Deel:


De geschiedenis van het eigen dorp, best de moeite waard! De Dorpscanon Bunnik heeft als doel de boeiende geschiedenis van het dorp Bunnik en omstreken te verzamelen en voor iedereen toegankelijk te maken. Dat doen we door het opsporen en rubriceren van al vastgelegde verhalen in allerlei publicaties en van beeldmateriaal (foto’s, ansichtkaarten en films). Ook de herinneringen en verhalen van (oud-)dorpsgenoten zelf worden vastleggen. Daarmee willen we voorkomen dat door overlijden van de oudere generatie waardevolle informatie verloren gaat. Bert Doeser geeft de straten in en nabij het dorp Bunnik kleur van bewoners in de periode vóór 1964. [Video 'Verhalen Oud Bunnik', Jos van Kouwen n.a.v. Monumentendag 2017] De ontstaansgeschiedenis van Bunnik begint bij een middeleeuwse nederzetting Bunninchem op de oeverwal van de Kromme Rijn. Hoe is het dorp Bunnik gegroeid naar een moderne, volgroeide woonplaats?  De plaats Bunnik is geen boerendorp meer. Het heeft zich na de tweede Wereldoorlog door een aantrekkelijke centrale ligging steeds meer ontwikkeld tot een aantrekkelijke woonplaats voor degenen die buiten de landbouw hun bestaan vinden. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is er een spectaculaire uitbreiding van niet-agrarische bedrijvigheid. Daarnaast ligt Bunnik in een historisch geografisch interessant gebied, waar zich een tuin heeft ontwikkelt, nabij de stad Utrecht, met landerijen en landgoederen. Een parklandschap aan de oevers van de Kromme Rijn waar het goed toeven is.


Boerderij Rijn en Dijk te Bunnik (Schoudermantel 13)

Bij het landgoed Bloemerwaard heeft een boerderij gestaan, boerderij Rijn en Dijk. Zoals vele boerderijen in deze streek heeft ook deze boerderij een turbulente tijd meegemaakt van verwoesting o.a. door de Fransen (1672), herbouw (1681 en 1840), en inlevering van land, totdat omstreeks de jaren 60 van de vorige eeuw de sloop erop volgde.

De jaren 60

Het was één en van de grootste boerderijen in Bunnik. Nu was het zo dat mijn vader in de 60er jaren hielp met het plukken van appels in de boomgaard achter de huidige boerderij van Van der Willigen. Ik was daar ook, enkele malen in 1963 en 1964. Ik weet niet of mijn vader eigenlijk wist dat hij op het land stond van zijn voorvaders. De boerderij Rijn en Dijk heeft namelijk vele generaties Vulto gekend. 

De familie Vulto 

De familienaam Vulto was recentelijk nog deel van het Bunnikse leven. Toen mijn moeder overleed in 2000 was zij de laatste met de naam Vulto in Bunnik. Mijn vader, Bep Vulto, kwam uit een gezin van zeven kinderen. Ze woonden op het landgoed Groenendael in Jutphaas, in een grote boerderij van hun vader, W.A. Vulto. 

W. A. Vulto was o.a. wethouder en loco-burgemeester van Jutphaas tot 1932. Naar hem is de W. A.Vulto-straat in Utrecht vernoemd. Het is hier dat we de genealogische lijn van de Vulto familie en haar relatie met de locatie Bunnik beginnen.

Mijn grootvader, W.A. Vulto, was kind uit het huwelijk van Huybertus Vulto en Geertruida van Zijl nadat deze waren getrouwd in Bunnik op 18 april 1881. Ze woonden in Jutphaas. Huybertus Vulto was geboren uit het huwelijk van Willem Vulto (geboren in 1797 te Bunnik en overleden in 1868) en Cornelia Uyterwaal. 

Vulto en boerderij Rijn en Dijk

Willem Vulto was zoon uit het huwelijk van Gerardus “Gerrit” Vulto (1751 -1832) en Cornelia van Bentum. Gerrit was landbouwer en het is hier dat we over boerderij Rijn en Dijk horen in de officiële boeken. Die boerderij was deel van het landgoed dat hoorde bij huize Bloemerwaard. Het land van de boerderij strekte zich uit over de gehele lengte van de huidige Schoudermantel in de richting van de huidige A12 en zelfs tot waar nu het land van Van der Willigen ligt. Waar nu de spoorlijn Utrecht-Arnhem ligt strekte het land zich daar ook verder uit tot waar nu woningen staan (Dr. Brevee-straat en Kerkstraat). Pas later werd er een treinlijn aangelegd (eind 19e eeuw) en weer later de Rijksweg tussen Utrecht en Arnhem, waardoor boerderij Rijn en Dijk keer op keer land verloor aan deze nieuwe projecten.

(Zie ook het artikel op deze website over “Bloemerwaard”)

Om nu nog verder terug te gaan in de tijd, Gerrit Vulto was de zoon van Franciscus Vulto (1706 – 1765). Diens vader (van Franciscus Vulto, dus) was Gerardus “Gerrit” Jansz Vulto. Gerrit was geboren in Bunnik in 1670. Hij was landbouwer aldaar maar ook herbergier en schepen. Hij was gehuwd met Wilhelmina van Bemmel en we kunnen met zekerheid aannemen dat zij ook woonachtig waren op boerderij Rijn en Dijk, deel van het landgoed Bloemerwaard. Gerrit had een broer, Jan Vulto en een zus, Stephania Vulto. Hij overleed in 1722 in Odijk. Gerrit had vijf kinderen: naast Franciscus ook Lysbet, Cornelis, Wilhelmina en Gerardus.

