Deel:


Op de Brink is er altijd gelegenheid geweest om water uit een put te halen. De oudste vermelding uit 1659 daarover komt uit het rekeningenboek van de Hervormde Gemeente van Werkhoven. In dat jaar werd Adriaen Jansz., metselaar van beroep, betaald voor zijn werkzaamheden aan de put. De oudst bekende afbeelding is een tekening van Jan de Beijer uit 1750 met de Stevenskerk op de achtergrond. 1 Met een lange hefboom kon men een emmer aan een touw in de put laten zakken en gevuld met water weer ophalen. In 1806 werd op de plaats van de put de eerste stenen pomp gebouwd door ene Schreijesteijn. Opmerkelijk bij deze pomp is dat het met de achterzijde naar de weg gekeerd stond.2

In 1926 was deze pomp toe om, op zijn beurt, vervangen te worden door een ‘koperen’ pomp. Het metselwerk werd uitgevoerd door aannemer Frits Beemer en het smidswerk door de smederij van de weduwe Van Echteld. Beide bedrijven waren gevestigd in Werkhoven; de aannemer Beemer had zijn bedrijf aan de Brink, het bedrijf van mevrouw van Echteld was in de Ambachtstraat. In het regionale weekblad Het Nieuws meldde op vrijdag 29 oktober deze gebeurtenis als volgt: 

'De pomp op de brink is verdwenen. De eeuwenoude dorpspomp, saamgegroeid met de historische omgeving op den Brink is verdwenen. Geslacht na geslacht heeft zij gelaafd met haar heerlijke frisse drinkwater; een bizonder aantrekkelijkheid voor de jeugd, die stoeide en plaste en krijgertje speelde om haar massale romp, eens deed zij zelfs dienst bij ’t beproeven der brandbluschmiddelen, toen bij gebrek aan water in de Achterrijn, zij nog ruim in de behoefte kon voorzien en de waterstraal nog meters ver boven de woningen uitspoot. Een idyllisch gezicht was het ook als de oude Willem de Kuiper met zijn koeien aan de pomp stond om zijn beestjes de dorst te doen lessen voor en na het heuen, zoals de volkstaal zegt. Tientallen jaren van herwaarts deed zij dubbele dienst, toen boven op de kap een lantaren prijkte bij wijze van straatverlichting. Nu is zij verdwenen en met haar een brok historie van Werkhoven, om plaats te maken voor een nieuwe pomp, opgetrokken in hare contouren en strakke lijn, beeld van de nieuwe tijd, meer passend bij het nieuwe aanschijn dat de Brink de laatste jaren kreeg.'

De kwaliteit van het water was niet altijd zo helder en smakelijk als de reporter de lezer wilde doen geloven. In 1893 werd namelijk de waterkwaliteit al onderzocht. De uitslag was onthutsend: er zat een te hoge chloorverbinding in het water en zoveel kalk dat het niet meer als goed drinkwater was aan te bevelen. Met het oog op een nog steeds dreigende choleraepidemie waren stappen noodzakelijk om de levering van water door de gemeente te verbeteren. Het plan om een ‘Nortonpijp’ (een welput) te slaan werd echter door de gemeenteraad afgewezen, omdat de kosten hiermee te hoog zouden oplopen. Om diezelfde reden werd het drinkwater niet gekeurd en bleef alles bij het oude. Die kosten waren dus belangrijker dan de gezondheid van de inwoners van Werkhoven. 

In 1937 werd Werkhoven, met de bouw van de watertoren, aangesloten op het waterleidingnet. Het gebruik van de pomp nam, na verloop van tijd, steeds meer af. De pomp raakte uiteindelijk defect en werd in 1955 afgebroken. De Brink bleef zonder pomp tot het jaar 1964 waarin, bij de opheffing van de gemeente Werkhoven, door Nico Lagerweij een nieuwe pomp werd gebouwd. De pomp staat nu opgesteld richting de openbare weg. 

Nico Lagerweij: In 1940 was de welput waarop de pomp staat, volgestort met zand om ongelukken te voorkomen. Een welput is een ronde, holle ruimte in de aarde, met een wand van gebakken stenen. Het bijzondere is dat de stenen niet op elkaar gemetseld zijn maar gewoon gestapeld. De ruimte tussen de stenen is bewust niet gevuld met specie om hierdoor het water uit de aardlagen gemakkelijker te laten toestromen. De ronde vorm voorkomt instorten (eierschaal). Toen we in 1964 de zandvulling moesten verwijderen kon dat vanwege de geringe doorsnede ± 1.20 m. niet met een machine en hebben we dat d.m.v. een emmertje aan een touw gedaan tot een diepte van ± 7.50 m. Toen was er voldoende watertoevoer om de pomp te laten functioneren.

