door de hitte daarvan kon metaal worden bewerkt. 

Al het werk ging “op rekening”(1 of 2x per jaar), die vaak na maanden pas werd betaald (of zelfs helemaal niet!) Grote klanten: Gemeente Bunnik, rijkswaterstaat, Houthandel van Dam, Betonfabriek Desterbecq e.a..

Opa D. de Geest woonde met zijn vrouw in het linkse deel van een dubbel woonhuis aan de Molenweg. Dit pand is afgebroken bij de aanleg van de zuster Spinhovenlaan. (Zoon) H. D. de Geest woonde (vanaf 1934 tot 1959) met zijn gezin in één van de eerste nieuwgebouwde huizen aan de Molenweg, schuin tegenover de smederij. Na het overlijden van de Laatste Roodvoets-telg, kocht en verhuisde Henk met zijn gezin naar, het veel oudere huis grenzend aan de smederij aan de overkant.  

In de 16e en 17e eeuwse Bunnikse teksten komen drie brinken voor; de Antonisbrink, de Arrisbrink en de Zoogbrink. De Antonisbrink, genoemd naar de heilige Sint Antonius, is nog steeds duidelijk te herkennen en vormt dan ook het dorpsgezicht van Bunnik. De brink ligt centraal bij de Oude Dorpskerk, met het Oude Raadhuis, het Wapen van Bunnik, de Witte huisjes, een loswal en de Raadhuisbrug over de Kromme Rijn. De brink is ook te herkennen aan de wegen die uitkomen op deze brink, zoals de Dorpsstraat, de Molenweg en de Smalleweg, de Langstraat, Tolhuislaan en de Groeneweg. 

Een brink is een open ruimte in een dorp of aan de rand daarvan, waar de boerderijen omheen gegroepeerd staan, meestal beplant met bomen (eiken). De brink diende oorspronkelijk om het vee in te scharen (verzamelen). Vaak lag er op de brink een poel(dobbe of kolk). Iedere ochtend werd het vee naar de brink gedreven. Tegen de avond gingen alle koeien na het uitsplitsen terug naar de boerderij. De wegen die hier ontstonden werden veedriften genoemd. Zij hadden de vorm van een trechter. Bij sommige dorpen is dit nog goed te zien. De brink vormde natuurlijk ook een gemeenschappelijke ontmoetingsruimte en werd zo later vaak het dorpsplein.

De Antonisbrink moet aanzienlijk groter zijn geweest dan was gedacht. Want we kunnen lezen dat na de 16e eeuw verschillende huizen in de Langstraat, die in het oosten grensden aan de Antonisbrink, met bisschoppelijke toestemming tot kerkelijk bezit werden verklaard. Dit doet vermoeden dat de brink zich in de 17e eeuw vrij ver naar het noorden uitstrekte. Het is dit noordelijke gedeelte van de brink, in de richting van het steenhuis De Beesde, later landhuis Cammingha, dat als Achterbrenck of achterste brenck bekend stond. 

Bunnik telde in de negentiende eeuw ongeveer 900 inwoners die voor de helft woonden in de bebouwde dorpskern en rond de Antonisbrink. Iets verderop lagen aan de andere twee brinken, de Arris- en de Zoogbrink, de huizen van ambachtslieden en kleine boeren. Buiten de dorpskern kende Bunnik vele boerderijen met hun landgoederen.

Het gezin was belangrijk in `t gebied van de Kromme Rijn. Generaties lang werd goed gekeken naar gezinsplanning voor het behoud van de boerderij. Wie buiten de boot viel als boerenzoon moest zich zien te redden als arbeider en kwam terecht in een arbeidershuisje. Het is dan ook moeilijk voor te stellen dat een gezin, met gemiddeld vijf personen, kon leven in een huisje met een afmeting van drie bij acht of negen meter diep.

Hier en daar stonden deze huisjes in groepjes met een erf of een kleine boomgaard daartussen. Voor de Dorpskerk stonden de daggelderswoningen en de ruimte hiervan was, ieder afzonderlijk, niet meer dan een kamer met stookplaats en een berg- of slaapzolder. Daggelders waren landarbeiders die een dagloon kregen. Ook aan de Eendrachtstraat ``t Slot`, bij het winkelcentrum in Bunnik, stonden ze. Daggelders die werkten bij Oud-Amelisweerd, woonden in zo`n groepje kleine woningen met de naam `de Vinkenbuurt`. Aan de Langstraat, de oudste straat van Bunnik, stonden enkele Diaconiewoningen achter elkaar gerangschikt aan de Kromme Rijn.