Het is op dit moment in de tijd dat de boeken melding beginnen te maken van niet alleen de naam Vulto maar ook Fulto en Vultouw. Dit zijn allemaal versies van dezelfde familie. Mijn persoonlijke uitleg hiervan – ik ben geen historicus of gerenomeerd genealoog – is dat of de klerk die alles neerschreef de naam Vulto fonetisch overnam (hij hoorde “Fulto” hoewel het woord eigenlijk “Vulto” was) of de naam Vulto komt oorspronkelijk van “Vultouw” of “Vultoux”. Deze laatste twee versies komen in de periode 1500 – 1600 ook voor, naast het gebruikelijke Vulto. Ik heb geen verdere studie gemaakt over de oorsprong van die namen aangezien het internet geen verdere informatie bood hierover. Hier ligt een uitdaging voor een ander om erachter te komen waar de naam Vulto in feite vandaan komt.

Maar terug naar Gerrit Vulto, hij was de zoon van Jan Meerten Augustyn Vulto (Fulto – Vultoux – Vultouw). Welnu deze Jan Vulto, ook Johan genoemd, was woonachtig in Everdingen sinds zijn geboorte daar in 1645. Hij was een chirurgijn en was gehuwd met Elisabeth “Lijsbeth” van Rossum. Later was hij ook chirurgijn in Zuilen, bij Utrecht. Hij overleed in 1696. Jan Vulto had als vader Augustijn Jan Vultoux/Vultouw/Vulton, geboren in 1590 in Everdingen. Zijn moeder was Elschen Jansdr. 

En het is hier dat de lijn voor dit moment stopt bij gebrek aan verdere gegevens.

Verspreiding van de naam Vulto: 

Op de website www.genealogieonline.nl kan men statistische gegevens vinden over de verspreiding van Vulto personen in het centrale deel van Nederland, over de periode van 1600 tot heden:

Bunnik           262                              

Haarzuilens   165                               

Schalkwijk      78                                

Snelrewaard   64

Vleuten           52

Utrecht            44

Jutphaas         38

Ad Vulto

JEAN DE GREEFF (1939) 

Jean: ‘Ik ben Jean de Greeff, geboren op 17 oktober 1939 in het voormalige koetshuis op het landgoed De Niënhoff. Mijn werkzaamheden waren begonnen als jachtopziener op het landgoed. In 1974 ben ik benoemd als boswachter van Het Utrechts Landgoed en in 1997 zijn mijn werkzaamheden bij Het Landschap beeindigd. Onze familie is verweven met het landgoed De Niënhoff. Er zijn vier generaties aan jachtopziener/boswachters geweest voor het landgoed. Een meanderende Kromme Rijn kent bochten die uiteindelijk worden afgesneden om weer door te gaan. Over die culturele omslag, van een landgoed De Niënhoff, met zijn bedrijvigheid, naar de Nienhof als bospark, zoals mijn familie deze heeft meegemaakt, wil ik graag vertellen. In mijn grootvader en vader zijn tijd was het in dienst zijn van een baron; houden aan de regels èn was er tevens een gezellige afstand.’ 

Getuigenissen

Aan de keukentafel wijst Jean de Greeff op de kleine getuigenissen; een paar aquarel tekeningen van de jager en de jacht, meegestuurd met kerstkaarten van de familie, uitnodigingen van huwelijken, waar de familie De Greeff beslist niet mocht ontbreken. Een gele stiftpen uit de Verenigde Staten. Ik heb deze gekocht op de reis, die wij aangeboden kregen door de heer M. Van Marwijk Kooy. Een kleinzoon van Coenradina de Pesters is hier ook nog eens geweest. ‘Hij en ik zijn naar de rode beuk gelopen, die door zijn moeder Wendela Elvira De Hooft Graafland is geplant. Een rode beuk staat altijd op een zichtbare en bijzondere plaats, dichtbij het grote landhuis waar zijn moeder is opgegroeid. Hiervoor moesten wij wel eerst door de natuur struinen; door een met klimop overwoekerd struikgewas, en langs omgevallen bomen. Klimop en geknakte bomen als getuigenissen van het feit dat die continuïteit inderdaad was afgebroken. De symboliek voor de familie Van Hardenbroek De Pesters van klimop en de gebroken zuil hadden niet realistischer kunnen worden uitgebeeld. 

Een zichtbaar landgoed

Jean: Ik ben geboren in het oude landhuis aan de Groote Laan. Vanuit mijn slaapkamerraam op de zolder keek ik uit op de Kromme Rijn, op weilanden. Nu zijn het de vijf eilanden aan de Kromme Rijn, bestempeld als de Utrechtse Amazone, een jungle van overhangende takken met veel dood hout. Het water op De Niënhoff, als het parkbos is nu op deze manier met de eilanden zichtbaar en beleefbaar gemaakt. De Niënhoff, samen met Oostbroek, is door de provincie aangewezen als Aardkundig monument met oude rivierlopen die nog herkenbaar zijn in het landschap. Zeker, dit gebied rond De Niënhoff, met een nog jonge bodem, is door die oude Rijn armen, moerasachtig geweest. Het kon zijn dat je ’s winters met de enkels in het water stond.  

De sprengen

Ik heb al die beekjes nog gekend! Zoals het in Zwitserland is, zo waren de bronnen hier ook. Water liep op een natuurlijke manier van de Heuvelrug naar de rivier, naar de Kromme Rijn. Op het gebied tussen Amerongen, Leersum, Driebergen, Zeist waren bronnen, sprengen zoals ze het hier noemden. In de Kromme Rijn was het water zo helder dat je de zeelt vissen nog kon zien paren in het haventje achter de Niënhoff. Maar halverwege de 20e eeuw heeft volgens mij het Waterschap fouten gemaakt bij de regulering van het water van de Heuvelrug naar de Kromme Rijn. 

