Deel:

|


De Oude Dorpskerk in Bunnik

De Oude Dorpskerk ligt op de Antonisbrink en is gebouwd tegen het eind van de 12e eeuw. Het is één van de eerste bakstenen kerken van Nederland waarvan de toren het oudste deel van de kerk vormt. In 1566 is de kerk uitgebreid met een nieuw koor, wat buiten duidelijk zichtbaar is aan de pleisterlaag die niet doorloopt. De kerk was gewijd aan Sint Anthonis. De kerk bezit een orgel, dat is gebouwd door de fa. De Koff uit Utrecht en dateert uit 1912. In de loop van de eeuwen is er het nodige aan de kerk verbouwd.

Er is een tijd geweest dat Bunnik nog geen eigen kerk had. Ergens in de 12e eeuw zullen de dorpelingen de koppen bij elkaar hebben gestoken om een klein houten kerkje te bouwen, eigenlijk maar een kapel. Het enige gebouw dat men in dorpen goed kon bouwen, was een boerderij of boerenschuur en deze kapel zal dus wel meer op een boerenschuur geleken hebben; misschien met een wat hoger dak en wat grotere ramen, maar onmiskenbaar lijkend op een boerenschuur.

Het gebouw

Het gebouw op zich had weinig belang, maar als symbool was het erg belangrijk. Het was een teken dat de Bunnikse gemeenschap op weg was naar zelfstandigheid want de kapel had vooral betekenis als gemeenschapsgebouw. Hier konden de dorpelingen bij elkaar komen, niet alleen in kerkelijke aangelegenheden, maar ook voor de rechtspraak of om een markt te houden als het buiten te slecht weer was. Men slaagde erin om diverse malen per jaar een priester naar de kapel te 'lokken', dat kon de eigen pastoor uit Zeist zijn, diens kapelaan, de huiskapelaan van een kasteelheer of - en dat is het meest waarschijnlijk - één van de vele rondreizende bedelmonniken die vanuit Utrecht uitzwermden over het platteland.

De toren

De tweede stap was meestal de aanbouw van een toren. Zo'n toren had niet alleen kerkelijke betekenis, maar werd ook gebruikt voor allerlei 'burgerlijke' zaken, zoals uitkijktoren in onzekere perioden en drager voor de klok die het levensritme van de gemeenschap aangaf en waarschuwde bij brand of gevaar. Soms was de toren verdedigbaar en kon de bevolking zich hierin terugtrekken bij een vijandige aanval. Het lijkt erop of de Bunnikse toren ook verdedigbaar was. De ramen op de begane grond zijn onmiskenbaar schietgaten. Het bouwen van de dorpstoren was dan ook geen typisch kerkelijke gebeurtenis, maar iets wat het hele dorp aanging, want de grenzen tussen kerkelijk en burgerlijk Bunnik waren vloeiend en iedere dorpeling was ook vanzelfsprekend lid van de kerk. We mogen de fase van de bouw van de toren op basis van de stenen zo ongeveer rond het jaar 1200 plaatsen. In de 14e eeuw, zal het mogelijk zijn geweest om de houten schuurkerk te vervangen door een stenen zaalkerkje, twee maal zo lang als breed.

Een kerkje van baksteen

Bijzonder is dat de Oude Dorpskerk behoort tot één van de eerste bakstenen kerken van Nederland, samen met de Dom van Utrecht. Het bakken van bouwstenen was noodzaak. Generaties vóór 1200 hadden nog Romeinse stenen tot hun beschikking gehad. Die waren opgebruikt en dus waren de steenfabrieken weer in opkomst. Bunnik had één steenfabriek.

De kerk was aanvankelijk iets kleiner dan hij nu is. De aanwijzingen daarvoor zijn niet alleen te vinden in de archieven, maar het is ook duidelijk als we kijken naar de steenmaten van de muren, (nu bepleisterd helaas), en naar de dikte van de muren.

