Dorpscanon Bunnik


Dorpscanon Bunnik


De kern van Bunnik ligt aan de Kromme Rijn. Bunnik is een mooi voorbeeld van een landschap met verspreide boerderijen, waar de bouw van een kerk op de brink het begin vormde van de ontwikkeling van een kern. De kerk, een dochterkerk van Zeist, stamt uit de dertiende eeuw en wordt hier nog een curtis genoemd, waartoe, zoals uit latere gegevens blijkt, land op beide oevers van de Kromme Rijn behoorde. In de veertiende eeuw bestond die hof niet meer. Wel wordt nog een 'hofstat' genoemd die bij de kerk van Bunnik lag, maar die term zegt weinig. De 'meent ofte brenck' van Bunnik wordt in 1556 genoemd. Een langgerekte strook langs de rivier moet de oorspronkelijke brink hebben gevormd. De bouw van een school met schoolmeestershuis en de vestiging van een paar middenstanders bracht de ontwikkeling van Bunnik verder op gang. Bunnik is tot in de 20e eeuw omringd geweest door grootgrondbezit. In Bunnik en langs de Kromme Rijn vinden we kasteel Cammingha De Beesde en het landgoed De Niënhoff. Door zijn ligging, in de nabijheid van het Utrecht Science Park, werd halverwege de twintigste eeuw Bunnik een groot dorp. 

Bron: De dam bij Wijk het Kromme Rijngebied in de middeleeuwen, A.A.B. van Bemmel, K.M. Cohen, J. van Doesburg, Hans Renes, cartografie: E.L. Poppe. 9 sept. 2022 

Bert Doeser geeft de straten in en nabij het dorp Bunnik kleur van bewoners in de periode vóór 1964. [Video 'Verhalen Oud Bunnik', Jos van Kouwen n.a.v. Monumentendag 2017] 

 


Driekus Van Zijl: Ik ben geboren in 1904 op boerderij Ter Hul in Bunnik, en getrouwd  met Hendrika Hillegonda Maria Makker op 4 november 1942 te Eemnes. Wij komen beide uit een groot gezin. Zo waren we het wel gewend om met veel mensen om de tafel te zitten. Bij ons, ‘op Ter Hul’, was het altijd de zoete inval! Ik word later als levensgenieter gekenschetst in de goede zin van het woord. Ik heb inderdaad mijn leven welbesteed en het was intensief. Tijdens een vakantie in Fuengirola in Spanje was ik me plotseling bewust van het feit dat ik geboren ben als boerenzoon, en dat ik het geluk heb gehad de omwenteling van 1904-1984 van zeer nabij te hebben meegemaakt. Ik heb met de oude gebruiken nog gewerkt. Laat ik ’t eens proberen om mijn herinneringen op te schrijven.

Ik wil graag over mijn ouders schrijven. Zij heten Piet Van Zijl, (Petrus), 1860 - 1938 , en Griet De Jong (Margretha) uit Blaricum, 1865-1940. Mijn vader is twee keer getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw heette Johanna Cornelia De Wit, zij kwam uit Vreeswijk (1858-1893).

Na 3 gelukkige jaren sloeg hem het noodlot toe. Bij de geboorte van het derde kind stierf zij in het kraambed. Mijn vader vertelde mij, een zeer zware tijd te hebben meegemaakt. Zo bleef hij met drie kleine kinderen achter. De familie heeft hem geweldig geholpen, vertelde hij vaak. Hoe lang hij weduwnaar is geweest, is mij niet bekend. Wel dat hij op aanraden van Pastoor Jansen zijn tweede vrouw uit Blaricum heeft leren kennen. Margretha Clazina De Jong.

Hij vertelde dat het niet gemakkelijk was een meisje uit Blaricum weg te halen. Dat ging vaak met vechten en ruzie gepaard. Doch ik voelde me sterk, zei hij dan, en opgewassen tegen zo’n stel dorpelingen. Na ze een paar keer uit elkaar geslagen te hebben, heb ik weinig last meer van hun gehad. Ik ging altijd met de Tilbury en wat er dan gebeurde was, dat zij het paard onverwacht een klap met de zweep gaven. Doch ik was voerman genoeg om hem in bedwang te houden. Uit het huwelijk van mijn ouders zijn naast de 3 kinderen, nog 9 geboren; 6 jongens en 3 meisjes. Mijn ouders hebben in totaal 12 kinderen grootgebracht, waarvan ik het 10e kind ben. 

Mijn moeder is geboren in 1865 in Blaricum, waar zij haar jeugd heeft doorgebracht. Zij kwam uit een gezin van 8 meisjes en 2 jongens. Haar vader was tegelijk boer, grutter, en burgemeester van Blaricum. Er is een weg naar hem genoemd, de burgemeester de Jongweg. De boerderij is een Rijksmonument en op het land staat een korenmolen. Het gezin van mijn moeder kwam uit een erfgooiers geslacht. Zij kon prachtig vertellen over hen en over de meent. 

De meent en de erfgooiers 

Over het ontstaan van de meent bij Blaricum volgden we haar naar het jaar 968. Er leefde een graaf Wichman met zijn echtgenote, Luetgardis, dat was weer de dochter van een der graven van Vlaanderen. Deze graaf Wichman bezat 2 dochters en 1 zoon. Zijn vrouw kwam te overlijden toen de dochters huwbaar waren. Eén van de dochters schijnt met het geld van haar vader een klooster te hebben gesticht. Het klooster werd gebouwd op de Eltenberg, en werd later opgekocht door Floris V, gelijk met de eigendommen die in het Gooi waren gelegen. Dat zette veel kwaad bloed, en dat werd nog erger, toen de bisschop van Utrecht zich ermee ging bemoeien. Hij kwam in conflict met de heren van Amstel en de Graven van Holland. De bisschop wist hun te dwingen hun eigendommen ook te verkopen aan Floris V. Dat was zwaar tegen het zere been van de samenzweerders en edelen. Als wordt vermoed waar ondertussen Floris gevangen wordt gehouden en wanneer hij verplaatst wordt door koerier Gerard van Velzen, dan liggen de erfgooiers op de Laarder heide in hinderlaag om Floris V te bevrijden. Gerard van Velzen wordt bang en keert terug naar Slot Muiden, waar hij Floris vermoord. Dat de boeren toen getracht hebben Floris V te bevrijden is naar alle waarschijnlijkheid goed in gedachte gebleven, en zeer wel de reden zal zijn geweest, om al dat land dat ruim 6000 hectare groot was, aan de erfgooiers te geven.

Op de meent kwamen boeren uit Blaricum, Laren, Huizen en trokken hiervan profijt. Het hooiland was dan afgezet en verdeeld onder de scharende boeren. Er waren in het jaar 1700 1083 gerechtigden, waarvan 624 niet scharende boeren. Soms liepen wel 500 koeien of nog wel meer op een koppel. In die tijd kwam het nogal eens voor, dat een boer soms wel 4 of 5 koeien op de meent meer liet lopen. Dat vee werd dan verbeurd, verkocht verklaard, en de opbrengst werd in de pot van stad en land gedeponeerd. Dat werd dan weer zwaar aangevochten door de niet erfgooiers. De herrie brak pas goed los, toen bekend werd gemaakt, dat al het vee dat naar de meent werd gebracht, gebrandmerkt moest worden. De opposanten probeerden hun vee zo op de meent te krijgen. 28 april 1904 is er toen nog een dode gevallen, een zekere Christiaan Smit uit Laren. Daarna is er wel een kleine correctie geweest, door bijvoeging van wat nieuwe leden, en de rust was weer gekeerd. 

Als een spoorlijn wordt aangelegd, de Ooster spoorlijn van Amsterdam naar Amersfoort, loopt deze lijn dwars door de meent, juist daar waar veel zand aanwezig was. Er was op de eerste plaats zeer veel wild op de meent, en ten tweede, door de uitbreiding van de dorpen en door de aanleg van de spoorlijn, kwam er vanzelf meer vraag naar wildbraad. Hoe lucratief werd dit? Het was bij de erfgooiers op de meent de gewoonte om het jachtrecht geheel aan zichzelf te houden. Ook was het een tijd geweest dat zij het wild niet zo gemakkelijk geplaatst konden krijgen. De erfgooiers zelf hadden daar ook niet zoveel tijd voor over gehad. Maar dit veranderde bij de komst van de spoorlijn. Herman Vos, ook een erfgooier van de meent, maakte prompt van de jacht een beroep.

Hij is later nog bekeurd geweest. De oorzaak hiervan was dat een van de bestuursleden zomaar op eigen houtje de gehele 6000 ha aan Koningin Wilhelmina had verhuurd. Dat was een mooie uitloop geweest voor Prins Hendrik, maar dat pakte heel anders uit; het jachtrecht bleef in handen van erfgooier Herman Vos. 

Zo kon mijn moeder uren verhalen vertellen en ze was geweldig goed, om de verschillende uiteenzettingen uit elkaar te houden. Haar vertellingen waren zo glas helder, dat men vanzelf scherp naar haar bleef luisteren. De streek rond Blaricum bleef door haar verhalen op mij een grote aantrekkingskracht houden.

Het opdringend Protestantisme in de Nederlanden was, zelfs door doodstraffen niet te stuiten. Politieke gebeurtenissen gaven tenslotte de doorslag dat in 1580 de Katholieke kerk plaats moest maken voor de Calvinistische. We nemen opnieuw de Achterdijk in het vizier, maar nu op een tijdstip ná deze ingrijpende maatregel. 

De Achterdijk

Het was een  wonderlijk gezelschap, dat op de 3e juli 1593 uit de stad Utrecht het platteland optrok. U ziet ze daar! Op de smalle en onverharde, maar nog niet zo lang geleden van kuilen geëffende en aangeharkte Achterdijk, rijdt een statige karos, bespannen met vier paarden en daarin, met de sabel op zij, de zwierige edelman Frederik van Zuilen van Nijeveld, de stadspatricier Henrick Buth en de strak voor zich uitkijkende dienaren van het Goddelijk Woord, Johannes Gerobulus en Gerardus Blockhoven. Niet de eerste de besten! Vooral dominee Gerobulus niet. Als vurig Calvinist was hij in het verleden door de Katholieke overheid vervolgd, had hij overal in de Nederlanden gevangen gezeten, was hij balling geweest in Emden, en lid van de vroegste Synoden. In december 1578 was hij aan het hoofd van een troep Walcherse calvinisten het praktisch homogeen Katholieke Zuid-Beveland binnengevallen, had er de beelden in de kerken doen breken en de altaren laten omgooien en, staande tussen het puin van de van hun sokkel gevallen heiligen in de grote Sint Maria Magdalenakerk te Goes, Zuid Beveland voor het protestantisme opgeëist. 

Dat was in 1578. In 1593 was hij predikant in Utrecht en op 3 juli hobbelde hij over de Achterdijk als lid van de visitatiecommissie van de kerken op het platteland. De commissie was ingesteld door de Staten van Utrecht. Deze heren waren Calvinist en de rooms-Katholieke eredienst was bij plakkaat van 1 juni 1580 voor geheel Utrecht afgeschaft en verboden, maar op het platteland had men zich aan dit verbod niet veel gelegen laten liggen. Aan ds. Gerobulus lag dat niet, hij had de Staten al genoeg opgeroepen ‘om de hoede en de wacht te houden over de kudde Christi op het platteland’, of om de Staten te bewegen, ‘eens ordre te stellen, tot behoorlijkcke ende eenparige bedieninge der kercken ten platten lande onder uw E.E. jurisdictie geseten’.  

En nu was het dan zover! De commissie had tot taak verslag uit te brengen over de kerkelijke toestand in de plattelandsdorpen, onder andere in de dorpen gelegen tussen Rijn en Lek! Een slappe opdracht, vond ds. Gerobulus. Hij zou veel liever zijn opgetreden zoals 15 jaar geleden in Goes, maar nu had hij geen militante Calvinistische Gideonsbende bij zich, slechts drie fatsoenlijke heren, die niet geneigd waren tot buitenparlementaire actie. 

Werkhoven

Inmiddels was de karos de Brink van Werkhoven opgereden en terwijl de koetsier zijn kruik bier dronk in ’t Sittende hert’, stapten de heren de romaanse kerk binnen, die ze in een redelijk onderhouden toestand aantroffen, behalve dat ze nog niet geheel gezuiverd was van relikwieën ‘van ’t pausdom’. Maar de twee Werkhovense kerkmeesters, die al een hele tijd zenuwachtig op de heren hadden zitten wachten, beloofden onmiddellijk die rommel op te ruimen. Een dominee was er niet. Hoe kon het ook, er was waarschijnlijk in heel Werkhoven geen enkele protestant, maar de pastoor Gillis Pietersz. van Heumen was een heel geschikte man. De commissie vond dat hij gerust kon blijven, maar hij moest dan natuurlijk wel dominee worden. Een klein examentje en de zaak zou geregeld zijn. Verheugd dat de pastoor beloofd had daaraan te willen meewerken, vertrokken de heren over de oude Trechtweg naar Cothen, want Werkhoven was verder niet interessant meer. Dat de Werkhovense Heilige Geestmeester nog geklaagd had dat hij jaarlijks maar 20 gulden en 14,5 stuiver had om de armen mee te bedelen en dat die armen bijgevolg wel lagen te creperen, was iets dat de commissie thuis wel ‘es zou bestuderen. 

Cothen

Erger was dat in de kerk van Cothen >‘dóutaeren, het sacreamentshuis ende de beelden’ nog vast stonden, mits ‘gaders verscheyden zo afgodische ende superstitieuse, zo oock onschriftuermatiae geschreven spreuken’. En dat was geen wonder want de oude pastoor Jan Gerritse was >‘noch gansch poaepsch gesint ende gansch superstitieus in sijne bedienige, die oock verklaert, dat hij hem tot de Reformatie niet en soude connen begeven’! Daar kon de commissie het mee doen, zelfs een examentje kon in Cothen de afstand niet overbruggen. Ook met de school is het in Cothen droevig gesteld. De koster houdt ’s winters school, maar heeft geen lokaal en verdient 15 gulden en 2 stuivers per jaar, maar drie maal ’s jaars brengen alle Cothenezen hem een brood! Cothen komt op de urgentielijst van de commissie, dominee Gerobulus wil er zo gauw mogelijk weg, naar Schalkwijk, want daar moet de toestand beter zijn. Maar hem wacht nog een grote beproeving, want de karos passeert eerst het gehucht Dwarsdijk in de rimboe van grienden en drassige weiden ten zuidwesten van Cothen gelegen. 

Dwarsdijk

In Dwarsdijk staat een kapel, gewijd aan het H. Sacrament, en daarin hokt een paap: Simon van Arkel, een kapelaan ‘gansch ongesont in leren ende quaat van leven, daartoe bitter ende quaetspreeckende, in de wandelinge bekent onder den titel l’Paep mutse in ’t vuur’. 

Schalkwijk

Gauw naar Schalkwijk! Daar wordt de kerk bediend door een soort ‘tussenwezen’, ’t is geen pastoor en ’t is geen dominee, hij preekt niet, maar leest sermoenen van een devote minderbroeder, hij weet weinig van de bijbel, maar heeft het Latijn afgeschaft. Met heel zijn vermogen, zegt hij, wil hij zich inzetten voor het examentje. Verder is het ook in Schalkwijk maar treurig, en ’t is nog wel één van de grootste parochies van de Kromme Rijn: de kerk, de pastorie, de kerkehuizen, het vicarishuis, alle verkeren ze in groot verval. De Sint Anna Broederschap heeft een desolate boedel. Ondanks dat: geen urgentiegeval. Wel op de urgentielijst komen ’t Goy en Houten. 

't Goy

In ’t Goy woont een oude frater, die zich als pastoor gedraagt en die weigert de commissie te antwoorden behalve dat hij zal blijven bij de eed die hij eenmaal zijn bisschop heeft gezworen. 

Houten

In Houten weet pastoor Jan Aertsz. praktisch niets van de H. Schrift af, maar wil geen examen doen, want hij heeft dat al twee keer gedaan, toen hij de tonsuur ontving en toen hij tot priester gewijd werd en dat vindt hij welletjes. En dan de toestand van het Houtense kerkgebouw, men was met de zo noodzakelijke reparatie begonnen, maar zat nu al met een schuld van 400 gulden. Nu was het een oude gewoonte dat iedere keer als de tienden van het Utrechtse kapittel van S. Marie te Houten werden verpacht, dat de kanunniken dan aan de burgerlijke en kerkelijke overheid van Houten een maaltijd aanboden. Deze keer had men daar maar van afgezien om het geld dat anders aan de vreet- en zuippartij werd besteed, aan de kerk te geven. Vreet- en zuippartij, want dat was het als je bedenkt dat die 120 gulden, die het kostte, 6x zoveel was als wat alle Werkhovense armen in een heel jaar samen van de bedeling kregen. 

Bunnik

Snel naar Bunnik. Eerst even afspannen bij de herberg >‘De Prinche’ te Vechten en dan naar ‘het centrum van het land, dat toch landelijk is, naar Bunnik. Weer een geval voor de prioriteitenlijst. Pastoor Jan van Gouda heeft nog altaren en andere goddeloze dingen in zijn kerk, en draagt de mis nog op, zoals op jl. Pasen toen hij ‘paepsche' sacrament uitdeelde en enige dagen eerder wijwater verkocht. Dopen en trouwen, ’t gaat allemaal op zijn paaps en inzake het befaamde examentje houdt de pastoor zich op de vlakte. 

Odijk

In het land der blinden is één oog koning. Voor de commissie woonde die koning in Odijk. Het gesprek dat de eerwaarde heren daar hadden met pastoor Evert Aelbertsz., was voor hen een verademing. Met hem konden zij een gesprek op niveau voeren, hij had naarstig boeken van calvinistische theologen gelezen. Hij wist er wat van en het feit dat hij kinderen had, verhinderde ds. Gerobulus niet hem een eerbaar man te noemen. Dat hij in een kerk, die nog vol stond met altaren en andere attributen en ornamenten van het Katholicisme, dat hij doopte en trouwde naar believen op de katholieke of op de protestantse wijze, dat alles zag de commissie voorlopig door de vingers want wie was er meer geschikt voor het examentje en de daarop volgende transformatie, dan juist de Odijkse pastoor, die bovendien gemeentesecretaris was? Zeker geen urgentiegeval. 

Tull en 't Waal

Via Tull en ’t Waal, waar de kerk ‘gansch desolaat’ ligt en de pastoor> ‘een out, miserabel ende in ’t stuck van de religie geheel onervaren man’ is, trekken DE HEREN de Kromme Rijnstreek uit en komen zij op adem in Vreeswijk waar al een predikant gevestigd is, die al met 8 of 9 mensen het Heilig Avondmaal heeft gevierd. 

Een treurige toestand op het kerkelijk erf, zo tegen het einde van de 16e eeuw. Aan de ene kant een gedeformeerde Ecclesia Romana, die haar priesters niet goed in de hand heeft kunnen houden. Aan de andere kant de Calvinistische kerk, die in haar plaats moet treden, maar daar door onverschilligheid en conservatisme van de bevolking maar met moeite of hoegenaamd niet in slaagt, alle pastoors onmiddellijk door predikanten te vervangen, die moet rekenen met baantjesjagers onder de predikanten.

Het is een Hervorming op zijn janboerefluitjes, maar de oude kerk is te vermolmd om zelfs aan die gebrekkige reformatie weerstand te bieden. Het is een spannende race: Wie zal winnen? Welk afwasmiddel zal de 16e eeuws vuiligheid kunnen reinigen; het scherpe, uitbijtende midden van ds. Gerobulus of het zachte middel van pastoor Evert uit Odijk?  

Lezing van Dr. C. Dekker tijdens het vijfjarig bestaan van de Historische Kring tussen Rijn en Lek. De lezing vond plaats in 1971 op kasteel Beverweerd bij Werkhoven. 

'Tot gemeentelijke bloei en welvaart 1813 tot 1930'! 

Tussen 1813 en 1930 vertelt de geschiedenis van Bunnik het verhaal van hardwerkende mensen die economische vooruitgang en groei nastreefden, terwijl ze zich door de klei bewogen. De focus gaat op welvaart en veiligheid als de gemeente Bunnik, na de opening van een treinstation in 1884, onder leiding van burgemeester jhr. Mr. F.H. de Pesters, streeft naar gemeentelijke welvaart. Deze periode zag een georganiseerde aanleg en onderhoud van wegen en een toenemende aandacht voor veiligheid. Dit bracht werkgelegenheid en economische activiteit met zich mee. 

Eerste Wegen in het Kromme Rijngebied: Een Overzicht
In de 17e eeuw werden de fundamenten gelegd voor het wegennet in het Kromme Rijngebied. De provinciale zandweg, die in 1628 werd aangelegd, opende de toegang tot Vechten, Bunnik, Odijk, Werkhoven en Cothen. Deze route fungeerde als verbindingsader tussen de dorpen en zorgde voor directe verbindingen met Utrecht en Wijk bij Duurstede tijdens weekmarkten. Voor die tijd was er alleen de oude landweg, bekend als de Trechtweg of Achterdijk, die van Wijk naar Utrecht liep. Dit creëerde een lineair patroon van wegen.

Niet lang daarna, in 1635, werd het Jaagpad langs de Kromme Rijn in Bunnik aangelegd. Een jaar later, in 1636, werd de Raadhuisbrug over de Kromme Rijn gebouwd, waardoor verdere verbetering van de verbindingen mogelijk werd.

Met de komst van koning Willem I na 1815, werd de traditie van wegenaanleg en -onderhoud voortgezet, zoals gestart tijdens de Franse overheersing. In eerste instantie werden voornamelijk hoofdroutes van bestrating, grind, voorzien, terwijl belangrijke regionale wegen veelal bedekt werden met zand en puin, op kosten van de provincie. De gemeenten waren verantwoordelijk voor de ‘binnenwegen en voetpaden’. De wegen die van de provinciale weg afbogen naar de dorpskernen waren ‘binnenwegen’. 

Veel wegen die oorspronkelijk van klei waren, werden in het begin van de 19e eeuw tot zandwegen gemaakt. Voor de aanleg en onderhoud ervan waren de bewoners die aan de weg woonden zelf verantwoordelijk. Er werd een laag van ongeveer 15 cm grof zand gelegd.
 
Een cruciale stap vond plaats in 1830, toen de gehele weg tussen Utrecht en Wijk bij Duurstede werd voorzien van zandbedekking en verschillende namen kreeg, zoals Provinciale Zandweg en later Provinciale Grindweg. In 1831 werden ook in Bunnik inspanningen geleverd, op gemeentekosten, waarbij de Dorpsstraat werd voorzien van ‘bepuining en bezanding’. Het Kromme Rijngebied bleef echter tot in de 19e eeuw verstoken van bestrating met klinkers.

Burgers zelf verantwoordelijk
Terugkijkend op de geschiedenis van het wegennet in onze regio, blijkt dat de bewoners zelf belast waren met zowel de aanleg als het onderhoud ervan. Deze praktijk duurde voort tot na 1850, het jaar van de invoering van de nieuwe Gemeentewet. In de gemeentebegroting werd steeds vaker geld voor wegenonderhoud gereserveerd.

Vanaf 1850 zien we duidelijk de verschuiving naar gepland wegenonderhoud. Een opmerkelijke ontwikkeling in Nederland in die tijd was de bedekking van wegen met grind. Deze verandering was zo ingrijpend dat Nederland gedurende de periode tussen 1850 en 1880 bekend stond als het ‘land van grindwegen’.

De visie van Bunnik wijkt echter af van deze trend. In het jaarverslag van 1851 zien we dat, hoewel er geen formele straten waren, de algehele conditie van de wegen in het dorp als bevredigend werd beschouwd. Dit werd nog versterkt door het genot dat werd ervaren van de pas geplante bomen op het dorpsplein.

Klachten onderhoud wegen
Gemeentes spraken geregeld met tevredenheid over deze wegen en over het onderhoud dat er aan gepleegd werd. Maar bij hevige regen ontstonden er klachten, vooral over de toestand van de voetpaden.

In 1827 was de gemeente Bunnik verbolgen over het weinige onderhoud dat de bewoners van het Houtense Zandpad aan hun weg deden. En met name over de wijze waarop zij het voetpad onderhielden. Daarom drong het plaatselijke bestuur aan op maatregelen om regenproblemen aan te pakken. Hierbij kwam provincie in beeld, die jaarlijks de wegen inspecteerde, de schouw, met behulp van een speciaal aangestelde persoon, genaamd de 'kameraar'.

Drie Soorten Zandwegen
Naast het bekende Houtense zandpad lag een apart voetgangerspad. Vanaf de 17e eeuw werden door de Gedeputeerde Staten voetpaden, trekpaden en jaagpaden aangelegd van zand om voetgangers tijdens alle weersomstandigheden naar markten, kerken en scholen in Utrecht en Wijk bij Duurstede te laten reizen. Dit resulteerde in een uitgebreid netwerk van zandwegen in de provincie Utrecht. 

Langs de Kromme Rijn, met zijn lage bruggen en ondiepe water, werden in 1633 trekpaden aangelegd. Trekschuiten werden soms ook door paarden voortgetrokken langs de belangrijkere Langbroekerwetering vóór de kanalisatie van de Kromme Rijn in 1870.

De eerste stap gezet naar een historisch landschap!
Deze diversiteit aan zandwegen belicht de vervoersbehoeften van die tijd en heeft een blijvende stempel gedrukt op ons historisch landschap en regionaal transportsysteem.

>Lees ook, zie hieronder de link: Raadhuisbrug en de Loswal in Bunnik 

In de vroege 17e eeuw legde Bunnik de basis met een provinciale zandweg naar omliggende dorpen en Utrecht. Koning Willem I verhardde in 1815 belangrijke routes in het Kromme Rijngebied. 

Ooit de enige toegang tot Zeist, werd de Bunnikse Brug in 1711 tolweg voor rijtuigen en vee, met uitzonderingen voor zwarte paarden en paarden met een bles en vier witte benen. De brug, voor 1964 de enige route naar Zeist, vereiste tolheffing van een stuiver, en werd onderhouden door Gijsbertus van Merkesteijn. Twee 19e-eeuwse vernieuwingen volgden vanwege toenemend verkeer. In 1971 werd de brug enkel toegankelijk voor voetgangers na verslechtering.

Mobiliteit
Voorheen onderschatte de gemeente mobiliteit, vermoedelijk door verondersteld gebrek aan vraag. Toch werd in 1838 een voetbode ingezet om pakjes naar Utrecht te brengen, en tweemaal per week reden postwagens tussen Wijk en Utrecht, voor zowel goederen als personen. De postwagen vertrok om 5 uur 's ochtends vanuit Wijk bij Duurstede en bereikte Utrecht om 8 uur (zomer) of 9 uur (winter), aanpasbaar aan omstandigheden. Reizigers konden plekken reserveren, waarbij de voerman voor de eerste twee plekken een hoger tarief vroeg. Deze postdienst functioneerde tot de jaren '70 van de 19e eeuw.

Een alternatieve optie was een vrachtkar die drie keer per week tussen Wijk en Utrecht reed, ter aanvulling van het vervoer. Hoewel schuiten de belangrijkste goederenroute over de Kromme Rijn waren, toonden deze verbeteringen aan dat de gemeente zich wel degelijk aanpaste aan vervoersbehoeften.

Economische rol tot 1930 en de Kromme Rijn
Tot 1930 speelde de Kromme Rijn een vitale economische rol voor fruit- en kleinhandelstransport. In dorpen zoals Bunnik fungeerden particulieren als laad- en losplekken, zoals in 1862 toen Van Dam kiezels loste voor het Houtense Zandpad. 

De Loswal

In het verleden werd het lossen en laden van goederen uitgevoerd op particuliere gronden langs de Kromme Rijn. Gemeentes namen het initiatief om openbare plekken te organiseren, waarmee de vroegere last voor eigenaren verminderde. Een tastbaar bewijs van deze verandering is te zien in de aankoop van huizen en grond tussen 1813 en 1930 aan de Langstraat in Bunnik in 1864, waardoor een toegewijde los- en laadwal werd gecreëerd. 
 
Eeuwenlang Vervoer Over De Kromme Rijn
Vanwege nauwe bruggen en sluizen was in het Kromme Rijn-stroomgebied transport enkel mogelijk met lange smalle schuiten. De Krommerijnder, een lang en smal open vaartuig, heerste als dergelijke schuit. Dit type bood onbelemmerde toegang tot weiden en polders, grotendeels ongehinderd door wegvervoer - vooral 's winters wanneer wegen onbegaanbaar waren. Dit scheepje was multifunctioneel: bakstenen, turf, griendhout, fruit, talhout en takkenbomen werden vervoerd.

In 1782 kocht Pieter van Manen zo'n Krommerijnder voor 195 gulden. Hij verdiende zijn brood als schipper van Bunnik op Utrecht. De Krommerijnder, voorzien van een grote witte huif op houten beugels, vervoerde niet alleen vracht, maar waarschijnlijk ook mensen.

Van Dam liet kiezels voor de Houtense weg per Krommerijnder aanvoeren, met 9 schuiten nodig in mei en december 1863. Meestal bracht de schuit 'koopmans- en winkelgoederen, hout, boomgaardvruchten, aardappels of mestspecie' naar de Utrechtse markt. Tweemaal per week voer een vijf ton zware Krommerijnder naar Utrecht om goederen te verhandelen.

Op drukke zaterdagen was Utrecht een bijenkorf van bedrijvigheid, waar talloze beurtschippers en vrachtschuiten vanaf de Oude Gracht vertrokken om kleinere provinciale plaatsen te bevoorraden. Vanuit de stad namen de beurtschippers daarbij ook vaak tonnetjes met menselijke uitwerpselen mee terug als mest voor de tuinbouwers in het Kromme Rijngebied.

De Krommerijnder, symbool van een verleden tijdperk, belicht de cruciale rol die transport speelde in de samenleving. 

Fruitteelt en Transport over water: Evolutie in de Kromme Rijnstreek
Tegen het einde van de 19e eeuw bloeide de groente- en fruitteelt in de Kromme Rijnstreek op, terwijl graanbouw verminderde na een landbouwdepressie rond 1880. De groeiende stadsbevolking en welvaart stimuleerden deze verschuiving.

Appel-, peren- en kersenboomgaarden vervangen akkers; 1854: 32 boomgaarden, 1859: 49 op 66 bunder grond. Het vervoer over water werd cruciaal. De kersen bereikten Utrecht en zelfs Amsterdam per schuit. Tot 1930 had de Kromme Rijn een economische functie voor fruit- en kleinhandelstransport. Los- en laadplekken, zoals in Bunnik, Odijk en Werkhoven, ontwikkelden zich om de vraag aan te pakken.

In 1919 richtte Nico de Jong de Fruitveiling op in Bunnik, initieel aan de Loswal, later verplaatst naar de Schoudermantel aan het spoor in 1930.De groeiende bedrijvigheid eiste aangepaste transportoplossingen voor de toenemende veilingvolumes.

>>Lees ook, zie link hieronder: Het verkeer en economische vooruitgang in Bunnik

Aan de Anthonisbrink (de Brink) ligt het oudste gebouw van Bunnik, de oude Dorpskerk van ca. 1200. De Brink was vele eeuwen het centrum van Bunnik en rondom bebouwd met huisjes, de pastorie en het eerste schoolgebouw van Bunnik. Op een van de oudste afbeeldingen van Bunnik van H. de Winter uit 1743 zien we de Brink, gezien vanaf de Dorpstraat naar de kerk, met allerlei bebouwing. En geheel rechts de vermoedelijke smederij.

Een Brink was een ideale plek om een smederij te hebben. De eerste vermelding van een smidse/smederij op de Brink in Bunnik is rond 1569. Dat wil niet zeggen dat er mogelijk (veel) eerder ook al een smederij was.

Gijsbert Hendricks, de eerst vermelde smid
In een verslag uit 1569  wordt verklaard dat >>>>>>>>>>Gijsbert Hendricks (Ghijsbert Hendrickss) in oktober 1567 ten huyse van Jan Thonisz te Bunnick was en daar Anthonis Vrederickss neersloeg. Op 9-8-1569 wordt >>>>>>>>>>Ghijsbert Hendrickss  smit te Bunnick beboet door het Hof van Utrecht met >>>>>>>>>>‘24 pond voor het neerslag’. De tweede smid die we tegen komen is Cornelis Gerritss. Zeer vermoedelijk is dit de zoon van Ghijsbert Hendrikss.  Net als de volgende smid 
Henrick Cornelisz de zoon is Cornelis Gerritss. Hij is getrouwd met Geertruijt Gerritsdr. Geertruijt komt van Vechten en haar broer Anthonis Gerritsz (ca. 1553-†1608) is daar smid. Het echtpaar heeft geen kinderen en na de dood in 1605 van Hendrik moet de smederij verkocht worden.

4 generaties Van der Lee smeden van 1605 tot 1709

Cornelis Jansz (ca 1589-†1649) is vanaf 1605 genoemd als de volgende smid aan de Brink. 
Rond 1605/06 was Bunnik nog een kleine agrarisch gemeenschap met zo’n 250 bewoners. Cornelis Jansz trouwt met Adriaen de Cruijff en het gezin krijgt uiteindelijk 5 kinderen. Jan Cornelisz van der Lee neemt de smederij van zijn vader over. En op zijn beurt neemt ook zijn zoon Cornelis Jansz van der Lee de smederij over. De laatste smid van de familie Van der Lee is Gerrit van der Lee, de zoon Cornelis Jansz van der Lee. Hij neemt rond 1709 de smederij over. Het lijkt erop dat Gerrit een andere toekomst wil dan smid. Hij verkoopt >>>>>>>>>>‘sekere huijsinge en hofstede met hetgeen daarin aard- en nagelvast is met de smitsstede daar naast staande te Bunnik aan Abraham van Veen’.

Vanaf 1710 is Abraham van Veen de nieuwe smid in Bunnik aan de Brink. Hij is getrouwd met Dirckje van Veen. Abraham is geen lange carrière als smid gegund want hij overlijdt rond 1719. Dirkje trouwt daarna met Bastiaen Gerritse van der Vliet die de volgende smid was. Na zijn overlijden 1742 werd hij als smid opgevolgd door zijn zoon Abraham van de Vliet.  

150 jaar Bringenberg aan de Brink

Als Johannes Bringenberg in 1775 trouwt met Dirkje van der Vliet, de dochter van Abraham van der Vliet wordt hij de volgende meestersmid aan de Brink. Na het overlijden van Johannes Bringenberg blijft zijn dochter Jacomina tot haar dood op 8 januari 1854 in huize Bringenberg wonen. Jacomina sluit in 1829 de smederij. Na het overlijden van Jacomina gaat huize Bringenberg over naar de erfgenaam Jan Bringenberg in Everdingen. Jan trouwt met Sophia Antonia van Eck en krijgt 7 kinderen. Jan Bringenberg was in Everdingen een prominent man, Burgemeester en Secretaris der gemeente Everdingen van 1841-1844. Willemina Bringenberg is het vierde kind en laatste bewoner van Huize Bringenberg als ze in 1925 overlijdt. 

De verhouding tussen katholieken en protestanten in Odijk van ca. 1600 tot 1950 was minder vijandig dan in andere delen van het Kromme Rijngebied. Dit was eind 16e eeuw al zo dat de pastoor en de koster-schoolmeester een neutrale positie kozen tussen de twee geloofsrichtingen. Dit bleef ook zo toen de hervormde leer bezit had genomen van de oude katholieke parochiekerk. Omdat er geen tegenkerk kwam, kon de felheid van de contrareformatorische beweging niet vanuit de kansel worden verkondigd. Het is niet mogelijk om aan te tonen dat de calvinistische prediking in Odijk vreedzamer was dan elders. Het lijkt er echter op dat de predikanten in Odijk zich na verloop van tijd hebben aangepast aan de bestaande situatie of deze zelf hebben bevorderd. In mijn boek 'Odijk van parochie tot parochie' en in latere artikelen en lezingen heb ik met enige chauvinistische trots de aandacht gevestigd op deze vreedzame samenleving.

De verdraagzaamheid in de dorpsgemeenschap van Odijk heeft eeuwenlang standgehouden. Ik was dan ook verbaasd toen ik onlangs stuitte op een aantal onder ede afgelegde verklaringen van protestanten waarin ze klachten uitten over het gedrag van katholieke dorpsgenoten. Deze verklaringen kwamen twee jaar vóór de revolutie van 1795, die de katholieken volledige vrijheid van godsdienst bracht.

De stukken betreffen getuigenverhoren, afgenomen in de zomer van 1793 door het Hof van Utrecht, het hoogste rechtscollege in de provincie, van een 9-tal Odijkenaars over ommegangen van Odijkse katholieken naar het hervormde kerkhof. De getuigen waren dominee Johan Frederik Pfannebecker, Elizabeth van der Linden, zijn echtgenote, Pieter van Eck, huisman (boer), Jannigje de Heus, zijn echtgenote, Klaas van velpen, huisman, Maria de Rooiuj, zijn echtgenote, Elsje drijver, dienstmeid bij ds. Pfannebeker, Klaas Lam, schoomeester, en Rijk Takken, smid. 

De getuigenis van dominee Pfannebecker is ’t uitvoerigst. Hij legt op 28 augustus een verklaring af. 

‘Ik zag op de avond van Sint Jan (23 juni 1793) rond negen uur een grote groep mensen, bestaande uit mannen, vrouwen en kinderen, voorbij mijn huis in Odijk passeren. Ze baden luidkeels terwijl ze de openbare weg overstaken. Ongeveer 150 mensen vormden de groep. Later die avond, rond elf uur, hoorde ik ze weer bij het kerkhof in de buurt, waar ze ongeveer 10 minuten zijn gaan bidden. Een paar maanden later zag ik op de avond van Maria Hemelvaart (14 augustus 1793) opnieuw een groep mensen voorbij mijn huis passeren, kleiner dan de vorige. Ze hadden een man en een vrouw als leiders en voorbidders. Ik hoorde hen bidden en de menigte antwoordde met "Van nu tot in der eeuwigheid, amen!" Ik kon hun gezichten niet goed zien, maar onze dienstmeid dacht dat Kee Wevers een van de voorbidders was. Bij het kerkhof zag ik ze weer staan, maar ik kon niet zien of ze knielden of hun armen op de muur leunden vanwege de afstand en de duisternis.’

Waar gaat het hierom. Het is duidelijk dat het een onschuldige uiting van katholieke devotie is, die nochtans, als plaatsvindende op de openbare weg, door de calvinistische overheid overal in de republiek der Verenigde provinciën verboden was. 

In de 18e eeuw nam de strenge vervolging van zulke praktijken af in vergelijking met de 17e eeuw. Aan het einde van de 18e eeuw, vlak voor de ondergang van het oude regime, waren dergelijke gerechtelijke acties zelfs zeldzaam geworden. Uit de getuigenis van Elsje Drijver blijkt echter dat dergelijke bijeenkomsten in Odijk gebruikelijk waren en dat Kee Wevers altijd aanwezig was als een soort leidster van de groep. Er zijn echter geen bewaarde documenten gevonden die informatie geven over eerdere bijeenkomsten. Daarom rijst de vraag waarom er nu plotseling een rechtszaak van werd gemaakt. 

Ds. Pfannebecker was de drijvende kracht achter de rechtszaak en sleepte de getuigen mee naar het gerechtshof in Utrecht.  In het kleine Odijk, met circa 300 inwoners van de Odijkerbrug tot de Houtense weg, was het ondenkbaar dat niemand wist wie aan de processies deelnam. Ondanks dat de nieuwe dominee er een rechtszaak van maakte, waren de getuigen terughoudend, noemden bijna geen namen, ofwel voegden weinig toe aan de verklaring van ds. Pfannbecker. Opmerkelijk genoeg zweeg hij over de gebeurtenissen in Odijk tijdens een vergadering in Rhenen. De actie in Utrecht was onsuccesvol. De zaak werd ter onderzoek opgedragen aan raadsheer mr. G. Munniks, maar werd uiteindelijk geseponeerd of overtroffen door de revolutie in januari 1795.

De gebeurtenissen betreffen geen processies ter verering van heiligen of om het heilig sacrament om te dragen. Het waren eenvoudige ommegangen door het dorp, met als hoogtepunt het uitspreken van gebeden op het kerkhof. Ze vonden plaats in de avonduren, op de vooravonden van belangrijke heilige dagen in de zomer van 1793: St. Jan, Maria ten hemelopneming en Maria geboorte. 

De verzameling begon op de Meent voor de dorpsherberg en ging via een omweg naar het kerkhof, waarbij de deelnemers knielden en baden in de steeg bij Rijk Takken, gelegen aan het begin van de Boomgaardweg. De ommegang verliep vermoedelijk via de Boomgaardweg, het Zand en de Zeisterweg, terug naar de Meent en het kerkhof.

Het kerkhof was eigendom van de hervormde kerk, waar zowel protestanten als katholieken werden begraven. De katholieken maakten bedevaarten naar het kerkhof vanwege de begraafplaats van hun naaste verwanten. De ommegang op 23 juli had naar schatting 150 deelnemers, wat bijna de hele katholieke bevolking van Odijk vertegenwoordigde. Het lagere aantal deelnemers op 7 september kan te wijten zijn aan de vrees voor overheidsingrijpen na stappen van ds. Pfannebecker. De leiders van de ommegang waren gewone mensen, niet de rijke boeren die de katholieke gemeenschap normaal gesproken vertegenwoordigden. De voorbidders bij de ommegangen waren Kee Wevers en Pieter Vonk, maar er zijn weinig gegevens over hen bekend.

In het licht van de geschiedenis, zelfs van de kleine plattelandsgemeenschap Odijk, heeft het incident van de zomer van 1793, weinig betekenis gehad. Het heeft de verhoudingen ter plaatse niet beïnvloed. In Werkhoven maken de katholieken zich tijdens de revolutie in 1795 tijdelijk met geweld meester van het protestantse kerkgebouw, in Bunnik trachten zij enkele jaren later op legale wijze de kerk te naasten, in Odijk blijft alles rustig. Ds. Pfannebecker verlaat het dorp al in 1797, Rijk Takken behoudt zijn grotendeels katholieke klantenkring, Pieter Vonk blijft pachter van de protestantse kerk en meester Klaas zal nog tot 1843 de katholieke en hervormde kinderen van Odijk onderwijzen en door zijn langdurige werkzaamheid een stempel op de volgende generatie drukken. 

C. Dekker

‘Antoon (1921-2001) en Truus de Wit – van der Horst (1923-1997) gaan de oversteek naar Bunnik maken, zoals zij het noemden. Op 20 april 1955 worden zij in Bunnik in de Dorpsstraat op nummer 1 op de grote, oude boerderij van Van der Horst met open armen ontvangen. Vader Wouter van der Horst is er geboren en getogen en heeft als enige zoon – hij had twee zussen – de boerderij van zijn vader overgenomen. Hij is tevreden. Hij heeft een opvolger. Hij heeft Truus en Antoon een nieuwe toekomst geboden en zijn kleinkinderen wonen in de buurt. De continuering van zijn bedrijf – met kinderen in en om de boerderij – doen hem en zijn vrouw, Sophie Peet, ontzettend goed, na de zorgen om de beide zonen Henk en Hein. 
 
In de vroege 20e eeuw hechten mensen, vooral op het platteland, veel waarde aan gemeenschapszin en onderlinge hulp. Deze waarden verbinden families sterk met elkaar, zoals is beschreven in het boek, 'Transweik, toen werden alle kinderen nog boer'. Corry de Wit vertelt over een boerderij en haar familie vanaf 1901. We gaan terug naar deze boerderij in Oudenrijn, nabij Utrecht, waar Antoon is geboren. In het gezin Dorus de Wit (1872-1938) uit Oudenrijn en Marie de Wit – van Wijk (1878-1937) uit Houten was Antoon de Wit (1921-2001) de jongste van 10 kinderen. 

Begin 20e eeuw neemt de vader Dorus de Wit, samen met zijn vrouw Marie, boerderij Transweik over van zijn vader. De kerktoren van de St. Anthoniekerk is duidelijk zichtbaar in de omgeving, waar de meeste mensen katholiek zijn. Oudenrijn heeft één lange weg, de Galecopperdijk, met winkels, een café, een kerk en huizen. In 1904 telt het dorp 657 inwoners.

Dorus is een gerespecteerde boer met een gemengd bedrijf en bekleedt diverse publieke functies. Het plattelandsleven lijkt afgesneden van moderne ontwikkelingen die door marktveranderingen worden aangedreven. Door West Europa raast dé revolutionaire, sociale en economische ommekeer. Zij bereikt rond 1900 eerst de steden en pas later het platteland van Nederland. Maar schijn bedriegt. Het platteland is niet statisch. Zowel verhalen als archieven tonen aan dat boeren, in het licht van uitdagingen en vernieuwingen, consequent - vaak gezamenlijk - oplossingen vinden. 

Geld en mest zijn voor een boer nooit overvloedig aanwezig, zeker niet voor de boeren in het schrale veengebied rond Utrecht. Meststoffen zijn schaars. Na de depressie na 1880 leidt dit in de provincie tot verdere specialisatie in intensieve veehouderij, waarbij steeds meer veengrond wordt omgezet in weiden en hooilanden. In 1911 wordt besloten om een tweede boerderij, Sterrenhof, aan te kopen, zodat er meer ruimte is om jong vee te laten grazen.

Door Dorus’ land
De geografische ontwikkelingen in het sterk groeiende Nederland, ook rondom de stad Utrecht, gaan in alle hevigheid door. In dezelfde tijd begint men met het graafwerk voor het Amsterdam-Rijnkanaal. Het gaat dwars door de polder, door het land van Dorus – en vele andere boeren – heen. Voortaan moeten de paarden voor de met hooi opgetaste wagens de hoge kanaalbrug op en weer af. De paarden zijn angstig. Het duurt tot 1952 voordat het kanaal gegraven is. 

De jongere De Witten nemen geleidelijk het bedrijf over van de oudere De Witten, die elk hun eigen bedrijf hebben. Enkele jaren voor de Tweede Wereldoorlog overlijden de ouders, Dorus en Marie, kort na elkaar. Zware jaren volgen, ook vanwege de tweede  wereldoorlog. Nederland is afgesneden van de internationale wereldhandel. De aanvoer van bijvoorbeeld krachtvoer voor het vee komt stil te liggen. Bij de eerste zeeblokkade volgen ingrijpende herstructureringen onder het motto ‘Productieslag’. De graan- en aardappelteelt krijgen een impuls en graslanden worden gescheurd, dwz omgeploegd om er bouwland van te maken ten behoeve van graanteelt. Het adagium van vader Dorus ‘het bedrijf moet draaiende blijven’ blijft de kinderen in hun oren klinken.

Naoorlogse zaken, verkeringen en 'polderen'
In 1947 worden er knopen doorgehakt. Er zijn drie data geprikt voor bruiloften van de jongste De Witten. Antoon's interesses zijn verdeeld over twee passies: meisjes en paarden. Het is op de dansvloer in Bunnik waar hij Truus van der Horst ontmoet. In 1947 bezegelen Antoon en Truus van der Horst (1923-1997) hun liefde met een huwelijk in de Barbarakerk. Op hun trouwdag maakt Antoon zijn entree te paard, vergezeld van een Utrechtse wagen, en begroet een grote stoet paarden van de Voornruiters die op hem wacht in de Meern. Vervolgens zetten ze koers dwars door Utrecht. Het is werkelijk een prachtige dag geworden!

Azen op Transweikse grond en familieraad
In 1947, het jaar van Antoons huwelijk, werkt Nederland intensief aan wederopbouw. Te midden van het landelijke gebied ontvouwen de stadsuitbreidingsplannen van de gemeente Utrecht zich. Voor de De Witten is al duidelijk geworden dat deze plannen impact hebben op Transweik en Sterrenhof. In de voorkamer van Transweik vinden diepgaande discussies plaats over de ontwikkelingen die al plaatsvinden rond boerderij Weltevreden, gelegen nabij Sterrenhof. Een fundamenteel besluit volgt. 

In de kantlijn’…
‘Familieraad, verdeeld goed een der erfgenamen is gebruiker’ en ‘geen blokkade geld’, staat in de kantlijn in het archief te lezen.

De gemeente is dus bekend met een groep van gezamenlijke erven. 
De De Wit-erfgenamen zijn zich bewust van de interesse van de gemeente Utrecht in het grondstuk en willen onteigening vermijden. Hun aanpak omvat het ontvangen van directe betaling en tegelijkertijd het voorlopig behouden van vruchtgebruik. Ze stellen aan de gemeente Utrecht voor Sterrenhof te verkopen, gevolgd door directe verpachting. Dit handhaaft het boerenrecht en genereert inkomsten voor De Wit's gebruiker, de broer van Antoon. Sterrenhof wordt aangeboden voor 2 gulden per centiare, onder de voorwaarde van goedkeuring door de overheid en behoud van gebruiksrechten voor de huidige gebruiker, De Wit, tot er gemeentelijke exploitatie plaatsvindt. Op deze manier behouden de De Wit-erfgenamen controle over de situatie.

Lees verder in het boek van Corry de Wit over hoe de kinderen van Dorus en Marie allen hun weg hebben gevonden, ondanks lange tijd van onzekerheid of zij wel voort konden boeren of moesten verkassen. 

Antoon en Truus in Bunnik krijgen 4 kinderen: Corry (1950), Ria (1952), Theo (1953) en Wout (1955). Zij hebben sinds hun huwelijk 7,5 jaar gewoond  op de boerderij Transweik in het dorp Oudenrijn. 

Boerderij Rijn en Dijk te Bunnik (Schoudermantel 13)

Bij het landgoed Bloemerwaard heeft een boerderij gestaan, boerderij Rijn en Dijk. Zoals vele boerderijen in deze streek heeft ook deze boerderij een turbulente tijd meegemaakt van verwoesting o.a. door de Fransen (1672), herbouw (1681 en 1840), en inlevering van land, totdat omstreeks de jaren 60 van de vorige eeuw de sloop erop volgde.

De jaren 60

Het was één en van de grootste boerderijen in Bunnik. Nu was het zo dat mijn vader in de 60er jaren hielp met het plukken van appels in de boomgaard achter de huidige boerderij van Van der Willigen. Ik was daar ook, enkele malen in 1963 en 1964. Ik weet niet of mijn vader eigenlijk wist dat hij op het land stond van zijn voorvaders. De boerderij Rijn en Dijk heeft namelijk vele generaties Vulto gekend. 

De familie Vulto 

De familienaam Vulto was recentelijk nog deel van het Bunnikse leven. Toen mijn moeder overleed in 2000 was zij de laatste met de naam Vulto in Bunnik. Mijn vader, Bep Vulto, kwam uit een gezin van zeven kinderen. Ze woonden op het landgoed Groenendael in Jutphaas, in een grote boerderij van hun vader, W.A. Vulto. 

W. A. Vulto was o.a. wethouder en loco-burgemeester van Jutphaas tot 1932. Naar hem is de W. A.Vulto-straat in Utrecht vernoemd. Het is hier dat we de genealogische lijn van de Vulto familie en haar relatie met de locatie Bunnik beginnen.

Mijn grootvader, W.A. Vulto, was kind uit het huwelijk van Huybertus Vulto en Geertruida van Zijl nadat deze waren getrouwd in Bunnik op 18 april 1881. Ze woonden in Jutphaas. Huybertus Vulto was geboren uit het huwelijk van Willem Vulto (geboren in 1797 te Bunnik en overleden in 1868) en Cornelia Uyterwaal. 

Vulto en boerderij Rijn en Dijk

Willem Vulto was zoon uit het huwelijk van Gerardus “Gerrit” Vulto (1751 -1832) en Cornelia van Bentum. Gerrit was landbouwer en het is hier dat we over boerderij Rijn en Dijk horen in de officiële boeken. Die boerderij was deel van het landgoed dat hoorde bij huize Bloemerwaard. Het land van de boerderij strekte zich uit over de gehele lengte van de huidige Schoudermantel in de richting van de huidige A12 en zelfs tot waar nu het land van Van der Willigen ligt. Waar nu de spoorlijn Utrecht-Arnhem ligt strekte het land zich daar ook verder uit tot waar nu woningen staan (Dr. Brevee-straat en Kerkstraat). Pas later werd er een treinlijn aangelegd (eind 19e eeuw) en weer later de Rijksweg tussen Utrecht en Arnhem, waardoor boerderij Rijn en Dijk keer op keer land verloor aan deze nieuwe projecten.

(Zie ook het artikel op deze website over “Bloemerwaard”)

Om nu nog verder terug te gaan in de tijd, Gerrit Vulto was de zoon van Franciscus Vulto (1706 – 1765). Diens vader (van Franciscus Vulto, dus) was Gerardus “Gerrit” Jansz Vulto. Gerrit was geboren in Bunnik in 1670. Hij was landbouwer aldaar maar ook herbergier en schepen. Hij was gehuwd met Wilhelmina van Bemmel en we kunnen met zekerheid aannemen dat zij ook woonachtig waren op boerderij Rijn en Dijk, deel van het landgoed Bloemerwaard. Gerrit had een broer, Jan Vulto en een zus, Stephania Vulto. Hij overleed in 1722 in Odijk. Gerrit had vijf kinderen: naast Franciscus ook Lysbet, Cornelis, Wilhelmina en Gerardus.

Het is op dit moment in de tijd dat de boeken melding beginnen te maken van niet alleen de naam Vulto maar ook Fulto en Vultouw. Dit zijn allemaal versies van dezelfde familie. Mijn persoonlijke uitleg hiervan – ik ben geen historicus of gerenomeerd genealoog – is dat of de klerk die alles neerschreef de naam Vulto fonetisch overnam (hij hoorde “Fulto” hoewel het woord eigenlijk “Vulto” was) of de naam Vulto komt oorspronkelijk van “Vultouw” of “Vultoux”. Deze laatste twee versies komen in de periode 1500 – 1600 ook voor, naast het gebruikelijke Vulto. Ik heb geen verdere studie gemaakt over de oorsprong van die namen aangezien het internet geen verdere informatie bood hierover. Hier ligt een uitdaging voor een ander om erachter te komen waar de naam Vulto in feite vandaan komt.

Maar terug naar Gerrit Vulto, hij was de zoon van Jan Meerten Augustyn Vulto (Fulto – Vultoux – Vultouw). Welnu deze Jan Vulto, ook Johan genoemd, was woonachtig in Everdingen sinds zijn geboorte daar in 1645. Hij was een chirurgijn en was gehuwd met Elisabeth “Lijsbeth” van Rossum. Later was hij ook chirurgijn in Zuilen, bij Utrecht. Hij overleed in 1696. Jan Vulto had als vader Augustijn Jan Vultoux/Vultouw/Vulton, geboren in 1590 in Everdingen. Zijn moeder was Elschen Jansdr. 

En het is hier dat de lijn voor dit moment stopt bij gebrek aan verdere gegevens.

Verspreiding van de naam Vulto: 

Op de website www.genealogieonline.nl kan men statistische gegevens vinden over de verspreiding van Vulto personen in het centrale deel van Nederland, over de periode van 1600 tot heden:

Bunnik           262                              

Haarzuilens   165                               

Schalkwijk      78                                

Snelrewaard   64

Vleuten           52

Utrecht            44

Jutphaas         38

Ad Vulto

JEAN DE GREEFF (1939) 

Jean: 'Ik ben Jean de Greeff, geboren op 17 oktober 1939 in het voormalige koetshuis op het landgoed De Niënhoff. Dit is het witte huis aan de Grotelaan in Bunnik. Onze familie is 4 generaties lang nauw verbonden geweest met het landgoed, waar het transformeerde van het patriciërspark van De Pesters en later de baron Van Hardenbroek naar een bospark onder de nieuwe eigenaar, Het Utrechts Landschap. Werken voor de baron betekende het naleven van strikte regels, maar er was ook een aangename afstandelijke sfeer.

Ik begon als jachtopziener op landgoed De Niënhoff, voorheen zo genoemd, en werd later boswachter bij Het Utrechts Landschap tot 1997. Toen ik jong was, werkte ik samen met mijn vader op verschillende landgoederen, waaronder Vollenhoven en De Hoge Woerd. Ik vond het geweldig en werd later aangesteld als leerling-grindzichter op landgoed Vollenhoven. Op mijn 19e ging ik in militaire dienst in Soesterberg, waar ik veel avonddiensten regelde. Maar overdag hielp ik mijn vader nog steeds op de landgoederen Vollenhoven, de Niënhoff en de Hoge Woerd in Driebergen, genietend van elke rit op mijn fiets.

In de jaren zestig kwam ik in een turbulente tijd terecht, vooral toen het landgoed Heidestein aan Het Utrechts Landschap werd geschonken in 1974. Ik werd boswachter van De Niënhoff en via mijn familienetwerk hoorde ik dat het landgoed Oostbroek te koop zou komen. De universiteit wilde het ook kopen om uit te breiden, maar ik zette me in om het voor Het Utrecht Landschap te behouden, met succes dankzij steun van hogerhand.

In die tijd was er ook een strijd gaande voor de aanleg van een grote rondweg, de S8, maar dankzij protesten van milieugroepen ging de aansluiting met de A28 niet door.

Ik werkte steeds meer samen met Het Landschap Utrecht, en ik herinner me nog goed de prachtige beekjes en bronnen in het gebied tussen Amerongen, Leersum, Driebergen en Zeist. Helaas werden er fouten gemaakt bij de regulering van het water, waardoor het natuurlijke evenwicht werd verstoord. Later verschenen pompstations in het gebied, en ik protesteerde samen met anderen tegen de plaatsing ervan. Helaas kwamen onze zorgen uit en droogden bepaalde gebieden uit.