Helaas werkt de pomp nu niet meer en wordt hij ook niet meer gerepareerd. Naast de muziektent is er nu een moderne kraan geplaatst om dorstige kelen van passanten te kunnen lessen.

Naamgeving straten in een notedop

Een nederzetting kreeg bij zijn vestiging vaak een naam mee die een directe relatie had met zijn omgeving. Naarmate zo`n nederzetting groter werd, nam het aantal straten toe en deze kregen hun naam volgens hetzelfde principei.

Er zijn vele woorden in omloop die allemaal een stukje `openbare weg` aanduiden. Sommige woorden spreken voor zich zoals: plein, kade, dijk, wal, maar anderen overlappen elkaar en worden regelmatig door elkaar heen gebruikt, bijvoorbeeld weg, laan, straat of steeg. Ter verduidelijking een overzicht. Een weg is een (smalle) strook grond in het landschap, die zorgt voor de verbinding van de ene naar de andere plaats. Met een laan wordt bedoeld een zijweg, vaak beplant aan beide zijden met een rij bomen. Het woord `straat` is afgeleid van het Latijnse `via strata`, wat letterlijk betekent: een geplaveide weg, een van straatstenen voorziene verharde weg. Het woord `steeg` heeft een taalkundige samenhang met het woord `stijgen`. Van oorsprong is een steeg dus een stijgende weg. Later verwaterde dit begrip een beetje en gaf men deze naam aan een smal (donker) straatje en kreeg hierdoor een negatievere klankii.

Spontaan en willekeurig

Het ontstaan van straten gebeurde in het verleden spontaan en willekeurig. Men zette hier en daar, waar het de toekomstige bewoner gunstig leek, een huis neer. Uit de karresporen rondom deze huizen ontstonden later straten of stegen. Naarmate de bevolking toenam, nam ook het aantal huizen toe. Naar verloop van tijd werd de openliggende grond tussen de al eerder gebouwde huizen volgebouwd. De namen voor deze straten ontstonden vanzelf, er kwam géén officiële instantie aan te pas. Als men bijvoorbeeld in een officiële akte wilde aanduiden waar iemand woonde, dan moest men de ligging van zijn huis aangeven. Daarbij oriënteerde men zich dan naar een bekend object in zijn directe omgeving. Deze vorm van straatnaamgeving kunnen we als de oudste vorm beschouweniii.

Straten en wegen verkregen in het verleden vaak óók hun naam van­wege een bepaalde activiteit die eraan plaatsvond, een be­paal­de streek waar hij doorheen liep, een (belangrijk) persoon die aan deze weg woonde, een gebouw waar hij naar toe leidde, etc.. Zo kennen we in Werkhoven de Ambachtstraat (voorheen de Achtersteeg en daarvoor de Smits­steeg), de Leemkolkweg, het Oostromsdijkje, de Bever­weertseweg. Deze straten en wegen hebben een duidelijk relatie met hun directe omge­ving.

Deze manier van situatie gebonden naamgeving is in onze tijd bijna niet meer te verwezenlijken. In nieuwbouwwijken treffen we dan ook vaak thema­na­men aan die niets meer met de directe omgeving te maken heb­ben: vogel-, bomen-, dichters-, staatsliedennamen enzovoor­ts komen bijvoorbeeld veel voor.

Emotie

Het kiezen van straatnamen roept bij burgers vaak veel emotie op. Tegenwoordig dient een straatnaam het liefst iets positiefs uit te stralen. In het verleden maakten de mensen zich niet zo druk over een straatnaam. Zo hadden de aanwonende er niet zoveel moeite mee dat het Achterpadiv in Werkhoven in de volksmond `de Strontsteeg` werd genoemd. Hiermee werd gekscherend verwezen naar een mestvaalt die daar lag. Deze mest was afkomstig uit de veewagens van firma De Klein. Zo`n naam zou nu niet meer worden gebezigd. In Werkhoven kreeg men op `n gegeven moment moeite met de uitgang `steeg`. Zo werd o.a. in 1952 de Achtersteeg veranderd in de Ambachtstraat en de steeg bij Van Echteld in de Weerdenburgselaanv.