De kapelaan

De volgende stap was de bouw van een pastorie en de gang naar de pastoor en daarvoor moest men het moment goed kiezen want deze stap was eigenlijk het belangrijkste. De pastoor moest er nu in toestemmen om een kapelaan aan Bunnik af te staan als volgende stap op weg naar volledige zelfstandigheid en dat was voor de meeste pastoors een moeilijke beslissing. Hun - toch al lage - inkomen was afhankelijk van tienden en giften van parochianen en juist het welvarende Bunnik droeg flink bij. In eerste instantie behield de pastoor van Zeist nog zijn inkomsten uit de Bunnikse kerk en mochten de sacramenten waar een vergoeding aan verbonden was ook alleen maar in Zeist bediend worden. Met een dopeling moest men naar Zeist, het huwelijk moesten Zeist gesloten worden en ook begraven mocht nog niet in Bunnik. 'Gratis' sacramenten mochten wel in Bunnik bediend worden. Voor de Mis en de Biecht kon men zo wel in Bunnik blijven want de kapelaan was tenslotte een volledig bevoegd priester en ook de Eurcharistie kon in Bunnik plaatsvinden. Voor het jaarlijkse Paassacrament (Paasbiecht en Paaseucharistie) moest men echter weer naar Zeist. Van beide kanten werd deze situatie als een overgang gezien. De Bunnikers konden zo proeven aan de zelfstandigheid en de bisschop bewijzen dat ze die aankonden terwijl de pastoor van Zeist kon wennen aan het verlies van Bunnik en de Bunnikse inkomsten.

De parochie

Vroeger of later werd deze halve zelfstandigheid door de bisschop omgezet in volledige zelfstandigheid. De kapelaan kreeg dan de status van pastoor, de kapel werd parochiekerk en het dorp een zelfstandige parochie. Dit ging tevens gepaard met het doorsnijden van de financiële banden zodat de tienden, giften en vergoedingen voortaan aan de Bunnikse pastoor ten goede kwamen. Voor de Zeister pastoor was dit een flinke aderlating, niet alleen in financiële zin, maar ook voor zijn prestige. Meestal kwam men overeen dat de pastoor en de moederparochie daarom jaarlijks een zekere vergoeding van de dochter zou blijven ontvangen. Ook in de verhouding tussen Zeist en Bunnik is er sprake van een vergoeding, in dit geval van een gulden die tot lang na de Reformatie betaald is door de kerkmeesters. In de rekeningen van de kerk van Zeist over 1582-1585 komt hij voor (dat was ten tijde van de Reformatie), maar ook in 1630 is er nog sprake van betaling van een pond aan de kerk van Zeist (dat was lang na de Reformatie). Dit bedrag werd jaarlijks op St. Anthonisdag (17 januari) betaald. Deze datum was niet zomaar gekozen, het is een verwijzing naar de beschermheilige van de nieuwe kerk. Wanneer Bunnik tot parochie verheven werd is niet meer na te gaan. Het zal wel in de loop van de 13e eeuw zijn geweest. 

Het oudste gedeelte bevindt zich vanaf de toren tot na het derde raam. Daar zit een kleine sprong in de muur. Dit oudste stuk heeft dikke muren van grote, eind 13e, begin 14e eeuwse kloostermoppen. Aanvankelijk vormde dit stuk de hele kerk en zat er hier een klein koor aan vast.

Als door Europa de godsdiensttwisten raasde ....

Dit koor is in 1566 afgebroken. De kerk is bij deze verbouwing iets verlengd en een nieuw groter koor werd aangebouwd. Hiermee brak de kerk met zijn Katholieke verleden. Het toen bij de kerk getrokken verlengde koor is buiten duidelijk zichtbaar aan de pleisterlaag die niet doorloopt. Het schip, van drie traveeën en het oudste deel van het koor, zouden van oorsprong eveneens 13e eeuws kunnen zijn.