Ondanks deze uitdagingen ben ik trots op wat we hebben bereikt, zoals de natuurlijke bestrijding op de boomgaarden van Oostbroek en de ecologische verbindingen tussen verschillende gebieden. In 1997 kreeg ik de mogelijkheid om met vervroegd pensioen te gaan, maar ik kan nog steeds niet stilzitten en blijf me inzetten voor het behoud van de natuur in dit gebied. Nu geniet ik van mijn vrijheid en de tijd die ik kan besteden aan het onderhoud van mijn eigen stukje natuur.

Oude kaarten uit 1832 en 1837 van Landgoed de Niënhoff, opgetekend door Jhr. J.E. de Pesters, teruggevonden.

Onlangs zijn twee unieke oude kaarten, die in het bezit waren van Jean de Greeff, boswachter van de Nienhof, geschonken aan het RAZU, (Regionaal Archief Utrecht Zuid), in Wijk bij Duurstede. 2 Op de twee kaarten staat het landgoed De Niënhoff weergegeven zoals dat er in 1832 en 1837 uitzag. Op deze kaart, gemaakt door Jhr. Jan Everard de Pesters, is te zien dat niet alleen het huidige wandelgebied onderdeel uitmaakte van het grondbezit van deze rijke familie, maar dat ook Cattenbroeck, het gebied tussen Bunnik en Zeist, hierbij hoorde. 

De vroegste vermelding van de Niënhoff, dateert uit de 12e eeuw toen het vermeld werd als een “uithof”, dat wil zeggen een agrarisch bedrijf, behorend bij het klooster Oostbroek. De Niënhoff betekent een nieuw hof, dat door het klooster werd gesticht aan de zuidzijde van deze Rijn-meander. In die tijd liep de Rijn in een grote meander vlak onder Zeist langs (“Zeister oever”) de Niënhoff. 

Het klooster ging ten onder door de Hervorming en de boerderij wisselde door overerving en verkoop vele malen van eigenaar, maar zijn naam heeft het gebied altijd behouden. In de Franse tijd, dus in de late 17e eeuw, wordt geschreven over ‘huyzinge en hofstede’ van de Nieuwen hof die zwaar beschadigd waren. Rond die tijd kwam het landgoed Niënhof in bezit van de familie (De) Pesters, die er tot in de 20e eeuw zou wonen.

De familie De Pesters was een invloedrijke familie waarvan de leden een belangrijke rol spelen in landsbestuur en het bestuur van de Provincie en de stad Utrecht. 

Jhr. Jan Everard de Pesters, zoon van Willem Nicolaas, heeft in 1832 en 1837  kaarten opgetekend om een overzicht te verkrijgen van de familiebezittingen. 

De tekst op achterzijde van één van de kaarten luidt: “Plan van de Buitenplaats De Niënhoff, van de Hofsteden de Nienhoff, de Brakel en verdere landerijen gelegen onder de Gemeente van Bunnik, Opgeteekend door J.E. Pesters, 1837.” Deze kaart (zie afbeelding X) laat onder meer de oorspronkelijke inrichting van de tuin zien, zoals ontworpen door de tuinarchitect Leonard Springer, die door heel Nederland het ontwerp van stadsparken en buitenplaatsen op zijn naam heeft staan.

De tweede kaart heeft als beschrijving: “Plan van twee hofsteden en verdere landerijen gelegen op het Zeister oever en in de Lage grond onder de gemeente van Zeist. Opgetekend door J.E. Pesters 1832.“ Deze kaart (afbeelding X) toont het hele landgoed waaronder dus ook “de Lage Grond”, het meer noordelijk gelegen deel van het landgoed dat helemaal tot aan het huidige Zeist-Couwenhoven liep. 

Een halve eeuw na Jhr. Jan Everard, kwam in 1882 het landgoed in bezit van Jkvr. Coenradina de Pesters. Haar echtgenoot baron Gijsbert van Hardenbroek liet in 1892-94 een nieuw landhuis bouwen, waarbij een door L.A. Springer ontworpen tuin in Engelse landschapsstijl met slingervijver aangelegd werd.1, 2 Het oude achttiende-eeuwse landhuis aan de Grotelaan werd verbouwd tot koetsierswoning. Dit gebouw zou tegen het eind van de 20ste eeuw worden gerestaureerd en uitgebreid tot excursiecentrum van Het Utrechts Landschap. 

Nadat baron Gijsbert Van Hardenbroek zijn echtgenote in 1923 verongelukte, verkocht van Hardenbroek zijn bezittingen in Bunnik aan Frans de Wetstein Pfister, eigenaar van Heidestein, en verhuisde naar Driebergen. Naar verluidt was het landhuis niet erg comfortabel en niet voorzien van elektriciteit, maar er moest wel jaarlijks een hoge belasting voor betaald worden. Na de dood van de Wetstein Pfister liet zijn dochter in 1929 het gebouw daarom slopen.1. De restanten van het kasteel werden hergebruikt voor woningen in de Maatschapslaan in Bunnik. Een vensterbank van het Landgoed de Niënhoff op kaarten uit 1837

In 1978 is het landgoed aangekocht door het Utrechts Landschap. Sinds eind jaren 90 heeft het landgoed De Niënhoff de status van “Aardkundig Monument” vanwege de oude meanders van de Rijn die het gebied gevormd hebben en die deels weer zichtbaar zijn gemaakt.

>>>>Lees verder over 4 generaties familie De Greeff op landgoed De Niënhoff, zie hier de referenties

Referenties:

1 Saskia van Ginkel, Bunnik - geschiedenis en architectuur, Zeist, 1989

Graven in de Oude Dorpskerk

In de Oude Dorpskerk in Bunnik liggen nog een aantal oude grafstenen. Omdat de kerk meestal gesloten is, kun je ze normaal niet zien. 

In de kerk werden niet alleen Hervormden begraven.   Omdat het kerkhof rond de kerk en de graven in de kerk de enige mogelijkheden waren om in Bunnik begraven te worden, werden ook RK gelovigen begraven in en rond de kerk. Dit duurde tot in de 19e eeuw, toen de RK kerk op Bloemerwaard haar eigen kerkhof kreeg. In dit verhaal gaat het alleen om de grafstenen in de Oude Dorpskerk met een afbeelding erop. Er zijn nog meer grafstenen, maar die hebben alleen een nummer.

De grafstenen met een afbeelding of tekst erop zijn de volgende:

1. De grafsteen van Amelisweerd 

2. De grafsteen van Rhijnauwen (op de steen staat: DE KELDER VAN RYNOUWEN). 

Deze twee grafstenen hebben vroeger op het koor gelegen, dat is het deel van de kerk het dichtst bij de Witte Huisjes en de Kromme Rijn (het oosten). Onder deze stenen lagen grafkelders. Die zijn in 1680 gegraven op verzoek van de toenmalige bewoners van resp. Amelisweerd en Rhijnauwen. 

3. Een grafsteen met de tekst: Willem Willemsz van Schaick, met het jaartal 1619 en een afbeelding van een wapen met drie lelies en het cijfer 3.

4. Een grafsteen met de tekst D. Mont. Tot op heden heb ik niet kunnen achterhalen wie dit was, en ook in de begrafenisboeken komt hij of zij niet voor. Gezien het modernere schrift is deze wellicht te dateren eind 18e of begin 19e eeuw. 

5. Een grafsteen met de tekst: Hier leijt begraven Willem Jansz Raeijmaker. Stierf op Sinte Nicolaes dach ano 1616, met het cijfer 35.  

6. Een grafsteen met de tekst: Lijbet weduwe van Gerit Diricksz ende Ariaen Brantsz (in Gotisch schrift).

7. Een grafsteen met alleen een 6-puntige ster. Ook hiervan is onbekend van wie deze geweest is, en hoe oud deze is.

Als iemand weet wie D. Mont was, of van wie de grafsteen met de ster was, dan hoort schrijver dezes dit graag.

Per steen waarvan we meer weten enkele bijzonderheden:

1. 

De grafsteen van Amelisweerd. Dit is de meest versierde (zie afbeelding). 

De tekst erop luidt:

Henrik van Utenhove, heer van Amelisweerd Munnikkeland etc

comparerende in ’t lid der Heeren edelen en ridderschappe ter

vergaderinge van de Ed. Mog. Heeren Staten ‘s lands v. Utrecht, colonel van

een regiment infanterie ten dienste der vrije vereenigde Nederlanden

Getrout 3 dec 1664 met jongvre Martha Maria Huijgens  03 aug 1681 en 27 mar. 1683 met jongvre Isabella Hoeuft

Henrik was een zoon van Jonkheer Charles van Utenhoven, overl. 19 januari 1641, en Alexandrine, baronnes van Tuyll van Serooskerken. Henrik is geboren in 1630 en overleed 9 december 1715 in Bois-le-duc (de Franse naam voor ’s Hertogenbosch, waar hij gelegerd was).

Zijn eerste vrouw, Martha Maria Huygens, was een dochter van Maurits Huygens en Petronella Campen. Ze werd gedoopt 15 oktober 1638 in de Kloosterkerk in Den Haag en overleed 3 augustus 1681. Maurits overleed in 1642 en de weduwe met haar dochter kochten in 1664 Amelisweerd. Martha Maria trouwde in 1664 met Henrik van Utenhove en zo kwam Amelisweerd in handen van de familie Van Utenhove.

Maurits Huygens was een broer van de bekende Constantijn Huygens en beiden waren zonen van de eveneens zeer bekende Christiaan Huygens (en Susanna Hoefnagel).

Henrik’s  tweede vrouw, Isabella-Louise Hoeuft, was een dochter van Johannes Hoeuft en Isabelle Deutz. Ze werd geboren in 1648 en overleed 27 september 1707 in Bois-le-duc (’s Hertogenbosch dus). 

2. De kelder van Rynouwen. Meer staat er niet op de steen. Tegenwoordig ligt ze op de plaats waar je vanuit de toren de kerk binnenkomt, maar vroeger lag hij dus op het koor.

3. De grafsteen van Willem Willemsz van Schaick vermeldt het jaartal 1619. Dat is niet het jaar waarin hij overleed, maar waarschijnlijk het jaar waarin hij het graf gekocht heeft. Dat weten we omdat hij in 1622 nog voorkomt in de archieven. In 1603 verklaarde hij dat hij 64 jaar was, dus hij werd geboren rond 1539. Hij woonde op Goyermaat, een boerderij in Vechten (als je vanuit Vechten de Achterdijk naar het zuiden neemt, na enkele kilometers aan de rechterkant). Daarvoor woonden zijn ouders en grootouders er al, en tot in de 18e eeuw zaten er Van Schaick’s op deze boerderij. De boerderij was eeuwen in het bezit van het kapittel van St. Marie te Utrecht.

5. Willem Jansz Raeijmaker (rademaker, een wiel- of wagenmaker) stierf op 6 december 1616 volgens zijn grafsteen. Hij is dus niet de Willem Jans Raijmaker die op de Prins (tegenwoordig: restaurant Vroeg) in Vechten woonde.  Die Willem Jansz Raeijmaker was op 31 januari 1601 al overleden. Wie het wel was is onduidelijk, maar er komen redelijk wat rademakers voor in Bunnik in die tijd.

6. Lijsbeth, de weduwe van Gerrit Dircks en Adriaen Brants, komt een paar keer voor in de archieven. Ze wordt in 1605 alleen weduwe van Adriaen Brants genoemd, maar in 1567 is er al sprake van Elisabeth, Gerrit Dircks weduwe. Ze wordt als overledene genoemd als een plecht (een hypotheek) verkocht wordt in 1605. Deze grafsteen is dus van voor 1605, en daarmee de oudste in de kerk.

In het verleden moeten er overigens meer grafstenen met afbeeldingen geweest zijn. In het Regionaal Archief Zuid Utrecht bevindt zich een boekje met onder andere een afbeelding van een steen die nu niet meer aanwezig is. Een afbeelding van die steen vindt u bij de foto’s. 

Auteur: Henk Blok

Henk Blok is historicus. Hij geeft lezingen over de geschiedenis van het Kromme Rijngebied

‘Ik schrijf gewoon, en wie ’t lezen wil is welkom’.

Thea Beckmann, geboren Petie (Rotterdam 1923 – Bunnik 2004) pakt haar koffer en reist vanuit haar woonplaats Bunnik voor haar boek KRUISTOCHT IN SPIJKERBROEK (1973) naar de plekken waar het allemaal gebeurde.

Zij trekt door het Rijndal tot Straatsburg, slaat dan af om de weg te nemen door het zwarte Woud, ook steekt zij de Alpen over via Karwendel en Brenner om dan via Cremona naar Genua te gaan. Over de balans tussen feiten en fictie zegt Thea Beckman zelf; ‘Accuraatheid in de feiten is alsof je een harnas aantrekt van het verleden, je actieradius wordt hierdoor beperkt.

Maar met dat harnas aan blijf je mens, en hoef je fantasie niet compleet uit te schakelen, zolang je de opgedoken feiten maar geen geweld aandoet.’ Thea Beckman trouwt in 1945 met Dirk Hendrik Beckmann, met wie ze twee zoons en een dochter krijgt. In 1956 zijn zij in Bunnik gaan wonen en hier schrijft Thea haar debuutroman, ANJERS VOOR ADELE, en haar eerste jeugdboek, DE ONGELOOFLIJKE AVONTUREN VAN TIM EN HOLDERDEBOLDER. Allebei werken waarvan zij later zegt dat ze best vergeten mogen worden. ‘Ik moest het vak nog leren’. Zij krijgt meer tijd in de zeventiger jaren wanneer haar kinderen uit huis zijn en komt KRUISTOCHT IN SPIJKERBROEK (1973) uit. Het boek levert haar een Gouden griffel en de Europese prijs voor het beste historische jeugdboek op. Het boek is verfilmd. Het wonen in Bunnik is wonen dichtbij Utrecht. Hier staat zij midden in de middeleeuwen en de volgende stap die ze wil maken is de studie Sociale Psychologie aan de Universiteit in Utrecht. In 1981 studeert ze af. Ze schrijft haar doctoraalscriptie over de invloed van boeken op de jeugd. Het historische kinderboek stond nog in de kinderschoenen. Zo ontwikkelt ze zelf een onderzoeksmethode om deze invloed te meten en komt tot de volgende conclusie; ‘Ofschoon dit onderzoek er niet geheel in geslaagd is de directe invloed van jeugdboeken op jonge lezers aan te tonen, zijn er wel aanwijzingen dat er van enige invloed sprake is, maar ook dat de relatie kind/boek veel gecompliceerder is dan algemeen wordt aangenomen.’

Eén voorval vertelt ze bij bijna al haar lezingen en interviews. In de brugklas van het voortgezet onderwijs werd door de docent DE VIER HEEMSKINDEREN  van Felix Timmermans voorgelezen. Ze had meteen geantwoord dat ze het een geweldig historisch verhaal had gevonden. Enkele maanden later kwam ze erachter dat het boek een navertelde middeleeuwse ridderroman was,  ‘meer legende dan feit’. In Beckmans beleving had Felix Timmermans dus aan geschiedvervalsing gedaan om een mooi verhaal te vertellen. Ze nam het de schrijver erg kwalijk en wilde nooit meer iets van zijn hand lezen, want ze vertrouwde hem niet meer. Toen ze zelf historische jeugdboeken ging schrijven nam ze zich voor dat de feiten moesten kloppen.

Wie zich prompt bedrogen voelde bij het lezen van Kruistocht in Spijkerbroek was Kees Fens (1929 – 2008). Hij vindt haar schrijftaal te modern. Hij vergelijkt het boek met de historische jeugdroman Fulco de minstreel van de auteur Cornelis Johannes Kievit (1892). Deze schrijft het verhaal zo, dat de lezer meteen al in de eerste paar zinnen midden in de 13e eeuw staat. ‘Uit het binnenste van de meester welde het verhaal, en al vertellend vertelde eigenlijk alles en iedereen mee.’

In Thea Beckman haar boeken spreekt vooral het heden een woordje mee in het verleden. In kinderboeken gaat de fantasie nog door en zij doorbreekt de grenzen van ruimte en tijd. In Kruistocht in Spijkerbroek komt een vijftienjarige jongen uit Amstelveen van 1973 via een tijdmachine terecht in het jaar 1212, waarin hij zich aansluit bij de kinderkruistocht. Dit idee berust op de middeleeuwse denkwereld van Christenen die geloofden dat zij eens zouden worden als engelen, wezens tussen hemel en aarde, die al half in de eeuwigheid leefden en die het ene moment in Rome en het andere in Jeruzalem konden zijn. 

Een historisch kinderboek is grensverleggend, heeft meer mogelijkheden dan welk ander genre boek ook. Kinderen worden geconfronteerd met en aan het denken gezet over zaken, problemen en toestanden. (Lea Dasberg, 1981)

Het werk van Thea Beckman is vele malen bekroond. In 2003 ontvangt zij de in het leven geroepen Bontekoeprijs voor het beste historische jeugdboek voor ‘GEKAAPT!’ Het jaar daarna in de nacht van 4 op 5 mei, overlijdt Thea Beckman. De Bontekoeprijs wordt hernoemd tot de Thea Beckmanprijs. Deze prijs wordt elk jaar in het derde weekend van september in Archeon uitgereikt voor het beste historische jeugdboek.

Het eerste orgel in de Oude Dorpskerk in Bunnik is geplaatst in 1829. Oorspronkelijk was het een huisorgel, gemaakt in 1797 door H. Meijer uit Amsterdam. Het orgel werd geplaatst op de vloer op de plaats waar nu de oude preekstoel is, in het koor. De kwaliteit van het orgel ging echter snel achteruit door de koude vloer en optrekkend vocht. Bovendien was in de muur van het koor, achter het orgel, een ingang gemaakt rond 1800, wat de kwaliteit ook niet ten goede kwam.

Voor 1829 had men alleen een voorzanger. Deze voorzanger, die ook koster, schoolmeester en doodgraver was, werd vooral aangenomen vanwege zijn kennis van de psalmen en zijn zangkunst. Zijn didactische kwaliteiten om de kinderen te onderwijzen waren amper onderdeel van de selectieprocedure.

Op 8 maart 1839 richtten het kerkbestuur en de notabelen een verzoek aan het gemeentebestuur van Bunnik, om aan de toren een orgelbalustrade te mogen bouwen. Hierop moest dan het orgel komen. De balustrade moest met drie grote balken en ijzeren ankers vastgemaakt worden aan de toren. Het verzoek werd aan de gemeente gericht, omdat de toren eigendom was van de burgerlijke gemeente en niet van de kerkelijke gemeente. De toren had behalve zijn functie als officiële “tijdweergever” ook een rol bij alarm: als er brand was moest men de klok luiden.

In dit verzoek werd ook gevraagd om een deur tussen de kerk en de toren, zodat men via de toren in de kerk kon komen. Ook vroeg men om een vloer te mogen leggen in de toren, de trap in de toren te verleggen en een deur van de torenzolder naar het orgel te maken. Het kerkbestuur schatte de kosten op fl 850,- wat via vrijwillige bijdragen moest worden betaald >“aangezien de kas der kerk op dit ogenblik daartoe geene uitgaven gedoogt”.1

De gemeente gaf haar goedkeuring en al spoedig ging een intekenlijst door het dorp om het benodigde geld bij elkaar te brengen. Dit geld was niet alleen voor de herplaatsing van orgel, maar ook voor het herstel van het orgel. De intekening bracht fl. 589,85 op.

Anthonie Abraham Wildbergh, timmerman te Bunnik, verklaarde de bouw van de balustrade aan te willen nemen voor een bedrag van fl. 349,-. Op 10 augustus 1839 moest het klaar zijn.

Om de orgelbalustrade te kunnen maken moest de preekstoel een stukje verplaatst worden en aan de rechterzijde moest een deur gemaakt worden als ingang. Het trappetje om op de preekstoel te komen, de leuning en de preekstoel zelf moesten bruin geverfd worden, de balusters groen gebronsd, de plint, deklijst en het voorfront van de tribune wit gemarmerd, en de balustrade zelf wit met geel. Helaas zijn hier geen foto’s of tekeningen van bewaard gebleven, maar dit moet een kleurrijk geheel geweest zijn. 

Bij de uitvoering van het werk mocht de zondagse eredienst niet gehinderd worden, anders kreeg de aannemer een boete van fl 10,- per keer.

Omdat de balustrade een eindje de kerk instak, was er voor één kroonluchter geen plaats meer. Deze kroonluchter werd in 1842 aan de kerk in Odijk verkocht voor fl 52,-. Enige jaren geleden is deze geheel gerestaureerd en opnieuw in gebruik genomen door de kerk van Odijk.

In 1912 werd een nieuw orgel van De Koff op de bestaande galerij gebouwd. Doordat het zwaarder was dan het vorige orgel, moesten 2 steunpilaren gemaakt worden. Bij de restauratie in 2013 bleek dat de 2 steunpilaren enigszins verzakt worden en werden ze iets omhoog gevijzeld, zodat de orgelbalustrade weer waterpas stond. Het front van het orgel had de kleur eikenhout, met de ornamenten in verguld, groen en rood. De Koff rekende hiervoor fl. 3030,-.

H.W. de Bruijn uit Utrecht was toen onze organist.

Ook voor dit orgel ging een intekenlijst rond. De opbrengst hiervan is fl 2335,75. De bedragen waarvoor men intekent variëren nogal: van fl 1000,- door de baron Van Hardenbroek tot fl 0,25 door K. de Pater en anderen. 

Tussen de afbraak van het oude orgel en de ingebruikname van het nieuwe orgel werd een orgel gehuurd van P. Blad te Utrecht. De huurprijs was fl 12,- voor twee maanden .

Het oude orgel wordt voor fl 200,- verkocht aan de Gereformeerde kerk in De Bilt.

Het orgel was in de beginjaren uiteraard nog niet gemotoriseerd. De balg werd bediend door jongmannen, die daarvoor een vergoeding kregen. Over 1840 kreeg de zoon van Van Nie bijvoorbeeld voor het orgeltrappen fl 3,-. Hoewel de kerk in 1921 electiciteit kreeg, werd het orgel pas in 1937 voorzien van een windmotor. Tot die tijd moest het dus door een orgeltrapper “aangedreven” worden.

Het onderhoud van het orgel werd tussen 1841 en 1878 uitgevoerd door de firma Stulting & Maarschalkerweerd (vanaf 1849: alleen Stulting) uit Utrecht. Daarna draagt Stulting het over aan de heer Spit, een werknemer van de firma J. Bätz & Co. Die onderhoudt het orgel tot 1911, toen het nieuwe orgel gebouwd werd . Vanaf 1912 tot 1971 werd het orgel onderhouden door de firma De Koff, die het orgel ook gebouwd had. In 1971 stopte De Koff ermee en werd het onderhoud overgenomen door Flentrop Orgelbouw. 

In de periode tussen 1912 en heden zijn er diverse malen reparaties geweest aan het orgel. Een wezenlijke invloed op het uiterlijk en de klant hadden deze niet. Wel werd in 2013 alle elektriciteit vernieuwd. Omdat ook de originele windbalgen nog aanwezig zijn, is het in theorie mogelijk dat een orgeltrapper nog steeds kan zorgen voor voldoende wind om het te bespelen.

THEODORUS MARTINUS DE GREEFF (1907 – 1964)

Jean: 'Mijn vader Theo werd geboren in het huis aan de Koppeldijk in Zeist. Hij trouwde in 1933 met Johanna (Annie) Kropman uit Utrecht. Vanaf dat moment krijgt mijn moeder elk jaar een kind. Ik ben de vijfde in het gezin van elf kinderen. In 1926 werd mijn vader als negentienjarige jachtopziener beëdigd, en hiermee was hij de jongste jachtopziener. "Onbezoldigd gemeenteveldwachter" werd dat destijds genoemd. Bij zijn aantreden als jachtopziener bij de familie De Wetstein Pfister werd voor hem een woning gezorgd. Hij kon het huis van de oude koetsier Dorrestein aan de Groote Laan overnemen. Hij werkte zowel voor de familie De Wetstein Pfister, als voor de familie Van Marwijk Kooy van het landgoed Vollenhoven. Mijn vader overleed in 1964.

Gedurende generaties leefden mijn vader, grootvader en ik in het tijdperk van het landgoed. Een tijd van bloei met een functionerend landgoed, een prachtig landschapspark, bebouwing en familiebanden. Echter, vanaf het moment dat mijn vader als jachtopziener voor de familie werkte, begon dit tijdperk af te brokkelen, en daarmee ook de maatschappelijke verandering.

Verandering

Het nieuwe herenhuis van de familie van Hardenbroek was slechts kort bewoond. In 1923 overleed Coenradina van Hardenbroek de Pesters, waarna hij zich terugtrok in Driebergen. In 1926 werden al zijn bezittingen in Bunnik verkocht aan mr. Frans Jan Hendrik de Wetstein Pfister, de eigenaar van Heidestein in Driebergen.

Bij deze zijn overlijden in 1926 ging het landgoed over naar zijn twee dochters. Het huis werd door hen echter als te somber beschouwd. In 1929 lieten zij het nieuwe herenhuis op advies van de rentmeester slopen, omdat er geen koper was gevonden en de jaarlijkse belasting te hoog was. Het vrijgekomen bouwmateriaal werd gebruikt voor de bouw van vele huizen in het dorp Bunnik.

We hebben ons best gedaan om koersvast te blijven, maar moesten helaas enkele kortetermijnkeuzes maken. Als kind werd ik boos op mijn vader omdat hij twee beelden van prins Maurits en prins Frederik Hendrik, afkomstig van het gesloopte kasteel uit 1892, op de zolder van de schuur achterliet. Uiteindelijk heeft hij de beelden weggedaan. Als herinnering heb ik één sokkel in het park geplaatst, terwijl de andere werd ontdekt in een tuin aan de A12. 

Marinus Van Marwijk Kooy (1888-1970)

Mijn vader zijn taken op de Niënhoff waren inmiddels uitgebreid door het verzoek van Marinus Van Marwijk Kooy, van het landgoed Vollenhove, om bij hem in dienst te komen. Marinus van Marwijk Kooy was familie van J. H. Van Marwijk Kooy, die samen met jhr. C.A. De Pesters en W.E. Uhlenbroek, de bierbrouwerij Amstel Bier heeft opgericht in 1870. Zo kreeg mijn vader naast het landgoed De Niënhoff ook de supervisie over het gehele landgoed Vollenhove, plus waar Van Marwijk Kooy nog meer grondbezit had, zoals op De Hoge Woerd in Driebergen met de schaapskooi en in Werkhoven. De heer Van Marwijk Kooy gaf mijn vader meer opdrachten naast de taak als jachtopziener. Hij deed dit alles op de fiets. Later had hij een motortje, een DKW.

De jacht

Landgoederen waren plekken van consumptie, waar ook zeker geld bij moest. Twee, drie keer per jaar werd een grote jacht georganiseerd door de jachthouder. In de tijd van mijn grootvader was de jachthouder baron van Hardenbroek als grondeigenaar. Hij was persoonlijk verantwoordelijk voor de wildstand op zijn gronden, waar wel of niet geschoten mocht worden. Dit jachtrecht van De Niënhoff was ondertussen overgegaan op de erfgenamen, de gezusters De Wetstein Pfister. Omdat zij niet deelnamen aan de jacht, was dit jachtrecht verhuurd aan van Marwijk Kooy. En als diens jachtopziener organiseerde mijn vader de jachten en bepaalde hij op welke stukken er werd gejaagd. 

Voor de geschoten hazen, fazanten, patrijzen en konijnen was wel een goede nazorg hoor. Hier werd niet alles op een hoop gegooid maar na de jacht mooi uitgestald bij de boerderij. Daarna ging het in de aanhanger van de jeep die van het landgoed Vollenhoven was. Hendrik, de butler van Vollenhoven, reed de jeep. Hendrik liep altijd rond in een mooi gestreept pakje met een strikje voor. De poelier kwam het wild ophalen en betaalde daarvoor. 

Een jacht was een jaarlijks gebeuren waar mensen uit de hele omgeving aan konden deelnemen en meegenieten. Na afloop van de jacht zaten de drijvers in het achterhuis tussen de koeien op strobalen. Dan werd er erwtensoep opgediend die mijn moeder had bereid en kregen de mannen een biertje en dat was feest. De heren zaten in het voorhuis die werden verzorgd door Hendrik de butler. 

De hond van mijn vader

Elke jager heeft interesse in de hond en in het africhten van de hond voor de jacht. Zo ook mijn vader. Wij hadden thuis drie honden. Hij hield van de staande honden. Een staande hond staat stil en wijst het wild aan. Mijn vader zat in het bestuur van de politiehondvereniging. Op de Niënhoff werd er in 1929 een Voorjaarswedstrijd (Derby) gehouden van Continentale honden voor leden van de vereniging met een Weimarse Staande hond. Deze honden waren geschikt gemaakt voor de drijfjacht. De hoofdfoto is van een politiehondwedstrijd op het landgoed Heidestein van voor de 2e wereldoorlog, waar diverse mensen bij aanwezig waren; zoals politie functionarissen, veldwachters, jachtopzieners en pakwerkers. Pakwerkers zijn mensen die in een leren pak werden gehesen, waar de honden op af werden gestuurd. Ik ben ook wel eens pakwerker geweest! 

In 1952, na de dood van mijn grootvader, werd door mevrouw De Wetstein Pfister voor mijn vader een huis gebouwd aan de Koppeldijk in Zeist, net iets achter het huis van mijn grootvader. Hij heeft hier niet lang meer van kunnen genieten. Hij overleed in 1964.'

PIETER DE GREEFF (5 mei 1861- 15 nov 1950)

Jean: 'Mijn grootvader Pieter de Greeff werd geboren op 5 mei 1861. Hij is geboren in de Vinkenbuurt, dus hier vlakbij. Zijn vader, mijn overgrootvader, was jachtopziener op de Niënhoff voor de familie J.E. De Pesters. In 1886 volgde mijn grootvader zijn vader op als jachtopziener. Hij werd aangenomen door de familie Van Hardenbroek De Pesters. Hij trouwde in 1888 met Theodora Maria Oremus, een meisje uit het toenmalige dorpje Hees bij Nijmegen. Mijn familie is van huis uit katholiek. Pieter en Theodora kregen 14 kinderen. Hij ging in 1928 met pensioen, maar werkte door op het landgoed De Niënhoff. In de Amersfoortse Courant kunnen we lezen over hun Diamanten bruiloft op 13 februari 1950. Pieter overleed op 15 november 1950 in Zeist. 

In grootvaders tijd keken mensen naar een andere toekomst dan nu. Ze waardeerden het landgoed als een parel buiten de stad, toegankelijk voor slechts een kleine groep. De familie Van Hardenbroek De Pesters wilde hier een nieuw, modern landhuis en park om continuïteit te waarborgen en één te worden met de omgeving op de Niënhoff.

Tussen 1892-1894 werd het nieuwe landhuis gebouwd en stamt ook de verbouwing van het oude herenhuis tot koetsierswoning voor de familie Dorrestein. Voor de gelegenheid van het huwelijk van mijn grootouders werd door de familie Van Hardenbroek een woning gebouwd aan de Koppeldijk in Zeist. Op de gevel van dit huis werd een steen aangebracht door de baron Gijsbert Van Hardenbroek. Het huis en de steen/tegel zijn er nog. Het huis ligt aan het eind van de voormalige Kouwenhovenselaan. Voor de portier werd in 1908 een portierswoning gebouwd aan de Groote Laan op nummer 8.

Mijn grootvader heeft gezien hoe het nieuwe landhuis verrees, en hoe daarna Coenradina Van Hardenbroek De Pesters de toon zette voor het park. Zij vroeg aan landschapsarchitect Leonard Springer een park aan te leggen naar de kaarten van haar grootvader Jan Everard De Pesters uit 1823 en 1837. (Nu in het bezit van het RAZU in Wijk bij Duurstede). 

Bediendenlaantjes
Het tijdperk van bedienden op het landhuis was een periode waarin landgoederen vaak behoefte hadden aan een aanzienlijk personeelsbestand om het landgoed te onderhouden en het huishouden te runnen. De bedienden liepen op laantjes die er helaas nu niet meer zijn.

Jean: Bij dit punt, waar we nu staan, zien we een weiland met verspreide boomgroepen en in de verte de slingervijver. Hier bevond zich het centrum van het in 1894 nieuw gebouwde landhuis. De bedienden betraden het landhuis via de zijdeuren vanaf de Groote Laan of de voormalige Kouwenhovenselaan. Verderop lag de portierswoning aan de Groote Laan, waar gasten in hun koetsen het landgoed opreden. Vanuit de salons konden de bewoners tussen de boomgroepen glimpen van de gasten opvangen, en zodra het belletje ging, wisten de bedienden dat de gasten arriveerden en stonden ze klaar om hen te ontvangen.  

Mijn grootvader werkte tot zijn officiële pensioen in 1928, maar bleef daarna actief. We hadden contact met 9 boerderijen, landheren uit de omgeving en personeel op het landhuis. We legden grienden aan op De Lage Grond tussen Oostbroek, Zeist en Bunnik, wat goede inkomsten voor het landgoed opleverde. Houthandelaren, tuinders en bakkers kochten perceel hakhout van ons, aanvankelijk onder toezicht van een notaris, later informeel met handgeklap na de prijs op een sigarendoos te hebben geschreven.'

Het Amersfoorts Dagblad van 7 februari 1950 schrijft over mijn grootouders: 

>>'Het echtpaar P. de Greeff en Th. M. de Greeff-Oremus zal op maandag 13 februari zijn diamantenbruiloft vieren, een niet alledaags voorval en zeker zeldzaam wat betreft de condities van de ‘hij’ en de ‘zij’, die hier nog graag voor ‘jong  doorgaan. ‘Och, zegt de bruidegom, ‘als je omkijkt is het eigenlijk maar een poosje geweest’ en zijn glundere gade knikt hem eens vertrouwelijk toe. Zij schonk aan veertien kinderen het levenslicht, van wie de laatste geboren werd toen moeder vijftig was … Aan nakomelingen ontbreekt het trouwens niet; de krasse oudjes verheugen zich in het bezit van niet minder dan 66 kleinkinderen, van wie er enkele in Amerika wonen en dus op de heugelijke dag zelf niet aanwezig zullen zijn. Gedurende die zestig jaren lief en leed delend, wonen de heer en mevrouw De Greeff al in hetzelfde huis aan de Koppelweg 124, dat destijds speciaal voor hen werd gebouwd en tot nog toe is er weinig in ‘gerentenierd’. Vader De Greeff, die vitaal en nog van de oude stempel is, hield pas vorig jaar op met geregeld werken, hoewel hij sinds 1928 van zijn pensioen genoot. Veertig jaar lang diende hij als jachtopziener en bosbaas op het landgoed ‘Niënhoff’ in Bunnik, waar hij , na op zijn 65e te zijn gepensioneerd, nog bijna een kwart eeuw ‘waarnam’. In Zeist stond hij vroeger alom bekend als een voortreffelijk jager en een man met veel kennis van natuurschoon, en nog altijd bewondert hij geestdriftig al wat buiten groeit en leeft. Als het nieuwe voorjaar is begonnen – op 5 Mei a.s.. – wordt hij 89 …'

In de 16e en 17e eeuwse Bunnikse teksten komen drie brinken voor; de Antonisbrink, de Arrisbrink en de Zoogbrink. De St. Anthonisbrink, genoemd naar de heilige Sint Anthonius, is nog steeds duidelijk te herkennen en vormt dan ook het dorpsgezicht van Bunnik. De brink ligt centraal bij de Oude Dorpskerk, met het Oude Raadhuis, het Wapen van Bunnik, de Witte huisjes, een loswal en de Raadhuisbrug over de Kromme Rijn. De brink is ook te herkennen aan de wegen die uitkomen op deze brink, zoals de Dorpsstraat, de Molenweg en de Smalleweg, de Langstraat, Tolhuislaan en de Groeneweg. 

Een brink is een open ruimte in een dorp of aan de rand daarvan, waar de boerderijen omheen gegroepeerd staan, meestal beplant met bomen (eiken). De brink diende oorspronkelijk om het vee in te scharen (verzamelen). Vaak lag er op de brink een poel(dobbe of kolk). Iedere ochtend werd het vee naar de brink gedreven. Tegen de avond gingen alle koeien na het uitsplitsen terug naar de boerderij. De wegen die hier ontstonden werden veedriften genoemd. Zij hadden de vorm van een trechter. Bij sommige dorpen is dit nog goed te zien. De brink vormde natuurlijk ook een gemeenschappelijke ontmoetingsruimte en werd zo later vaak het dorpsplein.

De St. Anthonisbrink moet aanzienlijk groter zijn geweest dan was gedacht. Want we kunnen lezen dat na de 16e eeuw verschillende huizen in de Langstraat, die in het oosten grensden aan de brink, met bisschoppelijke toestemming tot kerkelijk bezit werden verklaard. Dit doet vermoeden dat de brink zich in de 17e eeuw vrij ver naar het noorden uitstrekte. Het is dit noordelijke gedeelte van de brink, in de richting van het steenhuis De Beesde, later landhuis Cammingha, dat als Achterbrenck of achterste brenck bekend stond. 

Bunnik telde in de negentiende eeuw ongeveer 900 inwoners die voor de helft woonden in de bebouwde dorpskern en rond de St. Anthonisbrink. Iets verderop lagen aan de andere twee brinken, de Arris- en de Zoogbrink, de huizen van ambachtslieden en kleine boeren. Buiten de dorpskern kende Bunnik vele boerderijen met hun landgoederen.

Het gezin was belangrijk in `t gebied van de Kromme Rijn. Generaties lang werd goed gekeken naar gezinsplanning voor het behoud van de boerderij. Wie buiten de boot viel als boerenzoon moest zich zien te redden als arbeider en kwam terecht in een arbeidershuisje. Het is dan ook moeilijk voor te stellen dat een gezin, met gemiddeld vijf personen, kon leven in een huisje met een afmeting van drie bij acht of negen meter diep.

Hier en daar stonden deze huisjes in groepjes met een erf of een kleine boomgaard daartussen. Voor de Dorpskerk stonden de daggelderswoningen en de ruimte hiervan was, ieder afzonderlijk, niet meer dan een kamer met stookplaats en een berg- of slaapzolder. Daggelders waren landarbeiders die een dagloon kregen. Ook aan de Eendrachtstraat ``t Slot`, bij het winkelcentrum in Bunnik, stonden ze. Daggelders die werkten bij Oud-Amelisweerd, woonden in zo`n groepje kleine woningen met de naam `de Vinkenbuurt`. Aan de Langstraat, de oudste straat van Bunnik, stonden enkele Diaconiewoningen achter elkaar gerangschikt aan de Kromme Rijn.

In Bunnik staan of stonden langs de Kromme Rijn verschillende grote huizen of kastelen. Een van de huizen die nog bestaan is het huis Bloemerwaard. Vanaf de Provinciale weg in Bunnik richting Odijk staat het aan de linkerkant, na het spoor, verstopt achter allerlei gebouwen. Vanaf het jaagpad langs de Kromme Rijn kun je de achterkant wel zien. 

Oorspronkelijk hoorde bij de Bloemerwaard een stuk grond van 25 morgen (een morgen is ongeveer 0.85 hectare). Daarnaast hoorde bij het huis de boerderij Rijn en Dijk, die als grootste omvang maar liefst 100 morgen, dus ongeveer 85 hectare, groot was. De boerderij is afgebroken, en van de 25 morgen is ook niet veel over. De spoorlijn Utrecht – Arnhem uit de 19e eeuw en de A12 uit de 20e eeuw liepen recht over het land en er bleef maar een klein stukje over wat nog bij het huis Bloemerwaard hoorde. 

Bewoners van de boerderij waren o.a. de familie Van Zijl, Van Bemmel en Vulto.

Net als bij andere kastelen en landhuizen diende de boerderij om het huis te onderhouden als de eigenaar er niet woonde, en als inkomen voor die eigenaar. Die combinatie van huis en boerderij zie je overal in het Krommerijn gebied terug.

De 25 morgen van Bloemerwaard bestond uit 2 delen van elk 12,5 morgen. In 1637 is de ene helft en in 1644 de andere helft verkocht aan Jeremias Casteleijn. Hij is de eerst bekende bewoner van het huis Bloemerwaard en zal de voorloper van het huidige huis hebben laten bouwen. Midden in de Gouden Eeuw kochten rijke stedelingen stukken grond en lieten daar huizen op bouwen. Dat deden ze om in de zomer uit de vieze steden te ontsnappen, en het was een teken van welvaart. Zo’n buitenhuis werd meestal gebouwd aan een rivier, omdat dat de gemakkelijkste en snelste manier was om weer in de stad te komen. Voorbeelden zijn de buitenhuizen aan de Vecht en de Amstel, maar ook aan de Kromme Rijn hebben diverse buitenhuizen gestaan. Bloemerwaard stond ook dichtbij de Kromme Rijn. 

De nazaten van Jeremias Casteleijn hebben Bloemerwaard lange tijd gezamenlijk in bezit gehouden. Uiteindelijk werd alles verkocht aan Allard Rudolph van Waay, een van die nakomelingen. In 1773 verkocht hij alles aan Andries Oortman, een rijke “medicine docter” uit Utrecht. Met zijn komst begon een periode van ongekende uitbreiding. Hij kocht veel land in Bunnik (en Odijk) en verhuurde die uiteraard aan boeren.

Vanaf 1801 veranderde er veel. In 1801 werd Bloemerwaard verkocht aan Gijsbertus Achterbergh. In 1820 verkocht die alles weer aan Joseph Leijdel. Het huis werd tussendoor verhuurd aan verschillende personen, zoals C.J. van Hengst, baron De Geer en Van Ewijck. In 1860 kocht J.C. Strick van Linschoten het, en in 1899 werd het weer verkocht aan H.J. Blokhuis. Die woonde er maar kort, want in 1905 werd het al weer doorverkocht aan Van Beeck Calkoen, burgemeester van Bunnik. Die verkocht het in 1940 weer aan de heer Orie. De oorlog is dan uitgebroken, en de Duitsers vorderden het huis. Na de oorlog zaten de Canadezen er nog een poosje in, totdat ze in 1946 vertrokken. De bewoners wisselden elkaar dan af. Onder andere heeft de RK kleuterschool er in gezeten, en meester Jarich van der Zee woonde er ook een poosje. Nadat Anton van Dam (van Vrumona) erin had gewoond komt het tenslotte in 1954 in handen van de familie Van der Tol, die er nog steeds woont. 

Van het uiterlijk van het oude huis Bloemerwaard is weinig tot niets meer over. In de oorlog was het huis al eens getroffen door een bom, en daarna uitgewoond door Duitsers en Canadezen. Het huis wat er nu staat is gedeeltelijk opgebouwd uit delen van het gesloopte huis, maar het ziet er heel anders uit. (1940)

Koopakte

'Heden de Eenendertigsten December des jaars Achttienhonderdzestig, verschenen voor Bernardus Gertrudus van Heijst Notaris in het tweede arrondissement de personen, Utrecht gevestigd te Wijk bij Duurstede in tegenwoordigheid der na te noemen getuigen De HoogwelGeboren Heer H. Carel Willem Emile Catharinus de Geer, grondeigenaar, wonende te Landgoed te Keijzerberg, onder de gemeente Renkum. 

De welke bij deze verklaarde onder vrijwaring van de wet te hebben verkocht en uitsd… in vollan en vrijen eigendom af te staan en over te dragen aan de HoogwelGeboren Heer Jonkheer Jan Carel Strick van Linschoten, kandidaat Notaris, wonen de te Maarssen, alhier tegenwoordig en in koop aannemende:

De buitenplaats Bloemerwaard, bestaande in Heerenhuizinge, stal en koetshuis, tuinmanswoning, duifhuis, loodsen en een huis met schuurberg, benevens met uitbroei tuinen, boomgaard, bouwland, wandelbosch en water, tezamen groot Zes honderd veertig roeden, twintig ellen, alles staande en gelegen onder de gemeente Bunnik, aan de Provincialen Zandweg van Utrecht op Wijk bij Duurstede, strekkende van Utreg tot in den Krommen Rijn, land aan de eene zijde de Roomsch Catholieke Kerk.'  

Enkele aardige feitjes over Bloemerwaard:

In 1718 werd vlak naast het huis Bloemerwaard de eerste RK kerk van Bunnik gebouwd. Aanvankelijk zal het eruit gezien hebben als een schuur, omdat de RK gemeenschap nog geen kerken mocht bouwen die te herkennen waren als kerk. Dat was na de overgang in 1580 door de Staten van Utrecht verboden. In 1769 had de kerk al een toren, wat blijkt uit een mooie gravure van Lutgers uit dat jaar.

In 1843 was er een aardbeving in Nederland, en in de krant van 10 april 1843 verscheen een artikel waarin Bloemerwaard genoemd werd:

“Deze schok van aardbeving is ook in Utrecht door eenige menschen opgemerkt, en uit Bloemerwaard, nabij Bunnik, schrijft men ons, dat ook aldaar de schok is gevoeld, zoodanig, dat de glazen dreunden, en de ringen aan een ijzeren roede rinkelden. Waarschijnlijk zal deze schudding der aarde ook elders zijn gevoeld.”  

Hofstede Ter Hul is één van de oude gebouwen in Bunnik, gelegen op een strategische locatie bovenop de stroomrug van de Kromme Rijn, precies 3 meter boven N.A.P. De boerderij bevindt zich in de nabijheid van de vroegere verbindingsweg, de Groeneweg, die het gehucht Rijsbrug en het dorp Bunnik met elkaar verbond.

Deze boerderij kent een rijke geschiedenis, waarbij de familie Van Zijl gedurende maar liefst 500 jaar op deze plek heeft gewoond. Het is een bijzonder erfstuk dat zijn bescheiden karakter heeft weten te behouden, ondanks de omringende woonwijk en moderne ontwikkelingen. 

In 1802, en later opnieuw, wordt de familie eigenaar. De familie heeft een veelzijdige familiegeschiedenis en er is een uitgebreid aantal takken Van Zijlen in het Kromme Rijngebied. In de geschiedenis speelt Ter Hul de speciale rol als mini-ambachtsheerlijkheid. 

In 1328-1329 werd Ter Hul vermeld als een verpacht domeingoed van de bisschop op de oudst bekende rentmeesterrekeninglijst, waarbij Buddinc van den Hulle als een van de eerste pachters genoemd wordt. Echter, er is een hiaat in de vermeldingen waar Ter Hul niet meer op een lijst voorkomt. Wat is er gebeurd? 

Ter Hul wordt onderdeel van het goed Beverweerd

Bijzonder is het dat de bisschop Ter Hul in leen uitgeeft. De handelswijze van de bisschop, wanneer hij zijn ministerialen tegemoet wil komen op het platteland, laat zich hier zien. Het moet gebeurd zijn vóór 1394, het jaar waarin het oudste bewaarde leenregister van de bisschop een aanvang neemt. 

Op 28 juli 1395 werd Ter Hul vermeld als onderdeel van het complex Beverweerd, waarbij de bisschop heer Jan van Vianen van Beverweerd beleende. Ter Hul werd beschreven als een landgoed met een boerderij, bijgebouwen en landerijen. Uiteindelijk ging het eigendom van Ter Hul over naar Daniel van Boechout van Beverweerd. 

Op 12 maart 1502, toen Daniel van Boechout zijn moeder opvolgde, verkocht hij een deel van Ter Hul aan een hooggeplaatste geestelijke genaamd heer Willem van Montfoort, de proost van het kapittel van Oudmunster in Utrecht. Aangezien een leenheer op de hoogte gesteld moest worden van een dergelijke verkoop en er een nieuwe belening voor de koper moest plaatsvinden, besloot de leenheer, de bisschop, af te zien van een nieuwe belening voor Ter Hul. Met instemming van zijn vijf kapittels veranderde de bisschop de status van Ter Hul van een leengoed naar een allodiaal goed.

Het kapittel van Oudmunster hoefde geen leenhulde meer te brengen voor Ter Hul en bezat het goed nu volledig in eigendom. Op 13 oktober 1502 werd dit vastgelegd in een oorkonde, ondertekend door bisschop Frederik IV en de vijf kapittels, waarin de leenrechtelijke band met betrekking tot Ter Hul werd verbroken.

Het is onduidelijk wie precies de koper was: was het Willem van Montfoort in zijn functie als proost, of als privépersoon, of was het het kapittel waar hij proost van was? Er is geen bewijs gevonden van uitgaven van goudguldens, noch in de rekeningen van het kapittel, noch in die van de proosdij.

Ter Hul is door de proost privé gekocht, maar dan met de belofte dat het goed na zijn dood aan het kapittel zou toevallen en dat de bisschop afziet van zijn rechten als leenheer t.b.v. het kapittel. Dit blijkt uit het testament, dat Willem van Montfoort op 8 december 1511 in de ‘winterkamer’ van zijn huis in Utrecht laat opstellen. Hij sticht een vikarie op het daar aanwezige altaar van O.L.V. en S. Anna. Er zullen na zijn overlijden dagelijks missen worden gehouden voor zijn zielsrust en na iedere mis moet de priester op zijn graf de psalmen Miserere mei en De profundis lezen.

Het goed Ter Hul van de bisschop bestond uit twee enclaves, dicht bij elkaar gelegen, binnen het bisschoppelijk gerecht van Bunnik en Vechten, en was volgens het testament van proost Willem van Montfoort en de manualen van het oudschildgeld twee hoeven groot. De werkelijke grootte, volgens de kaart van Ter Hul door de landmeter Hendrik Verstrale in 1626, bedroeg 34 morgen. Het grootste deel, waarin de hofstede, strekte zich uit vanaf de Kromme Rijn tot aan de Groene weg. Daar ten zuidwesten van, met één perceel ertussen, lag het andere deel, in de Bunnikse weide. 

Een mini-ambachtsheerlijkheid

Als we terugkijken gaf de bisschop, waarschijnlijk al vanaf het laatste kwart van de 11e en gedurende de 12e eeuw, met gulle hand aan zijn ministerialen ‘dienstgoederen’ uit om hen te belonen voor bewezen en nog te verrichten diensten en ter versterking van hun stand, waaruit hij zijn ambtenaren en militairen rekruteerde.

Onder de dienstgoederen bevonden zich ook rechtsmacht, tijns en tienden en t.a.v. de ontginningsgebieden kan bij de bisschop daarbij de bedoeling zijn geweest om de ministerialen in het plattelandsbestuur in te schakelen. Hij gaf ook grond als dienstgoed uit met inbegrip van rechtsmacht, tijns en tienden.

Als hij dit buiten de ontginningsgebieden deed, zoals bij Ter Hul, werkte hij daardoor niet alleen de vervreemding van gedeelten van zijn domeinen en zijn overige goederen in de hand, maar onttrok hij die bewuste gedeelten ook aan de rechtsmacht van zijn meiers. Met deze handelwijze is de bisschop niet onbeperkt doorgegaan. Waarschijnlijk valt de tijd, waarin hij aldus te werk ging, samen met de periode ,einde 11e en begin 12e eeuw, waarin ook wereldlijk en kerkelijke rechtsmacht bij schenkingen aan de jonge kapittels waren inbegrepen. 

Wanneer er in de 13e en 14e eeuw meer bronnen zijn, zien wij het resultaat van deze vermoedelijke gang van zaken. De meeste lenen in het Kromme Rijngebied, die door ministerialen van de bisschop worden gehouden, zijn gelegen in het gebied van zijn vroeger domeinen. Daaronder is een minderheid, waarbij aan de leenman ook het gerecht, de tijnzen en de tienden toekomen. 

Bijna alle mini-gerechten hadden gemeen dat er te weinig personen beschikbaar waren om een normale rechtspleging mogelijk te maken, en dat daaraan ook weinig behoefte bestond, omdat er nauwelijks iets te berechten viel. Zij voldeden aan het doel bij het ontstaan om bepaalde gebieden uit de bestaande rechtskringen te halen.

Ten aanzien van deze kleine gebieden betekende het uitgeven van land hierbij dat men financieel voordeel had, vandaar ook de benaming gulden hoeve, mansus aureus, die men aantreft. Wij merkten al op dat het bezit van de rechtsmacht en exemptie daarvan in de middeleeuwen in belangrijke mate financieel werden gewaardeerd. 

Hofstede Ter Hul vormde van 1395 tot 1795 deze mini-ambachtsheerlijkheid zorgvuldig, als zodanig gekoesterd door het (latere protestantse) kapittel, waarover de pachter tevens schout was. Dit had het curieuze gevolg dat de protestantse schout van Bunnik niets kon uitrichten tegen de misvieringen die zijn rooms-katholieke collega vermoedelijk in het begin van de 17e eeuw op Ter Hul liet houden. De bedrijfsvoering kijkt in enkele opmerkingen om de hoek: uit de 16e en 17e eeuw worden wat pachtsommen (inclusief pluimvee) vermeld.

De duiventoren bij landhuis Rhijnauwen is een 19e-eeuws gebouw met een tentdak. De oudste duiventorens zijn uit de 17e eeuw. Ze komen als vierkant of rond voor, waarvan er één bij Huize Wickenburg in ’t Goy is te vinden, die in 1640 voor het eerst wordt genoemd.

De vrijstaande duifhuizen worden vooral aangetroffen bij een kasteel of adellijk huis zoals kasteel Rhijnauwen. Het is een gebouw met rondom doorlopend muurwerk van de grond af opgetrokken.

Een duiventoren diende als opslagruimte voor aardappelen, groenten en fruit, terwijl de duiven via invliegopeningen in de kap naar binnen kwamen. De duiven werden gehouden voor eigen consumptie. 

Duiven stonden symbool voor trouw en werden gewaardeerd om hun sierlijkheid en snelheid. In het oude Rome werden jonge duiven al als culinair gerecht beschouwd, en tot de 18e eeuw waren ze een geliefde voedselbron, zelfs voor de gewone bevolking. 

Het houden van duiven en het daarvoor bouwen van een toren of til was in de middeleeuwen een zogenaamd ‘heerlijk’ recht. Alleen de adel of de hoge geestelijkheid, die veel grond in bezit had, mocht van dit recht gebruik maken. 

In 1384 als vaardigde de Staten van Utrecht, een plakkaat uit met betrekking tot het vangen van andermans duiven. De straf hierop was dat men ‘>bloets hoefts ter klocken komen zel, en bidden den Rade vergiffenisse, en geven der Stad te betering twee dusent steens’. Het privilege van de adel en de kerk moest hiermee verzekerd zijn. 

In 1667 wordt het eerste plakkaat uitgevaardigd waarin eigenlijk iedereen duiven mag houden en daarvoor een onderkomen kan bouwen als men een bepaalde hoeveelheid aan land bezat. De hoeveelheid land werd bepaald op 24 morgen (een morgen is 0,83 ha land). Wie toch een duiventoren bouwde en te weinig land bezat, werd de toren van hogerhand afgebroken. 

In 1683 wordt het houden van duiven toegestaan voor iedereen die er plezier in had, op voorwaarde dat de duiven niet los vlogen. De belangrijkste reden om aan het bezit van een duiventoren een bepaalde hoeveelheid aan land te verbinden was, om te voorkomen dat de duiven op andermans grond hun voedsel bij elkaar gingen zoeken. Het is voor een boer die net zijn land heeft ingezaaid niet zo leuk om te zien hoe enkele honderden duiven van een buurman neerstrijken en het zaad opeten. 

Als gevolg van de Franse revolutie werd in 1798 het duivenrecht afgeschaft en mochten er geen nieuwe torens of tillen gebouwd worden. Al snel, in 1803, kwam er een nieuwe wetgeving van de Utrechtse Staten, maar deze werd weer opgeheven na het inwerking treden van de Jachtwet uit 1807. 

De Jachtwet uit 1807
Deze wet handhaafde de bestaande toren en men mocht alleen nieuwe toren bouwen als ‘Zi jne Majesteit’ daarvoor toestemming had gegeven en men tenminste 15 morgen land bezat. In 1814 kwam er een nieuwe Jachtwet waarin werd vastgelegd dat de torens om de vijf jaar geregistreerd moesten worden bij de opperhoutvester. 

In de Jachtwet van 1954 wordt geen bepaling meer opgenomen met betrekking tot de rechtspositie van duiventorens. Zij zijn sindsdien uit de wet verdwenen omdat men van mening was dat het houden van duiven niet meer in een Jachtwet thuishoort.

Samenstelling: Meike de Vries

In de 12e eeuw bouwden Bunnikse dorpsbewoners een eenvoudige houten kapel als gemeenschapsgebouw, vergelijkbaar met een boerenschuur. Het diende als symbool van zelfstandigheid en voor bijeenkomsten, kerkelijke activiteiten, rechtspraak en markten. Verschillende priesters verzorgden er diensten. De halve zelfstandigheid werd later volledige zelfstandigheid toen de kapelaan pastoor werd en de kapel een parochiekerk. Hierdoor werden financiële banden doorgesneden, ten gunste van de Bunnikse pastoor. Dit had impact op de Zeister pastoor, die een jaarlijkse vergoeding ontving van de dochterparochie. Een gulden werd tot na de Reformatie betaald aan de kerk van Zeist, op St. Anthonisdag (17 januari). Deze datum eerde de beschermheilige van de nieuwe kerk. Bunniks verheffing tot parochie in de 13e eeuw is onduidelijk, maar waarschijnlijk rond de 13e eeuw.

Het gebouw
In de 12e eeuw bouwden de inwoners van Bunnik een toren met meerdere doeleinden, zoals religie, uitkijkpunt en verdediging, met schietgaten op de begane grond. De toren symboliseerde gemeenschappelijke betrokkenheid, met vage grenzen tussen kerk en gemeenschap. Rond 1200 gebouwd, verving in de 14e eeuw een stenen zaalkerk de houten schuurkerk. De Oude Dorpskerk is een vroeg bakstenen gebouw, vergelijkbaar met de Dom van Utrecht, en verving Romeinse stenen vóór 1200. Bunnik had één steenfabriek.
 
