Deel:

|


DE NIËNHOFF Jean De Greeff 4 generaties jachtopziener

JEAN DE GREEFF (1939) 

Jean: ‘Ik ben Jean de Greeff, geboren op 17 oktober 1939 in het voormalige koetshuis op het landgoed De Niënhoff. Mijn werkzaamheden waren begonnen als jachtopziener op het landgoed. In 1974 ben ik benoemd als boswachter van Het Utrechts Landgoed en in 1997 zijn mijn werkzaamheden bij Het Landschap beeindigd. Onze familie is verweven met het landgoed De Niënhoff. Er zijn vier generaties aan jachtopziener/boswachters geweest voor het landgoed. Een meanderende Kromme Rijn kent bochten die uiteindelijk worden afgesneden om weer door te gaan. Over die culturele omslag, van een landgoed De Niënhoff, met zijn bedrijvigheid, naar de Nienhof als bospark, zoals mijn familie deze heeft meegemaakt, wil ik graag vertellen. In mijn grootvader en vader zijn tijd was het in dienst zijn van een baron; houden aan de regels èn was er tevens een gezellige afstand.’ 

Getuigenissen

Aan de keukentafel wijst Jean de Greeff op de kleine getuigenissen; een paar aquarel tekeningen van de jager en de jacht, meegestuurd met kerstkaarten van de familie, uitnodigingen van huwelijken, waar de familie De Greeff beslist niet mocht ontbreken. Een gele stiftpen uit de Verenigde Staten. Ik heb deze gekocht op de reis, die wij aangeboden kregen door de heer M. Van Marwijk Kooy. Een kleinzoon van Coenradina de Pesters is hier ook nog eens geweest. ‘Hij en ik zijn naar de rode beuk gelopen, die door zijn moeder Wendela Elvira De Hooft Graafland is geplant. Een rode beuk staat altijd op een zichtbare en bijzondere plaats, dichtbij het grote landhuis waar zijn moeder is opgegroeid. Hiervoor moesten wij wel eerst door de natuur struinen; door een met klimop overwoekerd struikgewas, en langs omgevallen bomen. Klimop en geknakte bomen als getuigenissen van het feit dat die continuïteit inderdaad was afgebroken. De symboliek voor de familie Van Hardenbroek De Pesters van klimop en de gebroken zuil hadden niet realistischer kunnen worden uitgebeeld. 

Een zichtbaar landgoed

Jean: Ik ben geboren in het oude landhuis aan de Groote Laan. Vanuit mijn slaapkamerraam op de zolder keek ik uit op de Kromme Rijn, op weilanden. Nu zijn het de vijf eilanden aan de Kromme Rijn, bestempeld als de Utrechtse Amazone, een jungle van overhangende takken met veel dood hout. Het water op De Niënhoff, als het parkbos is nu op deze manier met de eilanden zichtbaar en beleefbaar gemaakt. De Niënhoff, samen met Oostbroek, is door de provincie aangewezen als Aardkundig monument met oude rivierlopen die nog herkenbaar zijn in het landschap. Zeker, dit gebied rond De Niënhoff, met een nog jonge bodem, is door die oude Rijn armen, moerasachtig geweest. Het kon zijn dat je ’s winters met de enkels in het water stond.  

De sprengen

Ik heb al die beekjes nog gekend! Zoals het in Zwitserland is, zo waren de bronnen hier ook. Water liep op een natuurlijke manier van de Heuvelrug naar de rivier, naar de Kromme Rijn. Op het gebied tussen Amerongen, Leersum, Driebergen, Zeist waren bronnen, sprengen zoals ze het hier noemden. In de Kromme Rijn was het water zo helder dat je de zeelt vissen nog kon zien paren in het haventje achter de Niënhoff. Maar halverwege de 20e eeuw heeft volgens mij het Waterschap fouten gemaakt bij de regulering van het water van de Heuvelrug naar de Kromme Rijn. 

Pompstations 

Pompstations werden vanaf de zestiger jaren in dit gebied neergezet. Toen er een pomp kwam bij Beerschoten heb ik, samen met Van Marwijk Kooy, eigenaar van het landgoed Vollenhoven, hier nog tegen geprotesteerd, want het was volgens ons een onttrekking van het water op verkeerde punten. We waren bang dat al het water uit de Heuvelrug meteen in dorpen en steden aan de voet van de Heuvelrug zou verdwijnen, en bij De Lage Grond, de grond bij De Niënhoff, zou gaan verdrogen. En dat is ook zo gebeurd. We dachten dat het beter was om het water op een natuurlijke manier naar beneden te laten lopen naar de rivieren toe. Als je de pompen had neergezet bij de rivieren dan zou je het kwelwater, het zuivere water, hebben behouden voor het hele gebied. Een drassige grond met een natuurlijke groei van het hakhout is hèt karakter van dit gebied. 