`Een stappende haan als zinnebeeld van waakzaamheid`

Burgemeester Willem Jabes van Beeck Calkoen loodste de drie gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven door naar de vernieuwing van de twintigste eeuw. Hoe deed hij dit?

Willem Jabes werd op 25 maart 1871 in Utrecht geboren als zoon van Aarnoud Willem van Beeck Calkoen en jvr. Pauline Albertine Ram. Hij trouwde op 14 november 1901 in Zeist met jvr. Adrienne Johanna Margaretha Repelaer; dit huwelijk werd op 3 december 1930 ontbonden. Het echtpaar kreeg vier zoons. Hij overleed op 13 februari 1945. 

Stammend uit een bekende Utrechtse familie, waarin grootvader Aarnoud Jan en vader Aarnoud Willem  in Utrecht vele functies op politiek, kerkelijk en bestuurlijk gebied hadden bekleed, deed Willem Jabes rechten aan de Utrechtse universiteit; in 1898 volgde zijn doctoraal examen. Hij studeerde af met een promotie op stellingen.

Hij werd opgeleid in de secretarie in Zeist. Hier bleek al snel dat Willem Jabes ijverig en nauwgezet was. In 1899 kwamen er een paar kenmerken bij die paste bij het burgemeesterschap. Hij was 2e secretaris geworden van het hoofdbestuur van het Genootschap voor Landbouw & Kruidkunde. Volgens de burgemeester van Zeist vervulde hij deze betrekking met de meesten ijver, bekwaamheid èn welwillendheid, terwijl ook zijn aangename beleefde manieren en makkelijke wijze van omgang een uitstekende indruk hadden gemaakt bij alle leden van genoemd hoofdbestuur.

Met deze overtuigende woorden werd Willem Jabes in 1901 burgemeester van de gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven. Deze gemeenten hadden sinds 1850 samen één burgemeester. In 1897 was voor de drie plaatsen een nieuw gemeentehuis gebouwd in het centrum van Bunnik. Van Beeck Calkoen kon zijn werkzaamheden dus in een mooi nieuw gebouw beginnen. Hij vond het belangrijk om ook in Bunnik te wonen en verhuisde kort na zijn benoeming naar het centrum van het dorp. In 1905 werd hij eigenaar van de fraaie buitenplaats Bloemerwaard met de bijbehorende landerijen, gelegen tussen de Schoudermantel en de Kromme Rijn. Inmiddels was hij getrouwd met Adrienne Repelaer; het echtpaar kreeg vier kinderen; Aernoud Willem, Frans Jabes, Philip Jan en Johan Adriaan Paulus.

‘Ik ga niét van het schip af!’

Een wapenfeit uit de loopbaan van Van Beeck Calkoen was de invoering in 1913 van het gemeentewapen van Bunnik; een stappende rode haan als zinnebeeld van waakzaamheid. Een jaar later brak de Eerste wereldoorlog uit, die het rustige Bunnik niet ongemoeid liet. De inwoners kregen te maken met inkwartiering en distributie. Bovendien lag het dorp middenin het gebied van de Hollandse Waterlinie, zodat ontruiming dreigde. Van Beeck Calkoen zei later zelf over die moeilijke periode, dat de gemeente heen en weer getrokken werd tussen het staatsgezag, het militaire gezag en haar eigen belang. In 1918 volgde het gevaar van een revolutie in Nederland. Predikant De Vrijer herinnerde zich later, dat hij aan de burgemeester had gevraagd: ‘En als ook over onze gemeente de revolutie-golf komt?’ Hij antwoordde rustig; ‘Ik ga niét van het schip af!’

Plichtsgetrouw stond Van Beeck Calkoen aan het roer van zijn gemeenten, Bunnik, Odijk en Werkhoven. Dat dit werd gewaardeerd door de bevolking, blijkt wel uit de huldiging bij zijn 25 jarig jubileum in 1926. Vlaggen waren uitgestoken, en het stadhuis was feestelijk versierd met bloemen en palmen. In optocht van ruiters met sjerpen, de plaatselijke afdelingen van arbeidersvakverenigingen met hun vaandels en enkel muziek- en zangverenigingen, begeleidden de jubilaris naar het gemeentehuis. Na afloop van een bijzondere raadsvergadering vond een huldiging plaats in het gebouw de Grondslag. Hij kreeg een ingelijst tegeltableau, dat dorpsgezichten en wapens voorstelde rond het portret van de burgemeester, met aan weerszijden twee figuren die lief en leed symboliseerden. Het cadeau van de ambtenaren was een marmeren inktstel.