De kerk was oorspronkelijk kleiner, zoals blijkt uit archieven, steenmaten en muurdikte. Het oudste gedeelte bevindt zich vanaf de toren tot na het derde raam. Daar zit een kleine sprong in de muur. Dit oudste stuk heeft dikke muren van grote, eind 13e, begin 14e eeuwse kloostermoppen. Aanvankelijk vormde dit stuk de hele kerk en zat er hier een klein koor aan vast. Dit koor is in 1566 afgebroken. De kerk is bij deze verbouwing iets verlengd en een nieuw groter koor werd aangebouwd. Hiermee brak de kerk met zijn Katholieke verleden. Het toen bij de kerk getrokken verlengde koor is buiten duidelijk zichtbaar aan de pleisterlaag die niet doorloopt. Het schip, van drie traveeën en het oudste deel van het koor, zouden van oorsprong eveneens 13e eeuws kunnen zijn.

In de 16e eeuw, temidden van de religieuze oorlogen die Europa teisterden, bleef Bunnik onaangedaan. Hier werd geen twist gevoerd, maar bouwde men een nieuw, vrij ruim koor voor de Heer. Hoewel Bunnik een gewone parochiekerk zonder kapittel of koorgeestelijken was, had het koor een aanzienlijke omvang. Ondanks dat in Odijk al in 1548 een rank gotisch koor werd gebruikt, koos Bunnik voor een romaanse stijl, met kleine rondbogige ramen en dikke muren, wellicht om de eenheid van de kerk te behouden. De financiering van het koor werd mogelijk gemaakt door de verkoop van land. Dit leidde tot verdere verbouwingen.

Omstreeks 1840 werd het koor verbouwd en samengevoegd met de kerk door het verlagen van het plafond. Tot de 19e eeuw bleef de inrichting onveranderd, met de blik op het koor gericht, waar de pastoor of later de dominee stond. In 1839 veranderde deze oriëntatie, en de buitenbepleistering werd aangepast. De toren kreeg zijn huidige tentdak tijdens een restauratie in 1938-1939. Een restauratie van de kerk volgde in 1954-1955, waarbij oude gebruiken van laatste rustplaatsen in en rond de kerk werden verwijderd. Koperen lessenaars en lichtarmen op de kansel en voorlezersplaats dateren uit de late 17e eeuw en zijn nog steeds aanwezig.

De ideale predikantenloopbaan begint meestal in een klein dorp, gaat daarna via een wat grotere plaats naar een stad. Grote steden zoeken als predikant meestal iemand die al in twee of drie kleinere plaatsen heeft gestaan en daar voldeed, kleinere plaatsen kijken in de dorpen en de dorpen kiezen voor een pas-afgestudeerde predikant. Bunnik heeft in 1874 een jonge predikant die over zo'n geweldig preektalent bleek te beschikken dat zijn vroegere hoogleraren op zondag met plezier in Bunnik naar hun leerling kwamen luisteren. Ds. Welter heeft het later dan ook tot hofprediker bij Koningin Wilhelmina gebracht! 

Tien predikanten

1 1596-1601 Ds. Cornelis Jansz. van Cothen

2 1601-1604 Ds. Gerardo Cornelio de Vlieger

3 1615-1619 Ds. Reinier van Oosterzee

4 1622-1626 Ds. Pieter van Deyl

5 1626-1641 Ds. Anthonie van Cauwenhoven

6 1641-1644 Ds. Cornelis van der Lingen

7 1644-1686 Ds. Cornelis van Meerlant

8 1651-1686 Ds. Rutger Coesveld

9 1687-1693 Ds. Everhard Luyting

101693-1700 Ds. Matthijs Heck

- Ruim 275 jaar een begrip in Bunnik - 

De familienaam van Manen is een oude Bunnikse naam die al voorkomt vanaf begin 18e eeuw en is daarmee ruim 275 jaar een begrip in Bunnik. Niet alleen voor oud-Bunnikers maar tot de dag van vandaag bekend bij alle inwoners van het dorp Bunnik en omstreken.

De naam Manen
Hoewel van Manen een echte Bunnikse naam is verwijst de naam naar een buurt of buurtschap bij Ede met de naam Manen. Manen was een kleine en zelfstandige buurt met eigen buurtrichter en buurtmeester. De buurt (buurtschap) bezat ook grondgebied. 

Derck Gijsbertse is rond 1660 geboren in de buerte Manen en wordt genoemd in het Buerboek van de buerte Manen. Zijn zoon Jan Dirckzn van Maanen (ca. 1690 - 1749) verhuist naar Driebergen in 1708 en neemt als achternaam de naam van zijn oude woonplaats. De zoon van Jan Dirckzn van Maanen is Pieter van Manen en hem komen we als de eerste van Manen tegen in Bunnik. 

Pieter van Manen
In 1747 wordt Pieter van Manen (1719 - 1791) in de Leydse Courant Schipper van Bunnik genoemd. Hij is niet alleen schipper, maar ook schepen van Bunnik en Vechten van 1758 t/m 1775. Een belangrijk man in het dorp. Hoewel de beroepsomschrijving anders doet vermoeden wordt Pieter wel schipper genoemd, maar is hij schipper in dienst bij de aangestelde schipper van Bunnik, Cornelis van ’t Voort, die dan in De Witte Huisjes woont. Pas in mei 1781 doet Maria van Mansum (? - 1798), de weduwe van Cornelis van ‘t Voort vrijwillige afstand van het schippersambt, zodat Pieter dat op 62-jarige leeftijd officieel kan gaan bekleden en hij aangesteld wordt als Schipper van Bunnik. Een jaar later, in 1782,
neemt hij een lening bij de diaconie van Bunnik voor f 195 voor de koop van een nieuwe Crommenrijnsche schuijt. Na het overlijden van Pieter van Manen in 1791 wordt zijn zoon Jacobus van Manen (1763-1839) aangesteld als schipper van Bunnik en Vechten.

Melkhandel
In 1805 woonde Jan van Manen (1750 - 1829), die ook een zoon van Pieter van Manen (1719-1791) is op de Langstraat 50 . Uit het tweede huwelijk van Jan van Manen wordt Pieter van Manen (1797 - 1879), arbeider in Bunnik geboren. Ook de zoon van deze Pieter, Johannes van Manen (1840 - 1922) wordt in Bunnik geboren. Hij is van beroep koetsier. Zijn zoon Hendrikus van Manen (1877 - 1940) is o.a. veehouder in Bunnik aan de oude Groeneweg 200 (nu Tureluurweg 14). Zoals veel Bunnikers heeft hij, vanaf 1914, ook een handel in fruit. Hij verkoopt onder andere kersen en aardbeien uit eigen boomgaard. In 1932 begint hij vanuit zijn boerderij op de Tureluurweg de melk van zijn eigen koeien bij de mensen thuis te brengen. 

In 1938 nam hij de melkwijk over van zijn buurman Frans Veldhuizen (1889-1978) toen die er mee stopte. In de jaren 40 en 50 is de concurrentie in de melkverkopen in Bunnik hard. Later in de jaren 50 krijgen alle melkboeren een eigen ‘melkwijk’. Hendrikus gaat met een bakfiets de volle en zware melkbussen in heel Bunnik rond. Dat is in die tijd heel gewoon, want dat doen bijvoorbeeld ook de Bunnikse bakkers en slagers. In oktober 1940 overlijdt Hendrikus plotseling op 63-jarige leeftijd. De zonen van Hendrikus, Kees en Piet, nemen het familiemelkbedrijf over.

Cornelis (Kees) Johannes van Manen (1915 - 1999) en zijn jongere broer Piet van Manen (1926 - 2001) gaan na hun lagere schooltijd direct bij hun vader werken. Ze kunnen gelijk met de transportfiets Bunnik rond. Ze hebben een melkbus met een kraantje, ca 8 flessen en 20 pakjes boter bij zich. Na de bakfiets komt de pony met wagen en daarna paard en wagen, 
in de jaren ‘70  gevolgd door de elektrische kar. Het gebruikmaken van paard en wagen was niet uit zuinigheid, maar puur praktisch en snel. In 1950 verplaatst Cees de melkhandel naar een winkel op de Dorpsstraat 32. 
 
De winkel op de Dorpstraat eind jaren 80. Links de winkel van Ans van Manen (dochter Kees van Manen) en rechts de winkel van Jan van Manen. (foto Bunnik Zo was het…Zo is het. Arie van de Gaag).

In 1980 wordt Kees 65 jaar en doet hij de winkel over op zijn zoon Jan van Manen (1959-2023). Broer Piet stopt met werken in 1987. Jan van Manen gaat verder met de winkel als Kaas- en notenzaak. Jan moderniseert de winkel en breidt het assortiment van binnenlandse kazen ook uit met buitenlandse kazen. In 2006 is het opnieuw tijd om de winkel een nieuwe uitstraling te geven en wordt de winkel verbouwd. In de winkel van Jan en zijn vrouw Els zijn behalve kazen ook streekproducten te vinden en natuurlijk, zoals voorheen, melk en eieren. In 2021 heeft Jan van Manen zijn winkel na 42 jaar, i.v.m. gezondheidsredenen, moeten verkopen.

begrip in Bunnik - 

Nico van Zijl: ik ben geboren in Bunnik,1945, en getrouwd met Annemieke van Zijl - Kochen ( Utrecht,1953). We hebben drie kinderen. Ik ben bloemist en opgegroeid in een katholiek gezin. Mijn vader en moeder waren Driekus van Zijl en Hendrika van Zijl - Makker uit Eemnes. Wij waren met zes kinderen thuis; Piet, Nico, Jeanne en Greet (tweeling) Harry en Ria. Onze boerderij Ter Hul is een historische boerderij. Bij het gietijzeren hek zie je het jaartal 1502 staan. De van Zijlen, als familie, zijn hoogstwaarschijnlijk al vóór 1500 op deze boerderij te vinden geweest. ‘Een droge plek buiten de stad, in het toen nog waterige krommige Rijnsche, weg van Cothen en Langbroek’, dat was de openingszin van onze reünie op 25 augustus 2002, ter gelegenheid van 500 jaar ‘Van Zijl’ op ‘Ter Hul’ te Bunnik.

Mijn vader Driekus pachtte in 1938 Ter Hul van zijn vader Pieter van Zijl toen deze overleed. Mijn grootouders waren Pieter van Zijl en Margaretha de Jong uit Blaricum. Mijn vader kocht vervolgens het hele complex Ter Hul in 1949. Zo kwam er na 117 jaar opnieuw een Van Zijl als eigenaar op Ter Hul. Mijn vader was een vereniging- en gezelligheidsmens; hij nodigde bijvoorbeeld na de kerkdienst veel vrienden uit. Ons huis leek ’s zondags bijna op een café. Tussen 1940 en '55 werden hier nog paarden en rijtuigen voor de kerkgangers gestald. 

Fruitbedrijven
Ons fruitbedrijf in Bunnik lag aan de Parallelweg bij boomgaard de Breeje, waar nu de camping is. Het was een gebied van 12 hectare. Op de zogenoemde grote en kleine Breeje hadden we verscheidene soorten appelbomen, met helemaal achterin de perenbomen.  

Als ik mee hielp op de boomgaard dan liep ik vanuit huis meteen door de weilanden naar de Breeje, naar de Parallelweg. In mijn jeugd was de Rijksweg 12, nu A12, nog aangelegd met betonplaten. Deze weg stak ik over, sprong vervolgens over een sloot, dan was ik er. Dit heen en weer lopen van Ter Hul naar de boomgaard deed ik vier keer op een dag!

Op een gegeven moment werd er een kantoor gebouwd, Wijnmalen & Hausmann. Op een dag hebben werknemers mij gewaarschuwd omdat er politie in de buurt was. Het werd te gevaarlijk om 'gewoon' over de Rijksweg 12 over te steken. Dat was het moment dat ik meteen ben gestopt met het nemen van die route. Met de fiets kon ik via de fietsbrug gaan. Die lag er al in de vijftiger jaren. Ik weet nog dat deze fietsbrug een keer door een vrachtwagen was vernield. De hele Rijksweg 12 werd afgesloten voor het autoverkeer en het verkeer werd omgeleid door het centrum van Bunnik richting Utrecht. 

We hadden niet alleen land in Bunnik, ook verder weg onder Laagraven in Utrecht. Daar lag 7 ‘bunder’ land. Dit land werd al in de 19e eeuw door mijn overgrootvader Pieter, samen met zijn broer Gerrit, gehuurd en sindsdien was 't in de familie gebleven. Ik zie mijn vader Driekus en mij nog met een kar, vol met fruit, dwars door het verkeer van Utrecht gaan. 

Tussen Mook en Malden kocht mijn vader land met een klein boerderijtje erop. Met de tractor en een auto reden we naar Malden. 

Handel in kerstbomen

Driekus: 1 juli 1960. Ja, Ik zag al snel dat er niet veel boer in beide zat, maar daarentegen wel veel handel. Mijn oudste zoon Piet van Zijl kwam al redelijk snel van school, maar bleef wel de avondscholen bezoeken. Het middenstandsdiploma had hij toen al gehaald, daarna nog een vijf jarige avondschool boekhouden en wel met zeer goede cijfers en een diploma. Nico was toen nog intern op Don Bosco in Leusden. Intussen kreeg ik de kans via Bertus Peek, om een klein boerderijtje te kopen in Mook; 7 hectare met de helft van een woning, twee onder één kap. Dat land in Mook is verscheidene jaren in mijn bezit geweest. De kerstbomen werden gerooid en ik hield 61/2 hectare land over, plus een half hectare kerstdennen. Ik heb later de 6,1/2 hectare verkocht aan J. van Wees uit Malden, voor de afgraving van zand, waar ik vergunning voor had gekregen. De kerstdennen brachten toen niet veel op; ze waren het schoonhouden met de spuit niet waard. We konden daarom de sparren van dat land hier goed verkopen en één keer zelfs een paar honderd bomen voor de prijs van 60 cent! 

Kerstbomen, één pagina grote advertentie overtroefde de Utrechtse kerstboommarkt!

Wij waren hier als eerste kerstbomenverkopers in Bunnik! In de stad Utrecht stonden kooplui, met de duimstok in de hand, kerstbomen te verkopen voor 8 of 10 gulden! Dan dacht ik zo, bij mezelf, dat kan ik het volgend jaar ook wel doen, maar dan kunnen ze uitzoeken voor 2 gulden en 50 cent per stuk! Ik heb een grote advertentie geplaatst in verschillende kranten. Het liep gewoon storm! Ik kwam nog bomen tekort en heb er toen nog gauw wat bijgekocht. Ik heb later nog een grote partij kerstdennen gekocht voor 8 cent, dat was in Siebengewald vlakbij de Duitse grens. Daar moest wel heel wat werk voor gedaan worden, want die hele hoek moest worden plat gezaagd en wat niet gebruikt kon worden, werd verbrand. Men begrijpt dat ze toch wel stukken duurder werden dan de genoemde prijs. 

Nico: Maar om de bomen op te halen was ook een verhaal op zich. Want, wat hadden we het koud! Ik weet nog goed te herinneren dat we met de tractor en een auto richting Malden reden en om de beurt op de tractor en in de auto gingen zitten. Het was een tijd dat alles langzaam ging en ook niet bepaald zonder hindernissen! De kar kon net niet door de tunnel bij Odijk. Het was veel gedoe! Maar de kerstbomen werden goed verkocht! 

Geen boom meer te vinden, op naar Brabant

Driekus: Enkele jaren later, waren er zo goed als geen bomen meer in Holland te krijgen. Ik ging toen met mijn vrouw op zoek in Brabant, naar een perceel kerstdennen en ik stootte op een gegeven moment achter in de bossen van het Brabantse dorp ‘Zeeland’, op een prachtig stuk land van 1 ½ hectare groot. Daar stonden 16.000 kerstdennen en ze waren al redelijk goed van grootte.

Met zeer veel moeite hebben we het adres opgezocht van de eigenaar, maar niemand wist waar hij woonde. Toen bleek hij te wonen in Oudendijk bij Hoorn. Wij ernaar toe. Hier werden we in een prachtige woning met heerlijk gebak koninklijk ontvangen. We keken onze ogen uit! Al gaande weg bleek, dat hij niet alleen de 16.000 bomen wilde verkopen, maar ook het stuk land, want het  lag veel te ver van zijn huis. Eerst aarzelde ik, maar bij het tweede kopje koffie en wat gepraat te hebben, wilde ik toch weten, wat hij daarvoor dan wel niet dorst te vragen. Ik kon mijn oren echt niet geloven. Het was 7000 gulden voor de bomen plus het land!

Ik verslikte mij haast in de koffie. Riek, mijn vrouw nam het woord over, en liet de man zijn zin herhalen. Het behoefde verder geen betoog. Een mens weet toch nooit waar zijn geluk kan zitten en veertien dagen later stond alles op mijn naam. Toen ik daar eenmaal land had liggen, heb ik er later nog 5 hectare bij gekocht. Dat was gewoon bouwland en verder heb ik het vol gepoot met kerstbomen. Op een gegeven moment kwam mijn boerderijtje in Mook leeg te staan. Maar al vrij spoedig was het weer verhuurd aan een ingenieur, de heer Cremer. Daarmee begint een ander verhaal.

Je zult wel denken, dat kan vandaag niet meer, maar het is mij dan toch overkomen. Het verhaal van een half hectare land dat plotseling bleek te zijn verduisterd! En dat voor de aanleg van de N271, de verbindingsweg van Malden naar Venlo. 

Wordt vervolgd.
 

‘Toen was er niks voor jongeren' en 'Jongeren, voorhoede van een nieuwe cultuur’

Ons jongerencentrum in de gemeente Bunnik heet ‘Jongerenwerk De Schoudermantel’. Hoe deze voormalige boerderij De Schoudermantel een jongerencentrum is geworden heeft een turbulent, maar niet minder geestdriftig verleden! De samenleving is in de zestiger jaren een beetje van de kook. Traditionele windsels werden afgeworpen, en het zelfbewustzijn van de jongeren groeit. Inspraak, medezeggenschap, democratisering en politisering zijn dè slagwoorden. Wie het oude verwerpt gaat iets nieuws beginnen. 

Zo kwamen in 1973 ruim 40 jongeren bij elkaar voor de oprichting van de >Stichting Open Jongerenwerk. Het zoeken naar een plek voor jongeren werd gevonden! Zij verbouwden met veel inzet en gemeentelijke subsidie de schuur van boerderij “De Beug” in Odijk (van Anton en Lies van Wijk) en hielden daar tien jaar lang feesten.

Ondertussen waren er meer jongerencentra in de omgeving ontstaan, zoals de jeugdcentra in de Barbaraschool in Bunnik (later ‘De Dolfijn’) en op de Brandweerzolder in Werkhoven (later ‘La Bamba’). De St. Open Jongerencentrum werd een samen gaan van ‘De Beug’, ‘Dolfijn’ en ‘La Bamba’ in de stichting >Open Jongerencentra Bunnik.

De gemeente organiseerde ook voor jongeren. Want naast de stichting Open Jongerencentra Bunnik was er de “Raad voor Jeugd en Jongeren Bunnik” (1975). Omdat twee stichtingen die hetzelfde doel nastreefden niet handig was, volgde in 1981 een fusie, die leidde tot de oprichting van de >Algemene Jeugdstichting Bunnik (AJB).

Deze stichting kon het jeugdbeleid van de gemeente helpen vormgeven en samen de professionele jongerenwerkers (in die tijd Corrie Kok, Wouter van Kouwen en Joke Rederikze) in dienst hebben. Ook andere organisaties op het gebied van jongerenwerk, zoals Yumbo, de scouting, kerkelijke jeugdclubs en de stichting Peuterspeelzalen konden zich aansluiten in een “Raad van aangeslotenen”, die samen het algemeen bestuur kozen. In de loop van de jaren bleven eigenlijk alleen stichting Open Jongerenwerk De Schoudermantel en de stichting Open Jongerencentrum La Bamba uit Werkhoven als actieve aangesloten organisaties over. Daarom besloten de AJB en de twee jongerencentra in 1994 te fuseren in de >Stichting Jeugdwerk Bunnik.

De kraakactie Boerderij Schoudermantel, ‘ het punt was gemaakt’

Toen bekend werd dat het contract met jongerencentrum De Beug in 1983 af zou lopen en de eigenaars gezien hun stijgende leeftijd ermee wilden stoppen, en ook het jongerencentrum De Dolfijn in Bunnik dreigde te gaan sluiten, besloten jongeren van De Beug en De Dolfijn een andere boerderij te kraken: De Schoudermantel. Zij hadden gehoord dat de schuur hiervan leeg stond en dat de boerderij een sociaal-culturele bestemming had gekregen dus zij wilden graag dat hier een jongencentrum zou komen. De gemeente was echter meer geneigd het gebouw Dalenoord aan de jongeren toe te wijzen. Die hadden daartegen bezwaar, omdat Dalenoord midden in de bebouwde kom stond. Toen die optie ook leek te vervallen, trokken de jongeren dus naar boerderij de Schoudermantel en hingen het bordje ‘bezet’ erop!

Jan (54) en Anja (51) van Schaik en Sjaquo van Houte waren met vele anderen bij het begin van De Beug en De Schoudermantel.

Anja: toen het contract met De Beug afliep hadden wij geen andere plek om naar toe te gaan. Wij dachten toen: dan moeten we een nieuwe boerderij vinden! Dat begrijp je misschien nu niet, nu is er van alles voor jongeren, maar toen was er niks. Wij hadden één centrum en dat werd voor ons gevoel van ons afgepakt. Wij waren zo kwaad! Toen hoorden we van de Schoudermantel, dat die binnenkort leeg zou komen en een culturele bestemming zou krijgen, en wij besloten de Schoudermantel te kraken. Begin 1982 toog een groep van 20 jongeren naar boerderij De Schoudermantel, die behoorde aan de familie Peek. Zij woonden nog in het voorhuis, maar de schuur was vervallen en stond open, we konden er zo in. Uiteraard kwam de politie langs, en hoewel de politiemensen begrip hadden voor de jongeren, werden ze na één nacht weggestuurd. Maar de kranten stonden er vol van en het punt was gemaakt: eind 1982 verleende de gemeente toestemming om De Schoudermantel om te bouwen tot jongerencentrum.

Zelf bouwen

Veel geld was er niet, dus de jongeren besloten de verbouwing zelf ter hand te nemen – op basis van tekeningen van een bevriende architect. In juli 1983 begon de verbouwing, die door jongeren zelf en het project Mensen zonder Werk ter hand werd genomen. Een enorme klus waar door iedereen veel tijd in werd gestopt. Ook Sjaquo van Houte, medewerker van het eerste uur en nog steeds bestuurslid van De Schoudermantel, herinnert zich deze tijd goed. Er waren allemaal vaklui onder ons, loodgieters, elektriciens, metselaars, timmermannen. Binnen enkele maanden hadden wij het pand klaargemaakt. Er werd een stichting opgericht, de stichting Opbouw Schoudermantel, en later een stichting voor het jongerencentrum zelf, waarvan Sjaquo de eerste voorzitter werd.

De trein

De DJ’s van De Schoudermantel hadden behoefte aan een veilige plek voor alle apparatuur en elpees. Ze hoorden van een uitgaanscentrum in Arnhem waar de DJ-plek in een Cadillac was gebouwd die uit de muur kwam. Met wat brainstormen kwam iemand toen op het idee om een treinkop als DJ-centrum in De Schoudermantel te zetten. De oom van Schoudermantelvrijwilliger Dick Liefting had een bedrijf (“Koek”) dat treinen sloopte. Jan van Schaik en enkele andere vrijwilligers zijn daar naartoe gegaan, hebben een vrachtwagen geleend en op een platte oplegger is de treinkop naar Odijk vervoerd. De vrijwilligers hebben dagenlang de treinkop van binnen leeggemaakt, geschuurd en klaargemaakt tot DJ centrum. Marcel van der Veen maakte daarna prachtige schilderingen op de trein. Jarenlang was ‘de trein’ het symbool en het logo van De Schoudermantel.

Opening

Na een klein jaar van hard werken was het gebouw helemaal klaar voor gebruik en werd het Open Jongerencentrum De Schoudermantel in 1984 feestelijk in gebruik genomen. De voormalige eigenares van de boerderij, mevrouw Cor van Peek (beter bekend als tante Cor) verrichtte de openingshandeling, het doorknippen van een lint. Anja: Dat was geweldig, wij hadden veel sympathie voor deze familie. Het nieuwe centrum was ook bedoeld voor jongeren uit Bunnik, die ook hun eigen centrum De Dolfijn waren kwijtgeraakt. Jan van Schaik: Dat was een goede zaak, want door het samenwerken en samen een biertje drinken verdween de rivaliteit die er altijd was tussen jongeren uit die twee dorpen. Sjaquo: Maar het had ook wat voeten in de aarde, gezien de uiteenlopende muzieksmaken van beiden groepen. In De Beug werd meer hardrock gedraaid en in de Dolfijn niet, dat was meer disco. Maar er werden gesprekken gevoerd en het ging toch lukken. In het nieuwe jongerencentrum was er op vrijdagavond een hardrockavond, op zaterdag een band en op zondagmiddag een disco. We haalden altijd grote acts binnen voor die tijd, herinnert Sjaquo zich met trots, zoals Herman Brood, De Dijk, Margriet Eshuijs, Hans de Booij. En de opkomst was vooral op die avonden groot, soms wel 300 mensen of meer, uit de hele regio. Er kwamen ook avonden dat we ‘vol’ zaten en mensen moesten weigeren. De rest van de week was het centrum ook open, zodat de 60 vrijwilligers en de beroepskrachten zoals Corrie Kok en Piet Daalhof konden vergaderen en dingen konden voorbereiden.

Brand

De Schoudermantel werd gebruikt voor inloop, disco’s en hardrockfeesten, en ook werden vele landelijke bekende bands uitgenodigd, zoals Toontje Lager, De Dijk en anderen. De Schoudermantel werd een bekende plek, waar honderden jongeren op af kwamen. Alles liep op rolletjes, tot die fatale nieuwjaarsnacht van 1 januari 1985. Een – vermoedelijke – vuurpijl raakte het rieten dak en De Schoudermantel brandde tot op de grond af. Anja laat de foto’s van de brand zien, waarbij haar ogen opnieuw vol schieten. Die foto’s doen nog steeds zeer. Heel je levenswerk, je jeugd, je dorp zit er in. Ik heb erbij gestaan toen het afbrandde en heb gehuild als nooit tevoren. We waren gebroken, kapot. Weken hebben we samen bij het afgebrande gebouw gezeten, en samen gehuild, we konden het niet geloven. De gemeente kwam snel in actie en gaf vergunning en geld voor de bouw van een nieuw jongerencentrum, dat in de stijl van de oude boerderij werd opgebouwd. Er kwam opnieuw een trein in, er werden nieuwe platen aangeschaft, en de ‘tweede Schoudermantel’ kon eind 1985 van start gaan. Dat werd gevierd met een feestweek in december.

Samen genieten

Zowel Jan als Anja zeggen veel te hebben geleerd van hun tijd bij De Schoudermantel. Jan: Je leert samenwerken, ook met mensen die je misschien niet zo mag, je leert om te gaan met alcohol, met agressie soms ook, maar vooral: samen genieten, samen lachen en samen huilen. Anja: En het leerde me ook een belangrijke levensles over de betrekkelijkheid van dingen. We hadden zo hard gewerkt en dat was in één nacht weg! Dat gevoel van betrekkelijkheid geeft me sindsdien een bepaalde rust. Toch heeft De Schoudermantel voor Jan en Anja niet meer wat het vroeger had. Jan: Het hoeft niet zo druk te zijn als vroeger, en met al dat bier. Eigenlijk is er nu weinig te doen voor de groep van 14-18 jaar, die nu bij elkaar komen in huizen of schuren. Anja vult aan: Ja, het zou mooi zijn als de jongeren uit deze dorpen net als wij vroeger weer allemaal bij elkaar zouden komen, op één plek.

Ook Sjaquo kijkt tevreden terug op zijn tijd bij het jongerenwerk. Het jongerenwerk in die tijd heeft mij veel levenservaring gegeven, die ik niet ergens anders had kunnen opdoen. Dat je weet hoe je zoiets samen organiseert, hoe je artiesten moet boeken, maar ook hoe je cement moet mixen… We waren trots op ons Jongerencentrum. Ook nu nog vind ik het belangrijk dat er een plek is waar jongeren al vroeg verantwoordelijkheid mogen dragen, en waar ze zelf dingen mogen organiseren waar zij de baas over zijn.

Meer over de trein

De treinkop in de grote zaal is jarenlang het boegbeeld en logo van De Schoudermantel geweest. De oorspronkelijke treinkop was een groene 50er jaren stoptrein, zoals die tot in de jaren 70 nog reden, afkomstig van een Mat46. Na de brand in 1985 is er een nieuwe treinkop gehaald. Die was afkomstig van een Blauwe Engel, de uitvoering DE2. Op de eerste treinkop, die helaas verloren ging bij de brand in 1985, stond een afbeelding van de LP hoes van Bob Seger, met paarden die door de zee rennen. Op de tweede treinkop, die nog altijd in De Schoudermantel prijkt, staat een LP hoes van Meatloaf en een afbeelding van de brandende Schoudermantel.

Quotes:

Rijndert van Scherpenzeel: Ik zelf heb altijd als medewerker meegewerkt en ik vond het leuk in de Schoudermantel!

Bart Koenraad: Ik heb me altijd met veel plezier bezig gehouden met de Schoudermantel. Ik denk dat we er allemaal een beetje volwassen zijn geworden. Mooie tijd!

Corrie van Gogh-Kok: Ik ben 16 jaar beroepskracht geweest in De Schoudermantel en de Dolfijn in Bunnik. Veel meegemaakt, maar een fantastische tijd gehad!

Piet Daalhof: Ik weet nog van de kraakactie, dat we de buitenwereld lieten denken dat we Dalenoord zouden kraken. Eén vrijwilliger is er zelfs ingetrapt, die stond bij de verkeerde boerderij….

Olaf van Gool: In 1987 ben ik voor het eerst over de drempel gekomen in de schoudermantel. Toen had je nog iedere zondag disco middag. Toen ik later vrijwilliger was zijn we ook begonnen met het maken van een praalwagen voor de carnavalsoptocht van Bunnik en Odijk. Het was een mooie tijd!

 

Andries Schoemaker was een rijke textielhandelaar uit Amsterdam. Hij leefde van 1660 tot 1735.

Als hobby had hij het maken en verzamelen van afbeeldingen van allerlei gebouwen in heel Nederland. Ook van het Kromme Rijn gebied heeft hij verschillende prenten gemaakt, waarvan één van de kerk in Bunnik. De tekeningen, die hij soms zelf maakte, en soms in opdracht van hem gemaakt zijn, zijn voor zover bekend erg nauwkeurig. Ook van de dorpskerk in Bunnik heeft hij een tekening gemaakt.

Onder de tekening staat een tekst. Het begin ervan luidt als volgt: 

“Bunnik.

Is een dorp behorende onder het over stift of boven stift en onder het aarsdiakenschap van Utrecht. Dit dorp dat tegenwoordig klijn is, hadde een parochiekerk, met een koster, van de inkomsten die den pastoor en koster gehad hebbe, heeft Floris van Weede, als hij in den jare 1580 een lijst daar van maakte, bijna geen bescheijt van geweten en toen wiert er van de pastoorsgoederen niet meer als 15 gl en 6 stuijvers en van des kosters inkomste niet meer als 4 gulden getrocken.

Naderhand is men te weten gekomen dat de volgende goederen en inkomsten aan de kerk van Bunnick heeft toebehoord.” 

Met het “aarsdiakenschap” wordt bedoeld dat de aartsdiaken van het bisdom het recht had om de pastoor te benoemen in Bunnik. 

Floris van Weede was een ambtenaar die, na de Reformatie, er op uit was gestuurd om de inkomsten van kerken in kaart te brengen. De kerken in het sticht gaven echter bijna geen inkomsten op, beducht als ze waren dat hun inkomsten ingepikt zouden worden.

Als de we tekening met het schrijven van Andries Schoemaker erbij halen is allereerst de deur aan de zuidzijde zichtbaar. (Zie afbeelding 1). Bij de restauratie van 2011/2012 is deze teruggevonden (zie afbeelding 2). Ook valt direct op dat het koor (het lagere deel) veel kleiner is dan nu. Dit koor was in 1566 al een keer verbouwd, en daarna nog verschillende keren. Tegenwoordig is het koor even hoog als het schip (het linkerdeel) van de kerk.

Links van de kerk zien we een weg die naar een poort leidt. Die poort was de ingang naar het kerkhof. Er stond een muur omheen, zodat er geen loslopende varkens bij de graven konden komen. Het deel aan de noordkant van de huidige kerk, was inderdaad de begraafplaats. In 1554 wordt de begraafplaats al genoemd, maar ongetwijfeld zal die er zijn geweest vanaf de stichting van de kerk. Later wordt er in de archieven gesproken over “het rooster”. Dit zal een soort wildrooster zijn geweest om de varkens te weren van de begraafplaats.

Interessant is dat er links achter de kerk gebouwen staan. Welke gebouwen dat zijn is niet bekend, maar mogelijk betreft het de pastorie. De voormalige pastorie staat nu aan de zuidkant van de kerk, bij de brug, maar in oude rekeningen is sprake van het trappetje vanuit de pastorie tuin naar het kerkhof. Dat trappetje moest gerepareerd worden. Als het kerkhof aan de noordkant was, dan moet de pastorie ook aan die kant zijn geweest.

Als je de toren bekijkt, dan zie je dat er aan de oostkant (dat is boven het schip van de kerk) een aantal gaten zitten. Hier hadden de duiven hun nesten. De koster had als bijverdienste de opbrengst van duiven: die werden in die tijd veel gegeten.

Voor de kerk, net rechts van de 2 bomen, staat een vierkant bouwseltje. Wat dat geweest is, is niet bekend. Mogelijk een waterput?

Tot slot valt op dat er tussen het koor van de kerk en de Kromme Rijn geen bebouwing is. Dat kan komen doordat de tekenaar deze niet getekend heeft, maar mogelijk heeft er een hele poos geen huis gestaan. We weten dat er in 1764 een huis gebouwd werd (nu het voorste deel van de Witte Huisjes), dus mogelijk heeft er inderdaad geen bebouwing gestaan. 

De derde afbeelding komt ook uit de collectie van Andries Schoemaker en geeft de kerk te Odijk weer. 

Wat gebeurde er tijdens de Tweede Wereldoorlog in ons dorp? Voor het project Oorlog in mijn dorp zoekt Cultuurplatform Bunnik lokale verhalen en spreekt met ooggetuigen.

Vandaag het verhaal van Albert Polman (79), oud-opzichter van Fort Rijnauwen in Bunnik. Albert werd op landgoed Rijnauwen geboren, toen de oorlog al een jaar gaande was. Met zijn ouders en vier zussen woonde hij in het huis met de rieten kap tegenover de ingang van Fort Rijnauwen. Zijn vader was boswachter en beheerder van tennispark Rijnauwen.

Fusilladeplek

‘Ons huis was in de oorlog niet gevorderd. Fort Rijnauwen werd wèl gevorderd door de Duitsers als munitieopslagplaats. Tijdens de oorlog lieten de Duitsers vrijwel niemand op het fort toe, maar na de oorlog bleek welke gruwelijkheden zich er hadden afgespeeld. Naar schatting zijn hier tussen de 54 en ruim honderd Nederlandse en Belgische verzetsstrijders gefusilleerd. Ook in de jeugdherberg verderop hadden Duitse officieren hun intrek genomen. Zelfs de tennisbanen waren in bezit van de Duitsers. De officieren sloegen graag een balletje op het tennispark, dat door mijn vader werd beheerd.’ 

Daar, niet ver van het hol van de leeuw, groeide de jonge Albert op in het boswachtershuis. In de oorlogsjaren gingen zijn oudere zussen gewoon naar school. Albert vermaakte zich in en rond het huis. Hoewel Albert jong was, kan hij zich nog momenten en verhalen van de oorlog herinneren.

Radio

‘Zo had mijn vader een radio verstopt in huis en dat was streng verboden. Poolse soldaten die voor de Duitsers moesten werken, kwamen hier door het open raam naar de Engelse radio luisteren. Hier verderop bij Tennisvereniging Rijnauwen had mijn vader in het verenigingsgebouw tussen de wanden een zender verstopt. Op een avond zag een officier een kastdeur in een van de dubbele wanden van het verenigingsgebouw openstaan en hij kreeg argwaan. Dagenlang werd mijn vader door de SS verhoord op het kantoor aan de Maliebaan in Utrecht. Gelukkig wist mijn vader ze van zijn ‘onschuld’ te overtuigen en werd hij weer vrijgelaten.’ 

‘Maar goed dat de Duitsers niks door hadden, want wat ze niet wisten was dat mijn vader waarnemend commandant van de ondergrondse Binnenlandse Strijdkrachten (BS) was. Hij sprak er zelf nooit over, maar ik hoorde het later van mijn oudste zus en mijn moeder. Ik herinner me wel de speciale banden om zijn mouwen. De Duitsers hebben de zender overigens nooit gevonden en deze kon dus in gebruik blijven om informatie uit te wisselen met de Engelsen, mogelijk over bombardementen van het spoor of wapendroppings.’  

Geweren

‘Wat mijn vader nou precies deed, weet ik niet. Maar ik weet wel dat er thuis geweren onder de divan lagen. Die geweren en munitie werden verdeeld. Munitie mocht je natuurlijk ook niet in huis hebben, maar mijn vader als boswachter en voormalig jachtopziener mocht dat nog wel. Op een gegeven moment zaten er Duitse soldaten binnen óp de bank terwijl de munitie er ónder lag. Ik herinner me het verhaal dat mijn vader op de fiets uit Zeist kwam met een karretje waarin geweren verstopt waren. Hij werd aangehouden door Duitsers die de weg vroegen en gaf ze een lift. Toen mijn opa bij het Tolhuis in Bunnik, waar hij woonde, mijn vader aan zag komen met de Duitsers schrok hij zich rot. Hij dacht: dit wordt zijn dood. Totdat bleek dat deze Duitsers geen idee hadden en gewoon uitstapten.’

Honger

‘Echt honger hebben we trouwens niet gehad. Mijn vader had een goed salaris en een groentetuin en als boswachter mocht hij overtallig wild afschieten, zoals duiven of konijnen. Het eten werd verdeeld onder de familie. Ook herinner ik me dat boer Van Oostrom die op boerderij De Prins woonde (nu restaurant Vroeg) van alles weggaf wat hij had.’

Bevrijding

‘Bunnik en Utrecht zijn mei 1945 door de Canadezen bevrijd. Wij woonden achteraf, dus ik heb er weinig van meegekregen. Ik herinner me wel dat alle kerkklokken luidden. In Utrecht kwamen de Canadezen via de Biltstraat de stad binnen en werd de bevrijding uitbundig gevierd, zo heb ik later op foto’s en filmpjes gezien. Mijn vader zal er best bij zijn geweest. De Duitsers in fort Rijnauwen en de jeugdherberg hebben plaatsgemaakt voor de Canadezen. Op het weiland achter huis De Eik aan de Vossegatsedijk verrees een groot NSB-kamp.’

‘Na de oorlog beheerde mijn vader als boswachter ook het terrein op fort Rijnauwen, waaronder de voormalige fusilladeplaats. Hij trof er 19 houten palen met kogelgaten aan, waar de verzetsstrijders aan vast werden gebonden. Tijdens de oorlog had mijn vader door het aantal schoten dat hij hoorde kunnen bijhouden hoeveel verzetsstrijders er waren gedood. Vanuit onze slaapkamers zagen we destijds de auto’s van de Duitsers aankomen. Vanaf de Gansstraat werden de verzetsstrijders naar de fusilladeplaats van Fort Rijnauwen gebracht en met een lijkauto werden ze weer weggevoerd.'

Monument

In de jaren 70 werd Albert opzichter van het fort Rijnauwen en werkte hij jarenlang voor Staatsbosbeheer. In die jaren zochten vele nabestaanden contact over hoe hun familie aan hun eind was gekomen. Van 54 personen is de identiteit achterhaald. Bij de executiepalen werd een gedenkmuurtje geplaatst ‘Opdat wij nooit vergeten.’ In 1985 is de klokkenstoel geplaatst en sindsdien vindt jaarlijks de dodenherdenking op het fort plaats. Albert Polman is er vaak bij geweest en hij woont nog steeds in zijn ouderlijk huis tegenover de ingang van het fort. 

De Kromme Rijn Concerten worden sinds 1996 gehouden in de prachtige Oude Dorpskerk te Bunnik, die wegens de akoestiek zeer geschikt is voor kamermuziek. 

Het initiatief voor KRC is in december 1995 genomen door de in Bunnik woonachtige klarinettiste Nancy Braithwaite. Zij nodigde een aantal Bunnikse liefhebbers van klassieke muziek uit om bij haar thuis te praten over het opzetten van een serie kamermuziekconcerten in de Oude Dorpskerk.  Daaruit is een enthousiast bestuur ontstaan met Pieter Moerenhout, voorzitter; Mart Kellermann, vice-voorzitter; Hanneke Cassuto, secretaris; Teus Koops, penningmeester; Bert van Ejjnsbergen, 2e penningmeester; Hennie de Bruin en Ida Knobbe.

Voorzitter Peter Moerenhout, leraar en zanger, ontplooide initiatieven op muziekgebied. Zo had hij reeds het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds opgezet, waardoor hij ervaring had opgedaan met fondsenwerving.

Dankzij de steun van Bunnikse bedrijven, de Gemeente Bunnik, de  BAM, landelijke subsidies, sponsoren en individuele giften, werden deze concerten, uitgevoerd door beroepsmusici, financieel mogelijk. 

Het Arto Ensemble, dat bestond uit twee echtparen, Nancy Braithwaite, klarinet en Oane Wierdsma, piano, plus Prunella Pacey, altviool en Guus Fabius, cello, zorgde voor de muziek samen met hun vele professionele muzikale vrienden. De naam ARTO is samengesteld uit de voorletters van de vier kinderen van de musici, Amarins, Rosina, Tsjalling en Otto. 

Het  “Introductie-Concert“ vond plaats op 19 mei 1996 in de Oude Dorpskerk te Bunnik en was met 80 bezoekers een groot succes. Er werden direct plannen gemaakt voor het eerste seizoen 1996-1997 met als thema “Gedenkjaar Schubert en Brahms”. Tijdens de eerste 10 jaar van KRC traden in de kamermuziek- concerten 35 gerenommeerde  gastmusici op samen met het Arto Ensemble. Daarnaast was er een jaarlijks barokconcert verzorgd door een daarin gespecialiseerd gezelschap.

Naast vertrouwde  componisten zoals Mozart, Haydn, Beethoven, Schubert, Brahms, Schumann, Dvorak, Debussy, Stravinsky en Bartok werden ook klankjuwelen van minder bekende componisten geprogrammeerd. Enkele voorbeelden daarvan zijn Arthur Bliss, Margot Wright, Heinrich Kaminski, Franz Lachner en Alexander Zemlinsky.  Tevens werden werken van de Nederlandse componisten Jan Pieterszoon Sweelinck, Alphons Diepenbrock, Hendrik Andriessen, Leo Smit, Henk Badings, Jan Koetsier, Ton de Leeuw en Willem Wander van Nieuwkerk uitgevoerd. 

Ter gelegenheid van lustrumvieringen nodigt KRC regelmatig hedendaagse componisten uit voor het schrijven van een kamermuziekwerk. Bij KRC zijn  hierdoor wereld-premières gegeven van composities van Thomas Oboe Lee, Willem Wander van Nieuwkerk, Roel van Oosten en anderen.

Na het overlijden in 2008 van pianist Oane Wierdsma, die ook tijdens de concerten op een interessante en humorvolle manier over de componisten en hun werken vertelde, is het Arto ensemble, met de inmiddels tot topartiesten uitgegroeide tweede generatie aan Arto familieleden uitgebreid; violiste Amarins Wierdsma (dochter van Nancy Braithwaite en Oane Wierdsma) en mezzo-sopraan Rosina Fabius (dochter van Prunella Pacey en Guus Fabius).  Naast optredens met hun ouders programmeren Rosina en Amarins tegenwoordig elk seizoen hun eigen concerten met leeftijdgenoten in onze serie. Vanaf 2016 treedt Amarins  Wierdsma jaarlijks in KRC op met haar Barbican String Quartet, dat  in 2019  de eerste prijs in de Joseph Joachim Chamber Music Competition te Weimar won. Rosina Fabius, die in 2018 de Toonkunst Oratorium Prijs won tijdens de finale van het Internationaal Vocalisten Concours in Den Bosch, brengt regelmatig andere vocalisten naar Bunnik. 

Sinds 2011 vindt er elk seizoen een jong talent concert plaats dat regelmatig  wordt verzorgd  door de Fancy Fiddlers, een strijkersensemble van kinderen in de leeftijd van 6-18 jaar o.l.v. de vermaarde vioolpedagoge Coosje Wijzenbeek, bij wie Arto ensemble violiste Amarins Wierdsma ook in haar jeugd heeft gestudeerd. 

Vanaf  het tweede seizoen zijn in de Witte Huisjes achter de kerk, voorafgaand aan de concerten inleidingen gegeven door muziekdocenten Alice van Rossem en Paul van der Reijden. KRC begon ook met lessen aan kinderen op de basisscholen in de gemeente Bunnik over de concertprogramma’s. De kinderen en hun volwassen begeleider hadden gratis toegang tot de zondagmiddag concerten. Enkele generaties kinderen in de gemeente Bunnik hebben op deze manier kennis gemaakt met klassieke muziek. Tijdens de pauze komt het publiek samen voor een drankje in de Witte Huisjes. De concerten zijn een  ontmoetingsplek voor muziekliefhebbers uit de regio.  

Dankzij de inzet  van talloze vrijwilligers, de musici en  bestuursleden, die anno 2021 bestaan uit Kees de Pee, Hans Flipse, Vera Van Brande en Ruth van Houte, is KRC na 25 jaar springlevend. Onze missie is onveranderd om concerten van hoog niveau voor het Bunnikse  publiek te verzorgen.

Tot het jaar 2015 kende Bunnik een gelijkvloerse spoorwegovergang, totdat de gemeente Bunnik eind 2013 een design-en-constructcontract binnen sleept voor haar stationsgebied. Om een snelle en veiliger verkeerssituatie te creëren vormt de complexe infrastructuur rond dit stationsgebied in 2014 dè uitdaging voor tunnelbouwers van Nederland. Kijk en lees hun verhaal over samenwerken en duurzaam bouwen in de film 'Mensenwerk' van Wim van der Tol: “De uitdaging is samenwerken! Samen met andere partners ter plekke en verder communiceren met collega’s van de volgende partner, om zo een tunnel definitief in te passen, dat is de kunst van samenwerken. Als partners naar duurzame oplossingen zoeken, dat moet nog wel tussen de oren en in de genen komen!”(1) 

“Er is gekozen voor drie tunnels; een fiets- èn twee snelverkeertunnels. De langzaamverkeertunnel loopt midden onder de perrons door en dient ook voor de perronontsluiting. Voor een snelverkeertunnel was bij het station geen plaats. Daarom is deze iets meer westelijk komen te liggen. Bijzonderheid hieraan is dat het ook onder het spoor doorloopt, en tegelijkertijd een toerit kruist naar de A12. Een complex deel en spannend, want het paste net! (2)”

‘Op 2 kilometer afstand van de Kromme Rijn vindt dan ook een aanpassing van de infrastructuur plaats die ongekend is in de geschiedenis van het dorp. Door een toerit aansluiting vanuit Houten naar Utrecht, het doortrekken van de Baan van Fectio, als de nieuwe rondweg en het definitief sluiten van de spoorwegovergang bij de Groeneweg, worden er niet 2, maar 3 bijzondere spooronderdoorgangen vervaardigd om het verkeer in goede banen te leiden. 

De lens van de filmer Wim van der Tol

‘Vanwege deze bijzondere situatie besloot ik in 2014 ProRail te willen benaderen, waarbij ik aanbood alles te willen filmen. Ik keek door mijn lens rechtstreeks in de keuken van bouwend Nederland in de delta van de Rijn. Kijk en luister naar verhalen van de werkvoorbereider Paulus, de uitvoerder van de perrontunnel Arjan, de uitvoerder van de autotunnel Jan Willem, en de projectleider Marijn.’

De eerste beelden zijn opgenomen rond september 2014 als de werkzaamheden aan de zuidelijke autotunnel al duidelijk zichtbaar zijn. ‘Wanneer is het project begonnen en hoe verliep de organisatie?’

De start van de bouw van de tunnels

Projectleider Marijn: “We hebben op 2 december 2013 de opdracht gekregen en zijn in januari 2014 gestart.” Werkvoorbereider Paulus: “Op 5 februari 2014 is de overdracht getekend tussen Prorail en ons bedrijf. Medio april 2014 zijn we gestart als in het weiland nog de schapen lopen”. 

Projectleider Marijn: “We zijn partijen aan ons gaan binden en contracteren om ook hun werkzaamheden te laten doen. Als eerste de ontwerpende partij voor het project van de onderdoorgang, en om te beginnen bij de zuidzijde, dus het deel tussen de A12 en het spoor, om daar de zuidelijke toerit als doorgang te maken. Want we hadden daar een mijlpaal te behalen om de zuidelijke toerit tijdig op te leveren aan de opdrachtnemer van de verbindingsweg uit de A12”. ‘Hoe verloopt dan de samenwerking met die verschillende uitvoerders?’

Samenwerken 

Projectleider Marijn: “het samenwerken ging goed, vooral het buitenwerk. Uitvoerders konden elkaar gemakkelijk vinden. In de ontwerpfase hebben we best wat raakvlakken met elkaar en zijn we situaties samen op een goede manier gaan oplossen.” 

Projectmanager Nils den Hartog: “we werkten in deze fase ook samen met de omgeving, met bewoners en bedrijven. Hun suggestie was bijvoorbeeld om de aansluiting van de snelverkeertunnel te verschuiven, zodat er minder hinder zou zijn voor hun woning of bedrijf, dit namen we mee in de ontwerpfase.”(2)

Een sterk staaltje

‘Deze autotunnel is onderdeel van de toerit aansluiting naar de A12, beter bekend als de  veelbesproken Rijsbruggerweg tracé vanuit Houten. (foto) 

Het past net!

Projectmanager Nils den Hartog: “de autotunnel bestaat uit twee delen, want hij doorkruist eerst de huidige spoorbaan en vervolgens de in aanbouw zijnde toerit naar de A12. Dat betekent dat er twee tunneldekken van veertig en zeventig meter op de driehonderd lange tunnelbak komen te liggen. Die aansluiting met de toerit is een van de complexe onderdelen van dit project’. Zowel in horizontale als verticale zin is er weinig ruimte. Alles past net op elkaar! De toerit ligt er al, dus die moet dan ook in stand worden gehouden.” (2) ‘Samenwerken met verschillende uitvoerders is één. Tegelijk werken op dezelfde plek lijkt mij lastiger.’ 

Projectleider Marijn: “we hebben niet allemaal gelijktijdig gewerkt. Er zijn inderdaad wel momenten geweest dat onze toegang naar ons werk toe enkele dagen was afgesloten. Het geeft niet als je die situatie in de werkzaamheden dan opneemt. De uitvoerders gaan zo’n probleem natuurlijk met elkaar communiceren en oplossen. Dan hoeft er geen directeur of projectleider aan te pas te komen.”  

De werkzaamheden aan de langzaamverkeertunnel/perrontunnel. ‘Was het bouwen van deze zuidtunnel een routineklus?’

Werkvoorbereider Paulus: “in de basis is het een eenvoudige klus. We hebben 't al ruw opgebouwd tot een bepaalde grens waar de andere partner het zal overnemen. Belangrijk is wel het precies inpassen in de definitieve locatie. Langzaam werken we naar die grens en de collega’s wegenbouwers leggen daar een weg overheen.”

Absoluut een uitdaging

‘De werkzaamheden aan de perrontunnel zijn inmiddels ook gestart. Damwanden worden geplaatst, maar … wat is de functie van de blauwe draden? Is het project leerzaam?’

Werk uitvoerder Arjan van de perrontunnel: “de blauwe draden zijn nodig om het water in de bodem te pompen. Tegelijkertijd wordt met een laag pur, een waterdichte bodem van een meter gelegd, en loopt het overige water de onderliggende put in.” ‘In deze bouwput wordt de tunnel in zijn geheel vervaardigd, om later in zijn geheel verplaatst te worden in het perron. Of het leerzaam is, krijg ik een enthousiast antwoord. “Absoluut! Dit project voer ik voor het eerst in zijn geheel uit en heb hiervoor de gehele verantwoording. Natuurlijk samen met het team!” 

De autotunnel 

‘Nu de zuidelijke tunnel (perron/fietstunnel) gereed is worden de werkzaamheden verplaatst naar de noordzijde. Daar zal de aansluiting naar de Provincialeweg gerealiseerd worden. Maar allereerst wordt het terrein gereed gemaakt om het spoordek te bouwen. Dit spoordek wordt op circa 100 meter van het spoor gebouwd om later te worden ingereden. Hoe bijzonder is dit?’

Projectleider Marijn: “nee, het is niet een uniek project te noemen wat de werkzaamheden betreft. Wel is ‘t een project met een redelijke omvang, dus een flink project voor ons bedrijf.” Uitvoerder autotunnel Jan Willem vult aan: “in elk project zijn weer onderdelen die nieuw zijn die door ervaring worden opgevangen”. 

‘Hoe gaat de planning van een dergelijk project?’ 

Projectleider Marijn: “We hebben een aantal harde datums; zoals de oplevering van de rondweg, en de buitendienststelling (NS) van de damwanden onder het spoor leggen, en de buitendienst stelling als we het spoordek hebben ingereden. Dat zijn keiharde datums. We maken voordat we daaraan beginnen een overall planning en bij elke 6 weken maken wij de balans op, waar staan we, redden we het nog, moeten we bijsturen voor meer materieel.” ‘Hoe duurzaam bouwen jullie?’

Duurzaam bouwen en samenwerken

Projectleider Marijn: “Duurzaam bouwen is voornamelijk gestimuleerd vanuit de opdrachtgever op een aantal fronten. De nieuwe autotunnel beschikt over diverse duurzame elementen, zoals hergebruikt beton. Ook zeggen de ontwikkelaars de milieubelasting met 25 procent te hebben gereduceerd. Duurzaam bouwen moet eerlijk gezegd wel voor ons als aannemers veel meer tussen de oren gaan zitten. Samen met de opdrachtgever en met ons als aannemer en straks beheerders moeten we veel meer duurzame oplossingen bedenken. Het heeft veel met kosten te maken en de vraag, zijn we echt bereid om daarin te investeren. Om dit te bereiken hebben we wel wat doorzettingsvermogen en investeringsbereidheid nodig.” 

‘Vlechtwerk, overal vlechtwerk.’ Werkvoorbereider Paulus: “zoveel staal hebben we echt nodig, omdat gewapend beton in zich heeft om de druk op te vangen.” ‘Of dit project ook leerzaam is voor hem krijg ik ook van hem een enthousiast antwoord.’ 

Nieuw en leerzaam

Werkvoorbereider Paulus: “op heel veel vlakken is het voor mij leerzaam geweest. Ik ben hier in een nieuwe functie. Van het begin af ben ik, vanaf het contract, tot het eind, bij dit project betrokken. Nieuw was voor mij de manier van aanpak en de veelzijdigheid van het project. Voorheen maakte ik alleen de fundering, nu werkte ik door met alles wat er daarna volgt. Ik was gewend alles onder de grond achter me te laten. Nu gaat het verder dan dat!”

Voltooiing 

>>Indrukwekkende muziek 

Na maanden van voorbereiding is het spoordek gereed voor plaatsing in het spoor. Dat betekent dat van vrijdagnacht tot maandagochtend vroeg geen treinverkeer mogelijk is. In deze zogenaamde buitendienst stelling moet het inrijden en het plaatsen van het spoordek plaatsvinden. Er is veel bekijks voor het staaltje groots mensenwerk wanneer de tunnel, gedragen op een groot aantal wielen, onder het spoordek wordt gemanoeuvreerd. 

Na weken en maanden van hard werken nadert ook de perrontunnel zijn voltooiing. En ook hier geldt; maandagochtend moeten de treinen weer rijden. De kurk gaat van de fles!

Er volgen nog meer bijzondere momenten op de film "Mensenwerk". Korte impressies hiervan zijn; van de perrontunnel, de autotunnel widescreen, en de opening hiervan, met speciale muzikale omlijsting van het Popkoor van Bunnik.

Op 18 december 2015 konden automobilisten in Bunnik voor het eerst gebruik kunnen maken van de twee nieuwe autotunnels. Hierdoor kreeg Bunnik na 55 jaar een betere doorstroming van het autoverkeer naar de A12. Terug in de tijd. In 1959 waren hiervoor al plannen.

Op 22 maart 2016 volgde de fiets- en voetgangerstunnel met de nieuwe toegang tot het perron.

Film: Mensenwerk

Filmmaker: Wim van der Tol

Driekus van Zijl, (1904-1993)

Ik schrijf op wat mij het sterkst is bijgebleven. Ik ben onder de petroleum lamp geboren, zeg maar. Als kinderen gingen wij naar de R.K. Barbara school in Bunnik. Voor onze zesde verjaardag brachten we de tijd door met spelen; we maakten wat ruzie met mijn broers en zusjes of soms met een vriendje. Maar dat loste zich vanzelf weer op, nadat mijn ouders het geheeld hadden. Wel moesten we in de winter water pompen voor het vee, en bieten snijden en in de zomer de tuin harken, en natuurlijk allerlei boodschappen doen. 