‘Ik stond al hout te kloven toen ik zes was!’

Het leven in mijn jeugdperiode was eenvoudig, in de zin van dat er weinig werd gekocht, op wat suiker na. Melk haalden we bij de boer. De buurvrouw maakte zelf boter en kaas. De meeste producten hadden we zelf; peren, pruimen en de omliggende boeren hadden appels. We slachtten haasjes, eenden, fazanten en patrijzen. Het was ook een wat harder leven, heel anders dan nu. Je was als kind al veel meer gewend. Je zag dat een koe doodging of hoe een varken geslacht werd. Alleen op zaterdagmiddag was je vrij van school. Ik ging naar de Barbaraschool. Op zondag moesten we naar de kerk, we waren katholiek. Dan ging mijn vader ook mee. Hij zat afzonderlijk van moeder, want mannen en vrouwen mochten niet bij elkaar zitten. Als we uit school kwamen kregen we allerlei taken: aardappels schillen, houthakken, in de groentetuin werken, het kippenhok schoonmaken. 

‘Stropers, het ging er vaak heftig aan toe!’

In de herfsttijd en winter was mijn vader ’s nachts op pad in het veld in verband met de wildstropers. Hij had een politiehond, hiermee ging hij achter de stropers aan. Tot in de jaren 60 was het hier zeer stil en donker. Als er lichten verschenen op het veld dan wist je dat de stropers met grote lichtbakken bezig waren om het wild mee te verblinden en konden ze schieten. Stropers hadden verschillende manieren om het wild te vangen; zo waren zij in bezit van geweren en buksen, zetten honderden strikken uit. Het wild, zoals hazen, konijnen, maar ook reeën, hadden hun vaste wissels waarlangs ze liepen, respectievelijk door afrasteringen en het hakhout heen. Zo kwam het voor dat een ree gestrikt werd en in het hakhout was opgehangen. Om patrijzen te vangen gebruikten zij slagnetten. Stropers kwamen eerst tegen het donker kijken waar de patrijzen zich ophielden. Ze kwamen dan 's nachts terug om de dieren te vangen als zij sliepen. Patrijzen lagen dan dichtbij elkaar als hoopjes in het veld, meestal was het een paartje met jonge patrijzen. De stroper wist waar het ‘koppeltje’ was en legde daar een vangnet overheen. Het ging er wel eens heftig aan toe als we stropers wilden grijpen. Ik herinner me uit de jaren 60 van de vorige eeuw dat ik als hulpjachtopziener met mijn vader en de andere jachtopzieners probeerde deze stropers in te sluiten. We kwamen langzaam als ring mannen op hen af. Ik weet nog dat mijn vader een stroper vastgreep, maar de tweede stroper stond al klaar met een schaar om mijn vader in de rug te steken. Ik heb de stroper nog weten te overmeesteren!

Ik was op mijn 15e jaar naar de Handelsavondschool in Zeist gegaan. Overdag hielp ik mee op de landgoederen. In 1955 ging ik mijn vader assisteren, vooral bij  de jacht en allerlei andere soorten van werkzaamheden; zoals werken in de grienden en bossen, wekelijks op zaterdag de huur ophalen en loonzakjes bij het personeel brengen. Dit deed ik ook voor het landgoed Vollenhoven en De Hoge Woerd. Aanvankelijk was ik op het landgoed Vollenhoven aangesteld als leerling-griendzichter. Met 19 jaar ging ik in militaire dienst en werd uiteindelijk gelegerd in Soesterberg. Hier regelde ik veel avonddiensten, van ‘vier uur ’s middags tot 12 uur ‘s nachts. Mijn diensttijd hield de ronde in langs objecten die bewaakt werden zoals forten, vliegbases en andere militaire objecten in de hele provincie en controleerde of de plaatselijke bewakers hun werk goed deden. Soms werd ik ingeschakeld als er buitenlandse gasten kwamen; relaties van leden van het koningshuis landden op Soesterberg om naar ons Koningshuis te gaan op paleis Soestdijk. Ik stond dan bij het vliegtuig om te zorgen dat er niets gebeurde. In die tijd stond de Dakota Friendship in de hangar. 

Overdag was ik vrij, dan hielp ik mijn vader op de landgoederen Vollenhoven, de Niënhoff, de Hoge Woerd in Driebergen. Ik deed alles op de fiets en had er wel lol in. 

De IJzeren Boom

In 1969 bouwde ik het huis aan het laantje van De IJzeren Boom dat nu het Albert Nijlandpad heet. Oorspronkelijk liep dit pad van de IJzeren Boom door tot het eind van het landgoed bij de Koelaan. Daar was een hek met deze naam, De IJzeren Boom. Ik ben met de anderen ook van mening dat oude veldnamen zichtbaar moeten blijven.   