Pompstations 

Pompstations werden vanaf de zestiger jaren in dit gebied neergezet. Toen er een pomp kwam bij Beerschoten heb ik, samen met Van Marwijk Kooy, eigenaar van het landgoed Vollenhoven, hier nog tegen geprotesteerd, want het was volgens ons een onttrekking van het water op verkeerde punten. We waren bang dat al het water uit de Heuvelrug meteen in dorpen en steden aan de voet van de Heuvelrug zou verdwijnen, en bij De Lage Grond, de grond bij De Niënhoff, zou gaan verdrogen. En dat is ook zo gebeurd. We dachten dat het beter was om het water op een natuurlijke manier naar beneden te laten lopen naar de rivieren toe. Als je de pompen had neergezet bij de rivieren dan zou je het kwelwater, het zuivere water, hebben behouden voor het hele gebied. Een drassige grond met een natuurlijke groei van het hakhout is hèt karakter van dit gebied. 

‘Ik stond al hout te kloven toen ik zes was!’

Het leven in mijn jeugdperiode was eenvoudig, in de zin van dat er weinig werd gekocht, op wat suiker na. Melk haalden we bij de boer. De buurvrouw maakte zelf boter en kaas. De meeste producten hadden we zelf; peren, pruimen en de omliggende boeren hadden appels. We slachtten haasjes, eenden, fazanten en patrijzen. Het was ook een wat harder leven, heel anders dan nu. Je was als kind al veel meer gewend. Je zag dat een koe doodging of hoe een varken geslacht werd. Alleen op zaterdagmiddag was je vrij van school. Ik ging naar de Barbaraschool. Op zondag moesten we naar de kerk, we waren katholiek. Dan ging mijn vader ook mee. Hij zat afzonderlijk van moeder, want mannen en vrouwen mochten niet bij elkaar zitten. Als we uit school kwamen kregen we allerlei taken: aardappels schillen, houthakken, in de groentetuin werken, het kippenhok schoonmaken. 

‘Stropers, het ging er vaak heftig aan toe!’

In de herfsttijd en winter was mijn vader ’s nachts op pad in het veld in verband met de wildstropers. Hij had een politiehond, hiermee ging hij achter de stropers aan. Tot in de jaren 60 was het hier zeer stil en donker. Als er lichten verschenen op het veld dan wist je dat de stropers met grote lichtbakken bezig waren om het wild mee te verblinden en konden ze schieten. Stropers hadden verschillende manieren om het wild te vangen; zo waren zij in bezit van geweren en buksen, zetten honderden strikken uit. Het wild, zoals hazen, konijnen, maar ook reeën, hadden hun vaste wissels waarlangs ze liepen, respectievelijk door afrasteringen en het hakhout heen. Zo kwam het voor dat een ree gestrikt werd en in het hakhout was opgehangen. Om patrijzen te vangen gebruikten zij slagnetten. Stropers kwamen eerst tegen het donker kijken waar de patrijzen zich ophielden. Ze kwamen dan 's nachts terug om de dieren te vangen als zij sliepen. Patrijzen lagen dan dichtbij elkaar als hoopjes in het veld, meestal was het een paartje met jonge patrijzen. De stroper wist waar het ‘koppeltje’ was en legde daar een vangnet overheen. Het ging er wel eens heftig aan toe als we stropers wilden grijpen. Ik herinner me uit de jaren 60 van de vorige eeuw dat ik als hulpjachtopziener met mijn vader en de andere jachtopzieners probeerde deze stropers in te sluiten. We kwamen langzaam als ring mannen op hen af. Ik weet nog dat mijn vader een stroper vastgreep, maar de tweede stroper stond al klaar met een schaar om mijn vader in de rug te steken. Ik heb de stroper nog weten te overmeesteren!

Ik was op mijn 15e jaar naar de Handelsavondschool in Zeist gegaan. Overdag hielp ik mee op de landgoederen. In 1955 ging ik mijn vader assisteren, vooral bij  de jacht en allerlei andere soorten van werkzaamheden; zoals werken in de grienden en bossen, wekelijks op zaterdag de huur ophalen en loonzakjes bij het personeel brengen. Dit deed ik ook voor het landgoed Vollenhoven en De Hoge Woerd. Aanvankelijk was ik op het landgoed Vollenhoven aangesteld als leerling-griendzichter. Met 19 jaar ging ik in militaire dienst en werd uiteindelijk gelegerd in Soesterberg. Hier regelde ik veel avonddiensten, van ‘vier uur ’s middags tot 12 uur ‘s nachts. Mijn diensttijd hield de ronde in langs objecten die bewaakt werden zoals forten, vliegbases en andere militaire objecten in de hele provincie en controleerde of de plaatselijke bewakers hun werk goed deden. Soms werd ik ingeschakeld als er buitenlandse gasten kwamen; relaties van leden van het koningshuis landden op Soesterberg om naar ons Koningshuis te gaan op paleis Soestdijk. Ik stond dan bij het vliegtuig om te zorgen dat er niets gebeurde. In die tijd stond de Dakota Friendship in de hangar. 

Overdag was ik vrij, dan hielp ik mijn vader op de landgoederen Vollenhoven, de Niënhoff, de Hoge Woerd in Driebergen. Ik deed alles op de fiets en had er wel lol in. 

De IJzeren Boom

In 1969 bouwde ik het huis aan het laantje van De IJzeren Boom dat nu het Albert Nijlandpad heet. Oorspronkelijk liep dit pad van de IJzeren Boom door tot het eind van het landgoed bij de Koelaan. Daar was een hek met deze naam, De IJzeren Boom. Ik ben met de anderen ook van mening dat oude veldnamen zichtbaar moeten blijven.   

De jaren zestig

Ik kwam in de jaren zestig terecht in een turbulente tijd, als in 1974 het landgoed Heidestein aan Het Utrechts Landschap werd geschonken. Vanaf dat moment ben ik door Het Utrechts Landschap aangenomen als boswachter van De Niënhoff. 