De omgeving is zo veranderd. Er lag een spoorlijn langs de Kromme Rijn, met het oude station aan de linkerkant van de weg. Er was nog bos; grote dikke eiken met daartussen allerlei begroeiing. Hier stond het Huis Bloemerwaard, waar de burgemeester woonde, en een koetsiers woning. Mijn vader had tegen de Kromme Rijn een kleine boomgaard van 1 hectare in pacht van de burgemeester. Zo 4 à 5 maal in de zomer werden zo’n 10 melkkoeien ingebracht. Zolang de koeien in de boomgaard liepen mochten wij van het wandelpad gebruik maken. We kregen de sleutel van het hek. Het wandelpad lag gelijk in ’t begin naast de spoorlijn, maar week snel af het bos in. Van die omgeving is niets meer over. 

Gemeente indeling, zijn gebruiken en verordeningen

Begin 20e eeuw sluimerde het dorp Bunnik nog in een zeer diepe geslotenheid, met zo ongeveer 1000 inwoners. Men leefde in die dagen heel wat rustiger dan vandaag. Een politieman en een rijksveldwachter liepen vaak samen ’s avonds door het dorp. Verder was er een raad van 5 personen, plus een burgemeester, secretaris, een ambtenaar op het kantoor om het schrijfwerk te verrichten, de koerier en een vaste werkman, hij heette Kees Pessel. Hij zorgde ervoor dat er elke avond in de winter 4 straatlantaarns werden ontstoken. Ik zie hem nog duidelijk lopen met een ladder op zijn rug, om op elke hoek één lantaarn te ontsteken en om 9 uur weer uit te draaien behalve zondag, dan één uur later. Op zaterdag werden alle 4 lampen naar beneden gehaald en van een nieuwe kous en petroleum voorzien. Verder deed Kees Pessel als wegwerker dienst. Hij had de taak van het verharden van de wegen met grind. De Dorpsstraat, de Smalleweg en de Spoorbuurt zijn later een stuk breder gemaakt. De Molenweg was toen een provinciale weg, daar behoefde de gemeente niets aan te doen. Deze werd door de Provinciale Staten in zijn geheel onderhouden. De weg van Utrecht naar Wijk bij Duurstede had midden op de weg nog een klein smal straatje van 60 cm breed. Dat was gedaan voor de voertuigen die met paard en wagen kwamen en die naar de kaas- of veemarkt gingen.

In die dagen stond er in het dorp nog een tol op de weg. Op de weg naar Zeist of naar De Bilt moest tol betaald worden. Het eigenaardige van het tol betalen was wel, dat een zwart paard, bles met 4 witte benen tolvrij waren gesteld. Dat was niet alleen in Bunnik maar over het gehele land. Langs de tol passeerden vanuit Zeist ongeveer 30 á 40 brikken langs, beladen met kaas naar de kaasmarkt in Utrecht. Zoals gebruikelijk werd er na afloop van de kaasmarkt even gestopt bij Betje van der Vecht op Vechten voor een opsteker. 

Paarden

Er bloeide een stevige handel in paarden, waar mijn vader Pieter van Zijl veel handel in deed. Ze werden toen nog voor allerlei doeleinden gebruikt en vooral in het leger. Ik ging als kleine jongen graag mee naar de paardenmarkt, al was het maar om het paard vast te houden. Er kon niet meer dan één persoon mee in de Tilbury, die voor twee personen was. Als het onderweg begon te regenen, dan kon de kap omhoog en met mooi weer omlaag. Dat was voor die tijd luxe. 

Op de markt werd vooraf aan de koop van een paard eerst in de bek van het paard gekeken om de leeftijd te bepalen, daarna kwam het spatten en gallen, het nauwkeurig kijken of er geen zwellingen zijn aan de benen, en werden het draven en de gangen nagegaan. Na de koop van het paard, als dit op de markt plaats had gehad, dan ging men er nog mee naar de veestallen. Als laatste om de ogen te bekijken, of er geen stip op aanwezig was. Dat noemde men dan het afkijken en als dat dan aanwezig was, dan ging de koop gewoon niet door.  Als de koop doorging werd altijd gezegd, ‘hij is zonder spat of gal’.  

Aan de Molenweg was een dorpssmid met een hoefstal buiten. Als kleine jongen heb ik daar uren naar staan kijken. Het was er altijd erg druk, met het beslaan van nieuwe ijzers onder de benen van het paard.  Met 12 jaar was er geen leerplicht meer, en vond mijn vader dat ik paard leerde rijden en de boodschappen op het paard moest doen. Hij riep dan ‘spring op het paard en neem zaaizaad mee voor de jongens op het land’. Zo bracht ik o.a. ook koffie en brood bij mijn oudere broers aan huis. Dat deed ik dan vaak met het losse paard zonder zadel. Ik weet nog heel goed dat ik met koffiepot en brood van het paard werd geslingerd, en met een zeer achterwerk naar huis kwam. 

Een jaar later was het voor mij de tijd, om als ploegdrijver te worden aangesteld. Het viel in het begin niet mee om 4 paarden voor de ploeg te besturen. Na dit werk zo’n 2 nazomers gedaan te hebben, kwam de tijd aan om deelknecht te worden. Zo leerde ik nog de oude manier van werken op de boerderij.

Voor het zaaien als het maaien kwamen veel mensen uit Brabant en uit Gelderland naar ons dorp om te helpen met de oogst. Ze bleven dan de hele zomer in de kost. Ze sliepen in de koestal op stro,  kregen ’s avonds een bord rijstpap aangevuld met brood en kaas en dan naar bed, het stro in. Zo ging dat bij ons en verdienden maar een schraal loon. 

Seizoenarbeiders en een vers gekalfde chocoladekoe

Die trek van de seizoenarbeiders naar ons dorp Bunnik begon al met het maaien van het gras, en met het plukken van de kersen en eindigde in het najaar, wanneer de koeien op stal werden gezet. Dit was nooit eerder voordat voor Sint Nicolaas de klomp buiten werd gezet. De koeien werden de laatste 6 weken niet meer gemolken. Viel er nu eerder sneeuw, dan werden ze buiten bijgevoerd. Wij hielden altijd een vers gekalfde koe op stal, dat was dan de chocolade koe, zoals wij die dan altijd noemden.  Op deze manier konden wij deze mensen langer in dienst houden, en vooral ook met het dorsen van het koren. Dat dorsen met de vlegel duurde de gehele winter. Ook al was het slecht weer, men ging met het dorsen gewoon door. Alleen tarwe en het rogge werd gedorst. De haver was voor eigen gebruik. 

Het dorsen met een vlegel was voor mij in het begin erg moeilijk. Je raakte dan wel eens de vlegel van een ander. Je moet je eens voorstellen, dat met 4 man op een en hetzelfde punt slaat, met een steel in de hand, doch waar op het einde van de steel een losse knuppel is verbonden. Op elke garf twee klappen van elk te ontvangen. Dat waren er dan acht. Vervolgens werden ze dan uitgeschud en nog eens omgekeerd. Dan werd hetzelfde nog eens herhaald, en daarna weer eens te worden uitgeschud. Met de hand het stro opbinden, en het daarna op de balk opslaan. Zo werden er altijd 4 lagen achtereen gedorst. Met de 4e laag werd ook de spreilaag opgenomen gelijk met alles. Het zaad werd dan op een hoop geveegd om de volgende morgen weer 4 lagen te dorsen. Als de hoop zaad groot genoeg was, dan werd de wanmolen van de stal gehaald. Dan begon men met het schoon blazen van het zaad. (het kaf van het koren te scheiden) Dit werk moest elk jaar gebeuren. 

Een dorsmachine

De tijd veranderde snel. De tractor deed zijn intrede. Ook de eerste dorsmachine kwam op de ‘werf’. Elke zaterdag was er een zitting in hotel Noord-Brabant op het Vreeburg in Utrecht voor de uitleg over deze machine. Samen met Bertus van Rijn, boer op Runnenburg, ging mijn vader erheen, en konden zij de machine in Vleuten gaan ophalen. Bij deze actie waren in totaal 12 mannen nodig om het gevaarte met 6 paarden, 2 voor de dorswagen, 4 voor de stoom locomobiel, over de slechte weg naar Bunnik te vervoeren. 

Wanneer de koeien in het voorjaar van de stal naar de wei werden gebracht, dan ging moeder altijd met de wijwaters kwast de ronde doen. Elke koe, die naar buiten ging kreeg een lik met wijwater. Vader deed ze eerst een touw om de nek. Die werd dan strak aangetrokken, zodat de aders begonnen te zwellen, om ze dan met een vlijm op die ader te slaan, zodat het bloed eruit sprong. Dat deden ze om kapziekte of linnenbloed te voorkomen. 

Stropen en jagen 

Het jagen werd bij ons noodzaak toen we merkten dat we geen of te weinig zakgeld kregen. We ontdekten dat er in de omgeving teveel konijnen op het land waren. Om aan meer zakgeld te komen zouden we gaan jagen, maar eerst moest consent worden aangevraagd bij de jachthouder Baron Van Hardenbroek. Hij woonde op het kasteel, dat later was afgebroken. De baron zelf was geen liefhebber van jagen, het gebeurde hoogst één maal per jaar op haas en fazant. De jachtopziener liet zich niet verder zien als rond het kasteel De Niënhoff. We kregen dan ook meteen zijn medewerking en consent.

De Van Zijlen zijn geen jagers. Maar aan moeders kant wel. Zij was dan ook onze sterke hulp bij de aanschaf van een geweer. Mijn vader kocht een waardeloos geweer op de markt in Utrecht. Toen er een dubbelloops jachtgeweer te koop was in de krant zou moeder er vader op wijzen. Het was niet moeilijk om konijnen te schieten, twee gaven we aan moeder, en één ging naar de Juffervrouwstraat in Zeist. Daar woonde een poelier en kreeg je dan 35 cent voor. Als mijn broer Pieter verlof van dienst had, gingen we meteen op jacht, en altijd onder het mom van houthakken. Wij waren volgens de regels nog te jong om te jagen. Wij merkten het al gauw in de portemonnee als Pieter uit dienst kwam. Hij kon redelijk goed schieten, en kwamen wij op ons terrein al snel konijnen te kort. We werden steeds brutaler en ons jachtveld breidde zich uit tot de Raaphof toe. Daar liepen de fazanten als in een kippenhok. Je kon haast niet mis schieten. Een haas was f 2,50, een fazant f 1,00 en een patrijs al naar gelang het een jonge of oude was. Totdat de jachtopziener koppelde met de jachtopzieners van Beverweerd, Wulperhorst en van de Raaphof om te proberen ons te pakken te krijgen. Ze hadden ons één keer ingesloten. Ze stoven met drie man op ons af, alsof we de grootste misdadigers waren. Het werd nog erger, toen Doris van Benthem aan mijn vader kwam vertellen, dat wij op zondagmorgen achter zijn boerderij, de gouddievenboom, een haas hadden geschoten. Ik kom je allen maar zeggen, dat de kruik zolang te water gaat, totdat hij breekt. Dat deed voor ons de deur dicht. Aan de ene kant ten goede, want vader beloofde ons nu wat meer zakgeld te geven, maar we moesten wel beloven niet meer te gaan stropen. 

Nieuwe wegen en een vliegtuig gespot

In de jaren 20 kwam er meer aandacht aan de wegen. De auto’s die mijn vader zag noemde hij stofdingen die het wandelen over de zanderige Provinciale weg voor hem onmogelijk had gemaakt. Hij was dus niet de enige. Auto’s, maar ook een vliegtuig vanuit Soesterberg werd al in de lucht gesignaleerd. Een vliegtuigje, want ze waren nog klein, die dan met een beetje donker weer verdwaalde en dan bij een boer op het land neerstreek. Om de vliegenier wat beter te laten oriënteren waar hij zich bevond, kwam op een dag iemand van de luchtvaart uit Soesterberg bij mijn vader informeren, of het mogelijk was, een groot bord te maken van planken, midden op de wei te plaatsen achter de boerderij, met de naam van de plaats Bunnik erop. Ze kwamen een prijs overeen, en binnen een paar weken stond daar een bord van 30 vierkante meter met een handwijzer en Bunnik. Het waren planken van ‘t beste eikenhout. Het duurde niet lang of deze borden in het weiland waren voor de luchtvaart niet meer nodig.  

Elektriciteit

Die dag kwam steeds dichterbij. De wildste geruchten deden de ronde. In die tijd gingen mijn vrienden en ik kaarten bij Willem Vernooy in Odijk. Mijn vrienden waren Gard, van Mans Vernooy, en Kees de Wit. We zaten nog op de Avondschool. Bij Willem Vernooy werden de nieuwtjes gedeeld, waaronder de aanleg van dat wonderbare licht in de straten en huizen. De verhalen over elektriciteit werden steeds sterker verteld. Er hoefde niemand meer te werken, want je drukte op een knopje en de rest zou vanzelf gaan. En dan was er natuurlijk de vraag hoelang het zou duren, want elektriciteit raakt een keer op, en wat moeten wij dan daar weer mee aan? Je komt weer uit bij de kaars en de petroleum lamp. Zo bleef het gonzen van de geruchten. Eindelijk was dan de dag aangebroken. Uit Zeist kwam mijnheer Haakman. Mijn vader en hij kwamen overeen dat er 20 lichtpunten werden aangelegd. Toen dit was aangelegd hebben we alle petroleum lampen en storm lantaarns op een hoop gegooid. 

Water stroomt, waar het niet meer stroomt grijpt de mens in 

Vikingen verbazen zich over ‘vlak land met sloten’

940 Kroniek bericht: 'De Vikingen die de afgelopen tijd het noorden van ons land zijn binnengevallen hebben zich verbaasd over het landschap dat ze aantroffen. Bij terugkeer vertelden de Noren en IJslanders over een ‘vlak land met grote grasvlakten. Over lange afstanden zijn sloten gegraven, waarin water staat. De weiden en de akkers zijn omgeven met sloten. Op sommige plaatsen waar een pad de sloot kruist vindt men bruggetjes, die met rijshout zijn bedekt.’ 

De Vikingen hebben met deze beschrijving precies het karakter van het laagveengebied aangeduid. Bij de ontginning van het laagveen, of ‘moer’, spelen sloten een belangrijke rol. Ze worden door de bewoners in het veen gegraven, evenwijdig aan elkaar en haaks op een groter stuk water, een rivier of een kanaal. Daardoor kan het land ontwaterd worden, zodat grond ontstaat die gebruikt kan worden voor landbouw of, in de lagere gedeelten, veeteelt. De percelen zijn lang en smal, omdat ze ingeklemd liggen tussen de sloten. 

Ontginningen in Hollands-Utrechtse veen

Utrecht, 1020

'De groep Friezen die zich enkele jaren geleden vanuit het noorden in het Merwedewoud bij Vlaardingen heeft gevestigd, is begonnen met de ontginning van het veen. Met man en macht wordt er aan de exploitatie van de voorheen onbewoonbare wildernis gewerkt. De vestiging maakt deel uit van een belangwekkende ontwikkeling die enige decennia geleden op gang is gekomen. Niet alleen in het Merwedewoud, maar overal in het Hollands-Utrechtse veengebied zijn in de loop der jaren kolonisten aangekomen. De rivieren waren de enige verbindingswegen in deze ondoordringbare streken. Alleen op de oeverwallen van de rivieren woonden hier en daar wat mensen, die leefden van de opbrengst van de visserij. Landbouwgrond was er niet of nauwelijks. De eerste ontginningen zijn aangevat vanaf deze oeverwallen, de wat kleiachtige oevers van de grote rivieren en van de daarop uitkomende veenstroompjes.' 

De methode die bij de ontginningsactiviteiten wordt gebruikt is een geheel nieuwe, namelijk die van de evenwijdig opstrekkende verkaveling. De kolonisten gaan uit van een bestaande rivier of graven eerst zelf een watergang. Dit is de zogenaamde ontginningsbasis. Hierlangs worden de boerderijen gebouwd. Vandaar worden de kavels uitgemeten, het veen in. Als het terrein het toelaat, moet elke kavel een gelijke breedte en een gelijke diepte hebben, respectievelijk dertig roeden breed en zes voorling diep (zo ongeveer 110 bij 1300 meter). 

Iedere kolonist krijgt een kavel toegewezen, die hij zelf mag ontginnen en waarop hij zijn eigen hoeve mag bouwen. De kavels zijn door sloten van elkaar gescheiden, want bij de ontginning van het veen is ontwatering onmisbaar. Bij een zo systematische ontginning moet alles volgens een voor opgezet plan gebeuren. 

Een bijzondere bijkomstigheid bij deze vorm van ontginning is bovendien dat de kolonisten in ruil voor hun noeste arbeid maar een te verwaarlozen bedrag hoeven te betalen aan die hun de grond ter beschikking stelt; in de meeste gevallen is dat de bisschop van Utrecht. Hij vraagt slechts een symbolisch bedrag, een ‘tijns’, ter erkenning van zijn gezag in de nieuw ontgonnen gebieden. Door deze golf van ontginningsactiviteiten is de aanblik van het landschap drastisch aan het veranderen. 

Kees Vernooy: De invloed van de rivier op de landbouw

'Vóór het jaar 850 stroomde de Rijn nog langs Dorestad richting Utrecht om tenslotte in Katwijk uit te monden. Er vinden rond 850 grote overstromingen plaats. Die hebben tot gevolg, dat de Kromme Rijn steeds meer een onbeduidend riviertje wordt en de Lek haar huidige betekenis als scheepvaartroute krijgt. Het definitieve einde van de Kromme Rijn als belangrijk voor de scheepvaart is 1122, als deze bij Wijk bij Duurstede – waarschijnlijk ter hoogte van de Oeverstraat – wordt afgedamd. De Lek was toen al de belangrijkste Rijn arm. Het eens zo machtige en welvarende Dorestad verandert dan voor eeuwen in het wat ingeslapen stadje Wijk bij Duurstede. De afdamming betekent ook, dat dan de agrarische belangen in het Kromme Rijngebied groter zijn dan de belangen van de handel, zoals die voor de afdamming via de Kromme Rijn bedreven wordt. 

In de 12e eeuw heeft men in het bisdom Utrecht nòg veel last van overstromingen. De schade die dit veroorzaakt, is voor de bisschoppen aanleiding te wijzen op de noodzaak van goede waterkeringen. Oproepen aan hun onderdanen leiden tot de aanleg van dijken. Door de groei van de landbouw na 1000 is het verantwoord dijken aan te leggen. Na het bedijken van de Rijn/Lek en de afdamming van de Kromme Rijn beheerst men de waterstand beter en kunnen de moerassige komgebieden ontgonnen worden. Dan ontstaan de twee lintdorpen Schalkwijk en Langbroek. Rond 1240 is de Langbroekerwetering gegraven en omstreeks 1300 komen er versterkte huizen in de vorm van woontorens voor. In diezelfde tijd ontstaan ook twee ‘lint-buurten’, nl. de Wijkersloot en de Houtense Wetering.'

'Het ontginnen van de moerassige komgebieden is het gevolg van het ontstaan ven een toenemende behoefte aan landbouwgrond na 1100.'

'Van afdamming tot otter'

Els Otterman: ‘In het Kromme Rijngebied was het waterbeheer van oudsher gericht op het zo spoedig mogelijk afvoeren van overtollig water. Daar zijn we, het Hoogheemraadschap 'De Stichtse Rijnlanden', ook al honderden jaren mee bezig geweest!  

Tegenwoordig wordt het klimaat grilliger, met perioden van extreme neerslag en van langdurige droogte. Daarom is het van belang om water veel langer vast te houden. Met gemeenten kijken we waar het regenwater beter in de bodem kan doordringen en zelf voeren we diverse projecten uit om de waterhuishouding te verbeteren en verdroging tegen te gaan. Zo hebben we de Gooyerwetering tussen Amerongen en Driebergen-Rijsenburg verbreed. Daarnaast zijn we bij het Driebergse Meer bezig om te voorkomen dat water meteen in de Langbroekerwetering stroomt. Het gaat om kwelwater van de Utrechtse Heuvelrug; dat is heel schoon water dus dat willen we graag vasthouden.'

Waterkwaliteit

'Het waterschap houdt zich ook bezig met waterkwaliteit. de aanleg van natuurlijke oevers langs de Kromme Rijn heeft vooral daarmee te maken. De Europese richtlijn waterkwaliteit stelt eisen, waaraan we in 2027 moeten voldoen. Maar daarnaast hebben we zelf natuurlijk ook ambities. Zo streven we in onze drogere gebieden naar verbetering van de biodiversiteit, bijvoorbeeld door bloemrijk beheer van onze dijken.'

'We hebben vijf icoonsoorten gekozen die symbool staan voor de soorten gebieden die we in beheer hebben; de weide hommel voor terreinen zoals rioolwaterzuiveringen, de blauwborst voor de oevers, de groene glazenmaker voor schoon water, de margriet voor de dijken en de otter voor een watergebied met goede verbindingen.'

'De otter is hier al eens gezien. Het zou toch geweldig zijn als deze zich weer gaat vestigen in de kromme Rijn!'

Driekus Van Zijl: 'Herinneringen en verhalen uit mijn leven. Als boerenzoon ben ik geboren en heb het geluk gehad het boerenleven meegemaakt te hebben in de grote omwenteling van 1904-1984; het boerenleven met oude gebruiken, waarmee ik ook in de praktijk nog mee heb gewerkt. Het zijn herinneringen die ik van mijn ouders heb gehoord en van wat ik vanaf mijn prille jeugd tot 1984 heb meegemaakt.'

De Feesttram in Brabant.

Daar hadden we wel zin in! Mijn ouders hadden de gewoonte dat er op deze drie dagen vastenavond niet hoefde te worden gewerkt! Maar wanneer dit alles voorbij was met aswoensdag begon het werkelijke vasten.. Om door die 40 daagse vasten heen te komen, dat bleef moeilijk! Dus hoe vierden wij deze drie dagen in de jaren 20, 100 jaar geleden?

Zo kwam het dat mijn broer Cornelis zijn priesteropleiding deed in Gemert en hij in de kost verbleef bij twee vrouwen. Ik vroeg aan mijn ouders om daar eens een kijkje te nemen. Het was tegen de laatste dagen van de vastenavond. Mijn broer Jan zou ook meegaan. Met voldoende geld, voor de kost en onderdak om bij deze vrouwen af te geven, gingen wij op pad. Toen wij bij Cornelis zijn kosthuis aankwamen keken we onze ogen uit. Daar stond een tafel met vijf stoelen en de vloer was met wit zand bestrooid en netjes aangeharkt. Een grote Brabantse kachel stond in de hoek, plus wat schilderijen aan de muur. De eerste indruk, die wij hadden, was dan ook niet anders dan, hier heerst diepe armoe. We moesten even wennen, het viel later wel mee.

In Gemert was verder niets te doen. Het plan veranderde richting Den Bosch. Er zou een feesttram zijn die langs alle dorpen gaat. Inderdaad stond daar de extratram klaar. Drie wagons waren versierd met slingers, op elk balkon van de wagen een petroleumlamp, getrokken door een kleine locomotief. Een pracht gezicht! Bij elk dorp was het raak. De machinist, als ook de stoker gingen de kroeg in. Daar werd niet alleen gezongen maar ook gedronken. Het dansen gebeurde buiten, om de locomotief heen en werd het hoogste lied gezongen.Je voelde je er meteen thuis! Na zo'n half uur á drie kwartier op zo'n dorp gefeest te hebben, dan blaasde de machinist op de fluit van de locomobiel, inladen! om in 't volgende dorp weer in dezelfde herhaling te vallen. Men stapte dan daar ook weer in, na eerst nog een ronde dans om de tram te hebben gemaakt.

Het was 8 uur in de avond eer wij in Den Bosch aankwamen. Toen nog gauw een hotel opgezocht en daarna den Bosch in. Een feest om nooit te vergeten. Dat hebben wij later nog wel 2 á 3 maal herhaald. Ook nog een keer zelfs met Rika en Gon Makker uit Eemnes, dit met hulp van Kees van Vulpen en zijn vrouw, dat was een zuster van mij. 

Aan het einde van de Langstraat in Bunnik bevindt zich woongemeenschap De Kamp. Ter gelegenheid van het 30 jarig bestaan in 2015 werd de geschiedenis van de Woongemeenschap De Kamp beschreven in een boekje . De geschiedenis van De Kamp vóór 1985 werd slechts summier beschreven. In dit stukje meer over de voorgeschiedenis.

Volgens de registers van het oudschildgeld  was in 1536 de heer Van Gaasbeek de eigenaar en Dirck Claesz de gebruiker van wat nu De Kamp is. Ergens tussen 1536 en 1566 kwam het in bezit van de heren en vrouwen van Beverweerd. Dat blijft zo tot 1763 wanneer het huis, bakhuis en berg en omtrent 422 roeden boomgaard voor een bedrag van fl. 325,- verkocht worden aan Jacob Schuts. In 1772 kocht Jan Pesters de grond en de bebouwing, en in 1782 koopt hij de erfpachtcanon af. In deze familie blijft het dan tot 1957. De laatste boer, Teunis Lokhorst, kocht De Kamp toen van Harmanna Bonificia Aleida Conringh Roessingh, de weduwe van Gerhard Jacob IJssel de Schepper. In 1978 verkocht de weduwe van Teunis alles aan een projectontwikkelaar. Die deed er niets mee, en in 1985 werd alles verkocht aan de Woongemeenschapp De Kamp.

De grond waarop De Kamp stond verwisselde in de loop der eeuwen dus maar een paar keer van eigenaar. De bebouwing erop was van de pachters. 

In het boekje over De Kamp staat dat de eerste bewoner en eigenaar waarschijnlijk Cornelis Teunisz van Rooyen heette. Dat is niet juist. Hij was zeker niet de eerste bewoner. 

De eerste pachter waarvan wij de naam weten is Dirck Claesz. Dit was een van de grootste pachters in Bunnik destijds, alhoewel hij ook veel grond in eigendom had. Hij woonde waarschijnlijk op De Brakel. In 1536 wordt hij genoemd als pachter van een halve morgen land aan het einde van de Langstraat. Hindrick Dircksz volgde hem op. Waarschijnlijk was dit zijn zoon, maar dat is niet geheel zeker. Deze Hindrick Dircksz was in 1599 nog steeds de pachter. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Dirck Hendricks.

Voor 1648 werd Cornelis Teunis van Rooyen pachter. Zijn dochter Jannigje Cornelis van Rooyen nam de huur daarna over. Ze was in 1695 getrouwd met Claas Hendrikse op de Laar, ook wel Claas op het kampje genoemd. Claas en Jannigje werden opgevolgd door dochter Maria van Laar.

Daarna volgt een reeks van kettinghuwelijken: dat zijn huwelijken waarbij een weduwe opnieuw trouwt, haar weduwnaar trouwt ook weer enzovoorts.

Maria van Laar trouwde in 1732 met Jan Zegersz van Herpen. Na Maria’s overlijden hertrouwde Jan  in 1750 met Jannigje Cornelisdr van de Leemkolk. Toen Jan Zegersz overleed, hertrouwde zijn weduwe met Barent Hensman. In 1763 verkochten ze hun huis aan Jacob Schuts, een rijke koopman uit Utrecht. 

In 1772 werd alles verkocht aan Jan Pesters. Hij kocht de bebouwing, en hij kocht de erfpachtcanon in 1782 af. Vanaf dat moment was hij dus volledig eigenaar van zowel de grond als de bebouwing die erop stond. 

De pachter na Barent Hensman en Jannigje Cornelisdr van de Leemkolk was Gerrit Janse van Beek, getrouwd op 13 mei 1760 met Catharina van Schaik. Vanaf augustus 1772 was Willem Dirksze van ’t Nederend de pachter. Hij werd begraven op 15 mei 1798, en bij de aantekening van zijn begrafenis staat er bij dat hij woonde op De Kamp. 

Van 1796 tot 1818 woonden Hendrik Breeschoten en zijn vrouw Dirkje de Greef op De Kamp. Daarna neemt een familie Van Schaik het over: eerst Arie van Schaik, en daarna zijn zoon en dochter Jan en Petronella. Zij bleef als laatste over, en overleed uiteindelijk in 1901. Eerst neemt Reijer Lokhorst de pacht over, en daarna zijn zoon Teunis Lokhorst. De boerderij was inmiddels helemaal vervallen, en een nakomeling van de familie De Pesters besluit een nieuwe boerderij neer te zetten. Die nakomeling was op dat moment Gerhard Jacob IJssel de Schepper, zoon van Carolina Elisabeth de Pesters, kleinzoon van Jan Everard de Pesters en Jacoba Margaretha van Hengst. 

Lokhorst woonde er overigens niet alleen. Uit het kadaster blijkt dat er verschillende dienstboden en knechten op de boerderij woonden.

Als laatste bijzonderheid over De Kamp de naam. Uit de rekeningen van de rentmeester van Beverweerd blijkt dat het enige stuk land wat Beverweerd had rond 1710 in het gerecht Bunnik De Kamp was. Uit de rekeningen van Beverweerd  blijkt dat het land waarop toen Jan Zegersz van Herpen woonde niet De Kamp heette, maar het “goet ten Rijn” . Hij en later zijn weduwe moesten 12 gulden erfpachtcanon betalen aan Beverweerd. Later werd dit 14 gulden.

Nu is er natuurlijk ook het “goed ten Rijn” zoals we dat tegenwoordig kennen, liggende in Vechten. Hierin is nu de keuken van restaurant de Veldkeuken gevestigd. Dit kan niet hetzelfde zijn als het “goet ten Rijn” uit de rentmeestersrekeningen. Het goed ten Rijn te Vechten was minimaal vanaf 1418 een achterleen wat het huis Rijsenburch te leen had van het huis Beverweerd . Het goed Ten Rijn in Vechten was in 1802 in het bezit gekomen van Jan Balthasar Strick van Linschoten en was ruim 51 morgen groot. Dat is een heel andere orde van grootte dan het huisje van Jan Zegersz van Herpen van een halve morgen. De bewoners van het goed ten Rijn in Vechten tenslotte waren in 1750 Steven van Rijn en zijn eerste vrouw Christina van Vechten.

We moeten dus aannemen dat De Kamp aan het einde van de Langstraat eerst het “goet ten Rijn” heette, en pas later De Kamp.

Op 5 mei herdenken we elk jaar de tweede wereldoorlog. Wat gebeurde er tijdens de Tweede Wereldoorlog in ons dorp? Voor het project Oorlog in mijn dorp zoekt Cultuurplatform Bunnik lokale verhalen en spreekt met ooggetuigen. 

Jean de Greeff, oud-boswachter van de Niënhof in Bunnik, vertelt over zijn kinderjaren. Jean werd in 1939 geboren op het landgoed De Niënhof, waar zijn familie generaties lang zorg draagt voor het beheer.

Jean groeide tijdens de oorlogsjaren op in het witte huis aan de Grote Laan, niet ver van de vijver bij de ingang van het landgoed. Deze koetsierswoning maakte oorspronkelijk deel uit van het herenhuis van de familie De Wetstein Pfister, met 64 kamers en de allure van een kasteel, dat in 1927 grotendeels was gesloopt.

,,Wij waren met zes kinderen, later groeide ons gezin uit tot elf kinderen. Ik was de middelste. Al vroeg in de oorlog werd een deel van ons huis gevorderd door de Duitsers, die tenslotte vlakbij zaten op Fort Rijnauwen. Ze vielen gewoon ons huis binnen en pikten de mooiste kamer in. Overdag zaten wij in de keuken. Boven hadden mijn ouders een slaapkamer met de meisjes. Wij sliepen als jongens allemaal op zolder. In de rest van het huis zaten de Duitsers.

In het begin waren er soldaten in groene pakken, die waren nog wel aardig. Later kwamen de soldaten in de zwarte pakken, dat waren de SS’ers. Mijn moeder stak niet onder stoelen of banken dat ze moeite had met de Duitsers in haar huis. Als voormalig lerares sprak ze prima Duits en andere talen. Over de Grote Laan kwamen vaak stadse mensen of Roma met paard en wagen langs op zoek naar eten. Mijn moeder gaf al haar voedselbonnen weg, behalve die voor suiker.

Achter ons huis lag een boerderij, waardoor wij genoeg te eten hadden. Boer Blitterswijk deelde melk met ons en als mijn vader een konijn schoot deelde hij dat weer met hen. Ik ben opgegroeid met de konijntjes. Het waren er duizenden, een plaag. We ruilden konijntjes voor een knipbeurt bij de kapper. Toen de jonge zoon van Blitterswijk met de soldaten mee moest voor de Arbeitseinsatz wist mijn vader dit te voorkomen, omdat hij nodig was op het land.

Gijzelaar

Vanaf een jaar of drie ging ik naar de nonnenschool in het klooster op de plek waar nu Bunninchem staat. Ik herinner me punniken en prikken bij zuster Lidwiena. Na schooltijd speelden en hielpen we op de boerderij. Er was altijd wat te doen: eieren rapen, graan binnenhalen, op het paard zitten, prachtig. Iedereen noemde me John, want Jean konden ze niet uitspreken. Er speelden ook Joodse meisjes mee. De Duitsers liepen er ook, maar hadden er geen erg in. Na de oorlog waren de meisjes weer weg. Toen hoorde ik dat ze ondergedoken zaten op de boerderij.

We speelden ook regelmatig met de kinderen van burgemeester Van de Weijer, die in het witte huis verderop aan de Grote Laan woonde. Ook dit huis was gevorderd door de Duitsers. Ze waren veel rijker dan wij en hadden een soort nanny die voor de kinderen zorgde. Van de Weijer maakte een ondergronds blaadje met oorlogsberichten, dat stiekem in de bus werd gedaan. Mijn ouders lazen het ook." Van de Weijer moest als burgemeester weg en is door de Duitsers samen met honderden andere notabelen als gijzelaar jarenlang vastgezet in Kamp Beekvliet in Sint-Michielsgestel.

Parachutisten

,,Ik herinner me dat er wel eens parachutisten bij ons op zolder sliepen. Ze spraken Engels, dat weet ik nog. En dat terwijl de Duitsers in ons huis zaten. Ook was er een schuilkelder bij de fundamenten van het gesloopte herenhuis naast ons. Bij een razzia of controle hebben zich hier mensen verstopt. Er zaten ook onderduikers, hoewel ik ze zelden zag. Ik herinner me ook dat er wel eens mensen boven in de schuur tussen het hout zaten. Toen tijdens een controle de Duitsers de ladder opkwamen, lukte het ze gelukkig om stil te blijven zitten. Ze zijn niet ontdekt, maar het was heel spannend.

Het fijne weet ik er niet van. Mijn vader heeft er nooit over gesproken. Maar ik ben er wel van overtuigd dat er iets heeft plaatsgevonden. Ik had er na de oorlog misschien meer naar moeten vragen. De oorlogsjaren hebben mijn vader zeer aangegrepen. Hij overleed begin jaren 60 onverwacht aan een hartinfarct toen ik 24 jaar was. Toen ik zijn werk overnam, vertelden vrienden van hem me over de oorlog. Ze spraken over een soort lijn naar De Biesbosch waar Engelse piloten in het geheim langs werden gevoerd. Mijn vader zou er samen met een landeigenaar en zoon van de politie onderdeel van zijn geweest. Landgoederen zijn geschikte verstopplekken.

Bevrijding

Mijn grootste herinnering is het hoge water aan het eind van de oorlog. De Duitsers hadden op de vlucht de waterlinie in gebruik genomen. De Grote Laan en alle weilanden stonden onder water. Ik moest op blote voeten naar de nonnenschool. Wat ook veel indruk maakte, was dat de Duitsers de paarden van onze buurman wilden hebben om te vluchten. Het ging er hard aan toe. Toen ik als 6-jarige zag dat de oude boer klappen kreeg, werd ik verschrikkelijk kwaad en ging mijn moeder halen. Zowel de paarden als het tuig waren verstopt onder de Douglassparren in het bos. Ze zijn niet gevonden. Naderhand heb ik de buurman geholpen ze weer terug te halen.

Kort voor de bevrijding kwamen er honderden vliegtuigen over. Het was een groot geraas. Ik stond op bed uit het dakraam te kijken naar alle lichtjes. Er is nog een vliegtuig naar beneden geschoten, dat lang naast het huis heeft gelegen. Ook waren er voedsel droppings. Ik heb nog zo’n groot voedselpakket zien liggen op de Rijnoever met allemaal mensen eromheen. Wij kinderen verzamelden de stroken zilverpapier die ook door de vliegtuigen werden uitgestrooid. Eerder al kregen we het Zweedse wittebrood, wat een traktatie!

Van de bevrijding herinner ik me de tanks op de Grote Laan met de Canadezen. Voor mijn vader ruilden we eieren voor sigaretten. En wij kregen kauwgom, dat was een belevenis. De kerkklokken luidden overal. Mijn moeder gaf al haar kinderen een zilveren dubbeltje met Wilhelmina, ik heb het nog steeds. Na de bevrijding mochten we weer spelen in het hele dorp en hoefden we geen rekening meer te houden met spertijd. In deze tijd van corona is het ook alsof er een schot is gelost. Er vallen doden en mensen zijn minder vrij. De pandemie maakt voor jongeren een beetje invoelbaar hoe het is om minder vrijheid te hebben."

Het verhaal van de familie Pesters en hun betrokkenheid bij Landgoed De Niënhof in Bunnik begint met Mr. Johan Pesters (1620-1703), geboren in Maastricht. Hij was een trouwe aanhanger van Stadhouder Willem III en speelde een belangrijke rol in het onderhandelen met de Franse koning in 1674 voor de ondergang van de Republiek. Johan Pesters en zijn vrouw Maria Ghijsen kregen zes kinderen.

In 1674 verhuisde Johan Pesters naar Utrecht, waar hij het burgerschap van de stad kreeg. In 1682 verwierf hij de Heerlijkheid Cattenbroek, gelegen tussen Bunnik en Zeist. Het landgoed De Niënhof maakte deel uit van deze heerlijkheid.

In die tijd was op het landgoed alleen sprake van een boerderij (hofstede). Deze boerderij is in de loop der tijd vele malen verbouwd, waardoor de oorspronkelijke vorm tegenwoordig nauwelijks meer terug te vinden is. Waarschijnlijk is in 1685 een herenhuis gebouwd, aan de voorzijde van de reeds aanwezige boerderij. Dit herenhuis was een eenvoudig gebouw van twee verdiepingen met uitzicht op de Kromme Rijn. 

Na de dood van Johan Pesters nam zijn zoon Jacob Pesters (1662-1739) de rol van zijn vader over. Hij diende het Huis van Oranje als Raad en Rekenmeester der Domeinen van wijlen prins Willem III. Jacob Pesters was betrokken bij de afwikkeling van de erfenis van de Stadhouder-Koning. Tijdens de tweede Stadhouderloze periode raakte Jacob Pesters verwikkeld in een proces met politieke implicaties. In die tijd waren de leden van de Stadhouderlijke familie niet populair in Den Haag.

Het landgoed en de betrokkenheid van de familie Pesters bij de Stadhouder-Koning getuigen van hun sterke Oranjegezinde traditie tijdens de Republiek van de Verenigde Nederlanden. Hun connecties en diensten aan de Oranje-familie leverden hen een prominente positie op in Utrecht in de 18e eeuw. 

Het onderzoeken van de specifieke periode van 1759 tot 1766 in Utrecht en de vraag of deze als een "stadhouderloze tijdvak" kan worden beschouwd, vereist verdere studie en onderzoek. Het politieke klimaat en de gebeurtenissen in die periode kunnen een rol hebben gespeeld in de positie en invloed van Jan Pesters en Willem Nicolaas Pesters in Utrecht.

Historisch Landgoed De Niënhof en Familie Pesters: Een Erfenis in Beweging

Het landgoed De Niënhof komt in een cruciaal hoofdstuk in het leven van de familie Pesters. Hoewel het landhuis diende als zomerverblijf is het een permanente woning in de tijd van Jhr. Jan Everard de Pesters (1802-1879), zoon van Willem Nicolaas de Pesters. De diepe connectie met de Niënhof blijkt uit de kaarten, uit 1832 en 1837, en de familiebezittingen die Jan vastlegde.

Het herenhuis aan de Grotelaan werd bewoond tot 1887. In 1878 ontwierp Willem Nicolaas de Pesters, zoon van Jan, een nieuw herenhuis in het Niënhof-park, later overgedragen aan dochter Coenradina Carolina Theodora de Pesters in 1882. Na haar huwelijk met Gijsbert Carel Duco Reinout baron van Hardenbroek in 1885, burgemeester van Bunnik, startte in 1892 de bouw van een nieuw huis op bestaande funderingen. Coenradina had het park onder haar hoede genomen. In 1894 was het voltooid.

Het landgoed bleef van generatie op generatie, bewoond door nazaten van de familie Pesters tot de 20e eeuw. Echter, in 1923, omringd door familieomstandigheden, moest het nieuwe herenhuis in het park wijken, maar de erfenis van Landgoed De Niënhof en de Pesters blijft een intrigerend stuk geschiedenis. Wie er veel over kan vertellen is de jachtopzieners familie De Greeff met vier generaties op het landgoed 'De Niënhoff'. 

Huis Burbank

Vanaf 1950 tot eind jaren 60 woonde mijn familie in het houten huis aan de Vrumonaweg. Twee honderd meter er vandaan lag het bedrijf van familie Van Koeveringe. Ik was 5 jaar oud toen ik begon met die plek regelmatig te bezoeken; er was altijd wel iets dat mijn aandacht trok daar, in 1959.

Het huis waarin de familie Van Koeveringe woonde, een villa, was groot. Gelegen aan de Schoudermantel nummer 6, geschilderd in wit, met een grote tuin erom heen en op de achtergrond die grote garage. Op de voorgevel stond het woord “Burbank”.  Nou had ik zo mijn eigen opvatting als 6 jarige over wat dat woord betekende. In het Bunnikse jargon betekent “beuren” of “geld beuren” het verdienen van geld. Dus ik vond mijn eigen definitie van dat woord als zijnde “een bank waar veel geld te verdienen was of veel geld was”.

Er moest op de een of andere mysterieuze manier daarbinnen veel geld te vinden zijn waar niemand ooit zijn handen aan kon krijgen. En dat beeld paste precies bij de oude Van Koeveringe. Hij was ongeveer 1,80 meter hoog, rookte vaak een sigaar en kon voor langere tijd verdwijnen om dan weer plots en victorieus in een van zijn Amerikaanse limousines het pad voor het huis op te rijden, kennelijk na een succesvolle business deal.

Het was pas later dat ik begreep wat Burbank betekende, een stad nabij Los Angeles.

Tot 1960 was Van Koeveringe eigenaar van een 100 meter lange broeikas. En daarbinnen groeiden perzikplanten. Die broeikas stond tot ongeveer 10 meter van ons huis. En er waren constant mensen bezig om alles op orde te houden. Speciaal in de lente en zomer maanden was de temperatuur daarbinnen niets minder dan tropisch! En de geur van perzikken bloesem was betoverend. En die perzikken waren de beste.

Van Koeveringe had vijf kinderen. Twee dochters, Zus en Wilma, en Kees, Ad en Rene.

Zus had de gewoonte om in een van de limousines, een Desoto, te springen voor wat boodschappen in het dorp. Een van mijn zussen was zo gelukkig om regelmatig met haar mee te rijden het dorp in of zelfs naar Zeist of Utrecht. Karin verdween zichtbaar als kleine meid achterin die immense ruimte van de Desoto waarmee Zus Van Koeveringe vol gas en met opspringend grint van het erf afreed.

Ad en Kees Van Koeveringe waren bekend in het dorp voor een ding alleen: ze reden races op een 50cc motorbike. Kees, 19 jaar en Ad, 17 jaar oud, hadden zelf de racer in elkaar gezet, compleet met een JLO block en een immense carborateur. En op een koele avond in de zomer konden ze plotseling zo maar opdagen met dat ding, aan het begin van de asfaltweg naar de Vrumona. Op volle snelheid ging die over 120 km/uur en vloog als een mechanische mug over de weg, blij dat ie eindelijk weer eens op volle toeren kon draaien. Kees heeft er zelfs de TT in Assen mee gereden.

In de grote garage werkte een sleutelaar genaamd Co de Ridder. Hij woonde pal aan de overkant van de Schoudermantel. Ik heb hem nooit zonder olie of smeer op zijn gezicht en handen gezien. Co was een nog al zwijgzame mechanicien maar hij had ook andere kanten. Zo kon hij, ter afleiding, in een oude USA Army Jeep stappen, die ergens in de grote garage geparkeerd stond, om dan met volle vaart tussen de bomen van de appelboomgaard achter de garage te gaan racen. Hij nodigde mij eens uit voor zo`n wildwest toer en ik kan me nog goed herinneren dat ik me aan alles wat vast zat beet hield, alsof mijn leven ervan afhing. Dat allemaal in 1960.

De firma Van Koeveringe had ook een benzinepomp, de mooiste in het dorp. Met een 10 meter hoog Caltex reklamebord dat, wanneer het donker was, oplichtte en van verre te zien was. Wilma zat vaak in het piepkleine kantoortje bij de pomp om aankomende klanten meteen te helpen met benzine, olie, etc. Het was daar dat ik vaak de populaire muziek van toen over de transitorradio hoorde, Elvis! Dat maakte het hele plaatje volledig; voor mij als grote kleuter was de firma Van Koeveringe een Amerikaans universum in het midden van een klein, Nederlands dorp.

STICHTSE BEGUNSTIGER RUDOLF VAN BUNNIK 1239

Een Dominus in Bunnik, Rudolf van Bunnik, broeder van het Duitse Huis, komt in de eerste goederentransactie na de oprichting van het Duitse Huis voor. Het is een tweeledige schenking die werd uitgevaardigd in 1239. Een uitzonderlijk hoog bedrag. Wie is hij. Hij behoorde tot de top van de ministerialiteit van de bisschop en bezat de curtis in Bunnik in de 13e eeuw. Van deze bisschoppelijke vroonhof, herenhoeve met vroonland, bezat Rudolf van Bunnik niet enkel goederen, hij was zelfs naar de plaats vernoemd.

Politiek en patronage

De oprichting van het Duitse Huis. Met de dood van bisschop Otto III van Holland in 1249 begon een nieuw tijdperk met het Holland Huis als ondersteuning van het Duitse Huis in Utrecht, waarbij Willem II van Holland een belangrijke rol speelde. Dit verstevigde de banden tussen de Hollandse gravenfamilie en het Duitse Huis, wat cruciaal was voor de ontwikkeling van het Duitse Huis tot landcommanderij. 

De vroegste bezitsvorming van het Duitse Huis in Utrecht was sterk gekoppeld aan kruistochtexpedities. De eerste verwerving van goederen betrof schenkingen van deelnemers aan de vijfde kruistocht. De kruistocht tegen opstandelingen in Drenthe stimuleerde ook de oprichting van de commanderij, en rond 1248 groeide het bezit van de orde door de kruistocht van graaf Willem II van Holland naar Aken. Deze graaf, die zichzelf Rooms koning mocht noemen, resideerde op het Haagse Binnenhof, waarmee hij zijn omgeving in Holland, Vlaanderen en Gelre overtrof en tegelijkertijd de vechttaak van het Duitse Huis ondersteunde. 

Rudolf van Bunnik

Zo vinden we al in een vroeg stadium van de oprichting van het Duitse Huis een eerste goederentransactie in Bunnik. Het vond plaats in 1239 en werd afgerond in 1257. Herman droeg het vruchtgebruik van zijn moederlijk erfgoed over aan zijn vader Rudolf van Bunnik, een broeder van het Duitse Huis, mogelijk om intredeschenkingen te omzeilen.

Herman legateerde ook honderd mark aan het Duitse Huis na zijn overlijden, ter ondersteuning van het zielenheil van zijn voorouders èn het Heilige Land. De erfenis werd in 1243 door Splinter, ridder en bisschoppelijk rechter, als rechtmatig erkend. De naam Splinter komen we later tegen bij Beverweerd. 

In 1256 droeg Aleid, de weduwe van Herman, honderd mark en acht Utrechtse ponden over aan het Duitse Huis, met een wisselkoers van 26 schellingen in een pond, wat neerkwam op 138 ponden. Een aanzienlijke schenking, groter dan eerdere donaties.

In meerdere opzichten was de schenking een continuering van de stichtingsfase. Zo noemt Herman als motief voor zijn schenking de steun aan het Heilige Land. Bovendien was de Utrechtse bisschop net als bij de eerdere goederen transacties op de achtergrond betrokken. Bisschop Hendrik van Vianden bevestigde in 1255 de schenking van de honderd mark, waarschijnlijk omdat Herman kort daarvoor was overleden, maar ook omdat het erfgoed toebehoorde aan zijn curtis in Bunnik. 
In tegenstelling tot de vermoedelijke hof in het Lijnpad was die van Bunnik in 1239 nog wel operationeel. Dit blijkt eveneens uit het hofgerecht waarvoor Herman zijn schenking uitvoerde. Elect bisschop Otto III van Holland, eigenaar van de hof, trad daarbij op als zegelaar. 

Everardus Villicus, de hofmeier op de curtis in Bunnik, was bij deze schenking van goederen ook aanwezig. Dit betekent niet dat het hofstelsel in zijn klassieke vorm met horigen hier nog volop functioneerde. Cees Dekker maakt in zijn studie over het Kromme Rijngebied aannemelijk dat die exploitatievorm in het Nedersticht in de eerste helft van de dertiende eeuw al grotendeels was ontmanteld. Mogelijk waren er nog half vrijen verbonden aan de hof en onderscheidde het takenpakket van meier Everard zich enkel nog dat van een schout door de inning van hofgeld.

Van deze bisschoppelijke vroonhof bezat Rudolf van Bunnik niet enkel goederen, maar was hij ook zelfs naar de plaats vernoemd. Dat hij tot de top van de Stichtse ministerialiteit behoorde, blijkt uit het feit dat hij in de oorkonde van 1243 Dominus werd genoemd. 

Vervolgens zijn er geen schenkingsacties vanuit de Stichtse ministerialiteit waarneembaar tot 1247.

Vele oude Utrechters zullen de polder aan het eind van de Prins Hendriklaan in Utrecht nog herinneren, de Johannapolder, waarop in 1961 het universiteitsterrein De Uithof is gebouwd. De polder ligt in een gebied met een prachtige overgang van een nat rivierlandschap of veenweidelandschap naar een droog stuwwallandschap, de Heuvelrug. Vooraf aan de bouw van de universiteit is de bodem in kaart gebracht door studenten geografie. In de werkkamer van Kim Cohen in het Vening Meineszgebouw hangt een foto van professor Henk Berendsen (hij overleed in 2007). Tegenover zijn werkkamer is een archiefruimte met kasten vol handgeschreven boringformulieren en veldkaarten uit de jaren ’50 tot ’90, aangelegd door Berendsen. Cohen: “Zijn missie was met studenten inzet veldonderzoek te doen; veldonderwijs en fysisch geografisch onderzoek combineren. Het ging daarbij om het in kaart brengen van de bodem, en het achterhalen van de paleogeografische ontwikkeling van het rivierengebied en de oorzaken van rivierverleggingen. Het is hem in de Rijn-Maas delta goed gelukt, hoe goed we het ontstaan van onze delta begrijpen als uniek in de wereld.”

Cohen: “De ontwikkelingsgeschiedenis van de delta omvat natuurlijke vorming van het landschap, maar ook de rol van de mens hierin, met name de cultuurhistorische ontwikkeling; ontginning, landgebruik. In de jaren ’60 en ’70 werd dat nog vrij integraal bekeken; natuurlijk ontstaan én landgebruik sindsdien. In de jaren ’80-90-’00 verschoof de aandacht meer naar natuurlijke ontstaanswijze alleen (en de doorwerking ervan in de hydrologie). De laatste 10 jaar zijn we, met professor Stouthamer en haar onderzoekslijn naar de bodemdaling op een slappe bodem, weer terug op die integrale blik met veel aandacht voor landgebruik in verleden en heden. Het is ons weer duidelijker geworden hoe niet alleen de natuurlijke reacties op ingrijpen in het landschap, maar ook het patroon van menselijk handelen zelf op te nemen in ons onderzoek.”

Henk Berendsen, (Lichtenvoorde 1947- Wijk bij Duurstede 2007)

In zijn Handleiding Veldwerklaaglandgenese – een veldsyllabus – en inleidingen van publicaties, schrijft Berendsen: “Het Nederlandse rivieren gebied wordt al sinds 1959 gebruikt als ‘oefenterrein’ voor Utrechtse fysisch geografen. Eerste- en tweedejaars studenten hebben sindsdien deelgenomen aan het ‘veldwerk laaglandgenese'. De studenten kregen in groepen van twee een veldwerkgebied toegewezen van circa 6 vierkante kilometer. Elk gebied werd in kaart gebracht op grond van terreinwaarnemingen en tenminste 200 grondboringen. In eerste instantie werden de boringen in ‘raaien’ verricht; lijnen waarlangs met min of meer vaste afstanden boringen werden gezet. Van alle raaien werden profielen uitgewerkt. Naderhand werd het gebied tussen de raaien met tussen-boringen in kaart gebracht; de begrenzing van zandbanen en andere fenomenen vastgesteld.”

Henk Berendsen moderniseerde het instructieveldwerk geleidelijk. Hij startte een nauwgezet documentatiesysteem op papier, en schakelde begin jaren ’90 over op digitale verwerking. In 2000 was het databastand gegroeid tot ruim 200.000 boorbeschrijvingen, meer dan 1000 koolstof-14 dateringen van rivierafzettingen, naast talloze archeologische en andere indicatoren, die hij middels correspondentie verwierf. Er werd gepubliceerd over de ontstaanswijze van het rivierengebied. In 1982 was zulk werk verschenen voor het Kromme Rijngebied. In 2000 en 2001 verschenen overzichtswerken die de hele Rijn-Maasdelta dekten. Van Emmerik tot Werkendam en van Den Bosch tot Breukelen hadden zo’n 30 lichtingen studenten toen veldwerk onder zijn supervisie gedaan, en de beste plekjes werden door hem en zijn promovendi nogmaals bezocht om te bemonsteren en dateringen aan te verrichten. De kaarten vonden al snel veel praktische toepassingen – kwel onder dijken door bij het hoogwater in 1995 bijvoorbeeld – en dat leverde ook weer nieuwe onderzoeksprojecten op, bijvoorbeeld Cohen e.a. (2009).

Kim Cohen, Esther Stouthamer, Wim Hoek

“Maken we een sprong van 60 jaar van het bodemkundig georiënteerde onderzoek uit de tijd dat De Uithof gepland werd, naar dat van nu – wat zien we dan aan continuïteit en waar zitten de verschillen?” vroeg ik Kim. 

Cohen: “Het grondboren op vele plaatsen en opwerken tot kaarten van de ondergrond is gebleven, net als het zoeken naar ideale locaties om een boorkern te steken, vervolgens mee naar het lab te nemen en te onderzoeken op samenstelling en ouderdom.”

“De gebieden, waar zulk onderzoek vanuit de UU is en wordt uitgevoerd, zijn steeds groter geworden, Berendsen bestreek geleidelijk het hele rivierengebied. Zijn opvolgers vergrootten het gebied verder naar het westen (tot onder de Maasvlakte en de Noordzee in) en het oosten (het Duitse Niederrhein-gebied in). Zij onderzochten gelijkenissen en analogieën met delta-afzettingen uit het diepere verleden (Holocene jongste delta, versus die uit het Eemien van 120.000 jaar geleden, en van nog wat ijstijden eerder), en gingen in andere delta’s op de wereld aan de slag, zoals de - Mississippi, Mekong, Po-delta en Venetiaanse Laagvlakte.” 

Cohen: “Het ging alle kanten op, steeds internationaler – bijna al onze artikelen zijn nu in het Engels en gespecialiseerd en technisch. Maar we communiceren en adviseren ook heel veel in Nederlands uitvoerend onderzoek en beleid aan hydrologen, archeologen, weg en waterbouwers, vergunningverleners.”

“Houden we het op de onderzoekslijnen in de Nederlandse delta, dan is de koppeling gebleven tussen kijken, hoe het landschap is opgebouwd (waar zit zand, waar zit klei, hoe dik) en hoe dit waterhuishouding en milieu van het huidige landschap beïnvloedt.”

Nieuwe vragen en onderzoek

De dekking van de kartering van de Rijn-Maasdelta, en de nauwkeurigheid van datering van alle individuele opeenvolgende rivierlopen die haar hebben opgebouwd, is door het veldonderzoek lang vol te houden steeds beter geworden. “Daarmee konden de opgebouwde onderzoeksresultaten ook voor nieuwe opkomende vragen gebruikt worden.”

Cohen: “Dat waren dan bijvoorbeeld: Hoe reageerden rivieren vanouds op versnelde zeespiegelstijging? Zijn parallellen te trekken met hoe dit ca. 8450 jaar geleden ging (met meer dan 2 m in een eeuw) en wat in delta’s over de wereld in het heden verwacht wordt?” Zie bijvoorbeeld Cohen & Hijma (2008). 

En: “Hoe schommelt de afvoerverdeling bij riviersplitsingen door de tijd? Is in de toekomst een andere herverdeling denkbaar en wenselijk tussen de drie grote Rijntakken, Waal, Nederrijn-Lek en Gelderse IJssel?” Zie bijvoorbeeld Kleinhans e.a. (2013). 

En: “Hoe variabel waren jaarlijkse piekafvoeren in de Rijn, terug in de tijd? Kunnen we jaren of eeuwen aanwijzen waarin de afvoeren echt bijzonder groot waren, zo groot als waar we tegenwoordig onze dijken op ontwerpen?”

Cohen enthousiast: “Met die laatste vraag zijn we vanaf 2006 bezig geweest. We hebben uit het eerste millennium, nog net voor de bedijking, kunnen vaststellen dat tussen 600 en 800 er een handvol zeer grote piekafvoeren zijn geweest, de grootste zo’n 14,000-15,000 kuub/seconde (heen en teruggerekend naar de moderne toestand; ter vergelijking: 1995 was 12,000, 1926 ca. 12,500).  Om dat te achterhalen, daar kwam van alles bij kijken!”