Een ander voorbeeld van dat bewoners zich niet (meer) konden vinden in de naam van hun `steeg` blijkt uit een brief van 22 januari 1959 gericht aan de gemeenteraad van Werkhoven. Een achttal bewoners van de Werfsteeg verzochten het College van Burgemeester en Wethouders de naam Werfsteeg te veranderen in Pelikaanweg. En... zij hadden succes. Want op 4 maart 1959 stuurde het gemeentebestuur een briefje aan de heer C.A. Hofman, Pelikaanweg 5, dat het verzoek was ingewilligd, dat het straatnaambordje al besteld was en zo spoedig mogelijk zal worden aangebrachtvi. De gemeente Werkhoven was echter niet altijd zo meewerkend. Een verzoek van een bewoner van de Weerdeburgselaan om deze naam te wijzigen in `Weerdenburgerlaan` werd afgewezen, of men moest zelf voor de kosten van een nieuw straatnaambord willen opdraaienvii!

Tegenwoordig zou zo`n procedure ondenkbaar zijn.

Gemeentewet 1851

Een spontane naamgeving had als nadeel dat er van een uniform gebruik geen sprake was. Oude namen werden vergeten of werden aangepast aan nieuwe situaties. Het kwam zelfs voor dat er meerdere namen bestonden voor eenzelfde (stukje) weg of straat, bijvoorbeeld: het stukje Herenstraat in Werkhoven tussen de Achterdijk en de Leemkolkweg werd genoemd `de Hanenweg`viii. Voor 1851 hielden de gemeenten een soort wijkregister aan. In kleine dorpen zoals Werkhoven was dat een prima systeem; Wijk A voor de bebouwde kom en Wijk B voor buiten de bebouwde kom. Maar voor de grotere gemeenten werd dit systeem onwerkbaar en zo kreeg iedere straat zijn eigen naamix. Met de aanname van de Gemeentewet van 1851 was het dus afgelopen met de spontane straatnaamgevingx. De gemeenteraden werden hiermee belast maar mochten deze bevoegdheid `delegeren`. In de gemeente Bunnik (waar Werkhoven toe behoord) wordt dit dan ook gedaan door een straatna­mencom­mis­siexi.

Uitleg verdwenen

Er zijn gemeenten die op het straatna­menbordje een kleine uitleg geven over de betekenis van de naam, maar in de gemeente Bunnik wordt dat de laatste jaren om financiële redenen niet meer gedaan. Dat is jammer, want nu is het niet meer voor iedereen duidelijk wat er met sommige namen wordt bedoeld. Dit geldt met name voor his­torisch gekozen namen zoals die zijn ge­bruikt in de nieuwbouwwijk De Pelikaan te Werkho­ven. Bijvoorbeeld `De Stalen Boog` in deze nieuw­bouwwijk roept bij vele burgers vraagtekens op. Als bewoner van deze straat ben ik op zoek gegaan naar de herkomst van deze naam en aldoende kwam ik erachter dat deze stra­at­naam een onvervalst stukje Werkhovense geschie­denis inhoudt. En daar doe ik graag verslag van.

`Den Boog`.

Het is 1664 als Meyndert Wouters, `weert in den Boog`, be­zoek krijgt van afgevaardigden van de Hervormde kerk van Werkho­ven (`weert` is een oude benaming voor waard of herber­gier, met `den Boog` wordt dus een herberg bedoeld). De heren komen zakendoen. Men bli­jkt tot overeenstemming te komen want Mey­ndert Wouters krijgt opdracht de wijn en het brood, nodig voor `des Heeren Avon­dmaal` te leverenxii. Bij zijn herberg had Meyndert ook een brouwerij gevestigd. Het was waarschijnlijk niet de enige brouwerij in het dorpxiii, maar Meyndert kon in ieder geval wel herberg De Pelle­caen tot zijn klantenkring rekenen, want deze herberg had in 1676 een schuld van `ongeveer 50 gulden bij den brouwer in den booch.` Dit blijkt uit een boedelbeschrijving opgemaakt op 4 februari 1676 door de enige notaris die Werkhoven ooit heeft gekend, Jan van Reumst (werkzaam van 1671-1714)xiv. Meyndert Wouters was ook een vooraanstaand lid van de Hervorm­de Gemeente van Werkhoven. Hij was in de jaren 1670-1671 kerk­meester en in de jaren 1653-1654 `aelmoesenier`. Als kerkmees­ter was hij verantwoordelijk voor de financiële boekhouding van de kerk en als `aelmoesenier` had hij de finan­ciële zorg voor de hervormde armenxv. De zorg voor de allerarmsten in de gemeente kwam in die tijd veelal voor rekening van de kerk. Zowel de hervormde gemeente als de katholieke parochie had een zogenaamde `Armenafde­ling`. Inkomsten verkregen zij voor een groot deel uit schenkin­gen, huurpenningen, rente van uitge­leend kapitaal én giften gedaan in `den bussen` die in de verschillende herbergen van Werk­hoven geplaatst waren. Ook in herberg den Boog stond zo`n bus.