Uit mijn netwerk, die mijn familie had opgebouwd, kwam het bericht dat hoogstwaarschijnlijk het landgoed Oostbroek te koop kwam. Er bleek achter de schermen voor die aankoop nog een grote medespeler te zijn. Dit was de universiteit, die graag wilde uitbreiden op het gebied tot aan de Bisschopsweg/Bunnikseweg. Ik heb daar actie aan verbonden. Uiteindelijk, mede door ingrijpen van hogerhand, is het gelukt om deze aankoop naar Het Utrecht Landschap te verwezenlijken. 

Ondertussen was mevrouw De Wetstein Pfister overleden in 1976. Omdat de successierechten in 1978 zo hoog waren is een deel van het landgoed De Niënhoff, groot 90 hectare, verkocht aan Het Utrecht Landschap in mei 1978. Oostbroek en De Niënhoff waren op dat moment een belangrijke schakel geworden voor de ecologische hoofdstructuur. Hiermee is het gebied tussen het hoge gelegen Noorderpark en de Kromme Rijn tot aan Langbroeker wetering behouden gebleven. 

Tegelijkertijd, vanaf 1968, speelde ook de strijd om een grote rondweg om Zeist, Driebergen en Doorn aan te leggen, de S8. Uiteindelijk is besloten om alleen de aansluiting Zeist naar de A28 te maken, maar hier is tegen geprotesteerd door tal van milieugroepen. Uiteindelijk zijn de gemeenten van De Bilt en Zeist overstag gegaan en is de aansluiting met de A28 niet doorgegaan. 

Ik werkte steeds meer als boswachter samen met het Landschap Utrecht. Ik ben trots op wat we hebben bereikt. Zoals de natuurlijke bestrijding op de boomgaarden van Oostbroek en de ecologische verbindingen tussen de verschillende gebieden, die zijn er nog steeds. Ook heb ik een bijdrage geleverd aan het terugbrengen van de natuurlijke oevers van de Kromme Rijn. Toen ik op mijn 57e in 1997 het aanbod kreeg om met vervroegd pensioen te gaan ben ik me gaan inzetten voor het behoud van de natuur in dit gebied. Stil zitten kan ik nog steeds niet. Nu vind ik het ook langzamerhand heerlijk om helemaal vrij en ongebonden te zijn; tijd te hebben voor het onderhoud van mijn eigen buitengebeuren.'

Onlangs zijn twee unieke oude kaarten, die in het bezit waren van Jean de Greeff, geschonken aan het RAZU, (Regionaal Archief Utrecht Zuid), in Wijk bij Duurstede. 2 Op de twee kaarten staat het landgoed De Niënhoff weergegeven zoals dat er in 1832 en 1837 uitzag. Op deze kaart, gemaakt door Jhr. Jan Everard de Pesters, is te zien dat niet alleen het huidige wandelgebied onderdeel uitmaakte van het grondbezit van deze rijke familie, maar dat ook Cattenbroeck, het gebied tussen Bunnik en Zeist, hierbij hoorde. 

De vroegste vermelding van de Niënhoff, dateert uit de 12e eeuw toen het vermeld werd als een “uithof”, dat wil zeggen een agrarisch bedrijf, behorend bij het klooster Oostbroek. De Niënhoff betekent een nieuw hof, dat door het klooster werd gesticht aan de zuidzijde van deze Rijn-meander. In die tijd liep de Rijn in een grote meander vlak onder Zeist langs (“Zeister oever”) de Niënhoff. 

Het klooster ging ten onder door de Hervorming en de boerderij wisselde door overerving en verkoop vele malen van eigenaar, maar zijn naam heeft het gebied altijd behouden. In de Franse tijd, dus in de late 17e eeuw, wordt geschreven over ‘huyzinge en hofstede’ van de Nieuwen hof die zwaar beschadigd waren. Rond die tijd kwam het landgoed Niënhof in bezit van de familie (De) Pesters, die er tot in de 20e eeuw zou wonen.

De familie De Pesters was een invloedrijke familie waarvan de leden een belangrijke rol spelen in landsbestuur en het bestuur van de Provincie en de stad Utrecht. 

Jhr. Jan Everard de Pesters, zoon van Willem Nicolaas, heeft in 1832 en 1837  kaarten opgetekend om een overzicht te verkrijgen van de familiebezittingen. 

De tekst op achterzijde van één van de kaarten luidt: “Plan van de Buitenplaats De Niënhoff, van de Hofsteden de Nienhoff, de Brakel en verdere landerijen gelegen onder de Gemeente van Bunnik, Opgeteekend door J.E. Pesters, 1837.” Deze kaart (zie afbeelding X) laat onder meer de oorspronkelijke inrichting van de tuin zien, zoals ontworpen door de tuinarchitect Leonard Springer, die door heel Nederland het ontwerp van stadsparken en buitenplaatsen op zijn naam heeft staan.

De tweede kaart heeft als beschrijving: “Plan van twee hofsteden en verdere landerijen gelegen op het Zeister oever en in de Lage grond onder de gemeente van Zeist. Opgetekend door J.E. Pesters 1832.“ Deze kaart (afbeelding X) toont het hele landgoed waaronder dus ook “de Lage Grond”, het meer noordelijk gelegen deel van het landgoed dat helemaal tot aan het huidige Zeist-Couwenhoven liep. 

Een halve eeuw na Jhr. Jan Everard, kwam in 1882 het landgoed in bezit van Jkvr. Coenradina de Pesters. Haar echtgenoot baron Gijsbert van Hardenbroek liet in 1892-94 een nieuw landhuis bouwen, waarbij een door L.A. Springer ontworpen tuin in Engelse landschapsstijl met slingervijver aangelegd werd.1, 2 Het oude achttiende-eeuwse landhuis aan de Grotelaan werd verbouwd tot koetsierswoning. Dit gebouw zou tegen het eind van de 20ste eeuw worden gerestaureerd en uitgebreid tot excursiecentrum van Het Utrechts Landschap. 