Van Bonn tot Tiel en Deventer moest eerst gereconstrueerd worden waar medio 800 de rivier eigenlijk lag, en hoe diep haar bedding lag ten opzichte van de terrassen, de oevers en komgebieden. “Er is door promovendus Toonen veel geboord in afgesneden meanderbochten en een manier bedacht hoe we korrelgrootte - pulsjes zand en silt als uiterst dunne laagjes in de klei - kunnen opwerken tot een ‘sedimentair archief van overstromingen'. Zie bijvoorbeeld Cohen e.a. (2016). 

Ook moest met grondboringen en landschapskartering uitgezocht worden wat de hoogste plekken waren waar uit die tijd nog net een toefje incidentele overstromingsklei te vinden was, als een zeeprandje langs de rand van het dal. Dat ging met een eigen veldwerk maar vooral ook met heel veel spitten op het internet in rapportages van allerlei toevallige archeologische en milieu- onderzoekjes die de bodemopbouw op de rand van Rijndelta en omgeving beschreven. “Heel vaak waren die rapportjes geschreven door oud-studenten, opgeleid in ‘onze school’, wat weer erg helpt met de technische rapportjes te lezen.” Zie bijvoorbeeld Van der Meulen e.a. (2022).

En daarna moest nog een grote hydraulische rekensom gedraaid worden in een computer model, meerdere tientallen keren met kleine variaties om de onzekerheden af te kunnen schatten. Promovendi Van der Meulen en Bomers hebben dit in het kader van hun proefschriften samen gedaan, in een samenwerking tussen UU en de Universiteit Twente.” Zie bijvoorbeeld Van der Meulen e.a. (2021). 

Terug en vooruitkijken

Cohen: “Leuk en aardig die grote overstromingen uit de vroege middeleeuwen, die de Gelderse IJssel hebben laten ontstaan en zo, maar dat is uiteindelijk maar één casus van één zeldzaam groot hoogwater, en dat is niet genoeg. We wilden graag een aantal van zulke grote hoogwaters van de Rijn gereconstrueerd en afgeschat hebben.” Uit de 14e eeuw, aan het begin van de Late Middel¬eeuwen, toen de delta al wel bedijkt was maar deze dijken nog niet zo hoog, vermelden historische bronnen dat 1342 en 1374 jaren met zeer grote overstromingen en piekafvoeren waren. In de bekende overzichtswerken van Buisman (historicus werkzaam voor het KNMI) staat dat bijvoorbeeld vrij duidelijk. “Ook van die overstromingen hebben we, met veel werk en volhouden, nu waterstanden, landschapsreconstructies en rekensommen die de piekafvoer in kuubs per seconde afschatten. Die in 1374, is de millennium flood van de laatste 1000 jaar, en de afvoer was nog net een tikje groter dan de topper uit de Vroege Middeleeuwen in het eerste millennium.”

“Nu we dus ook fysisch geografisch kunnen aangeven hoe groot de historische overstromingen waren, kan dit allemaal in een statistische eindanalyse en die levert dan op wat zo’n beetje de maximale piekafvoer-groottes zijn waar we in het Rijnsysteem rekening mee moeten houden.” 

“Samen met Rijkswaterstaat en de Duitse equivalenten hebben we dit een stuk scherper gekregen. Ik moet er wel bij zeggen dat deze onderzoekslijn wel heel erg gaat over rivieren en water en uiterwaarden en dijken, en wat minder over zand en klei en veen en polders en slootjes – alhoewel daar ook hele grappige dwarsverbanden zijn.”

“Wat de onderzoeksgroep dan nu in de polders vooral nog doet? Een paar jaar terug is in de eerste ronde van de Nationale Wetenschapsagenda een groot consortiumproject ‘gehonoreerd’, dat gaat over slappe bodemdaling (Eng: subsidence) in het veenweide en klei-op-veen poldergebied van West- en Noord-Nederland. Professor Stouthamer leidde die aanvraag namens een stuk of 10 partijen. >Living on Soft Soils: Subsidence and Society heet het. Promovendi aangesteld op het project gaan als vanouds het veld in voor monstername en het lab in voor metingen. Er wordt dankbaar gebruik gemaakt van de over decennia opgebouwde expertise en gegevensbasis, met aandacht voor verleden en heden, natuurlijk en door de mens bepaald.”

Een unieke plek bij het dorp Bunnik is Vechten. Hier bouwden de Romeinen een versterking, het castellum Fectio, de oudste versterking in Nederland. Hoe zag het leven eruit van een Bataaf in dienst van de Romeinen in en rond een Romeins castellum, en hoe stond hij tegenover de Romeinen waarmee hij samenwerkte? Speuren naar sporen van dit Romeins verleden is geluk hebben. In dit rivierengebied zijn deze bewaard gebleven onder een dikke kleilaag. Wanneer er een droge zomer voorkomt worden contouren zichtbaar, zoals in 2003 ...

Via luchtfoto’s is rond het Romeins castellum in Vechten veel zichtbaar geworden. Het zijn mogelijke tracés van Romeinse wegen, oude meanders van de Kromme Rijn, de vroegmiddeleeuwse Marsdijk en een bouwwerk. Vragen borrelen naar boven ... 

De Romeinen legden aan de zuidoever van de Rijn allerlei militaire installaties aan. Deze bestaan uit castella voor circa vijfhonderd soldaten, kleinere fortificaties en wachttorens, een doorgaande verbindingsroute over land en een legioenskamp met een elitekorps van vijfduizend militairen. Bij Vechten, bij het castellum Fectio, was dit elitekorps van 5000 man gelegerd. 

In de Historiën geeft Tacitus een gedetailleerde beschrijving van de zogenaamde Bataafse Opstand, die duurde van 69 tot en met de herfst van 70. Dit is een belangrijk geschreven bron uit de Romeinse omgeving die ons iets vertelt over het leven van de ‘Germanen’ buiten het Romeinse rijk, een volk dat door de Romeinen kennelijk als exotisch werd beschouwd omdat alleen over hen zo’n duidelijk verhaal is geschreven. 

Tacitus beschrijft hun deelnemen aan grootschalige expedities tegen de Germanen aan de overkant van de Rijn, die tot even voor het midden van de eerste eeuw plaats vonden. Deze organiseerden zij zelf en op eigen kosten. Hier is weinig van bekend. Maar in 43 werd de Bataafse militaire inbreng aan het Romeinse leger anders georganiseerd: vanaf dat moment werden de Bataafse soldaten geplaatst in reguliere troepenformaties. Dit hield in dat soldaten tegen betaling in vaste dienst werden genomen voor een periode van 25 jaar. Na afloop kregen de afgezwaaiden het Romeins burgerrecht. Het waren uiteindelijk de Bataven die het grootst aantal soldaten van alle stammen in het noordelijke Gallia Belgica leverden. Zij vormden de kern van de strijdmacht van het Romeinse leger in Noordwest Europa. De Romeinen beschouwden hen als elitetroepen. Ze werden bijvoorbeeld ingezet bij de verovering van Britannië onder keizer Claudius. Het Bataafs zijn was in de Romeinse tijd een label waar het stond voor loyaal, dapper en strijdvaardig en synoniem voor Germaan, stoottroeper, goed te paard en te zwaard. 

In de beschrijving van Tacitus werden deze soldaten meegetrokken in een machtsstrijd tussen twee Romeinse bewindsvoerders Julius Civilis en Vespasianus. Deze machtsstrijd vormden een aanleiding voor de zogenaamde ‘Bataafse opstand’. De Historiën van Tacitus zijn 35 jaar later geschreven en geven geen zekerheden over de waardering van de Bataven voor het Romeinse imperium, of hun opvattingen over aan welke kant zij streden in het leger van de keizer, en zelfs niet over hun weinig geïntegreerde ‘Germaanse’ karakter, zegt Hans van Rossum 1.Tacitus geeft de Romeinse visie op de Bataven in specifieke omstandigheden en hoe de Romeinen daar tegenaan keken. De opstand kreeg pas een nationaal bevrijdingskarakter toen het nieuwe bewind in Rome was geïnstalleerd. De grote legermacht die toen in Noordwest Europa de orde kwam herstellen richtte zich immers ook tegen de Bataven. Door de geheel eigen dynamiek van de conflicten was een nieuwe situatie ontstaan. 

Bij opgravingen kunnen vondsten weer nieuwe verhalen opleveren, zoals de bokshandschoenen van een soldaat gevonden in het Romeinse castellum Vindolanda in Engeland uit de periode 90 – 120 2  In dit castellum Vindolanda zaten de soldaten uit België en Nederland. Daarbij kwam de vondst van duizenden in het Latijn geschreven teksten op schrijftabletten, afkomstig van de prefect van de negende Bataafse eenheid. Flavius Cerialis.De schrijftabletten geven een beeld van het dagelijks leven met brieven van soldaten die om sokken en ondergoed vragen, een uitnodiging is er voor een verjaardagsfeestje aan de echtgenote van de commandant van het fort, verzoeken om betaling, lijsten met geleverde goederen en inzet van troepen. Het type brieven is exact hetzelfde als dat bewaard is gebleven van Romeinen als Cicero en Plinius. Als deze prefect, deze Bataaf, iets gedaan wilde krijgen, hanteerde hij dezelfde sociale strategie, die van de ‘kruiwagencultuur’, als de Romeinse elite. 

Tacitus en de Vindolandateksten laten twee verschillende kanten van de werkelijkheid zien. Tacitus weerspiegelt de Romeinse waarneming in een noodsituatie en is een goede bron als we willen weten hoe de Romeinen in zo`n geval over de Bataven dachten, de Vindolandateksten laten een waarneembare buitenkant in een doorsneesituatie zien.   

Kasteel Wulven stond midden in de ontginning Wulven dat rond het jaar 1000 ten westen van Houten is gecultiveerd. Aangenomen wordt dat dit kasteel de opvolger is van het 600 meter zuidelijker gelegen mottekasteel Kersberg. 

Kasteel Wulven is in drie bewoningsperiodes te verdelen: de familie Van Wulven, de familie Van Renesse en de rijke stedelingen. Onder Van Renesse is Wulven een Ridderhofstad geworden, onder de rijke stedelingen een buitenhuis. Het huis Wulven is in 1828 gesloopt. Tegenwoordig is alleen een eilandje zichtbaar naast restaurant Kees aan de Koedijk. 

Het kasteel Wulven is in 1296 gebouwd door Ernst van Wulven II. Het gaat dan waarschijnlijk om een stenen woontoren met hofstede en een gracht. In oorsprong behoorde de familie Van Wulven tot de Stichtse ministerialiteit. Maar in 1296 was de loyaliteit aan de Utrechtse bisschop minder. Het kasteel wordt opgedragen aan Floris V, graaf van Holland en Zeeland. Wanneer in 12 juni 1345 Graaf Willem IV van Holland met 2800 manschappen de stad Utrecht belegerd is Ernst van Wulven IV erbij. Na terugkeer van bisschop Jan van Arkel uit Avignon wordt een wapenstilstand afgesloten. Tijdens deze wapenstilstand overlijdt Graaf Willem IV van Holland bij een ander gevecht. Ernst van Wulven IV is één van de drie edelen die weigert spijt te erkennen en in november 1345 wordt het kasteel door de bisschop en een groep Utrechters veroverd en afgebroken. 

Na zijn ballingschap bouwt Ernst van Wulven IV een nieuw en groter kasteel. Het kasteel komt in het bezit van Herman van Lokhorst die zich Herman van Wulven noemt. Deze Herman schenkt in 1393 het gerecht Wulven en het huis Wulven aan Balthasar van Buren, vanwege het huwelijk met zijn dochter. Balthasar van Buren zien we regelmatig oorlog voeren. Zo is hij in 1405 betrokken bij het beleg van Kasteel Everstein. In 1425 vindt Rudolf van Diepholt tijdelijk onderkomen op het kasteel. Hij is tegenbisschop en gevlucht uit de stad Utrecht. Met Pinksteren 1426 trekt Balthasar van Buren samen met andere edelen de stad in en verdrijven ze de zittende bisschop Zweder van Kuilenburg. Rudolf van Diepholt wordt daarna bisschop van Utrecht.

Periode Van Renesse

Via dochter Lutgaarde van Buren komt het huis in bezit van Jan van Renesse VII. Hij is o.a. schepen, burgemeester en schout van Utrecht. Jan van Renesse VII zien we op 3 augustus 1456 deel uitmaken van de Utrechtse delegatie bij het verdrag van IJsselstein. Daarin wordt afgesproken dat David van Bourgondië de nieuwe bisschop van Utrecht wordt. 

Kasteel Wulven blijft langere tijd in handen van de familie Van Renesse. In de kapel bij het kasteel staat een Mariabeeldje dat wordt vereerd en bezocht door pelgrims. Deze bedevaartfunctie duurt van ongeveer 1450 tot ongeveer 1525. Het geloof is belangrijk op het kasteel. Jan van Renesse VIII krijgt in 1501 een zoon: Adriaen van Renesse. Deze wordt gedoopt door Adriaen Floriszoon, die later de enige Nederlandse paus zou worden. Adriaen van Renesse zelf sterft vlak voordat hij aartsbisschop van Utrecht wordt.

Op 20 augustus 1554 krijgt de derde zoon van Jan van Renesse VIII het huis Wulven en gerecht in leen. In 1566 is deze Jan van Renesse VIIII een van de eerste edelen die streeft naar vrijheid van godsdienst en het verzoekschrift aan de landvoogdes Margaretha van Parma tekent. Jan van Renesse VIIII, heer van Wulven, blijkt een van de lokale drijvende krachten achter de beeldenstorm in Utrecht. Wanneer Alva naar Nederland komt vlucht hij het land uit. In 1574 is hij in Leiden als de stad wordt belegerd. Daarna woont hij in Utrecht op het Sint Janskerkhof, een woning die hij al sinds 1560 in zijn bezit heeft. Na zijn dood neemt zoon Jan van Renesse in 1584 het huis over. Het huis is dan vervallen en moet nodig worden opgeknapt. Binnen de familie is onvoldoende geld aanwezig en het huis gaat in 1592 in de verkoop. 

Het zijn de rijke stedelingen die het huis Wulven overnemen. De koper in 1592 is Wouter van Oudshoorn. Hij is burgemeester in Dordrecht en knapt het huis op. Wulven wordt dan voor diverse stedelingen een buitenverblijf. In de stad is het niet altijd prettig vertoeven en zo’n huis buiten is aangenaam. In de 18e eeuw worden de pijlers van het toegangshek neergezet. Een bijgebouw van het huis krijgt een wapensteen van het gerecht Wulven met de familiewapens van Hendrik van der Graeff van Vapour en diens vrouw Adriana de la Barre. Deze is tegenwoordig te zien in de voorgevel van de kasteelboerderij. Na zo’n 50 jaar verval wordt op 22 september 1827 Kasteel Wulven geveild en gekocht door baron Wijkerslooth de Weerdesteyn.

Hij laat het kasteel in 1828 slopen.

 

 

Het Werk aan de Groeneweg is een verdedigingswerk langs de Lek van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Een directe aanval op Fort Honswijk kon met het Werk aan de Groeneweg worden vertraagd. Het werk verdedigde het hogere land vlakbij de dijk dat niet of onvoldoende onder water zou lopen bij inundatie.

Het Werk aan de Groeneweg valt onder de Stelling van Honswijk en ligt ter hoogte van Fort Everdingen langs de Lek. Zowel Fort Everdingen als Fort Honswijk verdedigden de Lek. Vijandelijke scheepvaart op de rivier kon vanuit deze forten worden beschoten.

Voor de verdediging van Fort Honswijk zelf, was een aantal verdedigingswerken gebouwd. Een daarvan was het Werk aan de Groeneweg op 1800 meter afstand. 

Werk aan de Groeneweg is tijdens de Eerste Wereldoorlog gebouwd en was in 1918 gereed. Het bestond uit een aarden wal van 600 meter lengte tussen de Lekdijk en de Achterdijk. In de wal waren loopgraven met schuilplaatsen aangebracht. Voor de wal in het oosten, maar ook ten noorden en zuiden werden betonnen schuilplaatsen aangelegd.  

Met het aanbreken van de Tweede Wereldoorlog worden tien schuilplaatsen omgebouwd tot een kazemat. Er kon nu ook worden geschoten. Ook kwamen er tankversperringen, mitrailleuropstellingen en nieuwe schuilplaatsen.

De verdedigingszone functioneerde in de praktijk nauwelijks. Tijdens de Duitse inval in mei 1940 had de vijand vrijwel geen vertraging door dit werk. De Duitsers waren toen al enkele dagen druk met het veroveren van de brug bij Culemborg en toen dat was gelukt was het Werk aan de Groeneweg niet zo ingewikkeld om te passeren.

In 2014 is door Staatsbosbeheer het Werk aan de Groeneweg opgeknapt. De huidige situatie is ongeveer hetzelfde als die uit het eind van de jaren 30.

 

Tussen de woonwijken in het zuidwesten van Houten staat de ronde toren van het voormalige kasteel Schonauwen. Het is het enige restant van wat ooit een indrukwekkende waterburcht was. De toren is een van de oudste nog zichtbare bouwwerken in de gemeente Houten en dateert uit ongeveer het jaar 1375. 

Kasteel Schonauwen staat in de polder Schonauwen, een ontginning uit de 12 eeuw. Het gebied werd tegelijkertijd ontgonnen met Schalkwijk. De polder en het bijhorend gerecht droeg in de middeleeuwen de naam Vuijlcop. De rechten lagen bij de Norbertijnerabdij van Mariënweerd (bij Beesd). Deze abdij blijkt in het jaar 1261 een kloosterboerderij te hebben langs de Houtensewetering, die de naam Schonauwen draagt. Een nog vroegere vermelding gaan terug tot het jaar 1240, maar dan onder de naam ‘Huis aan de Weteringe’. 

Wanneer de lagere rechtsmacht in 1271 in handen komt van de Heer van Kuilenborg, wordt dit in onderleen gegeven aan zijn nakomelingen. Die bouwen rond 1305 een stenen woontoren, dat de naam Schonauwen draagt. Het is ook in deze tijd dat de boerderijen langs de Schalkwijksewetering zich verplaatsen naar de iets hoger gelegen Houtensewetering. Hier was minder vaak last van overstromingen en was het grondwaterpeil beter. 

Aan het eind van de 14e eeuw wordt de woontoren omgebouwd tot een kasteel. Het huis wordt een imposante waterburcht van 15 bij 20 meter. De funderingen van de muren zijn 1 tot 2 meter breed. 

Ook de huidige nog zichtbare 13,5 meter hoge ronde toren wordt dan gebouwd. Ronde torens zijn vanaf 1360 populair. Ze worden dan ook gebruikt op de stadsmuur van Utrecht. Het voordeel van een ronde toren is dat kogels gemakkelijk afketsen en dus is de kans op inslag kleiner. Van Schonauwen zijn geen oorlogshandelingen bekend. Alleen in december 1527 wordt het kasteel tijdelijk ingenomen door de stad Utrecht.

Het kasteel heeft ook een voorburcht, waar de dienstwoningen staan. Via een tweede brug wordt de buitenwereld bereikt. De gracht is 25 tot 38 meter breed. In 1536 wordt Schonauwen door de Utrechtse Staten erkend als ridderhofstad. De naam Schonauwen is dan vaker in gebruik dan Vuilkop. 

Buitenhuis

In de 17e eeuw wordt het kasteel ingrijpend verbouwd. Het kasteel wordt omgevormd naar een buitenhuis, dat vaak in de zomer in gebruik is. Bewoner is Jacob van Wassenaer Obdam, admiraal op zee. Hij voerde op De Eendragt die op 13 juni 1665 tijdens een zeeslag explodeerde. In 1727 wordt het kasteel bewoond door een Franse Kartuizer gemeenschap. De Kartuizers waren gevlucht uit Frankrijk en uiteindelijk in Schonauwen uitgekomen. Na 30 jaar waren er nog maar twee Kartuizers over, waarna het gebouw opnieuw werd verkocht. 

In 1812 wordt het kasteel geveild. Hendrik Ravee koopt het kasteel en laat het in 1813 op de ronde hoektoren na slopen. De huidige aanbouw in historisch stijl is tijdens de Tweede Wereldoorlog gebouwd. In 2001 blijkt de toren scheef te staan. De angst bestond dat verandering van de grondwaterstand vanwege de nieuwbouw rond de toren, zou zorgen voor een versneld verval.

Tijdens de renovatie in 2006 is de toren van heipalen voorzien. Uit archeologisch onderzoek in 2002 blijkt dat de vloer van de ronde toren vlak na de bouw in de Middeleeuwen al was verzakt. De waterpartij langs Granietsteen is rond 2008 opnieuw aangelegd, waardoor de kasteeltoren stedenbouwkundig is verwerkt in de nieuwbouw van Houten-Zuid. 

 

Fort Honswijk ligt in het midden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie aan de Lek. Het fort is het centrum van de Stelling van Honswijk. Het bijzondere van deze stelling is dat het waterliniegebied hier nog redelijk in tact is.

Fort Honswijk was in eerste instantie een verdedigingswerk dat bestond uit een aarden wal. Vanaf deze wal was het de bedoeling om het hoger gelegen gebied ten noorden van de Lekdijk te verdedigen. 

Tussen 1842 en 1848 werd het torenfort gebouwd. Het droeg de naam van de toenmalige koning Willem II. Fort Willem II kreeg samen met Fort Everdingen aan de andere kant de Lek de taak om de rivier te verdedigen. Ook beschermde het fort de sluizen van het inundatiekanaal. Het was de eerste van de tien torenforten die zouden worden gebouwd in de gehele Nieuwe Hollandse Waterlinie. Met drie verdiepingen en één ondergrondse verdieping werd het de grootste torenfort. De toren leek op een kasteel, had kantelen, een gracht en een ophaalbrug.  

In 1870 werd het fort gemobiliseerd. Gedurende negen weken waren er manschappen ondergebracht, omdat er onduidelijkheid was hoe de Frans-Duitse oorlog zich zou ontwikkelen. Het fort werd gevechtsklaar gemaakt en de kanonnen werden op hun positie gezet. 

Tussen 1878 en 1881 werd de bovenste verdieping van de toren gesloopt. Deze was door nieuw geschut gemakkelijk in puin te schieten. Nieuw was de contrescarp aan de oostkant die de toren tegen de nieuwe zwaardere wapens moest beschermen. Kanonkogels en granaten zouden op de aarden wal afketsen en de muren van het torenfort heel laten.

In deze periode werden magazijnen en bunkers verbeterd en bijgebouwd. De gracht werd gedempt en de ophaalbrug verwijderd. Het poortgebouw dateert eveneens uit 1878. Het bijzondere aan het poortgebouw is dat het zonder gracht is opgeleverd, zoals elders het geval is. Aan het eind van de twintigste eeuw kon het fort maximaal 650 personen herbergen. 

De tweede mobilisatie vond plaats tijdens de Eerste Wereldoorlog. Gedurende vier jaar waren er soldaten in en rond het fort. Gewerkt werd aan de verbetering van Fort Honswijk en omliggende verdedigingswerken. Ook werd het Werk aan de Groeneweg aangelegd, zodat het fort beter beschermd was bij een aanval uit het oosten. De Stelling van Honswijk was daarmee compleet.

Stelling van Honswijk

De stelling bestaat onder andere uit Fort Honswijk, het naastgelegen Lunet aan de Snel en Werk aan de Korte Uitweg. Deze laatste is via een gedekte weg te bereiken. Verder zijn rond Fort Honswijk groepsschuilplaatsen aangebracht. Op enige afstand ligt het Werk aan de Groeneweg en het Werk aan de Waalseweg. Hier en daar in de omgeving van Fort Honswijk zijn houten huisjes te zien, die in het kader van de kringloopwet werden gebouwd.

Tweede Wereldoorlog

In 1935 wordt Fort Honswijk in gebruik genomen als het eerste concentratiekamp van Nederland. Daarna trok vanaf 1939 het leger erin. Tot 1946 zaten er soldaten. Eerst Nederlandse, vanaf 14 mei 1940 Duitse soldaten. Met de bevrijding in 1945 werd Fort Honswijk gebruikt om NSB-ers en oorlogsmisdadigers vast te houden, waaronder de bekende ‘Drie van Breda’. De Amersfoortse kampbeul Jacobus Ammerdorffer pleegde zelfmoord en nam in zijn dood een bewaker uit Schalkwijk mee.

Defensie bleef tot 2013 in het fort. De Gemeente Houten voerde daarna noodherstel uit en is sinds 2016 eigenaar. 

Op de dag van de mobilisatie van Nederland, 29 augustus 1939, maakte Nederland zich klaar voor de gewapende neutraliteit, waarbij tienduizenden soldaten zich moesten melden bij verzamelplaatsen door het hele land. Op diezelfde dag stuurde het Departement van Defensie het ‘Voorschrift Afvoer Burgerbevolking’ aan alle gemeenten van ons land. Deze maatregel had tot doel veiligheidsmaatregelen te nemen voor de bevolking in gebieden waar zware gevechten verwacht werden of gebieden die geïnundeerd zouden worden. De drie gemeenten Houten, Schalkwijk en Tull en ’t Waal kwamen voor op die lijsten.

Op 12 mei 1940  werd een gedeelte onder water gezet; Het Vechter en Oudwulverbroek. Ook een deel van Wulven en een beperkt deel van de Houtense Vlakte tegenwoordig een deel van de Utrechtse wijk Lunetten, dat toen nog bij de gemeente Houten behoorde.  ± 2.500 inwoners van Houten, Schalkwijk en Tull en 't Waal moesten hun huizen verlaten. 

Terwijl het inundatiewater bleef stijgen kwam de bevolking van de dorpen in een benarde situatie terecht; vliegtuigen van de Duitsers scheerden laag over de Lek, de eerste boerderij Lekdijk 26 van Jan van Rijn was al in brand geschoten, het vee werd afgevoerd en per schip bij Schalkwijk de Lek op gestuurd, en in de nacht van 13 op 14 mei en op de vroege morgen van 15 mei trokken militairen in onafzienbare colonnes auto’s en artillerie langs de dorpen ’t Goy, Houten en Schalkwijk. Deze leger onderdelen kwamen niet alleen terug van de Grebbelinie, maar ook van de Peellinie, de grensbewaking en uit het Land van Maas en Waal. Een dichte grondmist beschermde onze troepen voor de Duitse vliegtuigen. Een meevaller, want bij helder weer hadden die een bloedbad kunnen aanrichten op de overvolle wegen. 

Op tweede Pinksterdag, 13 mei 1940, werd niet alleen een gedeelte van de bevolking van het dorp Houten en 't Goy geëvacueerd, vanwege de inundatie, maar ook Schalkwijk en Tull en ’t Waal. Dit gebeurde met de auto, paard-en-wagen of te voet. De mensen zouden naar Monster gaan. De gemeente Monster is nooit bereikt. Zij die Houten met de auto hadden verlaten, strandden in Boskoop.1

Ruim tachtig jaar na de Duitse inval in ons land ontstond tussen mevrouw A.G. Nielsen – Wit 98, A.G.N.W., en mij, Tjeerd Nielsen, T.N., de volgende dialoog over de evacuatie in Houten en de vijf lange jaren van oorlog. 

T.N.: Jij zult je van die meidagen nog wel iets kunnen herinneren? 

A.G.N.W: Jazeker. Ik was toen zeventien. Ik woonde in Houten samen met mijn ouders, mijn jongere zusje en mijn twee jongere broers. Wij waren met z’n zessen. Ik zat in Utrecht op het gymnasium. Op negen mei 1940 hadden we een schoolavond. Omdat het al laat was, overnachtte ik bij een vriendinnetje in Utrecht. Omstreeks drie uur ’s nachts hoorden wij in de lucht een diep gebrom. Toen we naar buiten keken zagen wij Duitse vliegtuigen. Mijn vriendinnetje zei: ‘Het is oorlog!’ In alle vroegte ben ik naar huis gefietst, zodra het licht was geworden. Het was prachtig weer. Thuis lag iedereen nog te slapen. Niemand had iets in de gaten; ik moest ze waarschuwen. Ik wist het bij ons thuis dus als eerste. 

T.N.: Houten – dat lijkt mij toch een plek waar jullie overal dichtbij zaten, wat de oorlog betrof. 

A.G.N.W.: We woonden inderdaad op een plek waar wij overal dichtbij zaten, wat de oorlog betrof. Je had de militaire vliegbasis van Soesterberg. Woudenberg – óók militair van belang – was in de buurt. En verder was er de Grebbelinie. Wij konden thuis het schieten horen. Dan waren er de Duitse vliegtuigen, die soms zó laag overvlogen dat wij de inzittenden konden zien. Ze zwaaiden naar ons, maar natuurlijk zwaaiden wij niet terug. 

T.N.: Je hebt ooit eens verteld dat jullie in die meidagen van huis gingen.

Evacuatie Houten, tweede Pinksterdag 13 mei 1940

A.G.N.W.: Vooraf aan de inundatie waren mijn ouders gevraagd mee te willen helpen om ouderen en zieken te evacueren vanwege de Hollandse Waterlinie. Er zouden landerijen onder water worden gezet om de Duitsers tegen te houden. Mijn ouders hadden beide een rijbewijs. Wij hadden zelf geen auto, maar het garagebedrijf van ons dorp stelde wagens ter beschikking. Verder deed iedereen mee die een auto bezat. In een soort colonne vertrokken we naar het westen, richting Zuid-Holland om betrokken mensen in veiligheid te brengen. 

T.N.: Was dat niet gevaarlijk? 

A.G.N.W.: Het was een levensgevaarlijke tocht. Vanuit de lucht konden wij gemakkelijk beschoten worden. Gelukkig is dat niet gebeurd. Vader en moeder hadden ons, hun kinderen, niet alleen willen achterlaten – dus wij waren óók mee. Bij Jutphaas  ter hoogte van het latere Nieuwegein werden we al tegengehouden omdat er geschoten werd. Toen al raakte onze colonne uit elkaar. Ik zat in de auto die mijn vader reed. Wij vervolgden onze weg zo goed en zo kwaad het ging verder naar het westen, steeds tegengehouden door militairen die wilden weten wie in onze wagen zaten. Toen het donker werd, sommeerde men ons om niet verder te gaan. Inmiddels waren wij beland in Voorburg, waar een familielid woonde van één van de inzittenden. De rest van die eerste oorlogsdagen zijn wij in Voorburg gebleven. Daarna zijn wij weer naar huis gegaan. De evacuees, voor zover niet elders ondergebracht, hebben wij mee terug genomen. Mijn moeder was met haar auto in Boskoop terechtgekomen. Daar werd ons gezin herenigd, tot haar grote opluchting. Van pure spanningen was zij haar stem kwijt. Vóór die tijd hebben wij vanuit vaders auto Rotterdam zien branden in de verte. Wij wisten toen al van de radio, dat die stad was gebombardeerd. Terug in de buurt van Houten zagen wij dat de lager gelegen gebieden in de tussentijd onder water waren komen te staan. De wegen staken boven het water uit. De plek waar ons huis stond was hoger gelegen. Verdere autotochten met evacuees waren onmogelijk geworden. 

T.N.: Was die opdracht, jullie gegeven door de Nederlandse autoriteiten, in feite niet volkomen onverantwoord?  

A.G.N.W.: Dat idee heb ik wel. Bovendien had die Hollandse Waterlinie niet de minste zin. Er waren toch vliegtuigen? En er waren toch parachutisten? Wij leefden toch niet meer in de Tachtigjarige Oorlog? 

T.N.: Het moet een rare, chaotische toestand zijn geweest.  

A.G.N.W.: Ja, en er waren wel meer rare dingen. Mijn vader was hoofd van de plaatselijke Burgerwacht, en had opdracht gekregen bovenin de kerktoren te klimmen om te kijken of de Duitsers er al aan kwamen. Hij was hartpatiënt en kon dat niet. Daarom was mijn broertje in die toren geklommen, op zijn elfde. Natuurlijk kwamen die Duitsers eraan, Hollandse Waterlinie of niet! Toen wij terugkwamen waren onze fietsen verdwenen. Die werden door Nederlandse militairen gebruikt tijdens hun terugtocht. Ze hadden bij ons een ruitje ingeslagen in de bijkeuken. De fietsen waren weg. De hond hadden ze bij die gelegenheid buiten gelaten; die vloog ons uitzinnig tegemoet. Mijn vader kon later onze fietsen ophalen in Utrecht. Uiteraard waren ze toen al lang gestolen. Om niet met lege handen terug te komen had hij maar een paar aftandse wrakken meegebracht. 

T.N.: Hadden die militairen ook niet opa’s browning meegenomen? 

A.G.N.W.: Nee, die had hij zelf gegeven aan een Nederlandse militair die op de moment zonder wapen zat. Later heeft hij daarover nogal ingezeten, want alle schietwapens waren geregistreerd. Gelukkig is er van de Duitsers geen navraag gekomen. 

T.N.: Jullie zijn in de zomer van 1940 verhuisd. 

A.G.N.W.: Ja, mijn vader was in dat jaar benoemd tot notaris in Avenhorn. Tot die tijd was hij kandidaat – notaris in Houten. 

T.N.: Zo keerden jullie dus terug naar Noord-Holland, het gebied waar jullie familie vandaan kwam. Hebben jullie toen nog veel van de oorlog gemerkt? 

A.G.N.W.: We fietsten naar school in Alkmaar, maar op den duur niet meer; er waren geen banden meer. De bussen reden onregelmatig, en al te vaak helemaal niet. Zo misten wij nogal eens de school. Als het in de bus te vol was, moesten de schooljongens op het dak meerijden, in weer en wind. Die ‘schooljongens’, daar hoorde ik óók bij. Ik ben op kamers beland in Alkmaar, bij mensen die uit Den Helder hadden moeten vertrekken vanwege de Atlantikwall, de Duitse verdedigingswerken langs de kust. De school werd vervolgens weer gevorderd door de Duitsers, dat deden zij met alle nieuwe gebouwen. Wij moesten naar een oude school vlakbij het station. Het station is eens beschoten. De kogels vlogen door de ruiten van het klaslokaal. In 1943 heb ik mijn eindexamen gehaald. Daarna zat ik twee jaar thuis. De universiteiten waren dicht. Mijn vader heeft nog geprobeerd mij ondertussen op te leiden voor het notariaat – hij had daarvoor een bevoegdheid – maar dat lag me niet. Zelf ben ik in 1945 theologie gaan studeren, eerst in Leiden en later in Amsterdam. Zeer tot genoegen van mijn vader, die zelf graag dominee had willen worden.

T.N.: Je hebt wel eens verteld dat het dagelijks leven er juist in die latere jaren van de oorlog niet gemakkelijker op werd. 

A.G.N.W.: Dat was ook zo. Het ging geleidelijk aan, maar op het laatst was er helemaal niets meer. Wij hadden nog het geluk, dagelijks een paar liter melk te kunnen krijgen van een buurman, die boer was. Verder hadden wij zelf boeren in de familie; van één van hen kregen wij elk jaar een hutkoffer vol graan. Dat moest je nog laten malen, maar de molenaar voegde alles wat werd ingebracht samen, wat de kwaliteit beslist niet ten goed kwam. Dus maalde ik het zelf, in een handkoffiemolen. We hadden een gasinstallatie. Dat gas kwam overal ter plekke uit de sloot, en werd opgeslagen in een soort reservoir. Toen er geen stroom meer was, brachten wij het vulmechaniek in beweging door de trappers van een fiets – het zogenaamde ‘gasfietsen’. Toen er geen leidingwater meer was, konden wij toe met de regenput – waarvan trouwens op het dorp óók anderen gebruik maakten. Af en toe hakten mijn broers een boom in de tuin om; dan hadden wij weer brandhout. Maar niemand wist, wanneer dit alles voorbij zou zijn. In die jarenlange onzekerheid heeft mijn moeder soms bijna de moed verloren. Er kwamen vooral de laatste winter dikwijls mensen langs op hongertocht – uit Amsterdam onder meer. Die hadden het nog veel en veel beroerder. We zaten vlakbij het afweergeschut bij Bergen aan zee. Er zijn vliegtuigen in onze omgeving neergestort, een enkele keer nèt niet op ons huis. 

In die tijd, die voortdurend spanningen opleverde, moest je altijd op je hoede zijn, ook in wat je zei. Je had het gevoel dat je niemand kon vertrouwen. Het verraad lag overal op de loer.  Het is goed dat dit allemaal later voorbij was.

T.A.J.N. – Mei 2021 

Het oude station van Houten is te vinden langs het Stationserf in Houten. Het gebouw is de laatste stationsgebouw van dit type dat nog bestaat. 

Het Houtens station opende op 1 november 1868. Op die dag werd de spoorlijn tussen Utrecht en Waardenburg in dienst genomen. Later is de spoorlijn doorgetrokken tot Boxtel. De spoorlijn staat bekend als Staatslijn H. Het werd aangelegd door de Nederlandse Staat omdat particuliere investeerders de kosten voor deze lijn met de diverse rivierbruggen te hoog vonden. 

Het stationsgebouw is van het type SS vervanger 5e klasse, waarvan er zes in Nederland zijn gebouwd. Dit type werd gebouwd in een periode dat de Staatsspoorwegen financieel in zwaar weer zat. Hierdoor werden er eenvoudigere stations gebouwd, vandaar de toevoeging ‘vervanger’. Op de spoorlijn reden treinen van de Staatsspoorwegen (SS). 

De spoorlijn was vooral belangrijk voor het goederenvervoer. Er ontstond door de komst van de spoorlijn een verbinding tussen Limburg waar kolen werd gewonnen en de steden boven de rivieren. Voor het goederenvervoer dat voor Houten was bestemd, kwam een speciaal opstelspoor. Dit werd vooral gebruikt voor de aanvoer van kolen en later voor de afvoer van fruit. Aan het begin van de 20e eeuw kreeg de naastgelegen graanmaalderij ook een eigen opstelspoor. In 1885 werd het spoor verdubbeld. Rond 1920 waren er plaatselijk vijf sporen naast elkaar.

Passagiers

Naast goederenvervoer was de spoorlijn ook geschikt voor vervoer van personen. In het eerste jaar 1869 dat het station in gebruik is, zijn er 14687 in- en uitstapbewegingen. De reizigers konden reizen via eerste klas, tweede klas of derde klas. Het station had een wachtkamer voor de eerste klas reizigers en voor de overige reizigers. In de rechtervleugel woonde de stationschef met zijn gezin. Verder waren er in het gebouw dienstvertrekken. Zo was er een hal met loket, een bagageruimte, toiletruimte en was er een magazijn. Boven was een zolder en onder de keuken een kelder. Op het perron was de bediening van de seinen en wissels te vinden. 

Op 7 juni 1917 was station Houten een belangrijk steunpunt voor de hulpverlening. Die middag ontspoorde bij de Poeldijk in Houten een trein, waarbij Koningin Wilhelmina betrokken was. Vanaf 1 februari 1871 was de telegraaf op het station opengesteld voor het publiek. Inwoners van Houten kunnen een telegram versturen naar elders in Nederland. In 1890 is het telegraafkantoor 12 uur per dag geopend. Het telegraafkantoor is tot rond 1907 actief.

Met de winterdienstregeling die op 7 oktober 1934 ingaat vervalt station Houten. Het station blijft wel in gebruik voor goederenvervoer. Ook wordt er soms gestopt voor schoolreisjes en een tocht naar een bedevaartsplaats. Reden voor opheffing is dat de spoorwegen kampen met een slecht imago en concurrentie ervaren bij het vervoer van goederen door de groei van de scheepvaart. Ingezet wordt op snelle dieseltreinen, waardoor kleine stations als hinderlijk worden ervaren. 

Bewoning

Vanaf 1937 wordt het stationsgebouw omgebouwd tot twee woningen. Wel woont hier een seinhuiswachter die naast de seinen ook de wissels bediend en de overweg op de Vlierweg. 

Na de Tweede Wereldoorlog vindt in de periode 1945 tot en met 1949 de Johannes Bogermanschool onderdak in het gebouw. Het oorspronkelijke schoolgebouw op De Brink was in november 1944 gebombardeerd. Na vertrek van de school wordt er een derde woning in het stationsgebouw aangebracht. Uiteindelijk wonen er zo’n 14 mensen in het oude station van Houten. In 1963 wordt de bewaking van de overweg geautomatiseerd. In 1965 sluit het station definitief voor goederenvervoer.

In 1984 besluit de Houtense gemeenteraad tot sloop van het gebouw. Het gebouw is al die jaren slecht onderhouden en verwaarloosd. Er komt een handtekeningactie op gang vanuit de buurt en de gemeenteraad komt terug op haar besluit. In 1986 volgt renovatie. Het gebouw wordt in gebruik genomen voor startende ondernemers.

Aan het begin van deze eeuw staat het station in de weg voor de geplande spoorverdubbeling. Het gebouw wordt in 2007 verplaatst naar een locatie 150 meter zuidelijker en enkele meters westelijker. Hierna volgde renovatie waarbij het station zoveel mogelijk in oude staat is teruggebracht. De archeologische werkgroep van Houten heeft hier nu haar onderkomen.

 

De kerk van Honswijk is ergens in de twaalfde eeuw ontstaan. In die tijd sprak men over de kerk van Tull. Het was een dochterkerk van de parochie van Gasperde, dat aan de overkant van de Lek was gelegen. Gasperde was een nederzetting dat later Hagestein zou gaan heten.

In 1258 wordt de kerk van Tull een zelfstandige parochie. Deze bedient de boerderijen langs de Lek en het kasteel Tull met omliggende woningen. Vanaf 1338 wordt gesproken over de parochie Honswijk. Kennelijk is het versterkte huis Tull dan niet meer van belang. 

In 1417 vond in de kerk van Honswijk de eerste schietpartij ooit plaats van de huidige gemeente Houten. Het was een gewelddadige tijd en mannen uit Vianen zochten medestanders onder de bevolking van Honswijk. Die vluchtten naar de kerk, waarna belegering volgde. Een man werd door de ramen doodgeschoten en de kerk werd in brand gestoken. Alleen de kerktoren bleef staan. De heer Van Vianen herbouwde de kerk in gotische stijl.

Beeldenstorm

In 1566 bereikte de beeldenstorm Culemborg. De heer van Culemborg was grote voorstander van het nieuwe geloof. Vanuit deze stad werden de kerken in Honswijk, Zijderveld en Everdingen ontdaan van beelden. Tot 1608 bleef er een overgangspriester actief.

Het is ook de periode dat er regelmatig dijkdoorbraken waren. Om nieuwe doorbraken te voorkomen volgden dijkverzwaringen. Het gevolg was dat de kerktoren van de Honswijkse kerk half in de dijk kwam te staan. 

Verval kerk

In 1633 werd het kerkgebouw gesloten omdat het in slechte staat was. Er waren kennelijk te weinig parochianen die het protestantse geloof volgden, om de kosten te kunnen betalen. In 1673 werd de klok van de kerk geroofd door de Fransen die in de regio waren ingekwartierd en uiteindelijk op plundertocht gingen. Na het vertrek van de Fransen werd de regio getroffen door noodweer, waarbij o.a. de Domkerk werd vernield. Ook de kerk van Honswijk liep schade op, maar de toren kwam er goed vanaf. De kerkgangers maakten daarna gebruik van een kapel voor hun kerkdiensten.

In 1750 besloten de inwoners naar de kerk in ’t Waal te gaan. Van het gebouw was aan het eind van de achttiende eeuw niet veel meer over. Na opnieuw het vertrek van de Fransen in de negentiende eeuw wordt de kerk gesloopt. Het duurde niet lang of het indrukwekkende Fort Honswijk verscheen enkele honderden meters verderop.

Ten behoeve van de TRAP-route is een kunstwerk ter herinnering aan deze kerk geplaatst. Maar dit kunstwerk is zelf ook al geschiedenis geworden vanwege diefstal van het beeld.

 

Kasteel Cammingha in Bunnik is een van de vele kastelen in het Krommerijn gebied. Het ligt aan de Kromme Rijn, wat verscholen achter de Landgoederij, aan de Camminghalaan te Bunnik. Vanaf het jaagpad langs de Kromme Rijn kun je het het beste zien.

Kasteel Cammingha dateert oorspronkelijk uit de 14e eeuw. Alleen heette het toen geen Cammingha, maar de Beesde. 

Aanvankelijk was het bezit van de familie Van Beesde. Wanneer het in bezit is gekomen van de familie Van Lockhorst is niet bekend, maar waarschijnlijk is dat rond 1525 geweest. Rond die tijd trouwde een van de dochters van Laurensz Jansz van Beesde, genaamd Margaretha, met Frederick de Voocht van Rijneveld en gingen ze samen op Blikkenburg bij Zeist wonen. De familie Van Lockhorst heeft het kort daarna in bezit gekregen. Dit blijkt uit een briefje uit 1534 waarin staat dat hij (Gerrit van Lockhorst) nog nooit belasting had hoeven te betalen en hij stuurt zijn pachter, Joost Mathijssen, met dit briefje naar de Staten van Utrecht. In dit briefje staat dat Joost van jonker Van Lockhorst een boerderij huurde, genaamd het huis De Beesde, in Bunnik.

De familie Van Lockhorst was een adellijke familie die zijn oorsprong had in de omgeving van Leusden. Net als andere adellijke families hadden ze overal in de provincie Utrecht land, en her en der ook wat versterkte huizen. Voor zover bekend woonde de familie Van Lockhorst niet op het kasteel, maar ongetwijfeld zullen ze er geweest zijn om te kijken hoe het met hun bezit gesteld was, of ze stuurden een rentmeester om de pacht te incasseren.

Tot 1645 was het kasteel en de boerderij in bezit van de nakomelingen van Vincent van Lockhorst, die overleed voor of in 1592. Alles wordt dan verkocht aan Balthazar van Buren. Hij was getrouwd met Beatrix de Waal van Vronestein, en zij was weer een rechtstreekse nakomeling van Frederick de Voocht van Rijneveld en Margaretha Laurensdr van Beesde. 

Uit deze tijd stamt waarschijnlijk ook de aanbouw met het trappenhuis. Op de foto is dit het rechterdeel, waarin de deur zit. Balthazar en Beatrix kregen één zoon, Frederick Ignatius van Buren. Hij is geboren op het kasteel. Zijn dochter Petronella Jacoba van Buren trouwde in 1707 met Wytze Watze van Cammingha, en zo is het kasteel aan zijn huidige naam gekomen. In het allereerste doopboek van de RK kerk in Bunnik staan op de eerste bladzijden de namen van de kinderen die in Bunnik gedoopt zijn. 

De boerderij naast het kasteel, ook de Beesde genaamd, diende voor het inkomen te zorgen waarmee het kasteel onderhouden werd en uiteraard ook als inkomen voor de eigenaren. 

Aanvankelijk woonde op de boerderij de familie Van Beesde. Al vroeg in de 16e eeuw is er sprake van Joost Mathijssen die er dan woont. Joost was een van de grotere boeren in het dorp, en ook bijvoorbeeld schout van Bunnik en Vechten. Na hem werd een familie Van Schaijk pachter, en als hun  laatste nakomelingen (Arien en Maria Verheul) achterblijven met de pacht, wordt de familie Peek pachter van de Beesde. We hebben het dan over 1762. Ze bezitten het tot de huidige dag.

Kasteel en boerderij worden in 1773 verkocht aan Jan (de) Pesters, de eigenaar van de Niënhof, heer van Kattenbroek. Een van zijn nakomelingen, Coenradina Carolina Theodora, trouwde in 1885 met baron Gijsbert Carel Duco Reinout van Hardenbroek. Na een auto ongeluk, waarbij Coenradina overleed, verkocht de baron alles aan Frans Jan Hendrik de Wetstein Pfister. Die was alleen geinteresseerd in de opbrengst van het land, en onderhield het kasteel niet. In 1958, als het kasteel op instorten staat, koopt de familie Peek het kasteel en laat het prachtig restaureren.

De zogenaamde tuinmanswoning aan de linkerkant op de foto is daarbij met een verdieping verhoogd. Na nog wat reparaties en moderniseringen in latere jaren is kasteel Cammingha nu samen met de boerderij de Beesde onderdeel van de Landgoederij, en je kunt er feesten en evenementen houden. Het wordt geëxploiteerd door de Brothers Horeca Groep.

Op één kilometer afstand van Fort Honswijk is het Werk aan de Korte Uitweg te vinden. Het maakt onderdeel uit van de Stelling van Honswijk. 

Het Werk aan de Korte Uitweg zorgde voor verdediging van Fort Honswijk vanuit het Noorden. Ook kon een eventuele aanval op het Werk aan de Waalse Wetering worden ondersteund en werd het inundatiekanaal verdedigd.

Het Werk aan de Korte Uitweg was in eerste instantie een gracht met een aarden wal. Tussen 1876 en 1878 werd het gebouwd zoals we het nu kennen. Er kwam een bomvrije kazerne en er verschenen enkele andere gebouwen. De bomvrije kazerne is op houten palen geplaatst. De bijna 800 palen zijn met een stoomheimachine erin geslagen. 

Het munitiemagazijn staat los van het hoofdgebouw en is tevens uitkijkpunt over de omgeving. Via de Gedekte Gemeenschapsweg langs het Inundatiekanaal, staat het Werk aan de Korte Uitweg in verbinding met Fort Honswijk. Dit gedeelte van de Nieuwe Hollandse Waterlinie is redelijk onaangetast in stand gebleven.

Op het Werk aan de Korte Uitweg konden 160 soldaten worden gebivakkeerd. Tijdens de keren dat het Werk aan de Korte Uitweg was gemobiliseerd, is er geslapen in houten barakken die op het terrein zijn neergezet. In het bomvrije gebouw is het erg vochtig en onaangenaam om lang te verblijven. 

Na de Tweede Wereldoorlog is het terrein gebruikt als magazijn voor defensie. Er werden vloerdelen opgeslagen die behoorden bij de Lekbrug van Culemborg. In geval van nood zou met deze materialen van de spoorbrug een autobrug gemaakt kunnen worden. Bij het Werk aan de Korte Uitweg is een spoorlijn zichtbaar, waarmee kon worden geoefend om de vloerdelen aan te leggen.

Sinds 1985 is het fort in handen van Staatsbosbeheer. In 1999 is het Werk aan de Korte Uitweg hersteld door een stichting. Er is nu horeca gevestigd en er kan worden gekampeerd. 

 

In de jaren zestig kregen we een aantal keren ijsvrij, zoals dat dan heette, vrij van school voor een ochtend of middag om te gaan schaatsen op de ijsbaan. Met dank aan juffrouw Hegge, toen.

Ik begon het schaatsen op een paar nieuwe friese doorlopers maar die bevielen me niet omdat ze niet snel genoeg waren. Mijn vader kocht een paar “houten noren” bij Van Echtelt en die waren goed genoeg. En ik schaatste er op los op de ijsbaan.

Nu waren we lid van de vereniging “De Nienhof”. Dat waren we al in de zomer, toen de verkoop begon. En zo kon ik vol trots mijn lidmaatschapskaartje laten zien aan het loket bij de ingang van de baan aan een vreemd figuur die ik helemaal niet kende.

Bij de ingang stond een kantinekeet, waar Kees en Mien Van Manen koffie en hun specialiteit, warme chocolademelk, verkochten. Langs de muren stonden banken waar je op neerplofte om je benen wat rust te geven.

De ijsbaan was verdeeld in een middendeel, voor de artistieke kunstrijders, en een ovaal eromheen voor de snelschaatsers. Dat middendeel, daar was Willem Hoogstraten altijd heer en meester terwijl hij met vrouwelijk gezelschap rondzwierde over het ijs.

Als je geluk had en je was er tegen de middag, dan kon je Klaas Van Ommeren zien schaatsen, een semi-prof die in de stijl van Kees Verkerk over het ijs vloog. Of een van de Edelbroek broeders.

De vereniging was altijd up-to-date met de muziek die uit de loudspeakers kwam. Die zes loudspeakers hingen elk hoog aan een paal terwijl hits als “We can work it out” van de Beatles uit de speakers kraakten. Er was niets beters dan dat en dat was fantastisch!

En aan de overkant van de aanliggende Grote Laan stond de mooie villa van de notaris. En vlak bij de ingang stond de boerderij van De Wit. De waterpomp achter het loket pompte non-stop water onder het ijs.

Na het schaatsen, wanneer ik naar huis liep, voelde ik mijn benen niet meer; maar dat gevoel had ik de volgende dag weer terug en meer dan dat, ik kon haast niet lopen van de spierpijn. En m'n vader zei dat dat normaal was, na een eerste dag op het ijs. Hij had gelijk en ik was er elke nieuwe dag dat het vriesde opnieuw, op die grote, Bunnikse ijsbaan!

Kasteel Heemstede is in 1645 gebouwd. Het is de opvolger van de ridderhofstad die 500 meter naar het westen stond en tegenwoordig in Nieuwegein is te vinden. Kasteel Heemstede is in 1987 afgebrand en in 2002 herbouwd.

Heemstede mag dan kasteel worden genoemd, het is in werkelijkheid een buitenhuis. Heemstede is ook geen kasteel met verdedigingswerken zoals we uit de middeleeuwen kennen. Beter is om het een jachtslot te noemen. 

Het huis Heemstede is gebouwd in de ontginning Wulven. In 1616 koopt Adriaen van Winssen het recht in dit gebied van het gerecht Oud-Wulven, waardoor het minigerecht Heemstede ontstaat. Maria van Winssen en haar tweede man Hendrick Pieck zijn de bouwers van kasteel Heemstede. De stenen boerderij uit 1347 die al op de aangekochte grond staat, wordt afgebroken en er verschijnt een jachtslot dat in 1645 gereed is. Het wordt een indrukwekkend gebouw met torens en bijgebouwen. Voor het kasteel ligt een vaart, die wordt gebruikt om de bouwmaterialen van het kasteel aan te voeren. 

Diederick van Veldhuysen

Met het overlijden van Maria van Winssen in 1668 komen kasteel en gerecht vanaf 1680 terecht bij de 28-jarige Diederick van Veldhuysen. Hij is een lid van een rijke familie en bestuurder in de Staten van Utrecht. Van Veldhuysen trouwt een steenrijke Amsterdamse vrouw. 

De tuinen van Kasteel Heemstede komen dankzij van Veldhuysen tot een hoogtepunt. De aanleg ervan in de Franse barokke tuinarchitectuur vindt plaats in de periode 1691 – 1699. Aan beide kanten van het kasteel was een oprijlaan. De tuinen van Heemstede bestonden uit een kleine tuin aan de zuidwestelijke kant en een lange tuin aan de noordoostelijke kant, die overging in een wildpark. De tuinen liepen door tot aan de Utrechtseweg en waren een bezienswaardigheid tot buiten de landsgrenzen. Er waren vijvers die waren voorzien van fonteinen. Aanwezig was een ‘schelpengrot’ met hersenkoraal. Verder was er een laan met mythologische figuren. De tuin was voorzien van exotische bomen die ondanks de Kleine IJstijd het volhielden. Op diverse plaatsen waren er moes- en fruittuinen. Bezoekers konden door de lommerrijke lanen wandelen en op bankjes rusten.

Ook het huis krijgt een opknapbeurt. Zo verschijnen er schuiframen, iets dat in die tijd zeer modern is. De luiken van de ramen zitten aan de binnenzijde. De voordeur heeft een extra scharnier in de deur, zodat het een tweedelige voordeur is. In de vloertegels van de centrale hal zijn fossielen te zien.

Na het overlijden in 1716 van Diederick van Veldhuysen treedt verval op van Heemstede en de tuinen. In 1723 herstelt eigenaar Essaye Gillot de tuinen. Na 1757 treedt opnieuw verval op. Kennelijk speelt geld steeds vaker een rol bij de adel, want wanneer in 1812 belasting op deuren en vensters wordt ingevoerd, worden enkele ramen dichtgemetseld.

De 19e eeuw is geen goede periode voor kasteel Heemstede. Het huis wordt openbaar verkocht en verhuurd. Een van de huurders is Alexander van Rappard. Die ontdekt dat jarenlang de geboorteakte van de stad New York hier op zolder ligt. Ook in de 20e eeuw is het huis wisselend in gebruik. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is het in gebruik als klooster. Er werden toen kerkdiensten gehouden voor o.a. onderduikers. De paters zitten daar tot 1947. Bij een brand in 1951 in een koetshuis komt één knecht om het leven. Het huis komt uiteindelijk in een slecht conditie en staat bloot aan plunderaars. In december 1971 wordt het gekraakt, maar ontruiming volgt vrijwel direct. 

De brand in 1987

De Stichting Medische Bibliotheek wordt in 1973 de nieuwe eigenaar. Deze restaureert het kasteel in het volgende jaar. Het plan was er een bibliotheek en een conferentieoord van te maken. Maar op 10 januari 1987 brandt het gebouw volledig af. Alleen enkele buitenmuren blijven staan en ook de kelder is heel. Er is geen bewijs gevonden voor brandstichting, maar voor iedereen is duidelijk dat dit het geval is.

Na de brand wordt een projectontwikkelaar de nieuwe eigenaar. Die doet weinig met het kasteel en laat de ruïne verwaarlozen. Er zijn plannen om het kasteel tegen de vlakte te gooien en het gebied te herontwikkelen. Pas in 1998 keren de kansen voor Heemstede als projectontwikkelaar WCN eigenaar wordt. Het kasteel wordt volledig hersteld tussen 1999 en 2002. WCN trekt er zelf in en gaat Phanos heten. Op de begane grond wordt een restaurant gevestigd dat afwisselend een Michelinster heeft. In 2012 gaat Phanos failliet en koop Anthony Lisman het kasteel. Het kasteel wordt opnieuw opgeknapt. 