`Uyt den bussen`

Het is 1666 als de kerkmeester Antho­nius Gijs­bertsz van Ster­ken­burg, die tevens schout van Werkho­ven was, in zijn rekenin­gen­boek no­teert:

`ende is uyt de bussen in den Gerechte tot Werckhoven gelicht des 7e december 1664 te huysinghe van:

Anthonis Jansz van Swoll weert ten Halvenxvi           1 - 8 -   0

In den Boog                                                                   8 - 0 - 10

In den Pellecaanxvii                                                       4 - 2 -   0

In den Peysellxviii                                                           1 - 5 -   0`

Het eerste bedrag staat voor guldens, het tweede voor stuivers en het derde voor penningen. Het valt op dat de inhoud van de bus in den Boog aanmerkelijk hoger uitvalt dan bij de anderen. Zou het verkrijgen van het contract hierop soms invloed hebben gehad?

Eigendom van huize Beverweerd.

Herberg den Boog staat ook vermeld in het archief van Be­ver­weerd. Deze herberg was namelijk van ouds eigendom van de heer van Beverweerdxix. Zijn bezittingen (boerderijen en landerijen) waren in erfpacht uitgegeven aan diverse personen. Vaak bleven dezelfde families er gedurende vele generaties wonen. Daardoor gingen deze bewoners hun pand in de loop der tijd, méér en méér als een familie­bezit zien. En die ontwik­keling bleek niet meer te stoppen. Maar als de bewoner het pand wilde verko­pen, diende hij wél al­tijd eerst toe­stem­ming te vragen aan de heer van Bever­weerd. De nieuwe `eige­naar` kon dan door deze heer worden `ver­leyd` met een nieuw erf­pacht­con­tract van het zojuist verworven `bezit`. Daarin werd vastge­legd dat er jaarlijks een bepaald bedrag (vaak ook iets in natura) moest worden afgedragen aan de heer van Beverweerd. Op deze manier hield hij de relatie met zijn oorspronkelijke eigen­dommen in stand. De heer van Beverweerd liet al zijn bezittingen door zijn schout, optekenen in een registerxx. Zo kennen we bijvoorbeeld de `Blaffaerd` van de hand van Theodorus Backer in 1710. Een duidelijke tekening van het perceel, aangevuld met een be­schrijving daarvan en vermelding van aangrenzen­de eigena­ren, moest iedere twijfel over omvang en ligging uit­sluiten. Jammer genoeg zijn de eigendommen in de bebouwde kom van Werkhoven niet in getekende vorm in dit archief aanwezig. Van deze eigendommen wordt alleen in een tekstuele vorm melding gemaakt. De enige, mij bekende, wat vage afbeelding van deze herberg is te vinden op een tekening uit het jaar 1750 (zie afb. no 2).

Gerechtshuis

De genoemde eigenaar van deze herberg, Meyndert Wouterszoon, moet goede connec­ties met het lokale bestuur hebben gehad, want zijn herberg deed op dat moment ook dienst als het ge­rechts­huis van Werkhoven. In het eerdergenoemde register uit 1710 lezen we:

`Dit is een huysinge en erf, daer den stalen boogh uythangt, alswaer jegenswoordigh het gerechtshuysinge van Werckhoven wert gehouden`. Maar liefst vier keer per jaar werd er door de schout `recht` gesprokenxxi. Deze `rechtdagen` waren een prima gelegenheid om goede zaken te doen. Het was voor de burgers een uitgelezen gelegenheid om zich te kunnen vermaken aan andermans leed.

