|

Familieverhalen Van Zijl Hofstede Ter Hul 1502. 4

Familieverhalen Van Zijl Hofstede Ter Hul 1502. 4
©: Het Utrechts Archief

Hofstede Ter Hul is één van de oude gebouwen in Bunnik, gelegen op een strategische locatie bovenop de stroomrug van de Kromme Rijn, precies 3 meter boven N.A.P. De boerderij bevindt zich in de nabijheid van de vroegere verbindingsweg, de Groeneweg, die het gehucht Rijsbrug en het dorp Bunnik met elkaar verbond.

Deze boerderij kent een rijke geschiedenis, waarbij de familie Van Zijl gedurende maar liefst 500 jaar op deze plek heeft gewoond. Het is een bijzonder erfstuk dat zijn bescheiden karakter heeft weten te behouden, ondanks de omringende woonwijk en moderne ontwikkelingen. 

In 1802, en later opnieuw, wordt de familie eigenaar. De familie heeft een veelzijdige familiegeschiedenis en er is een uitgebreid aantal takken Van Zijlen in het Kromme Rijngebied. In de geschiedenis speelt Ter Hul de speciale rol als mini-ambachtsheerlijkheid. 

In 1328-1329 werd Ter Hul vermeld als een verpacht domeingoed van de bisschop op de oudst bekende rentmeesterrekeninglijst, waarbij Buddinc van den Hulle als een van de eerste pachters genoemd wordt. Echter, er is een hiaat in de vermeldingen waar Ter Hul niet meer op een lijst voorkomt. Wat is er gebeurd? 

Ter Hul wordt onderdeel van het goed Beverweerd

Bijzonder is het dat de bisschop Ter Hul in leen uitgeeft. De handelswijze van de bisschop, wanneer hij zijn ministerialen tegemoet wil komen op het platteland, laat zich hier zien. Het moet gebeurd zijn vóór 1394, het jaar waarin het oudste bewaarde leenregister van de bisschop een aanvang neemt. 

Op 28 juli 1395 werd Ter Hul vermeld als onderdeel van het complex Beverweerd, waarbij de bisschop heer Jan van Vianen van Beverweerd beleende. Ter Hul werd beschreven als een landgoed met een boerderij, bijgebouwen en landerijen. Uiteindelijk ging het eigendom van Ter Hul over naar Daniel van Boechout van Beverweerd. 

Op 12 maart 1502, toen Daniel van Boechout zijn moeder opvolgde, verkocht hij een deel van Ter Hul aan een hooggeplaatste geestelijke genaamd heer Willem van Montfoort, de proost van het kapittel van Oudmunster in Utrecht. Aangezien een leenheer op de hoogte gesteld moest worden van een dergelijke verkoop en er een nieuwe belening voor de koper moest plaatsvinden, besloot de leenheer, de bisschop, af te zien van een nieuwe belening voor Ter Hul. Met instemming van zijn vijf kapittels veranderde de bisschop de status van Ter Hul van een leengoed naar een allodiaal goed.

Het kapittel van Oudmunster hoefde geen leenhulde meer te brengen voor Ter Hul en bezat het goed nu volledig in eigendom. Op 13 oktober 1502 werd dit vastgelegd in een oorkonde, ondertekend door bisschop Frederik IV en de vijf kapittels, waarin de leenrechtelijke band met betrekking tot Ter Hul werd verbroken.

Het is onduidelijk wie precies de koper was: was het Willem van Montfoort in zijn functie als proost, of als privépersoon, of was het het kapittel waar hij proost van was? Er is geen bewijs gevonden van uitgaven van goudguldens, noch in de rekeningen van het kapittel, noch in die van de proosdij.

Ter Hul is door de proost privé gekocht, maar dan met de belofte dat het goed na zijn dood aan het kapittel zou toevallen en dat de bisschop afziet van zijn rechten als leenheer t.b.v. het kapittel. Dit blijkt uit het testament, dat Willem van Montfoort op 8 december 1511 in de ‘winterkamer’ van zijn huis in Utrecht laat opstellen. Hij sticht een vikarie op het daar aanwezige altaar van O.L.V. en S. Anna. Er zullen na zijn overlijden dagelijks missen worden gehouden voor zijn zielsrust en na iedere mis moet de priester op zijn graf de psalmen Miserere mei en De profundis lezen.