Nadat baron Gijsbert Van Hardenbroek zijn echtgenote in 1923 verongelukte, verkocht van Hardenbroek zijn bezittingen in Bunnik aan Frans de Wetstein Pfister, eigenaar van Heidestein, en verhuisde naar Driebergen. Naar verluidt was het landhuis niet erg comfortabel en niet voorzien van elektriciteit, maar er moest wel jaarlijks een hoge belasting voor betaald worden. Na de dood van de Wetstein Pfister liet zijn dochter in 1929 het gebouw daarom slopen.1. De restanten van het kasteel werden hergebruikt voor woningen in de Maatschapslaan in Bunnik. Een vensterbank van het Landgoed de Niënhoff op kaarten uit 1837

In 1978 is het landgoed aangekocht door het Utrechts Landschap. Sinds eind jaren 90 heeft het landgoed De Niënhoff de status van “Aardkundig Monument” vanwege de oude meanders van de Rijn die het gebied gevormd hebben en die deels weer zichtbaar zijn gemaakt.

Referenties:

1 Saskia van Ginkel, Bunnik - geschiedenis en architectuur, Zeist, 1989

THEODORUS MARTINUS DE GREEFF (1907 – 1964)

Jean: 'Mijn vader Theo werd geboren in het huis aan de Koppeldijk in Zeist. Hij trouwde in 1933 met Johanna (Annie) Kropman uit Utrecht. Vanaf dat moment krijgt mijn moeder elk jaar een kind. Ik ben de vijfde in het gezin van elf kinderen. In 1926 werd mijn vader als negentienjarige jachtopziener beëdigd, en hiermee was hij de jongste jachtopziener. "Onbezoldigd gemeenteveldwachter" werd dat destijds genoemd. Bij zijn aantreden als jachtopziener bij de familie De Wetstein Pfister werd voor hem een woning gezorgd. Hij kon het huis van de oude koetsier Dorrestein aan de Groote Laan overnemen. Hij werkte zowel voor de familie De Wetstein Pfister, als voor de familie Van Marwijk Kooy van het landgoed Vollenhoven. Mijn vader overleed in 1964.

Afscheid en behoud

Mijn vader, grootvader en ik, leefden in hèt tijdperk van het landgoed. Een tijdperk met alles wat daar nog mee te maken had; het landgoed als bedrijf, een landschapspark, een ensemble aan bebouwing, en een familie met relaties. Vanaf mijn vader zijn tijd, als jachtopziener voor deze familie, brokkelde dat tijdperk af. In 1924 is het landgoed De Niënhoff verkocht aan mr. Frans Hendrik de Wetstein Pfister, eigenaar van het landgoed Heidestein bij Zeist. Bij zijn overlijden in 1926 kwam het landgoed in bezit van zijn twee dochters.

Het roer hebben wij zoveel als mogelijk recht gehouden en hebben o.a. keuzes leren maken op korte termijn. Als kleine jongen was ik daarom een keer zo boos op mijn vader. Er lagen twee beelden van prins Maurits en prins Frederik Hendrik op de zolder van de schuur. De beelden hadden op het bordes van het imposante kasteel gestaan. Op een gegeven moment had hij ze weggedaan. De sokkel heb ik in het park nog neergezet als herinnering hieraan. De andere sokkel is teruggevonden in de tuin van een woning aan de A12. Als de uitbreiding van de stad Utrecht op de loer lag ben ik ook hiervoor gaan liggen. 

Marinus Van Marwijk Kooy (1888-1970)

Mijn vader zijn taken op de Niënhoff waren inmiddels uitgebreid door het verzoek van Marinus Van Marwijk Kooy, van het landgoed Vollenhove, om bij hem in dienst te komen als jachtopziener. Marinus van Marwijk Kooy was familie van J. H. Van Marwijk Kooy, die samen met jhr. C.A. De Pesters en W.E. Uhlenbroek, de bierbrouwerij Amstel Bier heeft opgericht in 1870. Zo kreeg mijn vader naast het landgoed De Niënhoff ook de supervisie over het gehele landgoed Vollenhove, plus waar Van Marwijk Kooy nog meer grondbezit had, zoals op De Hoge Woerd in Driebergen met de schaapskooi en in Werkhoven. De heer Van Marwijk Kooy gaf mijn vader opdrachten naast de taak als jachtopziener; zoals de uitbetaling van 15 man personeel van het landgoed Vollenhove, de huur ophalen, de boekhouding bijhouden, grienden aanleggen en afzetten voor de kopers, het park onderhouden. Mijn vader deed dit alles op de fiets. Later had hij een motortje, een DKW.

De jacht

Landgoederen waren plekken van consumptie, waar ook zeker geld bij moest. Twee, drie keer per jaar werd een grote jacht georganiseerd door de jachthouder. In de tijd van mijn grootvader was de jachthouder baron van Hardenbroek als grondeigenaar. Hij was persoonlijk verantwoordelijk voor de wildstand op zijn gronden, waar wel of niet geschoten mocht worden. Dit jachtrecht van De Niënhoff was ondertussen overgegaan op de erfgenamen, de gezusters De Wetstein Pfister. Omdat zij niet deelnamen aan de jacht, was dit jachtrecht verhuurd aan van Marwijk Kooy. En als diens jachtopziener organiseerde mijn vader de jachten en bepaalde hij op welke stukken er werd gejaagd. 

Voor de geschoten hazen, fazanten, patrijzen en konijnen was wel een goede nazorg hoor. Hier werd niet alles op een hoop gegooid maar na de jacht mooi uitgestald bij de boerderij. Daarna ging het in de aanhanger van de jeep die van het landgoed Vollenhoven was. Hendrik, de butler van Vollenhoven, reed de jeep. Hendrik liep altijd rond in een mooi gestreept pakje met een strikje voor. De poelier kwam het wild ophalen en betaalde daarvoor. 