De naam van de herberg

Het is duidelijk dat met de aanduiding `daer den stalen boogh uythangt` men een uithangteken bedoeld. Daar er echter geen afbeelding van het uithangteken bekend is (daarvoor biedt de tekening uit 1750 geen uitkomst), bli­jft het natuurlijk gissen hoe dit `teken` eruit moet heb­ben gezien. De (latere) toevoe­ging van het woord `stalen`, kan er eventueel op duiden dat het uithangteken voorheen van een ander materiaal was: b.v. van hout. Maar volgens het woordenboek van Van Dale betekent het bijvoeglijk naamwoord `staal` ook `strak gespannen`. Met de stalen boog zou dus ook een strakgespannen boog kunnen zijn bedoeld. Hoe deze herberg aan zijn naam gekomen is mij niet duidelijk geworden. Misschien was de stichter van de herberg wel een vooraanstaand lid van de plaatselijke schutterij?

Uithangtekens

Het gebruik van uithangtekens is in onze streken zeer waarschijnlijk in de middeleeuwen ontstaan. Voor die tijd was het gebruikelijk dat bij een wijntapperij een krans werd uitgehangen. (De Romeinen kenden reeds deze gewoonte al, zij gebruikten een krans van wijnrankbladeren, later van een houtxxii.) In de middeleeuwen hadden kasteelheren een belangrijke functie in het aanbieden van een veilige slaapplaats voor reizigers. Deze konden terecht in het kasteel of in een huis dat `bescherming` genoot van de kasteelheer. (Hier ligt ook de oorsprong van het woord `kastelein`, dat wil zeggen de kasteelheer die tevens herbergier wasxxiii.) Aan deze kastelen en beschermde huizen hing een schild met daarop het wapen van de heer des huizen. Dit schild ging ook mee op reis en werd opgehangen aan de huizen waar de kasteelheer zijn intrek had genomen. Uit dit gebruik zou dan het houten uithangbord zijn ontstaan, dat men met een stok of stang aan de gevel bevestigdexxiv. Later werd deze ontwikkeling gevolgd door gevelste­nen, houtsne­den en schil­deringen in of op houten luifelsxxv. Meest­al hing men aan de stok of stang een bord, waarop `n af­beel­ding ge­schil­derd werd. Maar in sommige gevallen koos men voor een meer fi­guurlijke vorm. De `gaper` boven de deur van een dro­gisterij is hiervan een bekend voorbeeld. Er was een groot scala van onderwerpen in omloop die men als uithangteken gebruikte. Vaak werden afbeeldingen van dieren - de Zwaan, de Pelikaan- hier­voor ge­bruikt, maar ook het thema `wapentuig` kwam regelmatig voor. Zo verwijzen Van Lennep en Ter Gouw naar een brou­werij in Dor­drecht met de naam `Den Boog`xxvi. Maar ook in Utrecht heeft een brouwerij gestaan met deze naamxxvii. In beide gevallen was er sprake van een handboog.

Den Stalen Boog als onderpand

Den Stalen Boog is in de loop van de tijd regelmatig gebruikt als onderpand voor het afsluiten van leningen. Zo verkocht Cornelis van Boetzelaer, gehuwd met Baligje de With, het huis aan zijn dochter Jannigje Cornelis van Boetzelaer voor het bedrag van 1000 gulden (inclusief de inboedel, een koe en een kalfxxviii). De prijs van 1000 gulden was gelijk aan de twee `plechten` welke op 19 november 1707 gepasseerd waren voor het leenhof van Beverweerdxxix. Jannigje was gehuwd met Jordaan de Pauwert die het op zijn beurt weer verkocht aan Aart van Boetzelaer (een broer van Jannigje). Deze verkoop vond plaats op 9 juni 1938 en wel voor de prijs van 700 guldenxxx.

Op 26 april 1765xxxi schreef de schout van Werkhoven, Jan van Beek, in `t re­gister van het huis Be­ver­weerd een `pl­egt­bri­ef` in, waarin te lezen is dat Gerrit en Lijsje van den Boetselaar in naam van hun moe­der, Neeltje van den Nijendijk (weduwe Aart van Boetzelaer) nu huisvrouw van Arie van den Boom­gaard, bekenden schuldig te zijn aan Adriana de Bie, weduwe van Fons van Amerongen, een kapitaal van 300 gulden (tegen 5% rente). Dit be­drag werd geleend om de voorgaande `plegt­brief` af te betalen aan Corne­lis van Wijn­gaar­de. Er moest per jaar 50 gul­den worden afge­lost.

Erfpacht

De heer van Beverweerd had in deze erfpachtbrief bepaald dat voor de erfpacht betaald moest worden `een derde helft pont wasch, ofte een halve Philips gulden ten behoeve van de capelle van Beverweerd`. Deze `wasch` zal ongetwijfeld bedoeld zijn voor de kaarsen die de kapel moesten verlichten.