Het goed Ter Hul van de bisschop bestond uit twee enclaves, dicht bij elkaar gelegen, binnen het bisschoppelijk gerecht van Bunnik en Vechten, en was volgens het testament van proost Willem van Montfoort en de manualen van het oudschildgeld twee hoeven groot. De werkelijke grootte, volgens de kaart van Ter Hul door de landmeter Hendrik Verstrale in 1626, bedroeg 34 morgen. Het grootste deel, waarin de hofstede, strekte zich uit vanaf de Kromme Rijn tot aan de Groene weg. Daar ten zuidwesten van, met één perceel ertussen, lag het andere deel, in de Bunnikse weide. 

Een mini-ambachtsheerlijkheid

Als we terugkijken gaf de bisschop, waarschijnlijk al vanaf het laatste kwart van de 11e en gedurende de 12e eeuw, met gulle hand aan zijn ministerialen ‘dienstgoederen’ uit om hen te belonen voor bewezen en nog te verrichten diensten en ter versterking van hun stand, waaruit hij zijn ambtenaren en militairen rekruteerde.

Onder de dienstgoederen bevonden zich ook rechtsmacht, tijns en tienden en t.a.v. de ontginningsgebieden kan bij de bisschop daarbij de bedoeling zijn geweest om de ministerialen in het plattelandsbestuur in te schakelen. Hij gaf ook grond als dienstgoed uit met inbegrip van rechtsmacht, tijns en tienden.

Als hij dit buiten de ontginningsgebieden deed, zoals bij Ter Hul, werkte hij daardoor niet alleen de vervreemding van gedeelten van zijn domeinen en zijn overige goederen in de hand, maar onttrok hij die bewuste gedeelten ook aan de rechtsmacht van zijn meiers. Met deze handelwijze is de bisschop niet onbeperkt doorgegaan. Waarschijnlijk valt de tijd, waarin hij aldus te werk ging, samen met de periode ,einde 11e en begin 12e eeuw, waarin ook wereldlijk en kerkelijke rechtsmacht bij schenkingen aan de jonge kapittels waren inbegrepen. 

Wanneer er in de 13e en 14e eeuw meer bronnen zijn, zien wij het resultaat van deze vermoedelijke gang van zaken. De meeste lenen in het Kromme Rijngebied, die door ministerialen van de bisschop worden gehouden, zijn gelegen in het gebied van zijn vroeger domeinen. Daaronder is een minderheid, waarbij aan de leenman ook het gerecht, de tijnzen en de tienden toekomen. 

Bijna alle mini-gerechten hadden gemeen dat er te weinig personen beschikbaar waren om een normale rechtspleging mogelijk te maken, en dat daaraan ook weinig behoefte bestond, omdat er nauwelijks iets te berechten viel. Zij voldeden aan het doel bij het ontstaan om bepaalde gebieden uit de bestaande rechtskringen te halen.

Ten aanzien van deze kleine gebieden betekende het uitgeven van land hierbij dat men financieel voordeel had, vandaar ook de benaming gulden hoeve, mansus aureus, die men aantreft. Wij merkten al op dat het bezit van de rechtsmacht en exemptie daarvan in de middeleeuwen in belangrijke mate financieel werden gewaardeerd. 

Hofstede Ter Hul vormde van 1395 tot 1795 deze mini-ambachtsheerlijkheid zorgvuldig, als zodanig gekoesterd door het (latere protestantse) kapittel, waarover de pachter tevens schout was. Dit had het curieuze gevolg dat de protestantse schout van Bunnik niets kon uitrichten tegen de misvieringen die zijn rooms-katholieke collega vermoedelijk in het begin van de 17e eeuw op Ter Hul liet houden. De bedrijfsvoering kijkt in enkele opmerkingen om de hoek: uit de 16e en 17e eeuw worden wat pachtsommen (inclusief pluimvee) vermeld.

Colofon

Bronnen

Stamboom familie Van Zijl: Moustache

Dr. C. Dekker: Jaarboek Oud Utrecht 1976, Ter Hul en het geslacht Van Zijl

Dr. C. Dekker: het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen, een institutioneel-geografische studie, pg. 568

Boek: De Van Zijlen, Papyrus, handboekbinderij Cothen

Hoofdfoto: Oorkonde van de bisschop van Utrecht waarbij hij de leenrechtelijke band t.a.v. Ter Hul opheft, 13 oktober 1502. Rijksarchief Utrecht, Oudmunster: nr. 1239 H.U.A.


Referenties

[1] Stamboom familie Van Zijl
[2] Nicole Van Zijl
© Tekst: Nicole van Zijl (Bunnik) © Foto voorblad: Het Utrechts Archief

Gerelateerde informatie


Foto’s





Reageren

Via onderstaand formulier kunt u een reactie achterlaten voor de auteur of de eigenaar van het item. (Dorpscanon Krommerijngebied)