Het is tekenend voor de kerkelijke situatie zoals we die nog uitgebreid zullen tegenkomen, dat de storm van godsdienstoorlogen die in de 16e eeuw over Utrecht en de rest van Europa raasde, geheel aan Bunnik voorbij ging. Hier werd niet geredetwist, hier bouwde men voor de Heer een nieuw koor! Het koor was relatief vrij groot, zeker als we bedenken dat Bunnik een gewone parochiekerk had zonder kapittel of koorgeestelijken en dat het koor dus maar voor één man bestemd was. Die pastoor had in lengte van de kerk gemeten twee ramen ter beschikking, de bevolking drie. Het was een mooi groot koor maar wel gebouwd volgens degelijke principes. Terwijl men in Odijk al in 1548 een rank gotisch koor in gebruik nam, hield Bunnik het op de romaanse stijl. De ramen waren er vrij klein en voorzien van rondbogen, de muren dik. Hoewel de romaanse stijl al enkele eeuwen uit de mode was, heeft men vermoedelijk toch voor deze stijl gekozen om de kerk een eenheid te laten blijven. In Odijk had men in 1548 van het zaalkerkje een kruiskerk gemaakt en bij een dergelijke aanbouw was een gotisch dwarsschip met koor minder storend dan in het in Bunnik zou zijn geweest. Om het koor te betalen werd een akker land verkocht. Er volgden meer verbouwingen.

Bij een verbouwing omstreeks 1840 werden koor en kerk één door het verlagen van het plafond van het koor. De inrichting met de blikrichting in de kerk was wel tot de 19e eeuw hetzelfde gebleven. De pastoor, later de dominee, stond nog in het koor, terwijl de kerkgangers onder de toren binnenkwamen. In 1839 werd besloten die blikrichting van de kerk te veranderen. Ook de buitenbepleistering dateert uit die tijd. De toren kreeg bij een restauratie in 1938-1939 zijn huidige tentdak. Een restauratie van de kerk volgde in 1954-1955, waarbij de laatste resten uit de kerk werden verwijderd. Die laatste resten herinnerde nog aan een oud gebruik van laatste rustplaats in en rond de kerk. De koperen lessenaars en lichtarmen op de kansel en de voorlezersplaats zijn uit de late 17e eeuw, zichtbaar en aanwezig.  