Zo had de heer van Beverweerd zijn erfpacht bij ieder pand weer anders geregeld. Het pand dat naast (zuidwaards) de Stalen Boog stond, was belast met een erfpacht van `anderhalf eclesie goude schilden tot drie guldens, drie stuyvers ende nogh twee vette capoenen`. Maar de wijze van betalen was wel gelijk. De erfpachtplichtigen moesten op het kasteel verschijnen op `Sint Maertensdag 11 november voor midde winter`xxxii.

Een nieuwe leningxxxiii

Op 22 januari 1770 sloten Neeltje van den Nijendijk, weduwe van Arien van den Boogaard en haar oudste zoon Gerrit van den Boetselaar een nieuwe lening af, groot 400 gulden. Daarmee betaalden zij hun schuld aan Adriana de Bie, weduwe van Fons van Amerongen (groot 300 gulden) af. Zij lenen nu het geld van Pete­rus Smits. Bij hem behoefde zij slechts 4% rente te betalen maar het aflossingsbedrag was wel hoger, namelijk: 100 gulden per jaar. Op 17 december 1782 deed Neeltje van den Nijendijk, vrijwillig afstand van haar bezit aan haar oudste zoon Gerrit van Boetse­laar, `in echt verwekt bij wijlen haaren eerste man Aart van Boetselaar`.

Laatste eigenaar brouwerij

De herberg is bijna een eeuw in handen van de familie Van Boetselaar geweest. Daaraan kwam een einde toen Gerrit van den Boetselaar, gehuwd met Catharina Hendriks, de her­berg in 1805 verkocht aan Pieter Verkerkxxxiv. Deze was landbouwer van beroep en had in Werkhoven diverse bezittingen. Hij was gehuwd met Gerrigje Branden­burg. Na zijn dood in 1812 liet Pieter al zijn bezittingen achter aan zijn vrouw en drie kin­deren, Anthony, Dorothea en Laurens. Gerrigje Brandenburg overleed in 1819. Vanaf dat jaar hebben haar kinderen de brouwerij voo­rt gezet. Zij hielden ongeveer vijf jaar hun ou­derlijk bezit bij­een, maar in 1825 wensten zij dat te verde­lenxxxv. Dorothea Verkerk kreeg het huis Den Stalen Boog no 52 toege­wezen. Zij sloot de brouwerij en liet er drie wo­ningen van maken. Zelf heeft Dorothea Verkerk er niet gewoond. Zij verkocht in 1835 het huis aan Johannes Meyer, kledermaker van beroepxxxvi. In 1857 kocht Meyer het naastliggende pand (noordzijde) van Carel Fraza, huisschilder er bijxxxvii. Op een gegeven ogenblik werd de financiële last hem te groot, want hij stond in 1871 beide panden af aan de `Roomsch Katholyke Armen van Werkhoven die daarmee zijn verplichtingen voor hun rekeningen namenxxxviii.

De locatie

Bij het vaststel­len van de juiste locatie van een pand is een goede omschrijving van de buren en wegen in de directe omgeving van groot belang. Probleem hierbij is dat men het niet altijd even nauw nam met de geografische aanduidingen.

In de `Blaffaerd` van Beverweerd uit 1710 staat geschreven `daer ten noorden Ruth Cooltjes en Evert Pauw, ten zuyden Splinter Janszoon, ten oosten Hammer Goossenszoon en ten westen den Heeren Binnen­wegh naest gelant zijn`. In de akte van 1765 worden we op een dwaalspoor gebracht doordat men de richtingen anders aangeeft: `strekkende uyt de Gemeene Weg tot aan den boomgaard van Willem van Doorn, daar westewaards Gerrit Vernooys weduwe en oostewaards sinjeur Agterberg naast geleegen sijn`. Hier dienen west- en oostwaards respectie­velijk als noord- en zuid­waards gelezen te worden.

Tot besluit

In het voorgaande is van de straatnaam `De Stalen Boog` zijn historische achtergrond geschetst. Ik ben van mening dat het aanbeveling verdien­t, dat als men nieuwe straatnamen moet bedenken, om zoveel mogelijk aan plaatselijke ge­schiedkundige namen voorrang te geven. Hierdoor zullen u en ik op een bijzondere ma­nier herinnert blijven aan ons verle­den.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Nomineer een onderwerp voor deze dorpscanon