Een jacht was een jaarlijks gebeuren waar mensen uit de hele omgeving aan konden deelnemen en meegenieten. Na afloop van de jacht zaten de drijvers in het achterhuis tussen de koeien op strobalen. Dan werd er erwtensoep opgediend die mijn moeder had bereid en kregen de mannen een biertje en dat was feest. De heren zaten in het voorhuis die werden verzorgd door Hendrik de butler. 

De hond van mijn vader

Elke jager heeft interesse in de hond en in het africhten van de hond voor de jacht. Zo ook mijn vader. Wij hadden thuis drie honden. Hij hield van de staande honden. Een staande hond staat stil en wijst het wild aan. Mijn vader zat in het bestuur van de politiehondvereniging. Op de Niënhoff werd er in 1929 een Voorjaarswedstrijd (Derby) gehouden van Continentale honden voor leden van de vereniging met een Weimarse Staande hond. Deze honden waren geschikt gemaakt voor de drijfjacht. De hoofdfoto is van een politiehondwedstrijd op het landgoed Heidestein van voor de 2e wereldoorlog, waar diverse mensen bij aanwezig waren; zoals politie functionarissen, veldwachters, jachtopzieners en pakwerkers. Pakwerkers zijn mensen die in een leren pak werden gehesen, waar de honden op af werden gestuurd. Ik ben ook wel eens pakwerker geweest! 

In 1952, na de dood van mijn grootvader, werd door mevrouw De Wetstein Pfister voor mijn vader een huis gebouwd aan de Koppeldijk in Zeist, net iets achter het huis van mijn grootvader. Hij heeft hier niet lang meer van kunnen genieten. Hij overleed in 1964.'

PIETER DE GREEFF 5 mei 1861- 15 nov 1950

Jean: 'Mijn grootvader Pieter de Greeff werd geboren op 5 mei 1861. Hij is geboren in de Vinkenbuurt, dus hier vlakbij. Zijn vader, mijn overgrootvader, was jachtopziener op de Niënhoff voor de familie J.E. De Pesters. In 1886 volgde mijn grootvader zijn vader op als jachtopziener. Hij werd aangenomen door de familie Van Hardenbroek De Pesters. Hij trouwde in 1888 met Theodora Maria Oremus, een meisje uit het toenmalige dorpje Hees bij Nijmegen. Mijn familie is van huis uit katholiek. Pieter en Theodora kregen 14 kinderen. Hij ging in 1928 met pensioen, maar werkte door op het landgoed De Niënhoff. In de Amersfoortse Courant kunnen we lezen over hun Diamanten bruiloft op 13 februari 1950. Pieter overleed op 15 november 1950 in Zeist. 

Parel aan de Kromme Rijn

In mijn grootvader zijn tijd werd er naar een andere toekomst gekeken dan dat het nu is geworden; zij keken naar de schoonheid van hun landgoed, als parel buiten de stad, beleefbaar voor een kleine groep. Voor de familie Van Hardenbroek De Pesters hoorde hier een nieuw landhuis bij met een modern park. De gedachte daarbij was ook dat bezit van landerijen continuïteit inhield voor de familie. Continuïteit en één worden met de omgeving waren hier op de Niënhoff beide het geval. Mijn familie De Greeff, en ook het andere personeel, stonden dichtbij de eigenaren, maar zijn tevens zeer verbonden geweest met het landgoed.

Voor de gelegenheid van het huwelijk van mijn grootouders werd door de familie Van Hardenbroek een woning gebouwd aan de Koppeldijk in Zeist. In de jaren daarna, 1892-1894, werd een nieuw landhuis gebouwd en stamt ook de verbouwing van het oude herenhuis tot koetsierswoning voor de familie Dorrestein. Voor de portier werd in 1908 een portierswoning gebouwd aan de Groote Laan 8. Op het huis van mijn grootvader werd een steen aangebracht door de baron Gijsbert Van Hardenbroek. Het huis en de steen/tegel zijn er nog. Het huis ligt aan het eind van de voormalige Kouwenhovenselaan.

Bediendenlaantjes

De bedienden liepen op laantjes die er niet meer zijn. We staan hier bijvoorbeeld op een punt waar een weiland is te zien met hier en daar boomgroepen en een slingervijver in de verte. Deze plek  was het kloppend hart van het nieuw gebouwde landhuis in 1894. Vanaf de Groote Laan of vanuit de voormalige Kouwenhovenselaan liepen de bedienden via de zijdeuren het landhuis binnen. In de verte lag de portierswoning aan de Groote Laan waar vanuit de gasten het landgoed op kwamen rijden in hun koetsjes. Vanuit de salons vingen de bewoners tussen de boomgroepen een glimp van hen op en als het belletje ging waren de gasten in aantocht. De bedienden kregen een opdracht om de gasten op te vangen.  

Mijn grootvader heeft gezien hoe het nieuwe landhuis verrees, en hoe daarna Coenradina Van Hardenbroek De Pesters de toon zette voor het park. Zij vroeg aan landschapsarchitect Leonard Springer een park aan te leggen naar de tekening van haar grootvader Jan Everard De Pesters uit 1837. In haar gedachten zag zij aan de Kromme Rijn het theekoepeltje liggen, waar vandaan het een prachtig uitzicht garandeerde over de Kromme Rijn, met haar oevers met fruitbomen, Huis Cammingha de Beesde en Bunnik. 

1 Onderzoeken zijn er in de tachtiger jaren geweest naar De Niënhoff, naar aanleiding van de kaarten van J.E. De Pesters, die toen nog in mijn bezit waren. In die uitwerking is te lezen hoe de omgeving moet zijn geweest waar mijn grootvader in werkte.’  