Wim Becker (1781-1845) was meesterknecht op de smederij van Johannes Bringenberg (1751-1810) op de (Anthonis) Brink. In 1829 begon Wim Becker zijn eigen smederij in een daglonerswoning op de Molenweg, die hij huurde van Jacomina Bringenberg (1776-1854). De smederij lag aan het begin van de Molenweg op nummer 29 en had als bijnaam ‘t Oortje (vernoemd naar de oude boomgaard die daar lag). Op dezelfde plek was tot december 2019 de Hubo doe-het-zelf winkel van Derk Frederiks gevestigd.

Na het overlijden van Wim Becker in 1845 werd de smederij overgenomen door Gijsbert de Heus (1809-1878). Gijsbert de Heus woonde in De Bilt en was werkzaam bij Wim Becker als smidsknecht. Hij trouwde met de dochter van zijn baas. Na Gijsbert de Heus is de smederij tot ongeveer 1880 in handen geweest van Pieter Rikkelman (1849-1934). Ook Pieter Rikkelman was smidsknecht, ook hij trouwde met de dochter van zijn baas, Gijsbert de Heus.

In 1866 was er op de Molenweg, net voorbij de molen een nieuwe smederij van de meestersmid Cornelis Roodvoets (1830-1892). De zaken gingen goed en in maart 1866 vroeg hij om een smidsknecht en ‘eenigzins bekend met het boerenwerk en het beslaan van paarden’. Bij de geboorte van zijn zoon Adrianus Roodvoets in 1855 stond Cornelis al genoteerd op de geboorteakte als hoefsmid te Bunnik. De smederij was een goed lopend bedrijf en volgens opgave in 1887 waren er 4 arbeiders in dienst.

Cornelis Roodvoets kreeg totaal 15 kinderen, waarvan er 3 vroegtijdig overlijden. Cornelis werd maar 62 jaar en na zijn overlijden namen zijn zoons het werk in de smederij over. De vrouw van Cornelis, Willemina van Raven, nam de zakelijk leiding. Ook in 1898 werd een smidsknecht gevraagd die bekwaam is in het hoefbeslag en in het boerenwerk. Hiervoor kon er geïnformeerd worden bij de weduwe van C. Roodvoets.

Zijn zoon Cornelis Roodvoets (1863-1921) doet aangifte van het overlijden en als beroep wordt omschreven ‘grof en hoefsmid’. Van de 9 broers blijven alleen Cornelis en zijn broer Jacob Jan Roodvoets (1868-1956) werken op de smederij als smid. Jacob Jan blijft op de smederij wonen en zijn broer Cornelis verhuist naar Utrecht. Jacob Jan Roodvoets is behalve meestersmid ook gemeente-ontvanger en Kerkvoogd bij de N.H. Kerk in Bunnik.(1901)

Jacob Jan Roodvoets had geen kinderen om de smederij over te nemen. De smederij wordt overgenomen door één van de smidsknechten, Derk de Geest (1878-1965). Derk was op 15 jarige leeftijd in 1893 in dienst getreden bij smederij Roodvoets. In 1924 neemt hij het bedrijf over onder de naam `Smederij de Geest`, dat later de toevoeging `& zoon` kreeg. (Lees Smederij De Geest).

Jacob Jan Roodvoets overlijdt in 1956 en zijn graf op de algemene begraafplaats in Bunnik wordt gekenmerkt door een smeedhek om zijn graf.

Op 22 januari 1957 werd tijdens de aanleg van riolering een stenen muur onder de opgebroken Burgemeester Wallerweg ontdekt. De muur zat op zo’n 20 meter afstand van de kerktoren en bleken resten te zijn uit de Romeinse tijd. 

Het was de gehoopte doorbraak van historisch geïnteresseerde burgemeester Haefkens die al langere tijd de Houtense bodem in de gaten hield op Romeinse sporen. Haefkens vermoedde al dat op deze locatie iets bijzonders was te vinden, omdat zes jaar eerder bij graafwerkzaamheden voor de aanleg van een telefoonlijn tufsteen was aangetroffen.

Er volgde een noodopgraving die twee maanden duurde. Naast sporen uit de ijzertijd, werden er sporen opgegraven van een Romeinse houten boerderij van 26 meter lang (50-75 na Chr.). Verder kwam het sporenplan van een tweede houten boerderij (110-120 na Chr.) te voorschijn en de fundamenten van een natuurstenen gebouw (150-175 na Chr.). Deze laatste had vensterglas, muurschilderingen en een verwarmingssysteem met pijpen. Het gebouw moet van een belangrijk man uit die tijd zijn geweest. Ook werd er een gedeeltelijk skelet van een man aangetroffen, die aan het begin van de jaartelling is begraven. 

Stenen Romeinse gebouwen zijn op acht locaties in het Kromme Rijngebied aangetroffen. In Houten gebeurde dit ook nog aan de Molenzoom waar een nog zwaarder gebouw heeft gestaan. Verder wordt stenen bouw vermoedt in het weiland ten westen van de Tiendweg vlakbij de Hoogdijk en langs de Oudwulfseweg bij de sportvelden van SV Houten.

Wanneer in de Laat-Romeinse tijd de regio bijna volledig wordt verlaten, blijft het Romeinse gebouw aan de Wallerweg staan. Er verschijnt een bos en hier en daar zijn wegen door het bos. De ruïne van de Romeinse villa is een markant punt voor de reizigers. In de vroege middeleeuwen wordt deze plek Haltna genoemd, dat volgens sommigen ‘open plek in het bos’ betekent. 

Rond deze open plek ontstaat in de 8e eeuw een gemeenschap van enkele boerderijen en wordt zelfs een kerk gesticht. In de 10e of 11e eeuw worden onderdelen van het Romeinse gebouw verwerkt in de fundering van het Romaanse kerkgebouw dat er tegenwoordig nog staat. De Romeinse villa is daarmee de basis van het ontstaan van het huidige Houten. Sinds 1997 zijn de plattegronden van de drie villa's in het straatbeeld uitgebeeld.

‘Opdat wij nooit vergeten’

Het Fort bij Rijnauwen, gebouwd tussen 1867 en 1889, is het grootste en groenste fort van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tot 1970 had het fort een militaire bestemming. Daarna zijn er nog plannen geweest van het vestigen van de sterrenwacht van de Universiteit op het fort, hetgeen na protesten niet is geëffectueerd.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog bezetten de Duitsers het fort en gebruikten het als munitieopslagplaats, maar vanaf 1942 vonden er ook executies plaats van verzetsstrijders uit Nederland en België. Er werden ruim 50 verzetsstrijders gedood. Gedeeltelijk waren zij afkomstig uit de regio Luik in België. De namen van hen van wie wij weten dat ze op deze plaats werden gefusilleerd, staan vermeld op de stenen van het herdenkingsmonument. Omdat er op deze plaats waarschijnlijk meer verzetsstrijders werden omgebracht, is er ook een steen voor ‘de onbekende verzetsstrijder’.

Veel van de verzetsstrijders die op het Fort bij Rijnauwen zijn gefusilleerd, hadden in de gevangenis in de Gansstraat (Utrecht) hun vonnis afgewacht. Anderen kwamen uit de gevangenis aan het Wolvenplein. Ze kregen de gelegenheid om voor het vertrek naar het fort nog een laatste brief aan hun geliefden te schrijven en werden daarna naar het fort gebracht, waar ze door een vuurpeloton om het leven werden gebracht. Op de gevangenis in de Gansstraat is een plaquette aangebracht die aan deze donkere tijd herinnert.

Het monument bestaat uit de herdenkingsplaats zelf, gesitueerd op de voormalige executieplaats en de daar vlakbij staande klokkenstoel met klok.

Al snel na de oorlog werd op de voormalige fusilladeplaats een muurtje opgericht met de tekst ‘Opdat wij nooit vergeten’ en op 9 oktober 1946 werd de eerste steen op het Fort bij Rijnauwen geplaatst door Elisabeth gravin de Liederkerke de Pailhe - de Lichtervelde en Bertha Erkens – Hustings op de plaats waar hun echtgenoten drie jaar eerder werden gefusilleerd. Op het muurtje werden later de namen van G.J. van den Boogerd, A.F. Slot en M.A. Lelivelt toegevoegd. Op 23 februari 1969 werd een individuele steen geplaatst door de nabestaanden van Cees Dutilh. Voor de eerste herdenking in 1980 werd ook voor de gefusilleerden van de Oranjewacht nog een steen bijgeplaatst. Het monument zoals dat gaandeweg ontstond zag er eenvoudig uit. Zo was er alleen maar een vee-kerende afrastering. Daarom werd voor de eerste herdenking in 1980 om de herdenkingsplaats een hekwerk gezet, afkomstig van de Van Seypesteynkazerne in Utrecht. Het monument werd niet goed onderhouden. Na het vertrek van de militairen en ook het burgerpersoneel was er niemand die deze taak op zich nam.

De beheerder, de heer Verrips, heeft ervoor gezorgd dat er, met steun van de Rotary, een Stichting werd opgericht die voor het onderhoud verantwoordelijk zou worden en zorg zou dragen voor de jaarlijkse herdenking. Zo startte op 12 februari 1981 de Stichting Herdenkingsmonument Fort bij Rijnauwen. Navorsing leidde tot 22 nieuwe namen van op het fort gefusilleerde mannen. Daarvoor werden vier stenen bijgeplaatst, drie stenen met namen en één voor de onbekende verzetsstrijder. Voor de viering van 40 jaar bevrijding in 1985 is hard gewerkt om het monument te voltooien. Er kwam een klokkenstoel met klok. De klokkenstoel werd ontworpen en vervaardigd door een bestuurslid van de Stichting, de heer J.A. den Ouden; de klok zelf is afkomstig van de Lucaskerk op Kanaleneiland in Utrecht, die in 1983 werd afgebroken. Het geld kwam deels uit de kas van de Stichting, maar een groot deel werd bijgedragen door een Bunniker die onbekend wenste te blijven. In de klokkenstoel is een stuk symboliek verwerkt: de klokkenstoel heeft vier hoekpalen van verschillende lengte en de uiteinden zijn niet afgewerkt. Het verschil in lengte van de palen staat symbool voor de verschillende leeftijden van de gefusilleerden en de ‘ruwe’ uiteinden ervan verwijzen naar de grofheid waarmee hier een eind is gemaakt aan kostbare mensenlevens.

Bij het monument vindt sinds 1980 elk jaar op 4 mei een indrukwekkende herdenking plaats in aanwezigheid van ook Belgische nabestaanden en een vertegenwoordiger van het Koninkrijk België.

De herdenking begint met een stille tocht vanaf de Stayokay naar het fort. Onderweg zijn de klanken te horen van een koor, is er een serene rust en lopen de aanwezigen onder het luiden van de klok in een lang lint het fort op. Naast het Wilhelmus klinkt tijdens de plechtigheid het Belgische volkslied en naast de Nederlandse wordt ook de Belgische vlag gehesen.

De herdenking wordt door een steeds groter aantal mensen bijgewoond. Dat aantal is gaandeweg gegroeid tot 800 - 1000.

Vanaf de viering van 40 jaar bevrijding in 1985 worden ook kinderen met nadruk uitgenodigd om aanwezig te zijn. Dat gebeurt ook in toenemende mate en draagt zo bij aan een waardige herdenking van allen die op het fort hun leven lieten.

Met de ontginning van Oud-Wulverbroek en Vechterbroek in de 12e eeuw verschijnt er een mottekasteel langs de huidige Oud Wulfseweg. Dit ‘ontginningskasteel’ is vermoedelijk rond 1200 of mogelijk eerder gebouwd. 

Veel is van dit kasteel niet bekend. Er zijn alleen archeologische aanwijzingen die gecombineerd kunnen worden met schriftelijke bronnen. Zo zijn bij de sloop van het buitenhuis Oud-Wulven in de jaren na de Tweede Wereldoorlog brandsporen van een houten bouwwerk gevonden. Hieruit blijkt dat dit mottekasteel door brand is vernietigd. 

Tegelijkertijd werden in 1954 kloostermoppen gevonden van de toren van het tweede kasteel. Hierdoor weten we dat dit stenen kasteel ergens rond 1250 is gebouwd. De familie Van Wulven is de vermoedelijke bouwer van het eerste kasteel. In het jaar 1246 is er waarschijnlijk een afsplitsing van de familie geweest die zichzelf Hondermark noemde en in dit nieuwe kasteel Oud-Wulven ging wonen.

In 1372 wordt Herman van Lockhorst eigenaar van Kasteel Oud-Wulven en het gerecht Oud-Wulven. In de periode erna zijn er verschillende eigenaren van naam, waardoor we kunnen aannemen dat het kasteel een plaats was dat er toe deed. Rond het kasteel ontstond een buurtschap met boerderijen. 

In 1634 wordt de ambtsheerlijkheid Oud Wulven en Waijen gekocht door Johan van Toll, een rijke Utrechtse burger. Het kasteel uit 1250 wordt afgebroken en er komt een woontoren. Deze krijgt bovenin een extra toren met koepel en rond de begane grond wordt aarde gestort. Hierdoor lijkt het of het buitenhuis op een heuvel staat. Dit is in 1640 gereed. Het huis is vooral bedoeld voor de zomermaanden, zodat de eigenaar de stad kan ontvluchten. Daar is de lucht vies en zijn regelmatig ziekten.

Tegelijkertijd wordt er een hofstede gebouwd dat tegenwoordig in een andere vorm nog bestaat. Deze hofstede heet sinds 1910 Jeannette-Oord en staat op de Oud Wulfseweg 10. Ook wordt er een oprijlaan gemaakt naar het zandpad tussen Utrecht en Houten, waar ook een poortwachterswoning komt. Verder verschijnt er op het terrein een koetshuis.

Johan Rothé

Een bijzondere bewoner van het buitenhuis tussen 1658 en 1671 is Johan Rothé. Hij was prediker van de Vijfde Monarchist. Hij wist indruk te maken op de Engelse koning en werd in de Engelse adelstand verheven. Hij trouwde in datzelfde jaar in Goring House, de voorloper van Buckingham Palace. Sir John en Lady Rothé vestigden zich op hun buitenhuis Oud-Wulven. Vanuit dit ‘hoofdkwartier’ bereidde hij zich voor op het naderende duizendjarig vredesrijk.

Na bewoner Rothé kwam het huis in handen van andere elite. Diverse bestuurders uit Utrecht worden achtereenvolgens eigenaar van Oud-Wulven en kunnen dan de stad ontvluchten en genieten van de frisse buitenlucht. 

Familie Testas

In 1790 komt het huis Oud-Wulven in het bezit van de familie Testas. De bovenste verdieping, de zolder en de torenkoepel worden afgebroken. De zolder van het nieuwe dak wordt als duivenhok in gebruik genomen. De hofstede wordt het nieuwe verblijf van de familie en het kasteel raakt als woonverblijf op de achtergrond. Bewoner Charles François Testas is in 1898 een van de eerste autobezitters van Nederland en de eerste van de provincie Utrecht. Hij heeft zelfs twee auto’s in zijn bezit en is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Automobiel Club. Zijn auto’s staan geparkeerd in de voormalige stal van het koetshuis. Testas organiseerde toertochten door Nederland. 

Wanneer in 1910 de boerderij wordt verkocht aan de Vereniging Hulp voor Onbehuisden in Amsterdam is het buitenhuis Oud-Wulven volgens de journalisten van de krant een ‘oude middeleeuwse kapel’. In 1939 is Oud Wulven in zo’n slechte staat, dat er een restauratieplan wordt opgesteld. In 1947 wordt met de restauratie begonnen, maar door een storm waait de toren nog datzelfde jaar om en wordt besloten om het huis Oud-Wulven te slopen. De laatste resten worden in 1957 verwijderd. In de gevel van het Houtens gemeentehuis is een gerestaureerde poort van kasteel Oud Wulven te zien.

 

In de jaren voor 1481 was de spanning in Utrecht opgelopen door de dood van bisschop Rudolf van Diepholt in 1455. De oude tegenstelling was bij de vacaturestrijd van een nieuwe bisschop opgelaaid tussen de Lichtenbergers en de Lokhorsten. De Lichtenbergse partij had vooral veel aristocratische aanhang en voelde zich verwant aan de Hoekse partij in Holland, terwijl de Lokhorsten in het bijzonder werden gesteund door de over het algemeen zeer mondige ambachtslieden; zij stonden als Kabeljauws-gezind te boek. 

De nieuw gekozen bisschop, David van Bourgondië, en Jan van Montfoort als leider van de anti-bisschoppelijke troepen aan de andere kant, stonden lijnrecht tegenover elkaar. Deze Hoekse en Kabeljauwse twisten escaleerden toen de steden Utrecht, Amersfoort en Montfoort vonden, dat de nieuwe bisschop te veel macht naar zich toe greep. Ze kozen vervolgens zelf een eigen landsheer: Engelbrecht van Kleef, en deze nam in 1481 de stad Utrecht in.1  Veel stedelingen uit Utrecht vluchtten de stad uit. 

In Bunnik zien we een glimp van deze oorlog terugkomen in een proces uit de eerste helft van de 16e eeuw. Twee rechtszaken die jaren ná de Stichtse burgeroorlog voor het hof van Utrecht werden uitgevochten over bezit in Bunnik. Wat is er aan de hand.

Het proces in 1533

Er is voor het hof van Utrecht een proces aangespannen door Herman Schijf. Hij staat tegenover Bartolt Jacobsz, de pastoor, en Dirick Jansz en Willem de Cruyff, beiden kerkmeesters te Bunnik. 

De inzet van het proces is wie eigenaar is van een bepaald stuk land, met daarop een huisje. Dit land grensde aan de ene kant aan land van het Regulierenklooster, en aan de andere kant aan de brug van Bunnik.  Het strekte zich uit van de Vordersteghe tot Cornelis Janss Witboems boomgaard toe. Op de kaart zie je de waarschijnlijke ligging. 2

De bewoner van het erfje moest per jaar 3 gulden aan de kerk betalen. Twee guldens waren voor de “papelike proeven” en een gulden was voor de kerk zelf. Uit deze papelike proeven werd het inkomen van de pastoor betaald.

Herman neemt het Hof mee naar de bewoners, familie van hem, die ieder op hun beurt het huis met het erf hebben bewoond, en voldoen aan de verplichtingen van de kerk. Wanneer het moment komt dat de eigenares komt te overlijden, wordt het huis met het erf verkocht. Hier zien we o.a. ook een nieuwe eigenaar, de koster van de kerk, Claes de Bay. Met enige emotie herinnert Herman Schijf het Hof eraan dat zijn vader Ghijsbert het perceel met het huis had gekocht van de koster Claes de Bay. Dit was nog vóór de Stichtse burgeroorlog. Het huis was na zijn koop in 1482 in vlammen opgegaan! Ook zei hij met klem dat het zijn vader was die in het huis heeft geïnvesteerd door het huis na de brand te herbouwen. Herman zijn moeder had hier nog 20 jaar in gewoond, en was het huis met het erf daarna over gegaan op de broer van Herman, Dirck, die er nog woont.  

Het verweer van de kerk in Bunnik was eenvoudig: het huisje had lange tijd leeg gestaan en zij weten alleen dat zij het in 1483 zijn gaan verhuren aan Dirk Schijf. 

De kerk wint vervolgens het proces, maar de Schijven laten het er niet bij zitten. Familielid Ludolph Schijf gaat in beroep. Deze herhaalt nog eens fijntjes wat er is gezegd bij het vorige proces en voegt eraan toe dat er een zekere Lambert, toenmalige pastoor,  de 3 gouden postulaatguldens had vervangen door 3 gouden keurvorsten guldens. 3  Volgens Ludolph was dit nog steeds te zien achterin het missaal, waarin de inkomsten van de kerk werden aangetekend. Omdat Ludolph geen eigendomsbewijs kon overleggen, en de kerk wel een verhuur-overeenkomst, verloor ook hij dit proces. De glimp van de Stichtse burgeroorlog kwam terug in de mondigheid in een veranderende wereld.

Op 7 juni 1917 ontspoorde even ten zuiden van Houten een trein. Een van de passagiers was Koningin Wilhelmina. Ze had een tweedaagse inspectiereis bij het leger in de omgeving van ’s Hertogenbosch afgesloten. 

Het is een hete broeierige donderdagmiddag. De spoorwegen controleert de spoorrails extra, omdat bekend is dat de koningin langskomt. Om half vier komt de trein uit Maastricht met 13 wagons in ’s Hertogenbosch aan en worden twee koninklijke rijtuigen aangekoppeld en een bagagerijtuig. De koningin reist in de 15e wagon. In de trein bevindt zicht 14 man spoorwegpersoneel, waarvan maar liefst acht conducteurs.

Om 4.11 uur Amsterdamse Tijd (16.51 onze tijd) nadert de 300 meter lange stoomtrein de overweg aan de Poeldijk. Daar voelt de machinist een schok, waarna hij in de lange flauwe bocht langs de trein kijkt. Hij ziet een van de rijtuigen schommelen en remt uit volle kracht. In 15 seconden staat de complete trein stil en stijgt een enorme stofwolk op. 

De trein blijkt gebroken te zijn. De eerste acht wagons zijn er nog goed afgekomen, maar 75 meter verder staat de rest. Daarvan is er één gekanteld en zijn twee andere treinstellen meegetrokken. Ook de wagons van de koningin zijn ontspoord. Uit de openingen van de gekantelde wagons klauteren mensen. Bij het overwegwachtershuisje wordt een ladder gehaald, waarmee de passagiers worden geholpen. Een chirurg uit Amsterdam en een militaire arts bemoeien zich met de gewonden. Een vrouw uit Den Haag verliest haar bewustzijn en wordt door Koningin Wilhelmina met Eau de Cologne besprenkeld.

Direct na het ongeluk krijgt de Houtense stationschef Scholten telefoon van de overwegwachter aan de Loerikseweg dat er een stofwolk is te zien en dat de telegraafdraden slingeren. Scholten laat een goederentrein uit Utrecht stoppen en reist naar de plaats van het ongeluk. Zijn collega Swanink is ondertussen op de fiets gestapt richting de rampplaats. Halverwege ontmoet Swanink een goederencontroleur die in de trein zat en naar Houten loopt om hulp te halen. Swanink fietst snel terug en 24 minuten na het ongeluk telegrafeert hij om hulp richting Utrecht-CS.

Het aantal gewonden blijkt mee te vallen; 11 personen hebben lichte verwondingen. De koningin verzekert zich ervan dat iedereen de juiste zorg heeft en vertrekt met de locomotief en de eerste twee wagons naar Utrecht. De overige passagiers nemen plaats in de kolenwagens van de gearriveerde goederentrein en volgen iets later.

Wanneer de hulpverlening op gang komt is het gaan onweren. Militairen uit Utrecht komen ter plaatse voor bewaking en diverse ingenieurs bekijken de schade om iets over de oorzaak te kunnen zeggen. Halverwege de avond arriveert ook minister Lely en stelt zich persoonlijk op de hoogte. Na 6,5 uur hebben arbeiders het spoor richting ’s Hertogenbosch hersteld. Op maandag 11 juni is de volledige ravage opgeruimd.

In het najaar van 1917 onderzoekt een commissie het ongeval. Ondanks dat er geen keihard bewijs is gevonden, wordt gedacht dat door de warmte ‘het spoor is gaan kruipen’. De rails in de bocht was te breed geworden voor de assen van de wagons, waarna deze doorzakten en de dwarsliggers versplinterden. 

Marinus Adrianus (Ries) van Rooijen werd op 21 oktober 1897 op de boerderij De Steenen Poort in Houten geboren. Zijn ouders waren Gerardus Franciscus van Rooijen en Cornelia Ebskamp. Ries was het vierde kind en doordat zijn moeder tijdens de bevalling van het vijfde kind stierf, heeft hij haar nauwelijks gekend. In 1907 hertrouwde zijn vader met Johanna Zomer en op 15 maart 1924 werd hij priester gewijd. Na zijn priesterwijding was hij achtereenvolgens kapelaan in Beltrum, Keijenborg en 's-Heerenberg. Op 4 augustus 1941 werd hij in 's-Heerenberg door de Duitsers opgepakt, waarna hij uiteindelijk in Dachau terechtkwam, waar hij op 16 juni 1942 stierf. Ries van Rooijen stond bekend als een opgewekte kapelaan die  van gezelligheid en kaarten hield en zich altijd dienstbaar opstelde. 

Na de lagere school ging boerenzoon Ries van Rooijen naar het klein seminarie in Culemborg. Daar raakte hij bevriend met Bernard Alfrink, de latere kardinaal. Alfrink logeerde regelmatig op boerderij de Steenen Poort in Houten. Op het seminarie was Marinus, zoals zijn medeleerlingen hem altijd noemden, volgens Alfrink (1945) een middelpunt: ‘Hij hield van vrolijkheid, kon uitgelaten zijn en kende geen groter genoegen, dan wanneer zo veel mogelijk mensen zich met hem occupeerden'. Ondanks dat de studie hem niet altijd meeviel, ook al omdat hij vaak last had van hoofdpijn, bezat Ries volgens Alfrink een 'onverstoorbare blijmoedigheid'.

Op 15 maart 1924 werd Ries in Rijnsburg door mgr. Van de Wetering tot priester gewijd. Na zijn wijding werd hij kapelaan in Beltrum. Dat dorp was, evenals Borculo, toen net door een cycloon getroffen die grote schade veroorzaakte. Kapelaan Van Rooijen schakelde zijn familie in Houten en omgeving in om kleding in te zamelen voor de Beltrumse gedupeerden. De familie bracht de ingezamelde kleding vervolgens naar Beltrum. Aangezien Beltrum in die dagen ook met veel alcoholisme bij haar bevolking  te maken had, richtte Van Rooijen daar een vereniging tegen drankmisbruik op. In 1927 werd Van Rooijen kapelaan in Keijenborg. Tevens werd hij in dat jaar adviseur van de katholieke sportbeweging in Oost-Nederland, omdat hij goed met jongeren kon opschieten. Zelf had hij nooit aan sport gedaan. In 1933 vertrok hij naar de Pancratiuskerk in ‘s-Heerenberg om daar kapelaan te worden. 

In ‘s-Heerenberg zette hij zich in het bijzonder in voor de armen en stimuleerde hij de sport. Het aan de Duitse grens gelegen 's-Heerenberg was vanouds sterk op Duitsland georiënteerd. Veel ‘s-Heerenbergers hadden een Duitse huwelijkspartner en Duitse vrienden. Tijdens de economische crisis van de jaren dertig was er weinig werkgelegenheid in en rond ‘s-Heerenberg. Veel inwoners gingen in Duitsland werken. Onder Adolf Hitler was de werkgelegenheid in Duitsland flink gegroeid. Dit vormde voor veel ’s-Heerenbergers een goed zichtbaar contrast met de in Nederland voortdurende economische crisis. Dit verklaart mede waarom veel inwoners lid werden van de NSB.

In augustus 1941 telde de NSB ruim 100 betalende leden in ’s-Heerenberg, terwijl het aantal sympathisanten waarschijnlijk nog veel hoger lag. Bijna al die NSB-ers waren katholiek. Pastoor Galama en kapelaan van Rooijen lieten zich herhaaldelijk negatief uit over de NSB. Ze durfden zelfs de grens niet meer over uit vrees door de Duitse politie te worden gearresteerd. Na de Duitse inval moesten ze hun toon wat matigen en adviseerden ze tegen verzetsactiviteiten. Toch wezen ze hun parochianen op de onverenigbaarheid van lidmaatschap van de katholieke kerk en de NSB. Ze trachtten jongeren te weerhouden lid te worden van de Jeugdstorm.

Hun opstelling leidde tot onvrede bij de lokale NSB-ers, die zich teveel voelden tegengewerkt. Een NSB-er verkondigde zelfs in het plaatselijk café, dat hij niet zou rusten voor de pastoor opgeruimd was. Dezelfde NSB-er zei na de arrestatie van Van Rooijen door de Duitsers: ‘Van Rooijen moest uit de weg geruimd worden, want hij had de hele jeugd. Zolang die kerel hier was, konden wij niets bereiken met onze Jeugdstorm.’ 

In de zomer van 1941 stelden de Duitse bisschoppen een protestbrief op tegen de Nazi’s. Die brief werd ook in Nederland verspreid en stimuleerde een vergelijkbare protestbrief van aartsbisschop De Jong. Galema liet zijn kapelaans de brief kopiëren en huis aan huis verspreiden. Diezelfde avond nam de plaatselijke NSB contact op met de Emmerikse Gestapo over de illegaal verspreide brief. Twee dagen later stopte een grijze Gestapo-auto voor de pastorie. Reinier Hegge, de tweede kapelaan, ontving de Duitse heren, omdat zowel Galema als Van Rooijen niet aanwezig waren. Toen de pastoor even later weerkeerde en bleek dat hij de opdrachtgever was van de verspreiding van de brief, werd hij meegenomen. Hegge en Van Rooijen dienden zich de volgende dag in het Gestapo-gebouw in Arnhem te melden. Daar werden ze gevangen genomen en naar het Arnhemse Huis van Bewaring gebracht. Van Rooijen kreeg cel nr. 30. Vanuit de pastorie in ’s-Heerenberg werd halfbroer Kees van Rooijen in Houten op de hoogte gesteld van Ries’ arrestatie. 

In Arnhem hield Ries een dagboek bij, waarin hij zich no. 30 noemde. Daaruit blijkt, dat hij zich vooral bezig hield met het lezen van boeken en het lezen van de vele brieven die hij van familie en kennissen ontving, soms wel zestien in een week. Misschien wel daarom werd hij op rantsoen gesteld: hij mocht vanaf 16 september nog maar één brief per week ontvangen. Zijn reactie daarop: 'Moeder zal er wel raar van opkijken! Maar No. 30 kent haar als een verstandige en sterke vrouw! Achter de wolken schijnt de zon! Ook voor No. 30! Daarom maar niet getreurd!’ In oktober werd hij overgebracht naar Emmerik en vervolgens naar Oranienburg bij Berlijn. Het verblijf in Oranienburg viel ondanks de strenge winter van 1941/42 mee, onder meer omdat kapelaan van Rooijen voedselpakketten van zijn familie ontving. In Houten koesterde men de hoop dat Ries snel vrij zou komen.

Maar begin 1942 werd Van Rooijen op transport gesteld naar Dachau. In de priesterblokken van dit concentratiekamp ontmoette hij pastoor Galema. Later werd ook Titus Brandsma bij hen geïnterneerd. Waarschijnlijk zat Van Rooijen in blok 28 of 30. Het is minder bekend, dat er in Dachau in de periode 1933-1945 ongeveer 2500 geestelijken in de priesterblokken zaten. De Duitse bisschoppen hebben vooral in de beginjaren van het kamp veel moeite gedaan om bij de Duitse overheid te bereiken dat de omstandigheden voor deze priesters verbeterd zouden worden. Die inzet werd echter niet gehonoreerd. Met name in 1942 was het kampregime hard; er mochten bijvoorbeeld geen voedselpakketten worden ontvangen. Naar schatting stierven 8000 gevangenen in dat jaar van uitputting.

In Dachau werd Van Rooijen ingezet bij het werk in de broeikassen, hetgeen op zich geen zwaar werk was. Volgens Rothkrans was Van Rooijen al spoedig ‘ons aller vriend door zijn buitengewone goedheid en hartelijkheid, die er altijd plezier in heeft om voor anderen, ondanks zijn eigen honger, nog wat eetbaars uit de broeikassen het kamp in te smokkelen’. De lange werkdagen van meer dan 12 uur en het weinige en bovendien slechte eten maakten het werk echter zeer zwaar. ‘s Avonds kwam Van Rooijen vaak uitgeput in het priesterblok terug en kon hij van vermoeidheid niet meer op zijn benen staan. Het gevolg was dat de niet als lichamelijk sterk bekend staande Van Rooijen - hij had op jonge leeftijd reeds chronische hoofdpijn en sprak daarom ook altijd over zijn 'onafscheidelijke aspirines' - binnen een periode van enkele maanden een lichamelijk wrak werd.

In maart 1942 schreef Ries zijn familie en vertelde dat het goed met hem ging en hij goed gezond was. Hij was blij iets uit ’s-Heerenberg te hebben vernomen en vroeg naar familie in ’t Goy, Cothen en Alphen. Hij sloot met de wens hen snel weer te zullen zien. Het is duidelijk, dat Van Rooijen een brief naar thuis schreef die voldeed aan de eisen van de Duitse censuur in Dachau. Over de slechte situatie waarin hij op dat moment verkeerde, werd door hem geen woord gerept. Ook sprak hij niet over pastoor Galema, die immers ook in Dachau zat.

Toen Van Rooijen begin juni niet meer kon werken, moest hij op ‘invalidetransport’ gesteld worden. Het zogenaamde invalidentransport was waarschijnlijk een eufemisme voor vergast worden. Maar voor het zover kwam, stierf hij. Op 11 juni 1942 werd Van Rooijen vanwege ‘Darmkatarrh’ (darmontsteking) in de ziekenbarak van de ‘Haftlings’ (gedetineerden) opgenomen. Zijn situatie verslechterde zo snel, dat hij op 16 juni ‘s morgens om 9 uur overleed.

Door de kamparts werd als doodsoorzaak opgegeven: ‘Versagen von Herz und Kreislauf bei Darmkatarrh’. Zijn lichaam werd in het crematorium van Dachau verbrand. Pater Van Genuchten – in 1956 gestorven als pastoor van Oudewater – was werkzaam bij de bouw van het crematorium toen Van Rooijens lijk voor verbranding het crematorium werd binnengebracht. Tien dagen later werd pater Wouters van de parochie van ‘s-Heerenberg bij de Gestapo ontboden. Daar kreeg hij te horen, dat kapelaan Van Rooijen op 16 juni en pastoor Galema op 20 juni  gestorven waren. Titus Brandsma overleed op 26 juli 1942 in Dachau. 

Vanuit de pastorie werd via Kees van Rooijen de familie in Houten op de hoogte gesteld. Op 30 juni werd er in ‘s-Heerenberg in een overvolle parochiekerk met diep bedroefde parochianen een herdenkingsdienst voor Van Rooijen en Galema gehouden. Ook in Houten vond er een herdenkingsdienst plaats. De dienst werd massaal bezocht, maar over de politieke achtergrond van het overlijden van Ries werd in de kerk niet gesproken. Dit achtte men te gevaarlijk. Zijn overlijden in een concentratiekamp maakte vooral grote indruk op de katholieke boerenbevolking van het Kromme Rijngebied en had tot gevolg dat nog aanwezige Duitse sympathieën als sneeuw voor de zon verdwenen. 

Op 1 maart 1946 ontving de weduwe G.F. van Rooijen-Zomer, de stiefmoeder van Ries, van koningin Wilhelmina een brief waarin zij haar oprechte deelneming over het lijden en sterven van haar zoon uitsprak. In ‘s-Heerenberg werd kort na de oorlog voor Galema en Van Rooijen het verzetsmonument De Goede Herder onthuld. Naar Van Rooijen werd bovendien nog een voetbalvereniging (v.v. MVR) en een gymnastiekvereniging vernoemd.

Na de bevrijding kwam het in ‘s-Heerenberg niet tot een bijltjesdag. De tijdens de oorlogsjaren sterk verdeelde katholieke gemeenschap nam na 1945 de draad weer op. Over de plaatsgevonden ingrijpende gebeurtenissen werd zoveel mogelijk gezwegen. Op 28 juni 1992 zegende kardinaal Simonis in de Pancratiuskerk een gedachteniskapel in voor de twee in Dachau omgekomen geestelijken. Verschillende uit het Kromme Rijngebied afkomstige familieleden van Ries van Rooijen waren daarbij aanwezig.

 Literatuur

- Twee Dachaumartelaren. ‘s Heerenberg 1950.

- Dagboek van M.A. van Rooijen , kapelaan van ‘s Heerenberg, bijgehouden in het huis van Bewaring te Arnhem. 

- K.L. Dachau -Lagerartz - S/Az.: 14f1/642/Ju/A1

- Kerkblad voor Bergh (1945).Kapelaan van Rooyen-Nummer. Tweede Jaargang, No. 4, 29 juni 1945. In dit Kerkblad staat o.a. een  'In memoriam Kapalaan van Rooyen' dat geschreven is door B.A. B.A. is Bernard Alfrink. 

- Harmsen, H. en Van Gessel, A. (1992). Euver de geut. Over de goot. Doetinchem.

- Nederkoorn, W.P. en Stork, G.J.B. (1985). Er op of er onder. Vijfde druk Arnhem: Gysbers & Van Loon. 

- Rothkrans, J. (1957). Dachau. Hel en hemel. Derde Druk. Simpelveld: eigen uitgave.

Bosch Hoeve ligt aan de Kromme Rijn ten oosten van Rhijnauwen op het gebied waar de buitenplaats Rijnsoever heeft gestaan. Er werd een klein parkje ingericht met een vijver en twee heuveltjes, vermoedelijk eind achttiende eeuw. Van 1964 tot eind 1965 kwam ik regelmatig naar boerderij Bosch Hoeve, (Rijnsoever 5), van de familie Miltenburg. Meer specifiek de tweeling Bennie en Leo Miltenburg. Ze hadden drie grotere broers waarvan de oudste broer van in de twintig de boerderij runde samen met hun vader.

Meestal was ik daar op de zaterdagochtend. Ik fietste vanuit Bunnik naar Rijnauwen via de Grotelaan. Na de Grotelaan was er die tweesprong waarvan de weg rechts naar het stierestation van Van Wijk en teeltbedrijf Doeser ging. Ik ging de linkerweg op die de grote boerderij van Van Wijk passeerde aan de linkerkant en de kleinere, witte boerderij van een andere familie Miltenburg (Rijnsoever 3) aan de rechterkant. Dan lag daar dat kleine stukje bos, links, met een klein meertje in het midden, met daar direkt naastgelegen boerderij Bosch Hoeve.Vandaar dus de naam.

In de winter stonden de koeien in de stal en die stal was deel van het woongedeelte van de boerderij. Die koeien, dat waren er ongeveer veertig, een gemiddeld aantal voor een melkboer van die tijd, hielpen mee met het warmhouden van de boerderij; er was geen centrale verwarming aanwezig en de woonkamer/keuken werd direct verwarmd door een kolenkachel. Een bijgelegen grote schuur had een hooizolder en tijdens de winter periode vonden daar korte “gevechten” plaats tussen en op de hooibalen die er lagen. Ik ging altijd in een overall naar de boerderij en die gaf me bescherming tijdens een van die schermutselingen op die hooizolder. We gingen wel eens “op expeditie” het weiland in.

In 1964 was men net begonnen met de eerste gebouwen van de Uithof en je kon de half komplete, hoge bouwsels in de verte zien liggen. In het midden van het weiland stond een oude, houten schuur. De schuur was eigendom van een zekere Job van Schot uit Bunnik. Die oude Job had daar allerlei gereedschappen staan en op de een of andere manier waren we in staat de schuur binnen te gaan, zonder in te breken dan. Het was alsof hij die verzameling uit het oog van de rest van de wereld hield, om later, op een onverwacht moment, aan iedereen die oude ambachtelijke glorie te laten zien. Naast de boerderij lag een appelboomgaard met ster appels. Helaas zien we deze niet meer in de supermarkt. Ze waren half rood van binnen, klein en zoet. Vaak liepen daar de koeien te grazen in de zomer. Er liep een weg langs in de richting van Fort Rijnauwen. Daar gingen we vaak kijken in de zomer want de genie van het leger was daar gestationeerd.

Er lag een groot meer rond die legerplaats en een populaire visplek voor de omgeving. Op bepaalde dagen kregen soldaten de opdracht een pontonbrug aan te leggen van de ene naar de andere oever, ongeveer honderd meter lang. Meestal duurde dat een ochtend en deel van de middag.  Dat kleine bosje, vlak bij de boerderij, had iets magisch. In het midden lag een piepleine meertje, die vol zat met salamanders.Soms passeerde er een groep soldaten van Fort Rijnauwen, die schoten dan een paar losse flodders af. Vaak kwamen er wandelaars langs of  fietsers, op weg naar het Theehuis Rijnauwen. In 1967 kreeg ik plots een airmail brief van Bennie en Leo waarin ze schreven dat ze nu naar Canada waren verhuisd, naar een boerderij die ongeveer vijf keer zo groot was in capaciteit als hun vroegere Bosch Hoeve. Dat was het laatste wat ik van ze hoorde. Ik ben er zeker van dat het hen goed is gegaan in het leven, daar in het onmetelijk grote, onbegrensde Canada.

Met het toenemende autoverkeer en de komst van snelwegen begint de ANWB in 1946 met een wegenwacht. Motoren met zijspannen rijden vanaf dat jaar langs de snelweg om gestrande automobilisten te helpen. Rond 1960 worden de motoren vervangen door ‘gele besteleenden’, een ‘lelijke eend’ met laadruimte. Ook opent er een wegenwachtstation in Delft. Patrouilleren hoeft niet meer, met de mobilofoon worden de wegenwachtauto’s voortaan naar het pechgeval gestuurd. Dat werkt zo goed dat er ook wegenwachtstations komen in de Haarlemmermeer, ’t Harde en in Houten. 

Het Houtense wegenwachtstation wordt op 28 april 1964 geopend door burgemeester Albers Pistorius. Het ligt langs de snelweg A12 van Den Haag naar Duitsland bij de afslag Houten. Op deze plek is ook het buurtschap Steenoven gelegen. 

Het wegenwachtstation helpt vanuit Houten de automobilisten in Midden-Nederland. In het eerste jaar is het Houtense wegenwachtstation alleen tussen 7 en 23 uur geopend en zondag nog minder. Vanaf april 1965 wordt er dag en nacht hulp verleend. Op het wegenwachtstation zitten twee centralisten. Deze mensen komen uit de omliggende plaatsen zoals Amersfoort, Zeist en Nieuwegein. Ze beschikken over de modernste middelen, waarbij de 40 meter hoge antenne voor het mobilofoonverkeer het opvallendste is.

Daarnaast is het wegenwachtstation een vaste rustpost voor de wegenwachters die constant op de weg zijn. De wegenwachters op de snelweg lossen veel problemen zelf op, zoals banden verwisselen en startproblemen. Maar als een auto niet kan rijden wordt de garage van gebroeders Van Lingen ingeschakeld.

Deze broers zijn geboren in Steenoven en hebben dus vanaf het begin contact met de wegenwachters. Maar tevens hebben ze een garage aan de Herenweg in Houten. Door de rechtstreekse verbinding van Houten met de snelweg kan binnen enkele minuten de autoambulance de snelweg opgaan. Van Lingen sleepte de auto dan naar Houten en repareerde het defect. Vaak ging het om bougies of om afgebroken tanden van tandwielen. Tijdens de vakantieperiode zijn er soms zoveel auto’s dat deze op Het Plein in Houten worden geparkeerd. De gestrande automobilisten verblijven dan enkele uren in Houten, maken een wandeling of gaan wat eten. In de garage zijn dan meer dan 25 monteurs aan het werk.

De meest bijzondere melding komt voor in het eerste jaar van het bestaan van het wegenwachtstation. Op vrijdag 13 november 1964 komt er ’s middags het bericht binnen dat er een straaljager is neergestort bij Leersum. Er wordt een wegenwachter naar toe gestuurd die samen met de brandweer de stoffelijke resten van de piloot uit het brandende vliegtuig weet te halen

Verhuizing naar Lexmond

In de jaren 70 worden de werkzaamheden voor de wegenwacht minder, omdat auto’s technisch steeds beter functioneren. Ook komen er plannen om de snelweg A27 van Breda naar Almere door te trekken. Deze wordt dwars door de afslag Houten en het wegenwachtstation heen gepland. De ANWB verhuist naar Lexmond, waar in 1972 een nieuw station opent. Het Houtense wegenwachtstation sluit en wordt afgebroken. Dat geldt ook voor het buurtschap Steenoven. Op de plek van het wegenwachtstation en buurtschap is tegenwoordig knooppunt Lunetten gelegen. 

 

Mijn vader werd persoonlijk door de grondlegger van de Vrumona, Anton van Dam, in 1950 gevraagd om in dienst te treden bij de Vrumona. Op dat moment waren er slechts een twintigtal werknemers in het bedrijf; het merendeel ervan in de direkte productie van limonade en het bottelen ervan. De bedrijfsnaam Vrumona (1953) verwijst naar het woord VRUchtenliMONAde.

Sinds 1950 tot aan 1980 had mijn vader als taak de interne flow van lege tot volle fles van de fabriek zonder problemen te laten verlopen. Dat heet nu in management terminologie “the logistics manager” maar daar werd toen hetzelfde mee bedoeld als nu.

We woonden vlak bij de fabriek, ongeveer 200 meter er vandaan. Mijn vader wist de hand te leggen op een huis dat oorspronkelijk vanuit Zweden naar Nederland was gestuurd, als onderdeel van de wederopbouw na WW2. Ik heb gedurende mijn huidige verblijf in Zweden diverse copieen van ons eerste huis gezien.

Nou gebeurde het dat ik daar als klein jochie van zes herhaaldelijk door die fabriek heen liep. Er was niemand die hier ooit iets over zei. Zelfs tot bij de vulmachines. Iets wat nu volslagen onmogelijk is, gezien de huidige veiligheidsmaatregelen.

Ik kende een van de direkteuren, dhr. Schalks, een symphatiek persoon. Er was ook een andere direkteur, dhr. Becht, waar ik nooit mee sprak. Daarentegen bezat hij een open Ferrari 250 GT waarmee hij zo af en toe plots van het fabrieksterrein verdween voor een toer in de omgeving.

Op het terrein stonden houten vaten waarin vers geperst sinaalsap zat dat uit Spanje of Italie kwam voor de produktie van SiSi of B3 Sinasappelsap. Ik weet nu na al die jaren waarom dat produkt B3 heette. B3 is één van de belangrijke vitamines die het lichaam nodig heeft. Vanuit Rotterdam kwam de tankwagen met het koolzuur in vloeibare vorm, dat de bubbles maakt in frisdrank. Hoe koud dat wel was heb ik aan den lijve ondervonden. Eens zag ik een blokje ijs bij die tankwagen liggen. Er kwam een soort van verdampings rook vanaf. Omdat ik niet wist hoe koud het wel was pakte ik het beet en prompt brandde ik mijn handen met wat kleine brandplekken. 

Er was een bar in de buurt van de vulmachines waar de te vol gevulde flesjes met cola of sinas werden geplaatst voor gratis consumptie door de medewerkers. Op vrijdag middag na vier uur was ik hier vaak te vinden met vrienden van school, en we dronken ons vol totdat het koolzuur ons de keel uitkwam.

Soms reed ik mee met een van de vrachtwagens van de fabriek, helemaal naar Amsterdam of Rotterdam. Eén van die vrachtwagens is op de foto te zien, die met die afgeronde neus.

Op diezelfde foto kun je ook – verder op - de barakken zien waar toen de direktie en de administratie was gevestigd. Later, in 1962, werd het eerste en grote kantoor gebouwd dat in 1963 werd geopend.

In de periode van 1964 tot 1965 speelde ik vaak voetbal met leden van het kantoor. Dat was gedurende de lunch pauze. Ik at snel mijn lunch thuis en rende dan naar het bijgelegen grasveld waar gevoetbald werd.

Van de boven beschreven set-up is weinig meer over. Alles heeft een rationalisatie ondergaan.

En ik weet als geen ander wat een produktielijn is.

Konijnen

Hoe dicht bij elkaar ligt het geluk en de rampzaligheid van het bezit van een volkstuin. Hoe onvoorspelbaar is de overvloedige oogst van de ene groente en de totale mislukking van de andere. We hebben het allemaal meegemaakt. Het begon voor ons met een tuin in huur van de gemeente Bunnik in de jaren ’70.

Het was in de jaren van ETEN VAN MOEDER AARDE, de jaren van gezond eten voor jezelf en vooral voor het milieu, en dan was het eten van je eigen gekweekte groente als je de kans had de hemel op aarde.  We konden ons het goed voorstellen, al die heerlijke kroppen sla, de rode bessen, de tuinboontjes en de bieten. Vers en vol vitaminen. De tegenslagen, daar heb je als je aan zo’n tuin begint nog niet gelijk een beeld van.  Dat we te maken zouden krijgen met lange slechtweer periodes en onze ondeskundigheid. En met de gebruikelijke  aantastingen van de oogsten door ziektes, schimmels en schadelijke beesten.  Maar een treuriger jaar dan 2012 hadden we nog niet meegemaakt.

We hadden het geluk dat we via loting een perceeltje van 150 m2 kregen toegewezen, vlak bij het spoor en de A12 en gingen aan de slag. Het viel dus niet altijd mee, dat zelf kweken. Het kostte veel tijd, veel meer tijd dan we gedacht hadden. We voelden ook altijd de dwang:  we moeten deze week zaaien, nu moeten we echt vandaag oogsten. Als we geen water geven gaat alles dood, dus moest het hele gezin pompen en sjouwen met de gieters. Drie weken vakantie leverde meer onkruid dan groenten op,  want minstens een keer per week moet je wiedend de tuin rond wilde je niet dat je zaaisels overwoekerd werden met o.a. kweekgras en heermoes. Doorgewinterde tuinders weten dat, wij moesten dat nog leren. Maar we hadden ook  veel plezier van het tuinieren, de opbrengsten waren vaak verrassend goed. Soms een overvloed, weggeven of toch een diepvriezer aanschaffen was de oplossing. 

Er kwam na een aantal leuke jaren op ons landje een grote verandering. Bunnik  moest uitgebreid worden  met een bedrijventerrein en al gauw werden de volkstuinen daaraan opgeofferd . We kregen een nieuwe plek toegewezen. Hoewel de ligging van dat nieuwe complex heel fijn was: grenzend aan een rivierbos van het Utrechts Landschap, was die verandering niet helemaal een verbetering. De zware kleigrond op het nieuwe perceel was minder geschikt voor tuinieren zoals we het gewend waren.  Zowel het spitten als het wieden ging daar veel meer inspanning kosten. Sommige groenten deden het niet goed, waren vatbaarder dan we gewend waren voor invasies van slakken en rupsen en vreemde kevertjes die alles op aten. We kwamen er gelukkig  bijtijds  achter dat deze Bunnikse  grond heel geschikt is voor fruitteelt, vanouds is de Kromme Rijnstreek een fruitgebied. Zonder giftige bestrijdingsmiddelen kweek  je hier heerlijke aardbeien, bessen, overvloedig kruisbessen, pruimen en de hele zomer door frambozen. 

We genoten van de mooie plek dicht bij de Nienhof. Vanaf het begin daar was het meer geworden dan alleen een groentetuintje er op na houden. Er naar toe gaan was anders dan naar de vroegere tuin aan de spoorweg, niet alleen een uurtje werken maar een uur in de natuur zijn in het gezelschap van vogels, padden,en soms een ringslang.  

Maar dan de konijnen, je zag ze altijd in de omgeving van onze tuinen. Leuk eigenlijk, maar dan wel buiten de hekken, een enkele keer ook er binnen. Ik herinner me nog  dat ene dode jonge konijntje in mijn tuin, een knuffelkonijntje, zo schattig en zo droevig. Maar langzamerhand kwamen er meer en kwam er voortdurend schade zoals een door zo’n beest afgeknabbelde witte kool. En het werd hoe langer hoe erger, in het voorjaar van 2012  wemelde het uiteindelijk van de konijnen, zowel binnen als buiten het volkstuinencomplex, want  ook op de dichtbij gelegen sportvelden vermeerderden de konijnenfamilies zich. Hand-, korf- en voetballers zakten midden in een wedstrijd weg in vers gegraven konijnenholen. Konijnen eten uiteindelijk alles, groenten verbouwen werd zinloos. Het zag er steeds minder leuk uit op het complex, iedereen verzamelde hekwerk, schotten, plastic en gaas om alles af te schermen. Toch wisten konijnen altijd weer een gaatje te vinden waar ze door naar binnen konden om zich te verzadigen aan prille boontjesplanten, pas opgekomen sla of fijne bietenblaadjes. Vooral de jonge konijntjes werden kennelijk door hun ouders gestuurd om  onwaarschijnlijk kleine openingen in de versperringen te nemen.

Tuinieren was toen voor mij daar alleen nog maar een gevecht tegen de konijnen  geworden.   Kon ik vorig jaar nog drie kilo boontjes redden, dit jaar werd de opbrengst nul. Groenten die konijnen lekker vinden zoals boerenkool, raapstelen en sla deed ik niet meer, rabarber,  prei en uien vinden ze niet zo geweldig, de bedden werden daar dus voorlopig mee ingevuld. Gelukkig houden ze niet van fruit, maar helaas wel van de bast van jonge fruitboompjes.

Een medetuinder nam het gevecht met de konijnen letterlijk. Hij vertelde mij dat hij er een in zijn tuin in een hoek had gedreven en gevangen en gedood had. En thuis gebraden. Dat ging me toch wel ver. Maar ik hoopte op een vervelende ziekte onder konijnen of veel natuurlijke vijanden, opgeruimd allemaal. 

Maar wat handelde die tuinder realistisch: zijn tuin leverde hem een volledige traditionele maaltijd op: aardappelen, groente, vlees. Als alle zestig leden van de volkstuinvereniging  zo’n konijn te pakken hadden genomen, wie weet waren mijn boontjes dit jaar dan gered. Maar wat een bloedige taferelen zou dat opgeleverd hebben.

Toen kwam er twee keer een mailtje. Ga op een bepaalde maandagochtend niet naar je tuin: wegens jacht op de Nienhof en omgeving. Wat roofvogels of vossen niet voor elkaar kregen, na de twee jachtpartijen heb ik geen konijn meer gezien. Ik mis ze niet echt, maar er is een vreemde stilte over ons tuinencomplex gevallen.

In 1796 keert de vrijheid van godsdienst terug. De katholieken in Houten kunnen daardoor openlijk hun geloof belijden. Volgens de wet maakt de kerkgemeenschap met de meeste leden aanspraak op het bestaande kerkgebouw.

De katholieken die in Houten de meerderheid vormden eisten de kerk aan de Brink op. Deze kerk was eeuwen eerder tijdens de Reformatie van hun ontnomen en met de nieuwe wet in de hand dachten ze de kerk te kunnen krijgen. Maar dominee Rensen weigert de sleutel van de kerk af te geven. Schout Pieter van Engelen moet optreden en stapt op 3 juli 1796 op de dominee af.

Dit loopt verkeerd af. De schout wordt opgewacht door woedende menigte. Er ontstaat een discussie die uitloopt op een vechtpartij, waarna de schout moet vluchten. Een deel van de massa staat nog enkele dagen witheet voor de woning van de schout, die zijn huis niet uit durft te komen.

Schuurkerk

Twee jaar later besluiten de katholieken een eigen kerkgebouw neer te zetten. Dit wordt een uitgebouwd achterhuis van een boerderij tussen de Vlierweg en de Loerikseweg. Op 1 november 1798 wordt deze schuurkerk in gebruik genomen. Met een nieuwe wet op het gebied van begraven wordt er in een boomgaard naast de kerk een begraafplaats geopend.

Huidige gebouw

In juni 1884 start de bouw van een nieuw kerkgebouw. Deze is in oktober 1885 gereed. Het plan is om een hogere toren te bouwen dan de bestaande toren van de protestanten, maar vanwege geldgebrek wordt ervan afgezien. De toren wordt daarom op het kerkgebouw geplaatst, zodat er nog een beetje hoogte is. Er breekt een periode aan van een halve eeuw waarin de katholieke kerk de wind mee heeft.

Net als elders worden in 1943 de klokken van de kerktoren gevorderd. In 1948 verzamelt de bevolking geld in om nieuwe klokken te laten gieten. Ook de tuinhekken rond de kerk worden verwijderd. Het doet de toenmalige pastoor denken aan het concentratiekamp, waar hij had gezeten nadat hij hulp had geboden aan geallieerde piloten.

Wie in de late jaren ’70 als huisvrouw in de gemeente Bunnik andere vrouwen wilde ontmoeten kon ruimschoots terecht in een van de drie dorpen. De Nederlandse Bond voor Plattelandsvrouwen, de Nederlandse Christelijke Vrouwenbond, het Katholieke Vrouwengilde, de Christelijke Plattelandsvrouwenbond Werkhoven/Bunnik, de Katholieke Plattelandsvrouwen Organisatie, de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, Vrouwen in de VVD, de Rooie Vrouwen, de VOS-werkgroep, er waren liefst veertien organisaties gericht op vrouwen. Veel van die clubs organiseerden lezingen, excursies en gezelligheid.

Toch bleek er nog een leemte in het aanbod voor activiteiten voor vrouwen. Overal in Nederland en in de buurgemeenten verrezen ze: Vrouwencafés. Iets dergelijks was er in Bunnik nog niet.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld verenigingen was de café -vorm anders georganiseerd. Er bestonden geen lidmaatschappen of verplichtingen, het waren avonden waarbij vrouwen zomaar konden binnenlopen. Het woord café bleek meer te zijn dan koffie en drankjes consumeren. Er was ook een inhoudelijke invulling op zo’n avond met discussies, een film of een voorstelling. Vanuit de VOS- cursussen (Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving) kwam het initiatief om ook zoiets te organiseren.

Ook andere vrouwen sloten zich hierbij aan en organiseerden het Vrouwencentrum dat in 1979 van start ging in het jongerencentrum De Dolfijn, gevestigd in de oude Barbara school (1895-1985), inmiddels afgebroken. De naam Vrouwencentrum in plaats van Vrouwencafé was gekozen om niet te feministisch over te komen, radicaal was de bedoeling dan ook helemaal niet.

De belangstelling was veel groter dan verwacht ondanks al die vrouwenorganisaties in de drie dorpen. Op de eerste avond liep de zaal vol met belangstellenden, nieuwsgierigen en vrouwen die mee wilden doen met het organiseren.