De jaren zestig

Ik kwam in de jaren zestig terecht in een turbulente tijd, als in 1974 het landgoed Heidestein aan Het Utrechts Landschap werd geschonken. Vanaf dat moment ben ik door Het Utrechts Landschap aangenomen als boswachter van De Niënhoff. 

Uit mijn netwerk, die mijn familie had opgebouwd, kwam het bericht dat hoogstwaarschijnlijk het landgoed Oostbroek te koop kwam. Er bleek achter de schermen voor die aankoop nog een grote medespeler te zijn. Dit was de universiteit, die graag wilde uitbreiden op het gebied tot aan de Bisschopsweg/Bunnikseweg. Ik heb daar actie aan verbonden. Uiteindelijk, mede door ingrijpen van hogerhand, is het gelukt om deze aankoop naar Het Utrecht Landschap te verwezenlijken. 

Ondertussen was mevrouw De Wetstein Pfister overleden in 1976. Omdat de successierechten in 1978 zo hoog waren is een deel van het landgoed De Niënhoff, groot 90 hectare, verkocht aan Het Utrecht Landschap in mei 1978. Oostbroek en De Niënhoff waren op dat moment een belangrijke schakel geworden voor de ecologische hoofdstructuur. Hiermee is het gebied tussen het hoge gelegen Noorderpark en de Kromme Rijn tot aan Langbroeker wetering behouden gebleven. 

Tegelijkertijd, vanaf 1968, speelde ook de strijd om een grote rondweg om Zeist, Driebergen en Doorn aan te leggen, de S8. Uiteindelijk is besloten om alleen de aansluiting Zeist naar de A28 te maken, maar hier is tegen geprotesteerd door tal van milieugroepen. Uiteindelijk zijn de gemeenten van De Bilt en Zeist overstag gegaan en is de aansluiting met de A28 niet doorgegaan. 

Ik werkte steeds meer als boswachter samen met het Landschap Utrecht. Ik ben trots op wat we hebben bereikt. Zoals de natuurlijke bestrijding op de boomgaarden van Oostbroek en de ecologische verbindingen tussen de verschillende gebieden, die zijn er nog steeds. Ook heb ik een bijdrage geleverd aan het terugbrengen van de natuurlijke oevers van de Kromme Rijn. Toen ik op mijn 57e in 1997 het aanbod kreeg om met vervroegd pensioen te gaan ben ik me gaan inzetten voor het behoud van de natuur in dit gebied. Stil zitten kan ik nog steeds niet. Nu vind ik het ook langzamerhand heerlijk om helemaal vrij en ongebonden te zijn; tijd te hebben voor het onderhoud van mijn eigen buitengebeuren.'

Datering

Jaar: 1978

Colofon

Interviews met J.M.C. De Greeff, 2021-2022, Meike de Vries

Foto's: Familiealbum Jean De Greeff

Meike de Vries

Jos van Kouwen

[1] RAZU cat. 55272

Hoofdfoto: Naast Jean, rechts met groene jas, is Jhr. Mr. J.F. Hooft Graafland, kleinzoon van Coenradina Van Hardenbroek De Pesters. Links, zijn kleinzoon Jan Arend Van Marwijk Kooy. 

'


Referenties

[1] Het Utrechts Landschap
[2] Geopark Arcgis
[3] Geopark Heuvelrug Gooi- en Vechtstreek Eemland Kromme Rijnstreek

© Tekst: Meike de Vries (Bunnik) - © Foto voorblad: Jean De Greeff (Bunnik)

DE NIËNHOFF Jean De Greeff 4 generaties jachtopziener
©: Jean De Greeff (Bunnik)
DE NIËNHOFF Jean De Greeff 4 generaties jachtopziener
Jean De Greeff 2022 (©: Meike de Vries)
DE NIËNHOFF Jean De Greeff 4 generaties jachtopziener
Voormalig oude herenhuis/koetshuis (©: Meike de Vries)
DE NIËNHOFF Jean De Greeff 4 generaties jachtopziener
Aan de keukentafel (©: Meike de Vries)
DE NIËNHOFF Jean De Greeff 4 generaties jachtopziener
Litho P.J. Lutgers 1869 (©: RAZU)
DE NIËNHOFF Jean De Greeff 4 generaties jachtopziener
Jean De Greeff bij zijn huis a.d. IJzeren Boom in 1970 (©: Jean De Greeff)
DE NIËNHOFF Jean De Greeff 4 generaties jachtopziener
Jean De Greeff bij zijn huis a.d. IJzeren Boom 2022 (©: Meike de Vries)


Reageren

Via onderstaand formulier kunt u een reactie achterlaten voor de auteur van het item. (Dorpscanon Krommerijngebied)