2 'De tuin had verschillende functies. Een gedeelte moest in het levensonderhoud voorzien, de rest diende ‘tot vermaak’. De groentetuinen en boomgaarden, (5 t/m 11, 14, 15) lagen direct naast en achter het huis, op de grens met het bouwland. Een aantal van deze percelen, (4,7,8,11)  hoorden bij de hofstede en werden bewerkt door de boer en zijn familie. De overige percelen behoorden aan de buitenplaats. Deze percelen werden waarschijnlijk bewerkt door de arbeiders uit de Vinkenbuurt.(47) Tussen de boerderij en perceel (11) lag een waterkommetje met afvoer naar de Kromme Rijn. In latere tijd is dit kommetje als mestput dienst gaan doen.(48) Links van bovengenoemde percelen ligt op de kaart het tuingedeelte dat ‘tot vermaak’ diende. Tot de ‘tuin tot vermaak’ hoorde nog een paadje naar de Kromme Rijn. Op de litho van P.J. Lutgers is dit paadje nog goed zichtbaar.

Opvallend op de oude kaart is het sterrenbos. Met zijn rechte paden en doorzichtsas is het een typisch element uit de Franse tuinstijl. Dit bos was al aanwezig (12) en werd in het nieuwe ontwerp ingepast. Hiervan is nu alleen nog een gedeelte van de doorzichtsas terug te vinden. Bij de geometrische tuin achter het huis zijn daarentegen vraagtekens te plaatsen. Van een eventueel rosarium zijn geen sporen terug te vinden. Ook uit een mondelinge mededeling blijkt dat de uitvoer van dit gedeelte van het ontwerp in twijfel mag worden getrokken.

De geometrisch aangelegde tuin is aangelegd in landschappelijke stijl. De slingerpaadjes, die bij de Engelse landschapsstijl horen, zijn bij de architect gestileerd opgetekend. Tussen de paden ontstaan dan cirkelvormige, ovale of ellipsvormige grondpatronen. In hoeverre dit plan van Springer is uitgevoerd is, zoals gezegd, niet zeker. Het nieuwe gedeelte van de tuin, nu parkweiland, met de slingervijver en verspreid liggende boomgroepen is zeker door hem uitgevoerd. Ook omtrent het sterrenbos hoeft weinig twijfel te bestaan.' 

Jean: 'Mijn grootvader zijn werkzaamheden duurde officieel tot aan zijn pensioen in 1928, maar hij werkte rustig door. Het was een bepaalde drukte om De Niënhoff. In zijn tijd was er een haventje waar de handelaren handelden en hun goederen bezorgden aan twee huizen, Cammingha De Beesde en De Niënhoff. Mijn grootvader, mijn vader en ik stonden in contact met 9 boerderijen, maar ook met de landheren uit de omgeving en het personeel op het landhuis. Zo hebben wij de grienden aangelegd op De Lage Grond tussen Oostbroek, Zeist en Bunnik. Grienden waren goede inkomsten voor het landgoed. Houthandelaren, tuinders en bakkers kwamen langs en werd er een perceel hakhout aan hen verkocht. Dit gebeurde onder toezicht van een notaris, later deden we dit uit de hand. Het was door middel van een sigarendoos waarop de prijs werd geschreven, en met handgeklap werd de koop bevestigd.'  

Het Amersfoorts Dagblad van 7 februari 1950 schrijft over mijn grootouders: 

Het echtpaar P. de Greeff en Th. M. de Greeff-Oremus zal op maandag 13 februari zijn diamantenbruiloft vieren, een niet alledaags voorval en zeker zeldzaam wat betreft de condities van de ‘hij’ en de ‘zij’, die hier nog graag voor ‘jong  doorgaan. ‘Och, zegt de bruidegom, ‘als je omkijkt is het eigenlijk maar een poosje geweest’ en zijn glundere gade knikt hem eens vertrouwelijk toe. Zij schonk aan veertien kinderen het levenslicht, van wie de laatste geboren werd toen moeder vijftig was … Aan nakomelingen ontbreekt het trouwens niet; de krasse oudjes verheugen zich in het bezit van niet minder dan 66 kleinkinderen, van wie er enkele in Amerika wonen en dus op de heugelijke dag zelf niet aanwezig zullen zijn. Gedurende die zestig jaren lief en leed delend, wonen de heer en mevrouw De Greeff al in hetzelfde huis aan de Koppelweg 124, dat destijds speciaal voor hen werd gebouwd en tot nog toe is er weinig in ‘gerentenierd’. Vader De Greeff, die vitaal en nog van de oude stempel is, hield pas vorig jaar op met geregeld werken, hoewel hij sinds 1928 van zijn pensioen genoot. Veertig jaar lang diende hij als jachtopziener en bosbaas op het landgoed ‘Niënhoff’ in Bunnik, waar hij , na op zijn 65e te zijn gepensioneerd, nog bijna een kwart eeuw ‘waarnam’. In Zeist stond hij vroeger alom bekend als een voortreffelijk jager en een man met veel kennis van natuurschoon, en nog altijd bewondert hij geestdriftig al wat buiten groeit en leeft. Als het nieuwe voorjaar is begonnen – op 5 Mei a.s.. – wordt hij 89 …

In de 16e en 17e eeuwse Bunnikse teksten komen drie brinken voor; de Antonisbrink, de Arrisbrink en de Zoogbrink. De Antonisbrink, genoemd naar de heilige Sint Antonius, is nog steeds duidelijk te herkennen en vormt dan ook het dorpsgezicht van Bunnik. De brink ligt centraal bij de Oude Dorpskerk, met het Oude Raadhuis, het Wapen van Bunnik, de Witte huisjes, een loswal en de Raadhuisbrug over de Kromme Rijn. De brink is ook te herkennen aan de wegen die uitkomen op deze brink, zoals de Dorpsstraat, de Molenweg en de Smalleweg, de Langstraat, Tolhuislaan en de Groeneweg. 