Een vijftiental vrouwen ging aan de slag om iedere maand een avond op te zetten Dat gebeurde niet door een bestuur. Geen vaste voorzitter of secretaris, vergaderingen leiden of notuleren kon wel bij toerbeurt. Iedereen kon haar talenten ontplooien in een Werkgroep. Thema’s bedenken, spreeksters uitnodigen of een cabaretgroepje, een film huren, publiciteit verzorgen door middel van zelfgemaakte affiches en contacten met het Bunniks Nieuws. Met een kleine subsidie van de gemeente kon maandelijks een avond in de Witte Huisjes in Bunnik gehuurd worden. De belangstelling bleef groot.

Er waren onderwerpen te over die interessant waren voor de doelgroep: vrouwen die meer wilden dan alleen gezelligheid en ontwikkeling. De vrouwencentrumbezoeksters waren geraakt door de vrouwenbeweging met de boodschap: zo gauw de kinderen iets groter worden de maatschappij weer in. Werk zoeken, een afgebroken opleiding weer oppakken of iets nieuws beginnen. En daarbij een andere taakverdeling in het gezin dan de man als kostwinner en de vrouw bezig met de kinderen en het huishouden. Het Vrouwencentrum speelde hier op in. In de doelstelling stond bewustwording van je situatie en assertiviteit: opkomen voor jezelf.

Op de thema-avonden over een bepaald onderwerp, zoals Vrouw en Gezondheid, of Werken Buitenshuis, werd begonnen met een kleine inleiding of een expositie waarna in groepjes uiteengegaan werd om te discussiëren, na afloop napraten en gezellig samenzijn.

Bij bepaalde onderwerpen kwamen er ook cursussen. Befaamd was de cursus Assertiviteit: opkomen voor jezelf. Traditioneel werden vrouwen opgevoed om bescheiden te zijn, dat kon met assertiviteit wel wat minder. Met berusting en tevredenheid kwam je niet ver. Altijd voor iedereen klaar staan was ook een groot goed voor de traditionele vrouw, dat vrouwen ook wel eens nee konden zeggen was een leerdoel bij de cursus.

Het Vrouwencentrum was succesvol wat betreft het aantal bezoeksters en hun enthousiasme. Maar  er was  veel verloop in de Werkgroep. Vrouwen gingen weer werken of studeren en hadden daardoor niet genoeg tijd en aandacht voor het Vrouwencafé. Uiteindelijk ging het aan de eigen doelstellingen  ten onder. Nog enige jaren werd het voortgezet als een Literair Café waar ook mannen welkom waren.

Maar na bijna veertig jaar is de vrouwenbeweging nog niet klaar. Er zijn nog veel kwesties : #Me Too, het glazen plafond, het vrouwenquotum bij aanstellingen, de abortuswetgeving en gratis of goedkopere kinderopvang. In het Vrouwencentrum stonden die nog niet op de agenda.  

Dochters en  kleindochters deden opleidingen en maakten carrière. Vrouwen die vroeger naar het Vrouwencentrum gingen, zie je nu als oppas-oma’s nog wel eens in het dorp met een kinderwagen of een peuter bij de hand.

Het dorp Houten bestaat aan het eind van de middeleeuwen uit een kerk en enkele boerderijen. De doorgaande weg van Utrecht naar Tiel enerzijds en Utrecht naar Culemborg anderzijds, loopt door het dorp. Daarbij is in Houten de tweesprong te vinden.

Wanneer er rond 1630 zandwegen worden aangelegd zijn deze landwegen ook in de natte winterperioden te gebruiken. Het aantal reizigers door Houten neemt toe. Het dorp ontwikkelt zich in de 17e eeuw als pleisterplaats voor de reizigers, die bovendien steeds vaker per paard komen. Uitrusten en eventueel overnachten kan bij de diverse boerderijen rond de Brink (huidige Wallerweg) of de gemeenschappelijk dorpsweide (huidige Plein).

In een dergelijke boerderij is het voorhuis opengesteld om de gasten te ontvangen. De achterzijde functioneerde als boerderij, waar schuren, stallen en hooiberg zijn te vinden. Overnachten kon eventueel elders in de boerderij.

Een van deze herbergen is er 400 jaar later nog steeds: De Roskam. Deze herberg wordt voor het eerst genoemd rond 1630. Het gebouw is dan al vermoedelijk van steen opgetrokken, zoals met meerdere gebouwen in het dorp het geval is. Herberg de Roskam functioneert in de 17e eeuw ook als dorpshuis voor vergaderingen, maar er worden ook veilingen/verkopingen van land georganiseerd. Er zijn meerdere uitspanningen in die tijd, maar De Roskam is de belangrijkste die er is.

 In 1735 koopt ambachtsheer Alexander Hendrik van der Capellen de herberg. De Roskam wordt verbouwd en het gebouw krijgt haar huidige aanzien. Er zijn twee verdiepingen en een zolder, waardoor het voor die tijd in Houten best een indrukwekkend gebouw is. Aan de rechterkant van het huis (op het huidige nummer 24) is een stal. De vergaderingen van het gerecht ’t Goy en Houten vinden hier plaats en tevens functioneert De Roskam als rechthuis. 

De stal voor de paarden is al snel te klein en in de loop van de 18e eeuw volgt uitbreiding met een doorrijschuur die tegenover de Roskam wordt neergezet. Hierdoor kunnen nog meer reizigers gebruik maken van de herberg en hun dieren en wagens tegen weer en wind beschermen. Een tekening van Jan de Beijer uit de 18e eeuw laat zien dat de doorrijschuur er staat en het er gezellig aan toegaat.

Wanneer in de 19e eeuw de gemeente Houten wordt opgericht, vinden in de Roskam de bijeenkomsten van de gemeenteraad plaats. Tot het jaar 1875 vergadert het gemeentebestuur in de herberg. Daarna wordt uitgeweken naar het gemeentehuis dat enkele tientallen meters verderop is gebouwd.

In 1923 is veehouder Gerard Zomer eigenaar van de herberg. In een van de hooibergen breekt brand uit en het vuur slaat over naar een tweede hooiberg, een naastgelegen schuur en het met riet bedekt achterhuis. De brand wordt door de bevolking geblust die een rij vormt met emmers van de dorpspomp naar de brand. De schoolmeester heeft de leiding, de leerlingen van de school spelen een belangrijke rol bij het doorgeven van de emmers.

In de jaren 50 is de boerderijfunctie naar de achtergrond verdreven en speelt De Roskam een belangrijke rol in het uitgaansleven voor de jeugd. Er worden dansavonden georganiseerd en het is de plaats waar net als honderden jaren eerder feest en vertier is. Tot op de dag van vandaag is de Roskam met terras de sfeerbepaler van het oude Houten.



‘Waar de Prins uythangt’

Restaurant Vroeg, Achterdijk 1 in Bunnik, is voorheen een boerderij en een herberg geweest, met de naam De Prins. Waar komt deze naam vandaan? Net als andere boerderijen uit de 17e eeuw, aan doorgaande routes, heeft ook deze boerderij dienst gedaan als herberg. Een verkoopakte met de woorden ‘Waer de Prins uythangt’, vertelt iets meer. Er moet een uithangbord van De Prins geweest zijn dat in 1702 aan de gevel heeft gehangen.

Herbergier GERRIT THONIS VAN DOORN 

Nadat de herbergier Thonis Van Doorn was overleden, nam zijn zoon Gerrit de herberg over in 1710. Gerrit was op het moment dat hij de herberg overnam al aan zijn tweede huwelijk bezig. Op 21 november 1698 was hij voor het gerecht getrouwd met Grietje Jansz. Van Harderwijk. Daaruit kunnen we afleiden dat hij katholiek was. De normale manier van trouwen was toen in de openbare (Hervormde) kerk. Wie dat niet wilde (lees: voor de pastoor wilde trouwen) moest eerst trouwen voor het gerecht. Op 2 december 1704 stond hij er opnieuw, nu als weduwnaar. We kennen van hem een dochter, Aagje Van Doorn, die voor het gerecht van Bunnik in 1724 trouwde met Cornelis Van Hogerwoert. Wie van de beide echtgenotes haar moeder was blijft duister bij afwezigheid van een RK-doopboek, maar als de tweede echtgenote haar moeder was, zal ze ongeveer in 1705 zijn geboren en negentien jaar was voor een boerendochter wel erg jong om te gaan trouwen. Het feit dat alle bewoners in de Hervormde Kerk werden begraven zegt niets over het geloof van de overledene. De Hervormde Kerk was ooit als begraafplaats gewijd en het feit dat de kerk al meer dan een eeuw in handen van ‘ketters’ was, maakte die wijding niet ongeldig. Katholieken bleven de kelders die bij de familie of de boerderij hoorden gebruiken. 

Kapers op de kust, einde herberg De Prins

In 1702 verkocht het Pestgasthuis de herberg (letterlijk staat er ‘Huis en erf waer de Prins uythangt’, er hing dus een uithangbord met daarop een afbeelding van de prins) aan Tibben Hermansz. Van Schayck uit Utrecht, die hier meer opkocht. Deze verkocht de boerderij aan Hendrik Gerritse Van Segveld met de bepaling erbij dat de boerderij 35 jaar lang geen herberg mocht zijn. De reden daarvoor was dat hij aan de andere kant van de weg ook een huis in eigendom had en daar de tapperij heen wilde verplaatsen. Via Hendrik Gerritse Van Segveld kwam de boerderij in handen van de familie Van Tuyll Van Serooskerke. In 1748 mocht er weer een herberg worden gevestigd, maar er was toen blijkbaar niemand die daar belangstelling voor had. Ook de naam De Prins ging mee naar de overkant van de weg. 

Kees Vernooy: In de landbouw was er in de 18e eeuw een toename van het bezit van boerderijen en land door rijke burgers, en dit hangt samen met de bloei van de handel in de 17e eeuw. Verschillende handelaren gaan in de Gouden Eeuw boerderijen en land als beleggingsobjecten aanschaffen. De boerenbevolking beschouwen ze daarbij als rechteloos. Ook zijn de boeren in de provincie Utrecht niet in de Staten vertegenwoordigd. De adel vertegenwoordigt daarin vanouds het platteland, maar kan moeilijk als een echte afgevaardigde van de boeren gezien worden. Pas in 1798 worden door de Franse bezetters in de positie van de boerenbevolking verbeteringen aangebracht. 

Faillissement

Gerrit Teunisz. Van Doorn had zich er maar aan te houden dat hij vanaf 1714 geen herberg meer mocht houden. Huurbescherming kende men in die tijd nog niet. Voor de huurders was dat niet zo prettig, maar een huiseigenaar kon toen nog snel een huurder verwijderen die zich misdroeg of de huur niet betaalde.

Het liep na de verplaatsing van de herberg snel slecht af met Gerrit Teunisz.. In 1716 moest hij het eerste stuk land dat hij van zijn vader had geërfd verkopen en een jaar later op een ander stuk hypotheek nemen. Hij raakte achter met de betaling van de belastingen en ging het ene gat met het andere stoppen.

In 1719 had de schout geen zin om nog langer te wachten. Alles was verkocht en stond onder hypotheek en om de belastingen over 1717 en 1718 te betalen, verkocht de schout zijn gewas te velde. Tegen beter weten in probeerde Gerrit Teunisz. het zinkende schip nog drijvend te houden. Hij verliet de boerderij, dat daarna leeg kwam te staan (het was een slechte tijd) en vestigde zich in een keuter boerderijtje dat inmiddels zwaar onder de hypotheek zat. 

In 1721 moest er opnieuw een openbare verkoping volgen. Met achterlating van nog meer schulden verliet hij het dorp. Faillissement kende men niet, zodat een schuldenaar tot zijn dood achtervolgd werd door schuldeisers die beslag konden laten leggen op ieder bezit dat hij weer wist te vergaren. Openbare verkoping was niet verplicht, zodat een geldlener die als zekerheid hypotheek had laten vestigen, op het moment dat rente en aflossing niet betaald werden, het onroerend goed inpikte en waarschijnlijk de hypotheekakte feitelijk gebruikte als eigendomsbewijs.

De eigenaar van De Prins had na 1721 moeite om de boerderij te verpachten. Overal gingen boeren failliet en in 1721 komen we in de belastinglijst een zekere Teunisz. tegen. Maar voor men er achter was hoe hij verder heette, was hij al weer vertrokken. Na een jaar leegstand duikt de naam Hendrik van Mansveld op, maar ook die had het na een jaar al weer gezien. 

Daarna ging het weer wat beter met de agrarische sector. We zien een afwisseling van pachters uit oude, gevestigde families die aan de boerderij een fatsoenlijke boterham hebben. 

Namen die voorkomen op de boerderij/herberg De Prins zijn: Dirck Kip, Gerrit Teunisz. Van Doorn, Jacob de Cruyff uit ’t Goy, Arie Van Miltenburg, Jonker van Tuyll van Serooskerke, Jan Middelweert, Wijnand de Wit. Gijsbert Jerfaas Hasselman, Cornelis de Gier, Antonie van Oostrom.

Fort bij ’t Hemeltje is het enige bouwwerk van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in Houten. De andere verdedigingswerken in de gemeente vinden we in de dorpen Tull en ’t Waal en Schalkwijk.

Het fort is gebouwd tussen 1878 en 1880. In die periode werd de hele Nieuwe Hollandse Waterlinie versterkt. Het fort maakt onderdeel uit van de stelling van Utrecht. Fort bij ’t Hemeltje behoort bij de tweede verdedigingsring rond dev stad en is een schakel tussen Fort bij Vechten en Fort Jutphaas. 

De belangrijkste taak van het fort is de verdediging van de zuidkant van de Houtense vlakte. Dit is een hoger gelegen stuk grond in het uiterste westen van de gemeente Bunnik, dat bij inundatie niet onder zou lopen. Ten zuiden en westen van het fort liep het land wel onder water. 

Het fort bestaat uit een aarden wal met bomvrij gebouw, een flinke gracht en een fortwachterswoning. In het fort was ruimte voor 250 soldaten. In de omgeving werden groepsschuilplaatsen gebouwd, zodat eventueel tijdens een aanval een verbinding mogelijk was naar Fort bij Vechten. 

Het fort is genoemd naar de vlakbij gelegen boerderij/herberg ’t Hemeltje dat aan de Wayensedijk was te vinden. Deze boerderij is in 1958 afgebroken.

Gebruik

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het fort gemobiliseerd. Er werden toen verbeteringen aangebracht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is het fort gebruikt door Nederlanders en door Duitsers. Er was ook luchtafweer aangebracht. 

Na de Tweede Wereldoorlog werd het fort gebruikt om wapens en munitie in te zamelen. Deze werd vooral uit de stad Utrecht verzameld. Op 28 juni 1945 ontplofte er munitie en kwamen drie mensen om het leven. 

Sinds circa 1995 is het fort eigendom van Staatsbosbeheer. Het fort wordt nu gebruikt door bedrijven en organisaties die hier kantoorruimte hebben. 

 

Onderduikers bij familie Coronel Pokorny

In de Tweede Wereldoorlog waren in het huidige gebied van de gemeente Bunnik op verschillende plaatsen onderduikers ondergedoken. Een van die plaatsen betreft een huis aan de Weg naar Rhijnauwen. De weg hoorde toen bij Bunnik, de huizen aan de rechterzijde van de weg bij de gemeente De Bilt, maar tegenwoordig is het ook Bunniks grondgebied. De weg is een van de toegangswegen naar het Fort bij Rijnauwen, waar zoveel verzetsmensen zijn gefusilleerd. 

Aan de Weg naar Rhijnauwen stonden en staan een aantal huizen. Komende vanaf het theehuis Rhijnauwen richting Utrecht staan ze aan de rechterkant. afb. hoofdfoto

Op nummer 4 N woonde de familie Coronel. De Joodse Pierre Antoine Coronel 1914 - 1945 was opgeleid als marconist voor de oorlog. Tijdens de oorlog werkte hij voor het verzet als marconist en onderhield op die manier contact met het verzet en later met het al bevrijde zuiden. De zender werd verborgen in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis te Amsterdam, en op 25 februari 1945 werd hij bij de zender betrapt toen Duitsers daar een inval deden. Bij het daarop volgende vuurgevecht werd Pierre Coronel dodelijk getroffen. 

Pierre was getrouwd met Adriana Milada Pokorny. In maart 1941 zijn ze gescheiden, maar Milada, zoals ze genoemd werd, bleef in het huis wonen, samen met haar man. In april 1941 wordt het huis verkocht aan A. de Wit. Milada bleef er wonen, en over deze onbekende vrouw gaat dit verhaal. 

Op 23 mei 1945, dus na de bevrijding, werd Milada opgepakt bij de Duits – Nederlandse grens bij Eysden in Limburg, en onmiddellijk gevangen gezet, tot 20 oktober 1945. Wat was er gebeurd? Uit de verhoren die daarna volgden bleek wat er gebeurd was. 

In 1942 had Milada al een aantal onderduikers in huis. afb.4 Dat aantal was eind 1942 al gestegen tot een stuk of 14. Als je nu het huis bekijkt, van buiten en van binnen, dan is het een raadsel hoe er zo veel mensen onder konden duiken in zo’n kleine ruimte. Financieel gezien had ze het ook niet breed. In het Utrechts Nieuwsblad staan diverse malen advertenties dat ze weer iets moest verkopen. afb.2

In 1944 komt het huis steeds meer in de belangstelling te staan van de Duitsers, en Pierre, haar eerdere echtgenoot, adviseert haar om te vluchten. Dat doet ze, en ze besluit om naar Praag te gaan. Daar kwam ze oorspronkelijk vandaan. Het lukte haar echter niet om een visum van de Duitse autoriteiten te krijgen, en uit arren moede besluit ze om in de keuken van een Duitse legereenheid te werken. Dat doet ze van 1 januari tot 14 april 1945. De Duitse eenheid moet dan naar het front, en na wat omzwervingen besluit ze om na de bevrijding weer terug te gaan naar haar huis in Bunnik. Dan wordt ze dus in Limburg gearresteerd.

Uit de verhoren van Milada, documenten van het Nederlands Beheers Instituut, documenten van het Militair Gezag en dergelijke blijkt het volgende:

Een verklaring van Milada zelf:

"Vanaf October 1942 tot October 1943 hebben bij mij in huis 19 joden ondergedoken gezeten. Mijn man en ik werkten beiden voor de ondergrondsche beweging, o.a. persoonsbewijzen vervalschen en levensmiddelenkaarten bezorgen. Tengevolge van het ondergrondsche werk moest mijn man midden 1944 onderduiken en ging in Amsterdam wonen. Daar ook ik gevaar liep door de Duitschers gearresteerd te worden ben ik op 13 December 1944 vertrokken naar mijn familie in Tsjechoslowakije. Door tusschenkomst van een oude vriendin van mij, die verloofd was met een SS-man leerde ik een persoon van de SS kennen, die mij hielp aan papieren voor Duitschland. Ik moest toen naar Duitschland vertrekken met een transport van de SS. Te Komotau/Sudetengau bestemde het transport zijn eindbestemming. Ik moest naar Praag en had daarvoor een apart visum noodig, hetwelk ik niet kon krijgen. Noodgedwongen om levensmiddelenkaarten te bekomen ben ik toen in dienst gegaan bij de SS op 1 Januari 1945 tot 16 April 1945. Na dien datum werd die afdeeling van de SS aan het front ingezet en kwam ik weer zonder werk. Ik bleef echter te Komatau tot na de capitulatie der Duitschers in Nederland. Daarna ben ik gerepatrieerd naar Eysden, waar ik geheel in het kort werd verhoord naar hier overgebracht. In maart 1945 toen ik in Duitschland was ontving ik van mijn moeder een brief, waarin zij schreef, dat mijn man in Februari 1945 bij een poging tot ontvluchting door de Duitschers werd doodgeschoten. Ongeveer een maand geleden ontving ik van mijn moeder in dit kamp een brief, als dat het lijk van mijn man was gevonden in een massagraf te Overveen.”

Een andere onderduiker die alles overleefde verklaarde:

"Ik heb mevrouw Milada Pokorny gekend. Een vriendin van mij was met haar man bij mevrouw Pokorny ondergedoken en op 15 januari 1942 ben ik eveneens met mijn man en kind bij mevrouw Pokorny ondergedoken. Ik ben tot April 1942 daar geweest. Ik ben daar vertrokken omdat we daar een inval kregen en we, hoewel deze goed werd doorstaan, toch bang werden daar langer te blijven. Mevrouw Pokorny heeft ons heel veel geholpen, ook bij dien inval. Bij die gelegenheid heeft ze ons op zolder verborgen; we waren toen met 12 joden daar in huis. Op een tweede keer, toen ik bij een boer in de buurt woonde (dit was omstreeks April 1943), heeft ze ons geholpen te vluchten toen daar weer invallen kwamen. Ze heeft financieel geen voordeel van ons getrokken. Ik weet niet meer precies wat we betalen moesten, doch dit was zeker niet meer dan absoluut noodzakelijk voor ons onderhoud.

Later heeft ze omgang gehad met een Duitsche Militair, doch ik meen stellig, dat dit een geval van verliefdheid op de persoon betrof en geen sympathie met de Duitschers in het algemeen. Ook in dien tijd heeft ze ons nog geholpen door te zorgen voor bonkaarten enz."

Een buurvrouw verklaarde:

"Mevrouw Pokorny heeft gedurende den geheelen oorlog naast ons gewoond en ik heb haar heel goed gekend. Omstreeks begin 1941 merkte ik, dat er bij haar Joden waren ondergedoken. Met enkele van deze Joden kregen wij al spoedig omgang, zoodat wij daardoor ook wel wisten wat er bij Mevr. Pokorny gebeurde. Zover ik weet heeft zij de by haar ondergedoken Joden altijd goed behandeld. In voorjaar `42 of `43 (ik kan niet precies zeggen wanneer het was) was er plotseling huiszoeking bij ons, zoowel als bij haar. Wij hadden niets te verbergen, doch bij Mevr Pokornyv heeft het nogal gespannen. Zij had toen ongeveer 10 of 12 Joden in huis, die door haar op dat oogenblik werden verborgen op een zolderkamertje, waar ze niet zijn gevonden. Na de huiszoekingen hier in de buurt, werden de menschen bang en zijn toen langzamerhand vertrokken. Later, omstreeks einde 1944 is Mevr. Pokorny met een Duitscher, met wien zij toen veel omging, naar Duitsland vertrokken, waarheen weet ik niet en meer kan ik niet verklaren".

En een buurman:

"Ik heb Milada Pokorny heel goed gekend. Zij heeft gedurende den geheelen oorlog hier op no 4N gewoond. Zij heeft gedurende langeren tijd veel Joden in haar huis gehad. Ik meen van begin 1941 tot ver in 1943. Wij wisten dit, omdat wij haar van onze boerderij van melk en dergl. voorzagen. Voorzoover ik weet heeft zij de Joden heel goed behandeld. Op een keer bij huiszoekingen hier in de buurt, vluchten de ondergedoken Joden, onder andere, ook naar mijn woning. Ook heeft zij ze bij een huiszoeking bij haar een maal op de zolder van haar woning verborgen gehouden. Zij had veel voor de menschen (ook in het algemeen) over. Hoewel ze van haar man was gescheiden, leefde hij toch bij haar in huis. Zij heeft het door deze omstandigheid, volgens mijn meening, zeer moeilijk gehad. Dit heeft haar op het einde van den oorlog wat uit het lood geslagen en heeft ze toen omgang gehad met een Duitsch Militair. Hoe of waarom ze naar Duitschland is gegaan, weet ik niet, doch vorenmelde omstandigheid zal daar wel niet vreemd aan zijn geweest. Wij hebben haar altijd volledig vertrouwd.”

En tandarts Van Lankeren (zelf een verzetsstrijder) verklaarde tenslotte:

"Ik heb mevrouw Coronel-Pokorny gekend als patiënte. Ik heb haar gedurende de geheele oorlog gekend. In de jaren 1942, 1943 en 1944 heb ik in perceel Weg van Rhijnauwen 4N zoowel als bij mij thuis verschillende malen Joden behandeld. Als een Jood hier aan huis kwam voor behandeling, kwam mevrouw Coronel de eerste maal zelf mede of wel zij stuurde soms een vertrouwd persoon mede. Als het patiënten betrof met een te specifiek Joodsch uiterlijk dan ging ik naar haar (mevrouw Coronel) huis voor de behandeling. Ik heb mevrouw Coronel als absoluut betrouwbaar gekend.”

De uitspraak van het Tribunaal luidde: afb. 3

Haar straf werd dus bepaald op de duur van haar internering, zodat ze in oktober 1945 als vrije vrouw weer naar huis kon. De straf kreeg ze omdat ze formeel natuurlijk wel in dienst van de Duitsers was geweest. 

Na de oorlog gingen er verhalen dat Milada de boel verraden had en had aangepapt met de SS. Uit de verhoren blijkt dit iets genuanceerder te liggen. Hoewel Pierre Coronel op diverse sites geëerd wordt vanwege zijn verzet, heeft Milada Pokorny nooit de erkenning gehad die ze verdiende. Een eerherstel voor deze moedige vrouw, die in 2000 in Bilthoven overleed.

De landgoederen Oud en Nieuw Amelisweerd en Rhijnauwen zijn ontstaan in een bocht van de Kromme Rijn. Opmerkelijk is de heuvel naast het landhuis met daarin een ijskelder. Deze is in onze tijd geschikt gemaakt als overwinteringsplaats voor vleermuizen. 

Een opmerkelijke heuvel

1 'In 1992 heeft er archeologisch onderzoek plaats gevonden of vastgesteld kon worden of deze heuvel een motte geweest zou kunnen zijn. In de heuvel werden echter geen bewoningsresten aangetroffen, maar bestond uit vrij schone aarde. Daaruit kunnen we vaststellen, dat de huidige heuvel vroeger geen motte is geweest, maar in 1808 werd opgeworpen voor de aanleg van de ijskelder.'

1/2 'Een voorloper van de heuvel geeft wel aanleiding om te veronderstellen dat er mogelijk sprake geweest van een ophoging met daarop een stenen huis. Op grond daarvan werd aanspraak gemaakt om als ridderhofstede erkend te worden. Dat kon alleen als er sprake was van een stenen huis en dat moet het geval zijn geweest toen Johan van Renesse, heer van Amelisweerd, Wilp en Wulven, (1505-1553) bezitter was van het huis, toen het, in 't jaar 1537 door de Staten van Utrecht als ridderhofstad was erkend.'

Amelis

1 'Het landgoed Amelisweerd dankt haar naam aan ridder Amelis, die in de dertiende eeuw in dit gebied gewoond heeft. Hij wordt genoemd in een oorkonde uit 1224. Het gebied dat hij in leen kreeg van het kapittel van Oudmunster was een waard. Een waard is een stuk land dat grenst aan een waterloop, in dit geval de Kromme Rijn, en naar dit stuk land noemde Amelis zich: ‘Amelius uten Werde’,  Amelis uit de waard.

Van Amelis is bekend dat hij was getrouwd met een zekere Sophia en vier kinderen had; één zoon die eveneens Amelis heette, en drie dochters, Sophia, Hildegond en Jutta. Amelis wordt in eerste instantie in de oorkonden genoemd bij de bisschoppelijke ministerialen. Dit hield in dat hij geen vrij man was, maar dienst moest verlenen aan de bisschop. In 1235 komt hij voor het eerst voor als ‘Amelis miles de Insula’, ridder Amelis uit de waard. Amelis trad vele malen op als getuige in Utrechtse oorkonden. Verder bezat hij een hoeve te Alendorp. Aan te nemen valt dat hij tot de hogere klassen van de samenleving behoorde. 

Pentekeningen

Op de vroegst bekende afbeelding van Oud-Amelisweerd van C. Pronk (1731), zien we naast het huis een heuvel. Als we de afbeelding uit 1731 vergelijken met de afbeelding uit 1791 door H. Spilman, naar een tekening van J. de Beyer, dan zien we dat de heuvel op de nieuwere afbeelding verdwenen is en dat het huis uitgebreid is in de richting van de eerdere heuvel. Hieruit kunnen we concluderen, dat de heuvel uit 1730 tussen 1730 en 1745 is afgegraven.'

2 'Frederik Ignatius van Bueren (1650-1706) was de bezitter toen het in het rampjaar 1672 Oud Amelisweerd door de Fransen werd verwoest. De verwoeste ridderhofstad zelf werd niet meer herbouwd, maar er kwam wel een kleine nieuwe bebouwing. Het geheel werd in 1725 gekocht door Jacob Johan van Delen die de trapgevel liet slopen en ernaast aan de kant van de Kromme Rijn een breed eenlaags huis bouwde, waarvan fundamenten bewaard zijn gebleven. Rond 1770 liet de nieuwe eigenaar, Gerard Godard Taets van Amerongen, het huidige landhuis bouwen.

Het kan goed zijn dat Pronk in 1731 het huis met de trapgevel nog heeft willen tekenen vooraf aan de sloop.(afb 28) Dat volume past op de zuidwesthoek van het huidige huis.Het huis zelf lijkt te bestaan uit twee vertrekken met het voorste gericht op de Kromme Rijn en het achterste deel met vensters naar het westen. Dat deel staat op de nog bestaande oude kelder met tongewelf, die goed uit de vijftiende of op zijn laatst uit de vroege zestiende eeuw kan stammen. Aan de achterzijde lijkt er een schuur tegenaan gebouwd te zijn, maar het is waarschijnlijker dat het gaat om een keukenaanbouw onder schilddak. Dat deel bevindt zich ter plaatse van de vierkante kelder. De architectonische vormen van het ribloze kruisgewelf op gordelbogen en middenkolom passen met een herbouw na 1672.'

1 'Er moet een andere verklaring voor de functie van de heuvel worden gezocht uit een eerdere periode. Het gebied dat nu met Amelisweerd wordt aangeduid kwam, na de aanleg van de dam, in 1122 vrij voor bebouwing en bewoning. Welk huis heeft in de 13e eeuw op Amelisweerd gestaan? De eerste vermelding was pas in 1224. Het is onwaarschijnlijk dat er in die tussenliggende honderd jaar geen bewoning in het gebied heeft plaatsgevonden. Over mogelijke voorgangers van Amelis is niets bekend. Pas als Amelis de waard in leen krijgt en zich naar deze waard noemt, dan gaat de waard later naar hem heten niet naar één van zijn voorgangers.

Van een motte op Oud Amelisweerd is niets bekend, er zijn in ieder geval geen bronnen uit die tijd bewaard gebleven waarin gesproken wordt over een berg of over een motte op Amelisweerd. Maar dit wil niet zeggen dat er geen motte was. Het is mogelijk dat er een motte-kasteel is geweest dat er niet lang heeft gestaan en dat slechts een teken was van een tijdelijke opleving, waarna het misschien al na Amelis in verval raakte en de bewoners deze omgeving verlieten om in een boerderij te gaan wonen.De hogere status kon niet langer in stand worden gehouden, waarna de bewoners de motte verlieten. Pas in 1395 wordt Amelisweerd weer genoemd in een lijst van leenmannen van het kapittel van Oudmunster.'

Protestant en Katholiek in de 16e en 17e eeuw

De historicus Cees Dekker, auteur van het boek ‘Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen’ neemt ons in zijn lezing mee naar het jaar 1564. Dit jaar was voor de bevolking in dit gebied een jaar zoals alle andere. Een jaar van hard werken voor de landbouwende bevolking, met zo nu en dan een aangename onderbreking vanwege de kermis, die in de meeste dorpen, op verschillende tijden, plaats vond. Wat hier verder gebeurde was steeds een gevolg of een terugslag van de gebeurtenissen elders. 

Hoe de geweldige religieuze beweging, die de Reformatie heet en die de Westerse kerk op zijn grondvesten deed wankelen, het gebied bereikte, zullen wij nagaan door een schijnwerper te richten op vier gebeurtenissen in de periode van ca. 1550 tot 1650. Vier gebeurtenissen, die de evolutie niet hebben bepaald. Het illustreert wel de intensiviteit, waarmee de geloofsbeleving gepaard ging. De protestantse linnenwevers uit Wijk bij Duurstede, zowel als de Schalkwijkse Katholieken uit 1651 hadden veel voor hun geloof over. En dan het feest in Odijk, die hadden hun nieuwe pastoor ingehaald! Heer Evert Aelbertsz., opvolger van Willem Blom. Er waren onder de bevolking verdedigers van het oude, en fervente aanhangers van het nieuwe, met daartussen een grote massa, die pastoor Evert Aalbertsz. van Odijk tot hun patroon zouden hebben kunnen kiezen, die het oude niet geheel loslaten, het nieuwe niet bij voorbaat verwerpen, die de kat uit de boom kijken, of die zoals ds. Rommius, alweer uit Odijk, de zaken op veilige afstand gade slaan en een keus uitstellen. Wat gebeurde er? 

We gaan een kijkje nemen op de Achterdijk, die destijds, met zijn verlengde, de Trechtweg (nu Provinciale weg) de enige verbindingsweg tussen Utrecht en Wijk bij Duurstede. Het is 27 augustus 1564 in de vooravond. De arbeiders zijn nog bezig met het binnenhalen van de oogst, hoewel de klokken in de torens van Werkhoven, Odijk en Bunnik al hebben geluid voor de vespers. Er komt een kleine stoet aan uit de richting Wijk bij Duurstede. Voorop te paard de stadsschout van Wijk, met het stadwapen op zijn borst, daarachter nog drie ruiters, dienaren van de schout, en achter elk van hun drie paarden een man, gebonden aan een paard, blootshoofds, op blote voeten, vastgeklonken in ijzeren handboeien. De arbeiders, die juist naar huis gaan, weten wie de geboeiden zijn; op de Werkhovense processie heeft men er al over gefluisterd: drie Wijkse poorters: Jan Hendriksz. uit Cothen, kleermaker, Jan Jansz., stoeldraaier, vader van 6 kinderen, en Hendrik Hermansz., linnenwever. Achtenswaardige lieden, broeders van hun ambachtsgilde, maar beschuldigd van de misdaad van ketterij: Wat hebben zij eigenlijk gedaan? 

Dank zij het criminele sententieregister van het Hof van Utrecht weten wij het precies! Jan Hendriksz. van Cothen is met Pasen niet ‘te biechte ende ten Heyligen Sacremente’ geweest. Hij heeft twee maal een geheime vergadering te Maurik bijgewoond in het huis van een zekere Aert Dirksz. en éénmaal een dergelijke bijeenkomst te Buren, waar gelezen werd … in het nieuwe testament! Jan Jansz. en Hendrick Hermansz. hebben al twee jaar hun Pasen niet meer gehouden, laatstgenoemde heeft dezelfde geheime bijeenkomsten bijgewoond als Jan Hendriksz. van Cothen, maar heeft bovendien ‘zeeckere quade boucxkens’ gelezen, die door zijn vrouw uit angst zijn verbrand. Jans Jansz. had ook een dergelijk boekje. Hij is maar éénmaal in Maurik geweest, maar naar een zéér geheime vergadering ‘waer eenige disputatien gehouden waren off men die jonge kinderkens behoorden te doopen off nyet’. Kennelijk een bijeenkomst van Doopsgezinden. De schout had zijn plicht gedaan. Een zo openlijk zondigen tegen de plakkaten kon niet in Wijk zelf berecht worden, vandaar de spectaculaire tocht over de Achterdijk regelrecht naar het kasteel Vredenburg, de strafgevangenis van Utrecht.  Hoe liep dit verder af? 

Wel niet ongunstig. Na een half jaar gevangenschap werden de Wijkenaren in de gelegenheid gesteld hun dwalingen te herroepen. Dit deden zij meteen. De tekst is bewaard gebleven. 

‘Ick Jan Hendricksz. van Cothen belije ende bekenne dat ick getwijffelt hebbe aan dat H. weerdige sacrament des autaers, aen dat H. ampt der missen, aan die aanbedinge ende eer, die men den sancten ende die sanctinnen Gods doet, ende versaeck ende abjureer dees voorgenoemde heresieën als godlose dwalinge wesende tegen dat oprecht Christelijck gelove, belovende mitsdeesen mij voortaen te dragen in alles zo een goed Christenmensche ende een gehoorzaam kind der heiliger Catholijcker Roomscher kercke schuldig es te doene. Soe helpe mij God ende alle zijne heiligen. 

De bekentenissen werden opgestuurd naar de centrale regering te Brussel en begin maart 1565 kwamen er bij het Hof van Utrecht drie oorkonden binnen, gesteld op naam van koning Filips II en voorzien van zijn groot zegel in rood. De drie Wijkse poorters werden hiermee gratie verleend op de volgende voorwaarde: zij moeten in het openbaar eerst te Utrecht, daarna op de markt te Wijk onder het aanroepen van Gods naam hun dwalingen herroepen, als straf moeten zij iedere zondag en iedere verplichte heilige dag gedurende een jaar de hoogmis en de predicatie in de kerk van S. Jan Baptist te Wijk bij Duurstede bijwonen, na dat jaar moeten zij een certificaat van de pastoor aan het Hof van Utrecht overhandigen.  

In een tijd waarin elders in de Nederlanden, vooral in Vlaanderen, Brabant en Holland, duizenden kennis namen van de Calvinistische leer, blijven de Kromme Rijnders gezags- en leergetrouw. Over het peil waarop hun kerkelijk en geestelijk leven stond zijn we niet ingelicht. Maar dat het iedere zondag naar de kerk gaan als gerechtelijke straf kon hanteren, spreekt boekdelen over de kerkgang in het algemeen.  

Waren er Calvinisten? Op het platteland hebben wij er geen bewijzen voor. De drie Wijkse gevangenen kan men nauwelijks zo noemen, maar een andere Wijkenaar was het zeker. Dirk Cornelisz., van beroep eveneens Linnenwever, bezocht in 1565 en 1566 bijna dagelijks de Calvinistische geheime bijeenkomsten en predicaties. Op 25 augustus 1566 toen de beeldenstorm Utrecht bereikte, ging hij ijlings naar de stad en deed mee in de Buurkerk, waar hij o.a. een altaar omver trok. In tegenstelling met zijn plaatsgenoten weigerde Dirk Cornelisz, zijn nieuw geloof af te zweren. Hij werd veroordeeld tot de doodstraf, te voltrekken door het koord, als voorbeeld voor anderen. Bij alle narigheid die de Reformatie met zich mee had gebracht had de Kromme Rijnstreek één martelaar voortgebracht en dat was een Protestant!

Lezing van Dr. C. Dekker tijdens het vijfjarig bestaan van de Historische Kring tussen Rijn en Lek. De lezing vond plaats in 1971 op kasteel Beverweerd bij Werkhoven. 

Ten zuidoosten van Houten lag eeuwenlang het buurtschap Loerik. De oudste sporen in Loerik dateren uit de zesde eeuw voor Christus. 

Loerik was een aantrekkelijk gebied om te wonen, omdat het hoger is gelegen en diverse restgeulen van een oude Rijnloop aanwezig zijn. Tot het jaar 250 zijn er diverse boerderijen in Loerik en omgeving. Het is een vruchtbaar gebied. Na de Romeinse tijd vindt er ontvolking plaats in de regio. Maar in Loerik ter hoogte van de Heidetuin blijft er bewoning aanwezig. Het is een van de weinige locaties in Houten waar aansluitend bewoning is aangetoond tussen de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. 

Vroege Middeleeuwen

In de zesde en zevende eeuw is er bewoning in Loerik. Daarbij zijn munten gevonden uit de zevende eeuw, waaruit blijkt dat de bewoners handel dreven. Dorestad ligt op loopafstand en de invloed van deze handelsnederzetting was tot in Loerik. 

Bewoning is er in de tiende eeuw als de lastige Noormannen-periode achter de rug is. Er ontwikkelt zich dan een vroonhof. Een grote boerderij waar diverse arbeiders werkten. Het vermoeden bestaat dat deze Loericker Hofstede is te vinden in het park dat onbebouwd is gelaten. De eigenaar van de Loerickerhofstede blijkt aan het eind van de twaalfde eeuw van aanzien te zijn. Zo wordt Wilhelmus de Lureke genoemd als een als getuige. In 1218 en 1219 is Frederik van Lorike getuige. Aan het eind van de dertiende eeuw is de boerderij verdwenen.

Loerik lag op de doorgaande middeleeuwse weg van Houten naar Tiel. We weten dat deze weg bestond, omdat de huidige Loerikseweg de verkavelingsgrens is geweest bij de verkavelingen uit de 10e eeuw. Rond 1225 wordt de Leesloot gegraven voor de ontginning van het gebied ten oosten van Loerik. De doorgaande weg krijgt een knik bij Loerik en is langere tijd bekend als de Kniphoek.

Het nieuwe Loerik

In 1421 bestaat Loerik uit verspreid staande boerderijen. Loerik wordt geplunderd door Van Gelre en platgebrand. Nieuwe lintbebouwing langs het huidige Staatsspoor en Smalspoor verschijnt erna. Ten noorden van Loerik wordt in 1594 de Loerikse korenmolen geplaatst. Inwoners van Schonauwen, Wulven, Houten en ’t Goy zijn verplicht hun graan bij deze molen te malen. Het zwaartepunt van Loerik verplaatst zich zo’n 500 meter naar het noorden. 

Wanneer aan het begin van de twintigste eeuw de Loerikse molen wordt afgebroken, blijft er een boerengemeenschap over. In 1997 start de bouw van de nieuwbouw en worden de eerste huizen van Houten-Zuid in Loerik opgeleverd. Binnen enkele jaren wonen er duizenden mensen in Loerik. De vermoedelijke plek van de Loerickerhofstede is opgehoogd en park geworden. De geschilderde stenen stellen koeien voor.

`Een stappende haan als zinnebeeld van waakzaamheid`

Burgemeester Willem Jabes van Beeck Calkoen loodste de drie gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven door naar de vernieuwing van de twintigste eeuw. Hoe deed hij dit?

Willem Jabes werd op 25 maart 1871 in Utrecht geboren als zoon van Aarnoud Willem van Beeck Calkoen en jvr. Pauline Albertine Ram. Hij trouwde op 14 november 1901 in Zeist met jvr. Adrienne Johanna Margaretha Repelaer; dit huwelijk werd op 3 december 1930 ontbonden. Het echtpaar kreeg vier zoons. Hij overleed op 13 februari 1945. 

Stammend uit een bekende Utrechtse familie, waarin grootvader Aarnoud Jan en vader Aarnoud Willem  in Utrecht vele functies op politiek, kerkelijk en bestuurlijk gebied hadden bekleed, deed Willem Jabes rechten aan de Utrechtse universiteit; in 1898 volgde zijn doctoraal examen. Hij studeerde af met een promotie op stellingen.

Hij werd opgeleid in de secretarie in Zeist. Hier bleek al snel dat Willem Jabes ijverig en nauwgezet was. In 1899 kwamen er een paar kenmerken bij die paste bij het burgemeesterschap. Hij was 2e secretaris geworden van het hoofdbestuur van het Genootschap voor Landbouw & Kruidkunde. Volgens de burgemeester van Zeist vervulde hij deze betrekking met de meesten ijver, bekwaamheid èn welwillendheid, terwijl ook zijn aangename beleefde manieren en makkelijke wijze van omgang een uitstekende indruk hadden gemaakt bij alle leden van genoemd hoofdbestuur.

Met deze overtuigende woorden werd Willem Jabes in 1901 burgemeester van de gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven. Deze gemeenten hadden sinds 1850 samen één burgemeester. In 1897 was voor de drie plaatsen een nieuw gemeentehuis gebouwd in het centrum van Bunnik. Van Beeck Calkoen kon zijn werkzaamheden dus in een mooi nieuw gebouw beginnen. Hij vond het belangrijk om ook in Bunnik te wonen en verhuisde kort na zijn benoeming naar het centrum van het dorp. In 1905 werd hij eigenaar van de fraaie buitenplaats Bloemerwaard met de bijbehorende landerijen, gelegen tussen de Schoudermantel en de Kromme Rijn. Inmiddels was hij getrouwd met Adrienne Repelaer; het echtpaar kreeg vier kinderen; Aernoud Willem, Frans Jabes, Philip Jan en Johan Adriaan Paulus.

‘Ik ga niét van het schip af!’

Een wapenfeit uit de loopbaan van Van Beeck Calkoen was de invoering in 1913 van het gemeentewapen van Bunnik; een stappende rode haan als zinnebeeld van waakzaamheid. Een jaar later brak de Eerste wereldoorlog uit, die het rustige Bunnik niet ongemoeid liet. De inwoners kregen te maken met inkwartiering en distributie. Bovendien lag het dorp middenin het gebied van de Hollandse Waterlinie, zodat ontruiming dreigde. Van Beeck Calkoen zei later zelf over die moeilijke periode, dat de gemeente heen en weer getrokken werd tussen het staatsgezag, het militaire gezag en haar eigen belang. In 1918 volgde het gevaar van een revolutie in Nederland. Predikant De Vrijer herinnerde zich later, dat hij aan de burgemeester had gevraagd: ‘En als ook over onze gemeente de revolutie-golf komt?’ Hij antwoordde rustig; ‘Ik ga niét van het schip af!’

Plichtsgetrouw stond Van Beeck Calkoen aan het roer van zijn gemeenten, Bunnik, Odijk en Werkhoven. Dat dit werd gewaardeerd door de bevolking, blijkt wel uit de huldiging bij zijn 25 jarig jubileum in 1926. Vlaggen waren uitgestoken, en het stadhuis was feestelijk versierd met bloemen en palmen. In optocht van ruiters met sjerpen, de plaatselijke afdelingen van arbeidersvakverenigingen met hun vaandels en enkel muziek- en zangverenigingen, begeleidden de jubilaris naar het gemeentehuis. Na afloop van een bijzondere raadsvergadering vond een huldiging plaats in het gebouw de Grondslag. Hij kreeg een ingelijst tegeltableau, dat dorpsgezichten en wapens voorstelde rond het portret van de burgemeester, met aan weerszijden twee figuren die lief en leed symboliseerden. Het cadeau van de ambtenaren was een marmeren inktstel.

Naast het burgemeesterschap bekleedde Van Beeck Calkoen twintig jaar lang diverse andere functies. Hij was lid van Provinciale Staten, buitengewoon lid van Gedeputeerde staten, dijkgraaf van het hoogheemraadschap Lekdijk Bovendams, commissaris van de N.V. Provinciale Utrechtsche Elektriciteitsmaatschappij, lid van het dagelijk bestuur van de Stichting Drinkwaterleiding Zuid-Utrecht, voorzitter van de Schippersschool te Vreeswijk en voorzitter van de Tuberculosecommissie voor Bunnik, Odijk en Werkhoven. Een koninklijke onderscheiding kon voor een man met zoveel verdiensten niet uitblijven. In 1936 werd Van beeck Calkoen bevorderd tot officier in de orde van Oranje-Nassau.

Tijdens zijn bewind maakten de drie gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven een belangrijke ontwikkeling door. Het inwonertal nam toe, riolering, elektrisch licht en waterleiding werden aangelegd, er werd woningbouw gepleegd en er kwamen nieuwe wegen tot stand. De burgemeester kreeg steeds meer zorgen. Het werd moeilijk om de begroting sluitend te krijgen, de belastingdruk was hoog, de landhuizen langs de Kromme Rijn kwamen leeg te staan, waardoor de inkomsten van de gemeente terugliepen, en er was sprake van werkloosheid.

Hoewel Van Beeck Calkoen op 25 maart 1936 de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, wachtte hij met zijn vertrek tot hij 35 dienstjaren volgemaakt had. Uiteraard was er, net als in 1926, een groot feest georganiseerd, dat op 3 oktober plaatsvond. Op het gemeentehuis werd het afscheidscadeau aangeboden, dat bestond uit een serre ameublement met bloemstuk. Om vijf uur ’s middags begon een defilé bij de burgemeesterswoning, waaraan werd deelgenomen door 19 verenigingen uit Bunnik en een muziek muziekkorps uit Werkhoven. Van Beek Calkoen werd toegezongen door ongeveer 300 schoolkinderen, die een reep chocola ontvingen. Het uitvoerige verslag in het Utrechtsch Dagblad vermeldt: ‘Spontaan weerklonk een driewerf hoera voor de scheidende burgemeester, waarvoor deze vriendelijk dankte. De verslaggever wenste de ‘in den dienst vergrijsden burgervader’ een levensavond toe die net zo helder zou zijn als deze mooie herfstdag.

De laatste levensjaren van Van Beeck Calkoen waren echter niet onbezorgd. Zijn echtgenote, die niet had kunnen wennen aan het rustige dorpsleven, was in 1924 uit Bunnik vertrokken; in 1930 was het huwelijk officieel ontbonden. Twee zoons waren al vóór 1936 geëmigreerd, respectievelijk naar Amerika en Zuid-Afrika. Een derde zoon, Frans, was in 1933 burgemeester van Ouderkerk aan den IJssel geworden.

Bloemerwaard werd te groot voor de oud-burgemeester; in 1940 verkocht hij het landhuis. De nieuwe eigenaar liet het gebouw Bloemerwaard met de grond gelijkmaken en een modern huis optrekken. Een groot deel van het bijbehorende land was al onteigend in verband met de aanleg van de A12. Van Beeck Calkoen verhuisde naar Drieberg-Rijsenburg. Daar bracht hij de moeilijke oorlogsjaren door. In 1944 schreef hij aan een van zijn broers: ‘’ de dagen gaan voorbij in troostelooze eentonigheid en eenzaamheid’. Tijdens een fietstochtje met zijn zoon Frans naar Werkhoven bezweek hij aan een ‘hartflauwte’. Willem Jabes werd begraven op de Eerste Algemene Begraafplaats in zijn geboorteplaats Utrecht.

In Bunnik herinnert de Van Beeck Calkoenlaan nog aan deze trouwe burgemeester. 

DERK DE GEEST (1878-1965)

Derk trad op 15 jarige leeftijd in 1893 in dienst bij smederij Roodvoets te Bunnik. Hij maakt op 5 januari 1898, “na vijf en een half jaar eerlijke en trouwe dienst”, een uitstapje naar de Rijwielfabriek Wilhelmina te Zeist. Op 27 augustus 1898 keert hij met een getuigschrift bankwerker weer terug naar de smederij. In 1924 neemt hij het smederijbedrijf over van de heer Roodvoets, onder de naam "Smederij de Geest", dat later de toevoeging & zoon kreeg.

HENDRIK DIRK DE GEEST (1906 – 1993)

Na de lagere school in Bunnik hielp hij enige tijd de tuinman van de Niënhof. Daarna volgt hij van april 1920 tot april 1923 op de Ambachtschool in Utrecht een opleiding tot machinebankwerker die hij “met goeden uitslag heeft gevolgd”. Bovendien verwierf hij bij het verlaten van deze school “een eersten prijs voor goed gedrag en ijver”. Van 1923 tot 1942 werkt hij bij zijn vader Derk de Geest in de smederij. Per 1 januari 1942 neemt hij deze van zijn vader over. In verband met een hem overkomen ongeval op 1 oktober 1973, een aanrijding waarbij hij zijn rug brak, heeft hij zijn bedrijf niet meer kunnen voortzetten en officieel op 1 mei 1974 beëindigd.

Het bedrijf Smederij de Geest

In de “Kamer van Koophandel en Fabrieken” stond het bedrijf ingeschreven als “Grof-, Hoef-, Huis- en Kachel- smederij”.

Als een zeer onvolledige opsomming van werkzaamheden kan worden genoemd: sier-smeedwerk, zoals een hek om de oude Nederlands Hervormde pastorie, vogels op een grafzerk, wijnrekken, een bijzettafeltje, lectuurbakken, een fraaie trapleuning in het huis van zijn dochter etc.

Ook banden om de wielen van “mallejan’s” voor Houthandel Van Dam, gesmede nagels/spijkers voor bouwwerkzaamheden, tegelmallen voor de Betonfabriek Destrebecq.

Het herstellen en - in het oogstseizoen dagelijks vooral ’s avonds - slijpen van maaimessen voor loonwerkers die de weides voor de boeren maaiden.

Als hoefsmid besloeg hij niet alleen de paarden, maar maakte ook zo nodig eigenhandig (orthopedische) hoefijzers voor de hoeven van de paarden, die - veelal in de voor de smederij staande “hoefstal” - de bewerking van de hoeven ondergingen.

Kachels en haarden (hout- of kolenkachels, géén olie-) werden meestal met de handkar bij de klanten opgehaald, in de smederij schoongemaakt, zo nodig gerepareerd of onderdelen vernieuwd (bijvoorbeeld de ‘mica’ ruitjes) en daarna (per handkar of bakfiets) weer teruggebracht naar de eigenaar. Ook werden haardplaten gemaakt, waarmee zomers de schoorsteen in de kamer werd afgedekt, en pijpen voor (nieuw) geleverde haarden en kachels; daarvoor stond een speciaal apparaat in de smederij, waarmee van een vlakke plaat een pijp werd “gerold”. 

Onder de noemer Huissmederij vallen b.v. het (met een zgn “loper) openmaken van sloten (waarvan de sleutel kapot of zoek was); het herstellen van sloten, laswerk van allerhande gebruiksvoorwerpen, (b.v. ook kinderfietsjes/steps). Het laswerk gebeurde eerst door middel van carbid, waarmee acetyleengas werd geproduceerd, waar dan “autogeen” mee werd gelast. Later kwam dat gas in flessen vanuit de fabriek (Loos & Co). Bij de verbranding van het gas ontstond een steekvlam, door de hitte daarvan kon metaal worden bewerkt. 

Al het werk ging “op rekening”(1 of 2x per jaar), die vaak na maanden pas werd betaald (of zelfs helemaal niet!) Grote klanten: Gemeente Bunnik, rijkswaterstaat, Houthandel van Dam, Betonfabriek Desterbecq e.a..

Opa D. de Geest woonde met zijn vrouw in het linkse deel van een dubbel woonhuis aan de Molenweg. Dit pand is afgebroken bij de aanleg van de Zuster Spinhovenlaan. (1) (Zoon) H. D. de Geest woonde (vanaf 1934 tot 1959) met zijn gezin in één van de eerste nieuwgebouwde huizen aan de Molenweg, schuin tegenover de smederij. Na het overlijden van de Laatste Roodvoets-telg, kocht en verhuisde Henk met zijn gezin naar, het veel oudere huis grenzend aan de smederij aan de overkant.  

(1) Het pand is afgebroken in 1977

Restaurant Vroeg ligt op de hoek van de Achterdijk met de Provincialeweg in het buurtschap Vechten. De herberg De Prins ligt op een historisch en strategische plek; het driehoekje grond blijkt in een 18e eeuwse omschrijving een overblijfsel te zijn geweest van een brink. De '12 erfjes tot Vechten op den brenck', 1556. Deze boerderij is een monumentale dwarshuisboerderij uit de 17e eeuw. Samen met Hofstede Wiltenburg, gelegen aan de overkant aan de Provincialeweg, is de boerderij een belangrijk restant van de laat- 17e eeuwse bebouwing van het buurtschap Vechten. De naam de Prins herinnert aan een bezoek van Prins Willem III van Oranje aan de herberg met de naam De Prins. 

>>>>Lees verder over de bewoners van deze herberg in 5 delen.

De oudste gegevens over deze van oorsprong herberg boerderij beginnen bij de naam voor deze boerderij 'Rijsoort'. De naam Rijsoort komt al voor op de lijst van het Oudschildgeld uit 1599, een belasting van Karel V. 

De bewoner was toen Willem Janse Raeymaeker, van wie het een en ander bekend is. Zijn grafsteen ligt in de Hervormde Kerk, Kerkpad 1 te Bunnik en voor degenen die daar ’s zondags kerken: in het gangpad rechts ter hoogte van de deur naar de consistoriekamer. Op de grafsteen staat dat hij is overleden op Sinte Nicolaes 1717 (6 december). Maar we weten nog wat meer van hem omdat er in 1601 voor schout en schepenen een familiecontract werd gesloten. Zijn echtgenote Marrichgen was toen overleden. Van zijn kinderen waren de oudste twee meerderjarig. We weten hun naam omdat zoon Cornelis Raymaecker die met Agatha getrouwd was, zijn zus Grietgen Raymaecker, gehuwd met Gijsbert Dirksz., uitkocht uit de erfenis van hun beider moeder. Het kan zijn dat Cornelis na 1616 de boerderij had overgenomen, maar zeker weten we dit niet. 

Van het midden van de 17e eeuw dateren een paar losse vermeldingen. Zo had Hendrik Geerkens uit Kampen in 1649 de helft van het huis in eigendom. Hij maakte in 1649 voor schout en schepenen van Bunnik zijn testament omdat hij op dat moment ‘sieckelijk van lijf en leden’ was. Hij legateerde daarin de helft van De Prins aan het Pestgasthuis te Utrecht met een vruchtgebruik voor zijn zuster Catharina. De andere helft ging in 1663 een aantal malen van de hand tot het in bezit kwam van Dirk Hermansz. Kip die ‘aan de Ganssteegh’ woonde, de Gansstraat te Utrecht. Of er een familierelatie tussen Kip en Geerkens is, is onbekend. Kip moet rond 1670 zijn overleden. Uit zijn huwelijk met Petertjen Duyffhuis waren geen kinderen geboren of ze waren allemaal al voor de ouders overleden. De erfenis was nog niet verdeeld toen een ramp ons gebied overspoelde.

