|

Raadhuisbrug en de Loswal in Bunnik

Raadhuisbrug en de Loswal in Bunnik
©: Meike de Vries (Bunnik)

In de vroege 17e eeuw legde Bunnik de basis met een provinciale zandweg naar omliggende dorpen en Utrecht. Koning Willem I verhardde in 1815 belangrijke routes in het Kromme Rijngebied. 

Ooit de enige toegang tot Zeist, werd de Bunnikse Brug in 1711 tolweg voor rijtuigen en vee, met uitzonderingen voor zwarte paarden en paarden met een bles en vier witte benen. De brug, voor 1964 de enige route naar Zeist, vereiste tolheffing van een stuiver, en werd onderhouden door Gijsbertus van Merkesteijn. Twee 19e-eeuwse vernieuwingen volgden vanwege toenemend verkeer. In 1971 werd de brug enkel toegankelijk voor voetgangers na verslechtering.

Mobiliteit
Voorheen onderschatte de gemeente mobiliteit, vermoedelijk door verondersteld gebrek aan vraag. Toch werd in 1838 een voetbode ingezet om pakjes naar Utrecht te brengen, en tweemaal per week reden postwagens tussen Wijk en Utrecht, voor zowel goederen als personen. De postwagen vertrok om 5 uur 's ochtends vanuit Wijk bij Duurstede en bereikte Utrecht om 8 uur (zomer) of 9 uur (winter), aanpasbaar aan omstandigheden. Reizigers konden plekken reserveren, waarbij de voerman voor de eerste twee plekken een hoger tarief vroeg. Deze postdienst functioneerde tot de jaren '70 van de 19e eeuw.

Een alternatieve optie was een vrachtkar die drie keer per week tussen Wijk en Utrecht reed, ter aanvulling van het vervoer. Hoewel schuiten de belangrijkste goederenroute over de Kromme Rijn waren, toonden deze verbeteringen aan dat de gemeente zich wel degelijk aanpaste aan vervoersbehoeften.

Economische rol tot 1930 en de Kromme Rijn
Tot 1930 speelde de Kromme Rijn een vitale economische rol voor fruit- en kleinhandelstransport. In dorpen zoals Bunnik fungeerden particulieren als laad- en losplekken, zoals in 1862 toen Van Dam kiezels loste voor het Houtense Zandpad. 

De Loswal

In het verleden werd het lossen en laden van goederen uitgevoerd op particuliere gronden langs de Kromme Rijn. Gemeentes namen het initiatief om openbare plekken te organiseren, waarmee de vroegere last voor eigenaren verminderde. Een tastbaar bewijs van deze verandering is te zien in de aankoop van huizen en grond tussen 1813 en 1930 aan de Langstraat in Bunnik in 1864, waardoor een toegewijde los- en laadwal werd gecreëerd. 
 
Eeuwenlang Vervoer Over De Kromme Rijn
Vanwege nauwe bruggen en sluizen was in het Kromme Rijn-stroomgebied transport enkel mogelijk met lange smalle schuiten. De Krommerijnder, een lang en smal open vaartuig, heerste als dergelijke schuit. Dit type bood onbelemmerde toegang tot weiden en polders, grotendeels ongehinderd door wegvervoer - vooral 's winters wanneer wegen onbegaanbaar waren. Dit scheepje was multifunctioneel: bakstenen, turf, griendhout, fruit, talhout en takkenbomen werden vervoerd.

In 1782 kocht Pieter van Manen zo'n Krommerijnder voor 195 gulden. Hij verdiende zijn brood als schipper van Bunnik op Utrecht. De Krommerijnder, voorzien van een grote witte huif op houten beugels, vervoerde niet alleen vracht, maar waarschijnlijk ook mensen.

Van Dam liet kiezels voor de Houtense weg per Krommerijnder aanvoeren, met 9 schuiten nodig in mei en december 1863. Meestal bracht de schuit 'koopmans- en winkelgoederen, hout, boomgaardvruchten, aardappels of mestspecie' naar de Utrechtse markt. Tweemaal per week voer een vijf ton zware Krommerijnder naar Utrecht om goederen te verhandelen.

Op drukke zaterdagen was Utrecht een bijenkorf van bedrijvigheid, waar talloze beurtschippers en vrachtschuiten vanaf de Oude Gracht vertrokken om kleinere provinciale plaatsen te bevoorraden. Vanuit de stad namen de beurtschippers daarbij ook vaak tonnetjes met menselijke uitwerpselen mee terug als mest voor de tuinbouwers in het Kromme Rijngebied.

De Krommerijnder, symbool van een verleden tijdperk, belicht de cruciale rol die transport speelde in de samenleving. 

Fruitteelt en Transport over water: Evolutie in de Kromme Rijnstreek
Tegen het einde van de 19e eeuw bloeide de groente- en fruitteelt in de Kromme Rijnstreek op, terwijl graanbouw verminderde na een landbouwdepressie rond 1880. De groeiende stadsbevolking en welvaart stimuleerden deze verschuiving.

Appel-, peren- en kersenboomgaarden vervangen akkers; 1854: 32 boomgaarden, 1859: 49 op 66 bunder grond. Het vervoer over water werd cruciaal. De kersen bereikten Utrecht en zelfs Amsterdam per schuit. Tot 1930 had de Kromme Rijn een economische functie voor fruit- en kleinhandelstransport. Los- en laadplekken, zoals in Bunnik, Odijk en Werkhoven, ontwikkelden zich om de vraag aan te pakken.

In 1919 richtte Nico de Jong de Fruitveiling op in Bunnik, initieel aan de Loswal, later verplaatst naar de Schoudermantel aan het spoor in 1930.De groeiende bedrijvigheid eiste aangepaste transportoplossingen voor de toenemende veilingvolumes.

>>Lees ook, zie link hieronder: Het verkeer en economische vooruitgang in Bunnik

Colofon

Auteur: Karin Strengers-Olde Kalter (1953)

https://issuu.com/macareves/docs/hkrg_2012-nr4_web/3

Historische Kring Tussen Rijn en Lek, December 2012 (jaargang 46, nr. 4)
De geschiedenis van weg en water in Bunnik tussen 1813 en 1930

Bron: G.J. Schutten: Verdwenen schepen  - De kleine houten beroepsvaartuigen, vrachtvaarders en vissersschepen van de Lage Landen

Bron: Oud Utrecht Werk aan de werf Canon van Nederland

Foto: Schuiten houthandel Van Dam 1920-1940:, Het Utrechts Archief HUA cat 61202

Foto: Winter in Utrecht | Oudegracht1966. Lossen van vaten op de werf tussen Hamburgerbrug en Weesbrug HUA


Referenties

[1] Historische Kring Tussen Rijn en Lek
[2] Verkeer en economische vooruitgang tussen 1813 en 1930
© Tekst: Meike de Vries (Bunnik) © Foto voorblad: Meike de Vries (Bunnik)

Gerelateerde informatie


Foto’s





Reageren

Via onderstaand formulier kunt u een reactie achterlaten voor de auteur of de eigenaar van het item. (Dorpscanon Krommerijngebied)