Naast het burgemeesterschap bekleedde Van Beeck Calkoen twintig jaar lang diverse andere functies. Hij was lid van Provinciale Staten, buitengewoon lid van Gedeputeerde staten, dijkgraaf van het hoogheemraadschap Lekdijk Bovendams, commissaris van de N.V. Provinciale Utrechtsche Elektriciteitsmaatschappij, lid van het dagelijk bestuur van de Stichting Drinkwaterleiding Zuid-Utrecht, voorzitter van de Schippersschool te Vreeswijk en voorzitter van de Tuberculosecommissie voor Bunnik, Odijk en Werkhoven. Een koninklijke onderscheiding kon voor een man met zoveel verdiensten niet uitblijven. In 1936 werd Van beeck Calkoen bevorderd tot officier in de orde van Oranje-Nassau.

Tijdens zijn bewind maakten de drie gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven een belangrijke ontwikkeling door. Het inwonertal nam toe, riolering, elektrisch licht en waterleiding werden aangelegd, er werd woningbouw gepleegd en er kwamen nieuwe wegen tot stand. De burgemeester kreeg steeds meer zorgen. Het werd moeilijk om de begroting sluitend te krijgen, de belastingdruk was hoog, de landhuizen langs de Kromme Rijn kwamen leeg te staan, waardoor de inkomsten van de gemeente terugliepen, en er was sprake van werkloosheid.

Hoewel Van Beeck Calkoen op 25 maart 1936 de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, wachtte hij met zijn vertrek tot hij 35 dienstjaren volgemaakt had. Uiteraard was er, net als in 1926, een groot feest georganiseerd, dat op 3 oktober plaatsvond. Op het gemeentehuis werd het afscheidscadeau aangeboden, dat bestond uit een serre ameublement met bloemstuk. Om vijf uur ’s middags begon een defilé bij de burgemeesterswoning, waaraan werd deelgenomen door 19 verenigingen uit Bunnik en een muziek muziekkorps uit Werkhoven. Van Beek Calkoen werd toegezongen door ongeveer 300 schoolkinderen, die een reep chocola ontvingen. Het uitvoerige verslag in het Utrechtsch Dagblad vermeldt: ‘Spontaan weerklonk een driewerf hoera voor de scheidende burgemeester, waarvoor deze vriendelijk dankte. De verslaggever wenste de ‘in den dienst vergrijsden burgervader’ een levensavond toe die net zo helder zou zijn als deze mooie herfstdag.

De laatste levensjaren van Van Beeck Calkoen waren echter niet onbezorgd. Zijn echtgenote, die niet had kunnen wennen aan het rustige dorpsleven, was in 1924 uit Bunnik vertrokken; in 1930 was het huwelijk officieel ontbonden. Twee zoons waren al vóór 1936 geëmigreerd, respectievelijk naar Amerika en Zuid-Afrika. Een derde zoon, Frans, was in 1933 burgemeester van Ouderkerk aan den IJssel geworden.

Bloemerwaard werd te groot voor de oud-burgemeester; in 1940 verkocht hij het landhuis. De nieuwe eigenaar liet het gebouw Bloemerwaard met de grond gelijkmaken en een modern huis optrekken. Een groot deel van het bijbehorende land was al onteigend in verband met de aanleg van de A12. Van Beeck Calkoen verhuisde naar Drieberg-Rijsenburg. Daar bracht hij de moeilijke oorlogsjaren door. In 1944 schreef hij aan een van zijn broers: ‘’ de dagen gaan voorbij in troostelooze eentonigheid en eenzaamheid’. Tijdens een fietstochtje met zijn zoon Frans naar Werkhoven bezweek hij aan een ‘hartflauwte’. Willem Jabes werd begraven op de Eerste Algemene Begraafplaats in zijn geboorteplaats Utrecht.

In Bunnik herinnert de Van Beeck Calkoenlaan nog aan deze trouwe burgemeester.