De Fransen trokken in 1672 het land binnen. Omdat noch de stad, noch de provincie Utrecht te verdedigen waren, gaf de stad zich al snel over. Al het platteland om de stad heen werd door de soldaten geplunderd en heel veel huizen gingen in vlammen op. Zo ook Rijsoort.
Bij de restauratie van kort geleden werd het stucwerk afgebikt en kwamen er in de onderste lagen stenen tevoorschijn van vóór 1672 die zwart geblakerd waren. Ook Rijsoort werd dus in 1672 in brand gestoken. We weten dat ook uit de archieven. Weliswaar staat er niet met zoveel woorden dat er een brand is geweest, maar in 1672, 1673 en 1674 krijgt er niemand een belastingaanslag als bewoner. Dat is een teken dat het huis toen niet bewoond was. Pas in 1675 komen we weer een bewoner tegen
In 1675 was de herbergier Thonis Dirkse van Doorn in het huis getrokken. Blijkbaar waren de erfgenamen van Dirck Kip er in geslaagd om voldoende bouwmaterialen en geld bijeen te brengen om het huis weer bewoonbaar te maken zodat het verhuurd kon worden. Inmiddels hadden de Fransen alles geroofd wat er te roven viel en kon de burgerbevolking terugkeren. 

Herbergier THONIS DIRKSZ. VAN DOORN ( - 1710?) en het Utrechtse Pesthuis
In 1677 werd het Utrechtse Pesthuis eigenaar van de herberg. Vanaf dat moment is er een sluitende lijst met bewoners, terwijl het eigendom in grote lijnen te volgen is.

De naam De Prins herinnert nog aan de Herberg De Prins, aan de tijd dat Prins Willem III (1650-1702) hier had gelogeerd. Wanneer Zijne Hoogheid er precies geslapen heeft weten we niet, maar het moet geweest zijn tussen 1677, toen de naam Rijsoort nog in gebruik was en 1702, toen de Prins is overleden en er een uithangbord aan de gevel hing met daarop een afbeelding van de Prins. Na zijn huwelijk met Mary (II) Stuart, in 1677, vertrok Willem evenwel naar Engeland waar hij tot haar overlijden in 1695 bijna steeds vertoefde. Na 1695 was hij weer af en toe in ons land. De overnachting, waarvan in de overlevering sprake is, zal dus wel tussen 1695 en 1702 plaats hebben gehad.
In 1675 was de herbergier Thonis Dirksz. Van Doorn in het huis getrokken. Uit een toevallige vermelding uit 1692 weten we dat Thonis toen ziek in bed lag, maar weer opkrabbelde. Echt geweldig zal de herberg op dat moment niet gelopen hebben want anders had hij vast zijn vrouw in 1696 niet met het ‘slegte kleet’ laten begraven. Als het even kon huurde je daarvoor het ‘middelkleet’ of nog liever het ‘beste kleet’. Hij was enkele malen schepen van Bunnik en ook al kon hij De Prins niet kopen, hij had wel ander land op Vechten in eigendom. Thonis is waarschijnlijk in 1710 overleden. Zijn zoon Gerrit nam de herberg over. 

Namen die voorkomen op de boerderij/herberg De Prins zijn: Dirck Kip, Gerrit Teunisz. Van Doorn, Jacob de Cruyff uit ’t Goy, Arie Van Miltenburg, Jonker van Tuyll van Serooskerke, Jan Middelweert, Wijnand de Wit. Gijsbert Jerfaas Hasselman, Cornelis de Gier, Antonie van Oostrom.

Langs de provinciale weg tussen Bunnik en Utrecht ligt, ingeklemd tussen deze weg en de spoorlijn Arnhem – Utrecht, een eeuwenoude boerderij met de naam Runnenburg. Vroeger was het een grote boerderij met veel land, tegenwoordig is het verbouwd tot appartementen en is er vrijwel geen land meer bij. De boerderij is nu ingeklemd tussen de spoorlijn en de Provinciale weg.

De vroegste gegevens: de Broederschap

De oudste geschiedenis van deze boerderij is zoals zoveel boerderijen in nevelen gehuld. De geschiedenis is echter met zekerheid terug te vinden tot zeker 1470. Via via kunnen we mogelijk zelfs terug gaan tot het begin van de 15e eeuw.

Om tot 1470 terug te gaan moeten we echter eerst naar 1537. De toenmalige eigenaar, Adriaen Hermans, verklaarde toen dat hij de boerderij met een hoeve land gekocht had van de Broederschap van de Heilige Drievuldigheid.

De broederschap van de Heilige Drievuldigheid werd gesticht in 1446 door Gerrit die Keijser en zijn vrouw Heijlwigen Tijman Jansdr. Het doel was het opdragen van twee missen per week op een altaar in de Buurkerk, en verder het doen van zielmissen voor de overleden broeders. Op zondag na Bartholomei (feestdag van het altaar, waarop de broederschap gevestigd werd) werd een mis opgedragen en een feestmaal gehouden. Er mochten 33 broeders zijn, bij voorkeur uit de nakomelingen van de stichter, en 2 procurators, die de broederschap zouden besturen.

Over het land wat de broederschap bezat moest natuurlijk belasting betaald worden, en onder andere in 1470 wordt er een lijst gemaakt van de belastingplichtigen van het zogenaamde morgengeld. We lezen in 1470 dat er voor een hoeve land behorend aan een altaar in de Buurkerk 16 stoters aan belasting betaald moest worden. Omdat dit de enige vermelding van een altaar in de Buurkerk is van een hoeve land, kunnen we ervan uit gaan dat dit de bewuste hoeve is.

Intrigerend is een kwitantie van 10 november 1467, waarin Willem van Zijl verklaarde dat hij aan deze broederschap een halve hoeve land verkocht had, gelegen te Vechten, waarvan de andere helft al aan de broederschap toebehoorde. In de fundatiebrief uit 1446 van de broederschap wordt het land te Bunnik/Vechten niet genoemd. Waarschijnlijk had de broederschap de helft van de hoeve dus verworven tussen 1446 en 1467, en de andere helft van de hoeve in 1467. Als we teruggaan naar de lijst van het morgengeld van 1434 zien we dat in 1434 Geryt Snoeck en de erfgenamen van Geryt die Witten samen een hoeve bezitten.  Daarvoor had Jan Holl deze hoeve. Alhoewel het niet 100% zeker dat het over hetzelfde perceel gaat kunnen we stellen dat we met de geschiedenis van deze boerderij terug kunnen gaan tot het begin van de 15e eeuw.

Runnenburg

Vanaf de zestiende eeuw is de eigendom en zijn de gebruikers bijna continu te volgen.

Het Regulierenklooster in Utrecht had rond 1500 al veel land in Bunnik. Een van hun pachters was Adriaen Hermans. Hij werd vanaf 1490 al genoemd als landgenoot bij diverse transacties te Bunnik en Vechten en vanaf 1510 als pachter van de Regulieren. Behalve pachter had hij ook land in eigendom, namelijk de hoeve land die hij dus van de broederschap gekocht heeft.

In 1520 droeg Adriaen Hermans zijn hoeve land op aan Gijsbert van der Haer. Die gaf het land dezelfde dag weer in erfpacht aan Adriaen Hermans. In 1537 verklaarde Adriaen Hermans dat zijn hoeve land moest vererven op zijn twee zonen, Cornelis Adriaens de oude en Cornelis Adriaens de jonge. Zijn twee dochters, Adriaenke en Alijdt, werden uitgekocht voor f 100 elk. 

In 1538 volgden de beide Cornelissen hun vader op. Direct erna, op 3 juni 1538, werd de hoeve land verkocht aan Willem, vrijgraaf van Rennenberg, en zijn twee zonen Frans en Karel. Op 5 december 1544 verkocht Willem, graaf van Rennenberg, heer van Zuijlen en Oldenhoorn, deze hoeve land aan het Regulierenklooster.

De boerderij Rennenberg, of Runnenburg zoals deze nu heet, komt daarmee aan zijn naam.

Tot 1743 bleef Runnenburg eigendom van het Regulierenklooster en diens opvolger het Burgerweeshuis. In 1742 en 1743 werd een groot deel van het eigendom van de Regulieren verkocht. Runnenburg met het bijbehorende land werd op 28 mei 1743 aan Ciprianus Berger getransporteerd. Hij had het al in 1742 op een publieke veiling gekocht van het Burgerweeshuis. 

Na zijn overlijden werd het in 1785 verkocht aan Willem van Rossum en zijn erfgenamen. Waarschijnlijk in 1865, bij een openbare veiling, werd Runnenburg verkocht aan het RK Parochiaal Armbestuur. Die bleef tot in de 20e eeuw eigenaar van Runnenburg.

Omschrijving bij de verkoping van 1785

Toen in 1785 Runnenburg verkocht werd door de erfgenamen van Ciprianus Berger aan Willem van Rossum, werd er een omschrijving gegeven van wat er verkocht wordt. De omschrijving luidde toen als volgt:

Een schoon welgelegen hofstede genaamd Renneberg bestaande in een hoeve lands, met huijs, twee bergen, schuur, schaaphok, duijvenhuijs, drafkuijl, bakhuijs en boomgaard, bepootinge en beplantinge daar op staande, zijnde hof en thinsgoed van de Domainen s Lands van Utrecht, op de speciale last van twee guldens vijff stuijvers voor Hofgeld daar jaarlijks uijtgaande. Mitsgaders nog 24 mergen land, strekkende van de Groeneweg, tot aan de Rijsbruggerwetering toe, alsmede nog 10 mergen land, strekkende van de Bunnikse weg, tot aan de Vordelsloot toe. Voorts 7,5 mergen land gelegen op den Hoogen Eng, strekkende van de Groeneweg tot aan den Bunnikse weg toe. Nog 2 mergen land, strekkende als evengemeld. Eindelijk 10 mergen en ’s negentig roeden land, en alsdus te zamen en in ‘t geheel groot 69 mergen 390 roeden. zoo boomgaard, weij als bouwland, verongeldende maar voor 65 mergen, edog zoo groot en kleijn. als alle de voorsz Landerijen en derzelver strekkingen en belendingen gelegen zijn, onder den Gerecht van Bunnik en Vechten, werdende derzelver Hofstede en landen in huure gebruijkt bij Cornelis Jansz Davelaar en Neeltje van Schaik Echtelieden, voor de zomme van 850 guldens jaarlijks eens geld, dewelke daaraan nog huure hebben tot Primo January en Primo Maij 1800. Welke huur den koper zal moeten uijthouden, volgens de huurcedulle den 19 February 1780 voor de Notaris Jan Tieleman Blekman en getuijgen binnen Utrecht gepasseert, waartoe bij deeze werd gerefereert.

Opvallend is het schaaphok en de drafkuil. Er zijn weinig tot geen boerderijen in Bunnik waarbij dit vermeld wordt.

De boerderij is nu, anno 2021, verbouwd tot appartementencomplex. Aan weerszijden van de gang over wat vroeger de deel was zijn kleine appartementjes gebouwd. Het voorhuis werd in zijn geheel verhuurd. In dit voorhuis zijn een paar elementen nog bewaard gebleven, zoals een 18e eeuwse (?) haard en een middeleeuwse kelder.

Restaurant Vroeg, hoek Provincialeweg met de Achterdijk, kent een lange geschiedenis aan bewoners. De bewoners van boerderij - herberg De Prins komen vanaf hier zelf aan het woord. Mevrouw R. van Oostrom en Marion Miltenburg: de familie van Oostrom in de 19e en 20e eeuw en de familie Van Miltenburg in de 18e eeuw. Wanneer zij in deze bijzondere boerderij terug komen als gasten van Restaurant Vroeg dan hebben beide een speciaal familieband gevoel met deze locatie.

ELIAS HENDRIKSZ. VAN MILTENBURG (1690 – 1761) EN CORNELIA PETERSDR. VAN ZIJL (1700-1769)

Jacob de Cruyff uit ’t Goy nam de boerderij in 1723 over 26 en trouwde in datzelfde jaar voor gerecht en pastoor met Cornelia van Zijl, dochter van een grote boer, Peter van Zijl van de boerderij Ter Hul in Bunnik. Ongeveer tegelijk met de geboorte van het derde kind in 1728 overleed Jacob de Cruyff. Met drie kleine kinderen een boerderij voortzetten is moeilijk en om de pacht niet te verliezen stond ze een half jaar na de doop van het laatste kind met Elias Hendriksz. Van Miltenburg voor het altaar.  Zo te zien ging het hen voor de wind. Elias is actief bij de aankoop en pacht van land en boomgaarden. Om 1751 bewerkte hij maar liefst 82 morgen land en hij had 9 koeien. (De Prins heeft een vrij klein deel) 27. Hij betaalde keurig zijn belastingen en zijn aanslag was niet mis. Ook in de liefde ging het voor de wind. Ze kregen samen acht kinderen, waarvan er maar twee overleden. Het jaartal 1748 (waarin men na 35 jaar weer een herberg mocht beginnen) ging ongemerkt voorbij. Cornelia Van Miltenburg- van Zijl wordt in 1761 voor de tweede keer weduwe en zette de boerderij voort tot ze in 1769 bij haar man in de eigen grafstede in de oude dorpskerk van Bunnik werd begraven. Na haar overlijden nam zoon Arie van Miltenburg De Prins over 28. Maar hij moest delen met al de broers en zusters die waren blijven leven. En hoewel hij erg veel land bewerkte, er vier dienstboden op na hield en een zeer hoge belastingaanslag kon betalen, liep het toch niet goed af.

Marion Miltenburg uit Houten is een rechtstreekse afstammeling van Elias Hendrikse Van Miltenburg (1690 – 1761). Hij is 8 generaties terug haar rechtstreekse voorvader. Elias Van Miltenburg heeft deze boerderij van 1729-1769 gepacht. Hun zoon Arie is in 1738 geboren op boerderij De Prins. Na een grote brand (in een akte teruggevonden, zie afbeelding) moesten zij gaan wonen in hofstede Wiltenburg.

Henk Reinders: In 1780 vertrouwde Jonker van Tuyll van Serooskerke de zaak niet en werd de pacht niet verlengd. Arie van Miltenburg ging naar een kleinere boerderij, De Marsch aan de Marsdijk 29. Hij begon stukjes grond te verkopen30 en zo ging het van kwaad tot erger. In 1793 werd zijn echtgenote met het beste kleed begraven. Het eerste wat de schout liet doen was direct na het overlijden de oudste dochter uit huis halen en bij Hendrik Nierhof onderbrengen 31. Het laat zich raden waarom alleen de huwbare dochter uit huis wordt gehaald en de kleine broertjes en zusjes mochten blijven .. Toen de overheid in 1793 iedereen met een bezit van meer dan 1000 gulden een extra belasting oplegde voor de landsverdediging 32, ging men zijn deur voorbij. Twee jaar later was de nood nog hoger gestegen en moesten ook de minder gefortuneerden meebetalen aan de oorlog. Arie van Miltenburg werd wel aangeslagen, maar betaalde niet. De aap kwam in 1798 uit de mouw. Hij had het ene gat met het andere gestopt en de belasting als sluitpost gebruikt. Na veel zeuren zette Mr. Carel van hees, de schout, er in 1898 een punt achter. Hij was toen maar liefst f 3577 schuldig aan belastingen en leningen en gaf de schout een jaar later toestemming om niet alleen het gewas te velde, maar ook de hele inboedel te verkopen 33.

Marion Miltenburg: Arie verhuist naar een kleinere boerderij op de Slagmaat, “De Marsch”. 

Namen die voorkomen op de boerderij/herberg De Prins zijn: Dirck Kip, Gerrit Teunisz. Van Doorn, Jacob de Cruyff uit ’t Goy, Arie Van Miltenburg, Jonker van Tuyll van Serooskerke, Jan Middelweert, Wijnand de Wit. Gijsbert Jerfaas Hasselman, Cornelis de Gier, Antonie van Oostrom.

Geen knecht op mijn boerderij…

Boerderij-herberg De Prins kende vele bewoners voordat het in de 21e eeuw Restaurant Vroeg werd. 

JAN MIDDELWEERT 1749-1803 CORNELIA VAN SCHAIK 1758-1836

Jan Middelweert had ondertussen van Jonker Van Tuyll Van Serooskerke De Prins kunnen pachten. Hij kwam van buiten het dorp, uit Veldhuizen onder Vleuten. In 1781 trouwde hij voor het gerecht van Oudwulven met Cornelia Van Schaik uit Oudwulven. Uit de stukken krijgen we de indruk dat hij -wat je noemt- een herenboer was. Hij liet zijn knechten vele hectaren grond bewerken terwijl hij zelf als schepen zich met hogere zaken bezig hield. In tegenstelling tot zijn voorganger had hij geen enkele moeite om de speciale oorlogsbelasting te betalen. Hij bezat ver over de duizend gulden en zijn echtgenote ook, zodat ze beiden moesten betalen. Belasting betalen was een van de weinige dingen waar vrouwen altijd volledig aan mee mochten doen. Oud werd Jan Middelweert niet. Op zijn 54e werd ook hij bijgezet in de Hervormde Kerk. Zijn weduwe was tien jaar jonger en blijkbaar nog aantrekkelijk genoeg. Want ze werd door haar meesterknecht Claes Blaas uit Schalkwijk ten huwelijk gevraagd. Maar het huwelijk kon geen genade vinden in de ogen van Van Tuyll van Serooskerke en de pacht werd met onmiddellijke ingang opgezegd. 

Familie De Wit

De Jonker had een gegadigde die meer vermogen bezat: Wijnand de Wit die er bijna 30 jaar, van 1804 tot 1833, op zat. De boerderij was daarna nog bijna twee eeuwen in handen van rijke particulieren die elders woonden. Na het overlijden van Wijnand de Wit zette zijn weduwe het bedrijf nog tot 1841 voort. Toen zij in 1841 bij haar man op het nieuwe katholieke kerkhof aan de Schoudermantel in Bunnik was begraven, besloten haar beide ongehuwde zoons samen het bedrijf voort te zetten.

De broers Antonie en Willem de Wit hadden het samen best. Zij werkten overdag op het land, handelden wat in vee, smoorden een pijpje en zagen in 1844 met afgrijzen hoe hun land over de volle breedte werd doorsneden met een spoorlijn. ’s Avonds werden ze verzorgd door een eveneens ongehuwde huishoudster (op leeftijd, we houden het netjes) die hun sokken stopte, het eten kookte en de was deed, zonder dat ze ook maar iets te vertellen had. In 1861 zetten ze een punt achter het bedrijf. Samen met hun huishoudster gingen ze naar een burgerhuisje in de stad 36. Toen kwam de eerste hervormde boer op de boerderij, Gijsbert Jerfaas Hasselman in 1877, opgevolgd door een andere hervormde pachter, Cornelis de Gier. 

Namen die voorkomen op de boerderij/herberg De Prins zijn: Dirck Kip, Gerrit Teunisz. Van Doorn, Jacob de Cruyff uit ’t Goy, Arie Van Miltenburg, Jonker van Tuyll van Serooskerke, Jan Middelweert, Wijnand de Wit. Gijsbert Jerfaas Hasselman, Cornelis de Gier, Antonie van Oostrom.

FAMILIE VAN OOSTROM

In 1884 kwam de familie op de boerderij van Antonie van Oostrom. Hij woonde er maar liefst 43 jaar, tot 1927. Na zijn overlijden zette zijn echtgenote de boerderij nog tot 1935 voort. Hun zoon G. van Oostrom boerde er ook lang, van 1935 tot 1961 en na hem zijn weduwe, mevrouw Van Oostrom-Spithoven. In 1964 kwam Toon van Oostrom op de boerderij. Inmiddels was het bedrijf erg ongunstig komen te liggen. Door de toenemende verkeersdruk raakte hij ook in 1995 weer land kwijt voor de verbreding van de snelweg. Nadat hij de boerderij onlangs kon kopen en deze met steun van de gemeente Bunnik aan de buitenkant prachtig heeft laten herstellen, waarbij de eerder genoemde brandsporen uit 1672 tevoorschijn kwamen en een oude deur die was dichtgezet, heeft hij nu besloten om het bedrijf de oude bestemming, restaurant, terug te geven. En nu maar hopen dat de fransen niet opnieuw Utrecht willen veroveren….! 

Ria van Oostrom: Mijn man, Antoon van Oostrom, (1939 - 2011), heeft het met de beslissing om de familieboerderij te moeten verkopen eerst moeilijk gehad. De  boerderij ligt aan de Provinciale weg, en op den duur ongunstig door de toenemende verkeersdrukte. Wanneer de verbreding van de snelweg plaats vindt in 1995 raken we steeds meer land kwijt. We besluiten te verhuizen naar het huis ernaast. Antoon hakt dan de knoop door de boerderij te verkopen. We zien het verbouwd worden naar een prachtig restaurant. Hij heeft er dan helemaal vrede mee. We hebben samen nog een half jaar van dit restaurant kunnen genieten. Hij is 71 jaar geworden. Als ik ga wandelen loop ik altijd terug via de boerderij, nu Restaurant Vroeg. Een serveerster vroeg mij laatst, ‘Ria, vind jij het niet moeilijk? Nee hoor, zei ik, want ik geniet van de gedachte dat het toch nog een beetje van ons is, wetende dat Anton trots was op de boerderij en nu op dit restaurant `Vroeg`! 

‘Een boerderij heeft in mijn leven altijd een belangrijke rol gespeeld’  

Ik ben Ria van Oostrom van der Horst. In 1941 ben ik geboren op de boerderij in Cothen als oudste van de 10 kinderen. Ik sloeg de kleuterschool over, en tijdens het eerste schooljaar werd ik achterop de fiets naar school gebracht. Een paar jaar later gingen wij met meerdere kinderen lopend naar school. Dit was drie kwartier lopen. Uit school moesten wij als kinderen allemaal klusjes doen op de boerderij. In de zomer zag je dan ook het verschil tussen de kinderen van de boerderij en zij uit het dorp; wij waren bruin, de andere kinderen niet. Dat vonden wij wel eens moeilijk. In de winter, als de wegen glad waren, kwam mijn opa met het paard en de arreslee ons van school ophalen. Het paard had onder de hoefijzers scherpe punten voor grip op de weg en een mooi tuig om met koperen bellen. Zo kon je hem van verre aan horen komen. Mijn opa trakteerde ons dan met véél rondjes door het dorp, en hadden we als kinderen altijd plezier! Ik ben daarna naar de huishoudschool en de modevakschool in Bunnik gegaan. Mijn moeder moedigde mij aan met de woorden: ‘jij moet studeren!’ Deze naaischool van de zusters was destijds gevestigd op de eerste verdieping van een huis van de Jozef-stichting, Huize Agatha, een nonnenklooster. Het stond op de plaats van het huidige Bunninchem in Bunnik aan de Provinciale weg. Maar ik kon het helaas niet afmaken, want mijn moeder overleed toen ik 15 jaar was en in zo’n situatie kom je gewoon naar huis en zorgde je als oudste voor je broers en zussen.   

Antoon van Oostrom leerde ik kennen als broer van een vriendin. We kregen verkering. Hij was de oudste zoon en woonde op de boerderij de Prins. Ik deed ondertussen de boerinnen leergang want van een boerin wordt verwacht dat zij mee helpt op de boerderij en kwam met mijn eerste diploma thuis. Na een paar jaar trouwen Antoon en ik, ik was toen 23 jaar en kregen drie kinderen. Liesbeth, Gerard en Wim. Ik noem ze altijd onze prinsen en prinses van de Prins! 

Een meisje trouwt meest ook in de familie. In de familie trouwen betekent dat ik ook met Antoon zijn moeder en zusje onder één dak kwam te wonen. Anderhalf jaar later trouwt mijn schoonzusje. Mijn schoonmoeder heeft tot haar dood in 1975 bij ons gewoond. Vanaf ons huwelijk is de boerderij dus dubbel bewoond geweest, waarbij de kaaskamer rechts verbouwd werd tot woonkamer en keuken en er een tweede voordeur en raam kwam in de rechter zijgevel. Je ziet het nu als de plaats waar je ijs en friet kunt kopen. Op het erf van de Prins kun je de twee vee schuren uit de 19e eeuw nog zien en was er een 20e eeuwse hooiberg, die drie voorgangers heeft vervangen. De boerderij heeft dan ook jarenlang een agrarische bestemming gehad. We hadden 30 koeien, kippen, 300 schapen, en wat fruitbomen om te verzorgen. De deur van de boerderij de Prins stond altijd open; zo hebben we onze Boerenbond feesten en de Carnavals- en  Muziekvereniging Victoria in het Achterhuis op bezoek gehad.

Mijn man heeft het pand altijd als zodanig altijd willen onderhouden en opknappen. Maar de eigenaar, baron van Rijckevorsel, heeft dit tegengehouden. Wij zijn door hen een keer uitgenodigd op het ‘Slotje’ in Neerbosch bij Nijmegen, en zij zijn ook aanwezig geweest op ons huwelijk.(3)

Uiteindelijk, in 1980, kopen we de boerderij en kunnen we, met hulp van de gemeente Bunnik, de buitenkant prachtig laten herstellen. Tot onze verrassing komen we bij het bikken van de gepleisterde buitenkant van de boerderij zwartgeblakerde stenen tegen en een dichtgemetselde deur. Henk Reinders komt samen met de heer Bangma langs. 

(2) 'Dat de zwart geblakerde stenen tevoorschijn zijn gekomen bij de restauratie aan de boerderij doet vermoeden dat de Fransen ook hier hebben huisgehouden, al staat dit nergens in de archieven zo genoemd. Wel weten we dat deze boerderij daarna een aantal jaren leeg heeft gestaan. Uit de archieven blijkt o.a. wel dat niemand van de bewoners op deze boerderij van 1672 tot 1675 een belastingaanslag heeft gekregen. In 1675 komt er weer leven tevoorschijn. De erfgenamen van Dirck Kip hebben Rijsoort opnieuw opgebouwd, en in 1677 werd het Utrechtse Pesthuis eigenaar van de herberg.

Namen die voorkomen op de boerderij/herberg De Prins zijn: Dirck Kip, Gerrit Teunisz. Van Doorn, Jacob de Cruyff uit ’t Goy, Arie Van Miltenburg, Jonker van Tuyll van Serooskerke, Jan Middelweert, Wijnand de Wit. Gijsbert Jerfaas Hasselman, Cornelis de Gier, Antonie van Oostrom.'

Hoe heeft deze munt zijn weg gevonden naar de Achterdijk in Bunnik? Het was een lange weg, want de munt ziet er versleten en geoxideerd uit. In de werkplaats in Harderwijk zwaait Johan Alewijn nog net de scepter in het jaar 1635. Johan Wijntgens neemt gedurende het jaar het stokje van hem over. Wat is er gebeurd? 

De munt is een duit met een verhaal over geslagen duiten in 1635, in de tijd van de Republiek der Nederlanden. Op de ene kant staat het wapen van Gelderland en nog nèt is iets van een tekst te lezen in de rand! Wat het verhaal interessant maakt is juist deze tekst. De goede lezer leest CONCORDIA RES PAR CRES GEL (eendracht maakt macht of eendracht maakt kleine dingen groot) òf  IN DEO SPES NOSTRA? De eerste tekst maakt het verschil! 

Kees Pannekeet: Te Harderwijk werd in 1626 net als in Holland en West-Friesland een serie duiten gestart. In Holland en West-Friesland bleef het bij de jaren 1626 en 1627, maar in Gelderland liep de serie met tussenpozen door tot 1636 en mogelijk tot 1640. Het voorschrift voor deze duiten was een ordonnantie van de Staten van Gelderland van 1626. Zij moesten worden geslagen op de voet van Hollant en West Frieslant’. Volgens deze voet moesten er 116 stuks uit een mark worden geslagen wat een gewicht oplevert van ca. 2,12 gram per stuk. De verantwoordelijke muntmeesters voor deze serie waren Johan Alewijn (1606-1635) en Johan Wijntgens (1636-1653). De munt met 1635 kan door Alewijn als Wijntgens zijn geslagen en is waarschijnlijk niet te achterhalen.

Mogelijk kan de grote of kleine 5 in het jaartal een teken van onderscheid zijn. Een muntmeester wilde aantonen dat bepaalde munten wel of niet van zijn hand waren. Want klachten zijn er inderdaad geweest over de duiten. In juni 1640 kreeg men te Harderwijk het verzoek om 30 à 40 duiten ter beschikking te stellen voor onderzoek vanwege mogelijke knoeierijen met duiten door muntmeester Johan Wijntgens. De munten van 1640 werden ‘schraal’ genoemd, mogelijk ook van 1635 en 1636. 

De uitvoering van de duiten is zoals begin zeventiende eeuw gebruikelijk was in vele andere provincies en steden. Zij dragen op de ene zijde de provincienaam in het Latijn met daaronder het jaartal, het geheel omgeven door een bloemkrans. De andere zijde toont het Gelderse wapen geplaatst binnen een veelpas. Op de vroege jaren (1626 en 1628) kan dit wapen van een grote of kleine uitvoering zijn. Op de latere jaren is dit wapen steeds groot uitgevoerd. De tekst op deze zijde is IN DEO SPES NOSTRA, onze hoop is in de Heer. Deze spreuk is afkomstig uit Psalm 62:8.

Al enige tijd is bekend dat er duiten uit deze serie bestaan van het jaartal 1633 met de afwijkende tekst: CONCORDIA RES PAR CRES GEL. Tot mijn genoegen kon ik enige tijd geleden een exemplaar met de afwijkende tekst aanschaffen. Nog groter was mijn vreugde dat het hier geen exemplaar betrof van 1633, maar een met het jaar 1636. De tekst is niet meer volledig leesbaar maar duidelijk zijn de letters ...CORDIA RES ... GEL te zien. Wat is nu precies de reden geweest van deze tekstvarianten?

In 1636 was er echter een verovering die gevierd kon worden. In dat jaar was er ‘Blytschap op de veroveringe vant geweldich fort van ’s-Gravenweert’. Deze plaats is vlakbij Kleef gelegen en behoorde lange tijd tot Neder land. In die tijd werd het ‘Schenkenschans’ genoemd en tegenwoordig behoort het bij Duitsland. De schans was in 1586 door Maarten Schenk van Nydeggen aangelegd en werd gezien als de toegangspoort tot de Republiek. Op 27 juli 1635 was de schans door de Spanjaarden onder kolonel Einholts op de Republiek veroverd maar op 29 april 1636 moest zij weer worden overgegeven aan Willem van Nassau, in dienst als veldmaarschalk onder Frederik Hendrik. Mogelijk zijn er dus te Gelderland kleine oplagen ‘feestduiten’ met de tekst CONCORDIA RES PARVAE CRESCVNT (eendracht maakt macht of eendracht maakt kleine dingen groot) geslagen om overwinningen te vieren. De spreuk was door de Staten Generaal in 1579 als het devies van de Unie aangenomen. 

In deze tijd blijkt dat de Provincie ook zelfstandig eigen munten hadden geslagen met eigen teksten, zonder de toestemming van de generaal-meesters en de Staten-Generaal. Dit blijkt uit de VOC munten. Het bovenstaande kan een andere reden zijn geweest voor de Gelderse duiten met de afwijkende tekst. De mogelijke opdrachtgever kan de VOC zijn geweest met goedkeuring door de Staten van Gelderland. Om in geval van externe opdrachtgevers de kosten nauwkeurig te kunnen berekenen heeft de muntmeester mogelijk de duiten voorzien van een gewijzigde tekst. Door deze gewijzigde tekst kon hij de exemplaren onderscheiden van de andere. Dat er maar zeer weinig duiten zijn teruggevonden met de afwijkende tekst kan er op wijzen dat zij zijn uitgevoerd naar elders wat muntslag in opdracht van de VOC als optie ook zeer aannemelijk maakt.

WILLEM HERMANUS VAN ETTEKOVEN (1884 – 1947) Generatie 1

In 1910 begint Willem Hermanus Van Ettekoven de bakkerij in de Witte Huisjes, aan het Kerkpad in Bunnik. De versnelling van de maatschappij in het dorp is al zichtbaar met de opkomst van de middenstanders. In het boekje `Een Dorpsbakker` vertelt Willem jr. over 83 jaar bakkerij Van Ettekoven over deze veranderingen.

Wim Van Ettekoven: De geschiedenis van de bakkerij in de Witte Huisjes in Bunnik is begonnen in 1811, met  de eerste bakker Jan Lodder. Daarna volgden o.a. Cornelis Van Rennes, de familie Middelman en Willem Van Ettekoven. Mijn opa, Willem Hermanus Van Ettekoven, krijgt van zijn neef Dirk Gijsbertus Middelman de gelegenheid in 1910 de bakkerij over te nemen. Uit het huwelijk van Willem met Cornelia van Delft werden twee kinderen geboren: Carel Frederik (12 augustus 1912 (mijn vader) en Gerrit Cornelis (17 juni 1921).

Opa liet door de schilder van het dorp een bord maken, dat op palen in de tuin aan de kant van de Kromme Rijn geplaatst werd, met het opschrift ‘Brood-, Beschuit- en Kleingoedbakkerij’ en daaronder in kleinere letters ‘W.H. Van Ettekoven’.  Alles was nog kleinschalig. Men bakte enkel brood en voor de zondag wat luxere broodjes en beschuit.

Om in de winkel van bakker Van Ettekoven te komen, moesten de klanten vanaf de brug langs het winkeltje van kruidenier Knoppers naar beneden langs het water. In de winkel stond een houten toonbank met daarop een weegschaal en daarachter planken met heerlijke trommels met koekjes. De koekjeszakken hingen met een touwtje aan een plank boven de toonbank. Het hart van de bakkerij was de oven. Verder was er een trog, een werkbank, een simpele weegschaal met losse koperen gewichten en wat klein gereedschap, zoals wat losse stekertjes, broodbussen, bakplaten en een deegrol. In de hoek van de winkel stond een grote beschuitbus en aan de muur hing een bord met de volgende tekst:

>De tarwe, het edel graan,

>Dat op den akker groeit,

>Door ’s landmans vlijt gezaaid,

>Door ’s hemels dauw besproeid

>Bak ik het brood

>Beschuit en krakeling

>Voor burger en voor boer

>En ook voor vreemdeling.

Er kwamen maar weinig klanten in de winkel. Bijna al het brood werd bij de mensen aan huis bezorgd. Als de winkelbel ging deed Cornelia Van Ettekoven van Delft, mijn omoe, zoals ze door ons kleinkinderen altijd werd genoemd, haar  werkschort af en een nette schort voor. Zij was een goede maar wat rusteloze vrouw, erg netjes en altijd aan het poetsen en boenen in huis. Omoe kon niet stilzitten, zij liep altijd op een sukkeldrafje van de keuken naar de schuur om een emmer te halen en dan nog een keer heen en weer voor een bezem. Ze heeft heel wat emmertjes water uit de Kromme Rijn geschept. Het verhaal gaat dat zij eens zo gehaast bezig was de stoep te schrobben dat ze, toen ze naar de Kromme Rijn snelde voor een emmertje water, niet meer kon stoppen en pardoes in het water plonsde.

In de tijd dat opa in de Witte Huisjes een bakkerij begon, bakte hij niet alleen het brood voor de verkoop, hij stookte ook de oven voor mensen. Vooral voor de boeren uit de omgeving die het brood thuis maakten en het bij de bakker lieten afbakken voor een bakloon per brood. Veel agrariërs kochten of verbouwden zelf graan dat zij thuis bewaarden. In de vochtige huizen van toen bleef het ongemalen graan beter houdbaar. Men liet dan het graan in kleine porties malen of ruilde met de molenaar graan tegen meel. Bij hen thuis werd een kweek van zuurdesem gecultiveerd waarmee men het brood liet rijzen. Het kneden van het deeg en het laten rijzen gebeurde thuis en de kinderen brachten voor schooltijd het kant en klare deeg in een bakvorm bij mijn opa. Allengs raakte het thuisbakken van brood in onbruik en kochten de mensen steeds vaker brood van de bakker. Vermoedelijk is ook het gebruik van verse bakkersgist, dat de bakker gebruikte en waardoor zijn brood luchtiger was, hierop van invloed geweest.

Willem Van Ettekoven stond bekend als een kwaliteitsbakker. Bij Van Ettekoven kwam geen margarine in huis maar werd uitsluitend met roomboter gebakken. Oom Kees weet nog dat hij als kind eens van een Blue Bandkistje een karretje had gemaakt met wieltjes eronder. Opa wilde het karretje met de margarinereclame echter niet op het erf hebben, want dan zouden de mensen kunnen denken dat de koekjes van bakker Van Ettekoven met margarine werden gebakken.

>De handel zat opa in het bloed

Omdat de Witte Huisjes achter de kerk oorspronkelijk een kleine boerderij was geweest, was rondom het huis een ruim erf waar opa kippen  en varkens hield. Het oude brood en bakkerijafval diende om de varkens vet te mesten. Als ze goed in het vet zaten, werd er één geslacht voor eigen gebruik en de andere werd verkocht om van dat geld weer jonge biggen te kunne kopen. De handel zat opa in het bloed. Achter de Witte Huisjes was een hooiberg, waar onder het dak takkenbossen werden opgeslagen. Opa pachtte jaarlijks een stuk griend bij de Niënhof en in Oostbroek en omgeving. Muin van Soest, bijgenaamd ‘dove Muin’, ging de griend in om het hout te kappen. Het werd gesorteerd in lange stukken voor bonenstaken en de twijgjes werden tot takkenbossen gebonden. Verder diende de echte grote stukken tot stuthout voor appel- en perenbomen. Er werden ook wel eens een paar zogenaamde laarzenknechten van gemaakt. Op het erf stonden al die spullen opgeslagen met een bordje erbij ‘te koop’.

Het brood werd uitgevent in het dorp en de wijde omgeving. Voor de klanten die ver weg woonden koste het bezorgen veel tijd.

Eén van de eerste knechten bij opa was Toon Kramer. Een jongen met een blozend gezicht die altijd geneigd was kattenkwaad uit te halen. Toon kon de zaak versieren. Melkboer De Hartog kwam iedere morgen in de bakkerij melk brengen. Op een keer hadden ze bij opa een varken geslacht en Toon vroeg om het staartje. Opa bromde nog wel ‘wat moet je ermee’, maar toen hij Toons plannetje hoorde, speelde hij het spelletje mee. De volgende dag kwam De Hartog die, zoals gewoonlijk, even bleef praten. Opa pruimde en vroeg hem of hij ook een pruimpje tabak wilde. Dat was voor Toon het goede moment om bij De Hartog het staartje met een wasknijper van achter aan zijn jas te knippen. De Hartog ging daarna naar het huis van de dominee, de buren van opa. Huishoudster Trui opende de deur en gaf haar bestelling op. Toen De Hartog zich omdraaide begon ze te gillen van de lach. De Hartog was zo kwaad dat Toon nooit meer naar de melkboer durfde te komen om brood te brengen. 

Een huisvriend van mijn grootouders was dominee Knier. Van 1938 tot 1948 was hij predikant in Bunnik en woonde in de hervormde pastorie naast de Witte huisjes. Vaak was dominee op vrijdagavond druk met het maken van zijn preek voor de komende zondag. Als hij dan wat vertier nodig had, liep hij bij opa de bakkerij binnen voor een praatje. Ukkie, de broer van dominee Knier, kwam ook vaak even binnen, niet allen om te praten maar ook omdat hij het leuk vond een handje mee te helpen. Opa woonde pal naast de kerk maar kwam iedere zondag als laatste binnen. Hij zat altijd op de achterste bank, een bank met gordijntjes. Hij had de gewoonte iedere zondag op te schrijven uit welk bijbel gedeelte dominee las, met de datum erbij. Na de dienst kwam dominee vaak koffiedrinken en wat napraten over de preek. Opa kon hem dan precies vertellen wanneer hij jaren terug, over dezelfde tekst had gepreekt!

In 1935 liet mijn opa, samen met kapper Van Dam (de vader van Jan Van Dam) en elektrohandelaar Van Rheenen, vier panden onder één kap bouwen aan de Dorpsstraat. Het werd het tweede verkooppunt van bakkerij Van Ettekoven en er was voor ons gezin ruimte genoeg om er te wonen.

De tijd na de oorlog was voor mijn opa en oma een moeilijke tijd. Nederland zat in de jaren na de oorlog met het vraagstuk van de onafhankelijkheid van Indonesië. Alle onderofficieren van voor de oorlog, de tijd van de mobilisatie, werden opgeroepen om naar Indië te gaan. Als sergeant kreeg ook hun zoon Carel een oproep. Hij is nog naar Den Haag geweest om uitstel te krijgen, maar zijn aanvraag werd afgewezen en zou over veertien dagen moeten vertrekken. Dit bericht kwam voor opa als een zware slag. Ze werkten prettig samen in de bakkerij, met het gevaar dat hij hem misschien nooit meer zou zien. Opa kreeg op weg van de winkel in de Dorpsstraat naar de bakkerij bij het hek van de pastorie een beroerte. Na negen dagen in coma te hebben gelegen is opa, Willem Hermanus Van Ettekoven, op 23 april 1947 overleden. Hij is 63 jaar geworden. Carel was vanaf die dag vrij van militaire dienstplicht en hoefde niet naar Indië. Na het overlijden van opa kwam omoe bij hun zoon Carel aan de Dorpsstraat in huis wonen. Zij heeft nog tien jaar geleefd en is overleden op 1 oktober 1958.

CAREL F. VAN ETTEKOVEN (1912 - 1976) Generatie 2

Carel Van Ettekoven, die in 1933 was getrouwd met Maria De Geest, was een man van zijn tijd. Met zijn vooruitziende blik wist hij zich prima aan te passen aan de nieuwe tijd van de versnelling en schaalvergroting van het dorp Bunnik. 

Wim Van Ettekoven: Begin 20e eeuw woonden de Bunnikers nog verspreid op boerderijen en minder in de kom, het dorp. Het hield voor mijn vader Carel en zijn broer Gerrit in dat zij na schooltijd moesten meehelpen in de bakkerij, vooral bij de bezorging van brood werden zij ingeschakeld. Het brood werd uitgevent in Bunnik en in wijde omgeving. Dit kostte veel tijd. Voor al deze klanten die ver weg woonden gebruikten ze een transportfiets met een mand voorop en voor de klanten in Bunnik een duwkar. Aan het stuur hingen tassen waarin rollen beschuit en koekjes. Deze zouden anders tussen het brood in de mand beschadigen. Het was een hele zorg om alles goed bij de klanten te krijgen, vooral bij regen en wind moest je ware kunstgrepen toepassen en alles toedekken om het brood en je spullen droog te kunnen afleveren. En dan te bedenken dat in die tijd een heel brood 19 cent kostte. Mijn oom Kees, opa’s jongste zoon, weet zich nog te herinneren dat er klanten waren die iedere dag een halfje brood kochten. Zij betaalden de ene dag tien cent, en de volgende dag negen. De mensen letten toen ook al flink op de kleintjes. Hij weet nog van een klant die met een verjaardag altijd een beste bestelling deed, maar er werd wel bij gezegd: ‘bakker, de koekjes niet te groot en de gebakjes niet te klein.’ Koekjes werden per gewicht verkocht en gebakjes per stuk, vandaar. De aanschaf van een bakfiets was al een hele verbetering. Bruin- en witbrood konden netjes gesorteerd in de grote bak worden gezet met nog een laag brood er dwars bovenop en voor bij-artikelen was een aparte ruimte.

Met behulp van enkele cursussen had vader zich verder in het bakkersvak bekwaamd. Voor het echte contact met vakgenoten sloot hij zich aan bij de Zeister Bakkersvereniging. Deze stond onder leiding van bakker Van Ingen. Van Ingen was geen gewone maar een herenbakker, een man met gezag. Als er vanuit de Zeister Bakkersvereniging vakcursussen georganiseerd werden, zocht men een grote en goed ingerichte bakkerij uit. Mijn vader heeft zijn aanvullende cursussen gevolgd bij bakkerij Dorresteijn aan de Hogeweg. 

In 1947 nam mijn vader definitief de bakkerij over. Een jaar na opa’s dood liet hij een bakkerij achter de winkel in de Dorpsstraat 44 bouwen. Daarvoor moest geld worden geleend en vader dacht dit even bij de BOAZ- bank te doen. Dat viel echter tegen. In deze tijd hadden de agrariërs het nog voor het zeggen; in de gemeenteraad in Bunnik als ook in het bestuur van de BOAZ-bank. Dit zou in de vijftiger jaren veranderen. Nu kwamen zij nog persoonlijk in de Dorpsstraat kijken of de aanvraag wel verantwoord was. Kennelijk vonden zij van niet want ze wezen de lening af. Later heeft de directeur, de heer Gijs Van Wijgerden, waar vader min of meer mee bevriend was, de aanvraag er toch doorgekregen. Mijn vader genoot van het bouwproces. Zodra hij maar kon ging hij na zijn werk meteen door met het regelen. De bakkerij werd ingericht met een BAKO heet-wateroven met twee bakruimten, een moderne investering voor die tijd, en verder kwam er een nieuwe deegmachine en een klutsmachine. De oven werd gestookt met briketten. 

We kregen het steeds drukker in de bakkerij. Na de tweede wereldoorlog kwam de bevolkingsgroei in een versnelling. Er was een babyboom, maar ook woningnood, met als gevolg dat de nieuwbouw in het dorp op gang kwam. Bunnik werd al gauw een ‘slaapdorp’ genoemd. Maar voor de bakker was het goed. Er waren in 1947 in Bunnik 6 bakkers. Bij ons werd de BAKO oven ingeruild voor een LIVAKO oven waar in één keer 156 broden in werden gebakken. 

Vader was een echte broodbakker met als specialiteit: gevlochten broodjes in allerlei variaties. Hij was aangesloten bij de Nederlandse bakkersbond en ieder jaar ging hij naar de landelijke bijeenkomst ervan. In 1958 werd die gehouden in Arnhem. Als thema stond centraal de ‘parallellisatie’. De tijd dat de mensen alleen groenten bij de groenteman, vlees bij de slager en brood bij de bakker konden kopen, was immers voorbij. Met één diploma mochten wederverkopers brood, vlees, groenten en allerlei andere levensmiddelen verkopen. De opkomst van de supermarkt was daar. Het aantal verkooppunten waar men brood kon kopen breidde zich uit. Het was moeilijk personeel nog te krijgen. Overal staken de bakkers de koppen bij elkaar en ging men over op wijksanering. 

Zo niet in Bunnik. Mijn vader was een vooruitstrevend man. Hij voorzag dat aan het bezorgen van brood een keer een einde zou komen en dat de winkelverkoop belangrijk zou worden. Zeker voor een bakkerswinkel als de onze, die op zo’n centraal punt in het dorp gevestigd was. Daarom liet mijn vader in 1961 de winkel met het magazijn groots verbouwen en moderniseren. Het feit dat de winkel veel drukker zou worden, bracht met zich mee dat ook de verantwoordelijkheid van de bakkersvrouw zou groeien. Het werk in de winkel, het contact en meeleven met mensen was voor mijn moeder haar lust en haar leven. Mijn moeder was ook een prima zakenvrouw. Tot op hoge leeftijd heeft zij bij ons in de winkel gestaan en nadat zij niet meer in de winkel werkte, maakte ze nog graag de kas op en telde het geld. 

In 1962 staken in Bunnik enkele bakkers, waaronder ook mijn vader, de koppen bij elkaar, voor de oprichting van een inkoopvereniging voor bakkers, waarbij de initiatiefnemers in de avonduren op pad gingen om bakkers voor te lichten over de voordelen van gezamenlijk inkopen. Het werd een groot succes; op 10 januari 1962 werd de coöperatieve inkoopvereniging `Het Backershuys` opgericht. Dit initiatief is uitgegroeid tot een organisatie die ongeveer 800 leden telt. Vanuit de organisatie is ook het C.A.D., De Centrale Accountantsdienst ontstaan. Vele aangesloten bakkers laten hun bedrijfsadministratie verzorgen door medewerkers van het C.A.D. Ik ben er trots op dat mijn vader tot één van de oprichters van het Backershuys gerekend mag worden en tien jaar lid is geweest van de Raad van Toezicht. Mijn vader was een vooruitstrevend man. 

Zijn zaak werd in 1966 omgezet van een éénmanszaak in een VOF, een vennootschap onder firma. De boekhouding deed hij altijd zelf. Toen hij zich al niet meer zo goed voelde vond mijn moeder dat hij de kinderen meer bij de zaak moest betrekken. Hij had al vroeg last van zijn benen. Om zich toch nog een beetje nuttig te voelen bezorgde hij ’s middags met de auto nog een wijkje buitenaf. We hoorden dat vader in de auto bleef zitten en op de claxon drukte zodat de mensen naar de auto kwamen. Soms bleef hij lang bij de mensen praten, omdat dat nog een verzetje voor hem was. Hij overleed in 1976 op 64 jarige leeftijd. Hoogtepunten in zijn bakkersleven waren de verbouwing van de winkel in 1961 en samen met moeder uitgaan met de bakkersvereniging van Zeist. 

WILLEM H. VAN ETTEKOVEN 3e generatie

Bij het sluiten van de zaak in 1993 kijkt Wim Van Ettekoven terug en begint een boekje te schrijven over 83 jaar bakkerij Van Ettekoven. ‘Een Dorpsbakker’, met op de voorkaft de drie broodjes dat symbool staat voor de 3 generaties Van Ettekoven.

Wim Van Ettekoven: Het was vanzelfsprekend dat ik de bakkerszaak zou voortzetten nadat mijn vader was overleden. Ik was tenslotte mijn hele leven betrokken geweest bij de bakkerij.

Als kleine jongen mocht ik al bij opa iedere zaterdagmiddag het erf bij de bakkerij aanvegen en kreeg dan een vierkante stuiver. Tijdens de hongerwinter was ik een jochie van 11 jaar. We woonden bij de winkel aan de Dorpsstraat. Ik zat vaak bij slager van Wijk, onze buurman, en keek naar het slachten van het vee. In de oorlogsjaren werkten slagers samen. Bij slager Van Wijk kookten ze in een grote wasketel met een houtvuur eronder grote hoeveelheden soep. Iedere vrijdagmorgen vond die soep veel aftrek. Iedereen kon het kopen, maar de mensen moesten wel zelf een pan meenemen. Ik zie het nog voor me; steeds werden er vijf mensen tegelijk achterom binnengelaten. De slager zelf stond bij de deur om af te rekenen en vulde vanuit de grote ketel de pannetjes van de mensen, het aantal scheppen naargelang de grootte van het huishouden. Onder de ketel moest worden gestookt en tegelijkertijd moest er in de soep worden geroerd. Dat mocht ik doen. 

We hadden een gezellig gezin. Ruud, Riet en ik zijn allemaal naar de school gegaan in de Maatschapslaan, de Victoriaschool. Toen ik naar de eerste klas ging,  had mijn moeder geen tijd om mij weg te brengen, maar gelukkig kwam iedere morgen Greet Scherpenzeel langs om mij mee te nemen. Als ik uit school kwam stonden de tassen met brood al klaar in de gang om door mij en later ook door Ruud en Riet te worden weggebracht naar de klanten. Zo leerden we al vroeg de handen uit de mouwen te steken. Hetzelfde geldt voor de tijd dat ik op de MULO in Utrecht was. Op zaterdagmorgen stond ik vroeg op om mee te helpen in de bakkerij, waarna ik in vliegende vaart naar Utrecht, naar school fietste om als laatste de klas binnen te komen. De conciërge, de heer De Ru, verzuchtte: ‘Bunnik is binnen, nu kan de deur op slot. 

Na de lagere school, mijn MULO diploma en het middenstandsdiploma, ben ik aan de vakgerichte opleidingen begonnen. Het banketbakkersdiploma derde en tweede bediende, het patroonsdiploma brood en banket, en daarna gespecialiseerde cursussen voor marsepein, chocoladewerk, koude schotels, puddingen enzovoort. 

Toen ik al mijn diploma’s had moest ik in militaire dienst. Ik werd hier kok/menagemeester. Ik kreeg al gauw op aanvraag officieel zakenverlof voor de vrijdag, omdat er in die tijd geen hulp voor de bakkerij te krijgen was. Ruud, mijn broer, is na zijn schooltijd op kantoor gekomen bij Van Straten en Boon. We konden altijd een beroep op hem doen, vooral rond de feestdagen. Hij was overal inzetbaar, zowel in de bakkerij als in de winkel. Riet is na haar middelbare school thuis gekomen en heeft dertig jaar meegewerkt in ons bedrijf. Omdat zij meestal in de winkel hielp, kende zij bijna alle klanten waarvan vooral de kinderen haar voorkeur had. Ze kende hun namen, wist wanneer ze jarig waren en hoe oud ze werden. Naast het winkelwerk bracht zij vaak bestellingen weg en als het nodig was bezorgde ze ook het brood. Met de auto vond ze altijd leuker dan met de bakfiets. Autorijden is nog steeds een hobby van haar. 

Na mijn diensttijd ben ik bij mijn vader in de bakkerij gekomen. Hij was blij met mijn hulp, want als gevolg van de uitbreiding van het dorp, groeide ook de klantenkring. Ons werk bestond uit broodbakken, luxe brood en gebak maken en het bezorgen van het brood bij de klanten. 

Wij bakkers kwamen praktisch alle dagen bij dezelfde mensen. Ik kwam veel bij de mensen achterom de keuken of bijkeuken binnen. Aan de keukentafel werd meer verteld aan de bakker dan aan de dominee of pastoor. Van sommige klanten had ik de huissleutel en keek ik zelf in de broodtrommel om te zien wat men nodig had. Had ik weinig brood, dan legde ik ook weinig neer. Op andere dagen kreeg ik te horen: ‘bakker had zeker veel brood gisteren.’ In het dorp had je ook mensen die we tegenwoordig de sociaal zwakkeren noemen. Zij konden niet met geld omgaan en moesten dus worden geholpen. Zuster Spinhoven, de wijkverpleegster van het Groene Kruis heeft veel gedaan voor deze mensen. Ik kreeg van haar bijvoorbeeld de opdracht om bij een gezin iedere dag anderhalf brood neer te leggen. Eens per week rekende zuster Spinhoven dan met mij af. Ook is het me overkomen dat ik brood kwam brengen bij twee oude mensen die zo ziek waren dat de één niet meer uit de bedstee kon komen en de andere niet meer in staat was van de divan op te staan. Ik heb toen vlug zuster Orelia van het Wit-Gele Kruis gewaarschuwd, die er naartoe is gegaan. Met het verdwijnen van het bezorgen van brood en melk is deze vorm van sociale controle ook verdwenen. 

We hadden week-, maand-, maar ook pofklanten. Wat betalingsgewoonten betreft is er met de komst van de supermarkt veel veranderd: als een klant te weinig geld bij zich heeft, moet hij nu een paar boodschappen terugleggen. Wij maakten bij het bezorgen nog briefjes van maandag tot en met vrijdag voor de hoeveelheid brood en koekjes die de klant ontvangen had. We telden op vrijdagavond de bedragen op de briefjes op, zodat we alleen de aankopen van zaterdag erbij hoefde te tellen. Als het regende vlekten die briefjes erg en was het afrekenen een ellendig gedoe. 

Na de oorlog waren er zes bakkers in Bunnik gevestigd; Van der Belt, Maasdijk, Schriekenberg, Kortleve, Van Dijk en Van Ettekoven en met elkaar zijn we gekomen tot een vakantieregeling. Jaarlijks kwamen we ruim voor de zomer bij elkaar en spraken we af wie welke weken zou sluiten. We zorgden ervoor dat in het dorp iedereen in de gelegenheid was om niet ver van huis, brood te kunnen halen. 

Het bezorgen van brood kostte veel tijd en energie, vooral ook omdat veel klanten ver weg woonden.  In 1970 hebben wij onze klanten moeten melden dat wij helaas met het bezorgen van brood moesten stoppen. De tijd was er kennelijk rijp voor. De bakker, de groenteboer en later ook de melkboer verdwenen uit het straatbeeld. Aan de klanten werd een folder uitgereikt; ‘Tot onze spijt moeten wij u berichten dat, in verband met het vertrek van een onzer medewerkers, het ons onmogelijk is uw dagelijks brood bij u aan huis te bezorgen, dit gezien de moeilijkheden die alom heersen met het personeelsvraagstuk. 

40 dienstjaren bij 3 generaties Van Ettekoven

Op 29 april 1980 was de heer H.F. Bouter 40 jaar bij ons als bakker in dienst. Ik ben naar het gemeentehuis gegaan om een koninklijke onderscheiding aan te vragen, maar het bleek dat ik te laat was met het indienen van dat verzoek. Op dat moment hadden wij in Bunnik een wethouder als loco-burgermeester, de heer Muis. Deze heeft zich erg ingezet om de papieren toch nog op tijd rond te krijgen. Daags voor de uitreiking kreeg Bunnik een nieuwe burgemeester, de heer Steegman. Het uitreiken van de ridderorde aan de heer Bouter zou zijn eerste officiële daad worden. Een volkomen verraste heer Bouter ontving van hem de eremedaille verbonden aan de Orde Van Oranje Nassau in ’t Zilver. 

Op 1 juli 1988 ben ik een compagnonschap aangegaan met de familie Laseur. We hebben vijf en een half jaar op prettige wijze samengewerkt en nu is de tijd gekomen om de zaak aan hen over te doen. Ik heb altijd gezegd dat ik na mijn zestigste verjaardag wilde stoppen.

We hebben altijd aardige medewerkers in de bakkerij gehad, zoals Wim Meiske, Peter Vermeulen, die nu een eigen bakkerij heeft in Zeist, de heer Westerhout heeft ongeveer tien jaar bij ons gewerkt nadat hij was gestopt met zijn eigen bedrijf, Pieter Roskam begon bij ons in de bakkerij en is later proefbakker geworden bij Meelfabriek MENEBA, een goede baan, Arie Vuurens, onze banketbakker, Hans Van Scherpenzeel is na het behalen van zijn MBO-diploma in Wageningen chef geworden bij bakkerij Do Schat, Erik Verboom is na enige jaren bij zijn vader in de zaak gekomen, Martin Schaap werkt al vanaf 1985 bij ons, terzijde gestaan door Michael Van Eyk, onze banketbakker. Ook wil ik nog Geertrui Seldenrijk nog noemen, omdat zij Riet ruim 20 jaar terzijde heeft gestaan.