Het orgel

Het eerste orgel, een groot barok-kabinetorgel is in 1828 gekocht bij de orgelbouwen Jonathan Bätz in Utrecht en op 21 mei 1828 ingewijd. Vanaf 1830 was er met Bätz een onderhoudscontract. De koster/voorzanger, de enige die blijkbaar enig besef van muziek in het dorp had, werd tot organist benoemd. Aanvankelijk kreeg hij hier geen salaris voor, maar in 1832 krijgt hij als aanmoediging van de kerkvoogdij een gratificatie van 10 gulden. Het schijnt een leuk orgeltje te zijn geweest, maar het stond op de kerkvloer en leed erg door het vocht. Daarom werd bij de verbouwing van 1839 voor het orgel een balkon tegen de toren aan gebouwd en kwam de windkast in de toren. In 1911 had het zijn beste tijd gehad. Nadat orgelstemmer Sanders verklaard had er nu ook niets meer aan te kunnen doen als het ding vals klonk, werd besloten om informatie bij G. Spit in Den Haag  in te winnen over een nieuw orgel. In 1912 schreef De Koff als laagste in voor 2020 gulden en kreeg de opdracht een nieuw orgel te  bouwen. Jan De Koff was een meesterknecht van Witte die weer meesterknecht was van Jonathan Bätz. Het was zijn eerste zelfstandige opdracht die hij er bepaald niet slecht vanaf bracht. Hij bouwde een ‘ouderwets, vroeg-romantisch orgel met een prachtige donkere klank en een mechanische overbrenging. Hij kreeg de opdracht om het oude orgel te verkopen en als hij er 300 gulden of meer voor zou beuren, mocht hij 10% provisie houden. Dat lukte hem helaas niet. Het orgeltje werd voor 200 gulden verkocht aan de Gereformeerde kerk van de Bilt. Het orgel heeft nog de originele kleuren van 1911. Dit heeft een reden, want na de verkoop van het oude orgeltje werd besloten dat er wel een fraaier frontje voor kon dat 125 gulden extra kostte. Tijdens de restauratie van 1954/55 werd het door De Koff helemaal ingepakt om nat worden te voorkomen. De Koff leverde toen een klein huurorgeltje voor de Grondslag waar de kerkdiensten tijdelijk gehouden werden. Daarna gaf de architect opdracht om het orgel helemaal wit te schilderen, maar de schilder, die de opdracht niet vertrouwde, vroeg een bevestiging aan de kerkvoogden, hetgeen hem op een compliment van de kerkvoogdij en een uitbrander van de architect kwam te staan. Het orgel bleef zoals het was. Tot 1971 was het orgelspel langzaam en zwaar van klank, hoewel het in de vorige eeuw nog langzamer was. De stijl van Feike Asma was populair, de meeste registers gingen open tijdens de gemeentezang en de organist ‘greep’ graag in de toetsen. Ad de Jong was de laatste die de muziek wel ritmisch, maar erg langzaam speelde als teken van eerbied. Na het afscheid van organist Ad de jong en de invoering van het Liedboek voor de kerken spelen de organisten een stuk sneller. Ad de jong nam zijn voorspelen vaak uit de Hervormde Bundel van 1806 en speelde op verzoek graag iets van Johannes de Heer. De huidige organisten maken meer gebruik van Bach en de moderne Franse componisten, waarvan de muziek beter aansluit op de muziek van het Liedboek. 

Predikanten

De ideale predikantenloopbaan begint meestal in een klein dorp, gaat daarna via een wat grotere plaats naar een stad. Grote steden zoeken als predikant meestal iemand die al in twee of drie kleinere plaatsen heeft gestaan en daar voldeed, kleinere plaatsen kijken in de dorpen en de dorpen kiezen voor een pas-afgestudeerde predikant. Bunnik heeft in 1874 een jonge predikant die over zo'n geweldig preektalent bleek te beschikken dat zijn vroegere hoogleraren op zondag met plezier in Bunnik naar hun leerling kwamen luisteren. Ds. Welter heeft het later dan ook tot hofprediker bij Koningin Wilhelmina gebracht!  

Tien predikanten

1 1596-1601 Ds. Cornelis Jansz. van Cothen

2 1601-1604 Ds. Gerardo Cornelio de Vlieger

3 1615-1619 Ds. Reinier van Oosterzee

4 1622-1626 Ds. Pieter van Deyl

5 1626-1641 Ds. Anthonie van Cauwenhoven

6 1641-1644 Ds. Cornelis van der Lingen

7 1644-1686 Ds. Cornelis van Meerlant

8 1651-1686 Ds. Rutger Coesveld

9 1687-1693 Ds. Everhard Luyting

101693-1700 Ds. Matthijs Heck

Datering

Jaar: 1566

Colofon

Auteur: Henk Reinders (1956-2006)

Adres: Kerkpad 2, 3981 EM Bunnik

[1] Bron: De Oude dorpskerk te Bunnik. Henk Reinders 

Hoofdfoto: Oude Dorpskerk Bunnik 1986, RAZU cat 55392


Referenties

[1] De Oude Dorpskerk, Protestantse gemeente Bunnik
[2] Rijksmonumenten De Oude Dorpskerk Bunnik

© Tekst: Henk Reinders - © Foto voorblad: RAZU

De Oude Dorpskerk in Bunnik
©: RAZU
De Oude Dorpskerk in Bunnik
Oude Dorpskerk interieur 1956 (©: RAZU)


Reageren

Via onderstaand formulier kunt u een reactie achterlaten voor de auteur van het item. (Dorpscanon Krommerijngebied)