Een brink is een open ruimte in een dorp of aan de rand daarvan, waar de boerderijen omheen gegroepeerd staan, meestal beplant met bomen (eiken). De brink diende oorspronkelijk om het vee in te scharen (verzamelen). Vaak lag er op de brink een poel(dobbe of kolk). Iedere ochtend werd het vee naar de brink gedreven. Tegen de avond gingen alle koeien na het uitsplitsen terug naar de boerderij. De wegen die hier ontstonden werden veedriften genoemd. Zij hadden de vorm van een trechter. Bij sommige dorpen is dit nog goed te zien. De brink vormde natuurlijk ook een gemeenschappelijke ontmoetingsruimte en werd zo later vaak het dorpsplein.

De Antonisbrink moet aanzienlijk groter zijn geweest dan was gedacht. Want we kunnen lezen dat na de 16e eeuw verschillende huizen in de Langstraat, die in het oosten grensden aan de Antonisbrink, met bisschoppelijke toestemming tot kerkelijk bezit werden verklaard. Dit doet vermoeden dat de brink zich in de 17e eeuw vrij ver naar het noorden uitstrekte. Het is dit noordelijke gedeelte van de brink, in de richting van het steenhuis De Beesde, later landhuis Cammingha, dat als Achterbrenck of achterste brenck bekend stond. 

Bunnik telde in de negentiende eeuw ongeveer 900 inwoners die voor de helft woonden in de bebouwde dorpskern en rond de Antonisbrink. Iets verderop lagen aan de andere twee brinken, de Arris- en de Zoogbrink, de huizen van ambachtslieden en kleine boeren. Buiten de dorpskern kende Bunnik vele boerderijen met hun landgoederen.

Het gezin was belangrijk in `t gebied van de Kromme Rijn. Vooral hier op het platteland werd generaties lang goed gekeken naar gezinsplanning voor het behoud van de boerderij. Wie buiten de boot viel als boerenzoon moest zich zien te redden als arbeider en kwam terecht in een arbeidershuisje. Het is dan ook moeilijk voor te stellen dat een gezin, met gemiddeld vijf personen, kon leven in een huisje met een afmeting van drie bij acht of negen meter diep.

Hier en daar stonden deze huisjes in groepjes met een erf of een kleine boomgaard daartussen. Voor de Dorpskerk stond een groepje daggelderswoningen en de ruimte hiervan was, ieder afzonderlijk, niet meer dan een kamer met stookplaats en een berg- of slaapzolder. Daggelders waren landarbeiders die een dagloon kregen. Ook aan de Eendrachtstraat ``t Slot`, bij het winkelcentrum in Bunnik, stonden ze. Daggelders die werkten bij Oud-Amelisweerd, woonden in zo`n groepje kleine woningen met de naam `de Vinkenbuurt`. Aan de Langstraat, de oudste straat van Bunnik, stonden enkele groepjes Diaconiewoningen achter elkaar gerangschikt aan de Kromme Rijn.

Het Wapen van Bunnik

De naam Bringenberg springt in het oog, op de kadasterkaart van 1816. Haar naam Jacomina Bringenberg, van beroep winkelierster, en eigenaresse, staat bij een groot aantal woningen en percelen landbouwgrond in Bunnik. Zij lijkt daarmee te willen wedijveren met de landheren en grote boeren uit de omtrek. Wie was zij. Haar vader Johannes Bringenberg was de laatste smid in het gebouw dat nu het Wapen van Bunnik is, waar iedereen neerstrijkt voor een drankje en een hapje. Bringenberg was kerkvoogd in de Nederlands Hervormde kerk van Bunnik. Na zijn dood zette zijn dochter Jacomina de smederij nog vijftien jaar voort. Bij haar overlijden in 1854 bleek zij eigenaresse te zijn van 1 op elke 5 huizen in het dorp! 

In Bunnik staan of stonden langs de Kromme Rijn verschillende grote huizen of kastelen. Een van de huizen die nog bestaan is het huis Bloemerwaard. Vanaf de Provinciale weg in Bunnik richting Odijk staat het aan de linkerkant, na het spoor, verstopt achter allerlei gebouwen. Vanaf het jaagpad langs de Kromme Rijn kun je de achterkant wel zien. 

Oorspronkelijk hoorde bij de Bloemerwaard een stuk grond van 25 morgen (een morgen is ongeveer 0.85 hectare). Daarnaast hoorde bij het huis de boerderij Rijn en Dijk, die als grootste omvang maar liefst 100 morgen, dus ongeveer 85 hectare, groot was. De boerderij is afgebroken, en van de 25 morgen is ook niet veel over. De spoorlijn Utrecht – Arnhem uit de 19e eeuw en de A12 uit de 20e eeuw liepen recht over het land en er bleef maar een klein stukje over wat nog bij het huis Bloemerwaard hoorde. 

Bewoners van de boerderij waren o.a. de familie Van Zijl, Van Bemmel en Vulto.

Net als bij andere kastelen en landhuizen diende de boerderij om het huis te onderhouden als de eigenaar er niet woonde, en als inkomen voor die eigenaar. Die combinatie van huis en boerderij zie je overal in het Krommerijn gebied terug.

De 25 morgen van Bloemerwaard bestond uit 2 delen van elk 12,5 morgen. In 1637 is de ene helft en in 1644 de andere helft verkocht aan Jeremias Casteleijn. Hij is de eerst bekende bewoner van het huis Bloemerwaard en zal de voorloper van het huidige huis hebben laten bouwen. Midden in de Gouden Eeuw kochten rijke stedelingen stukken grond en lieten daar huizen op bouwen. Dat deden ze om in de zomer uit de vieze steden te ontsnappen, en het was een teken van welvaart. Zo’n buitenhuis werd meestal gebouwd aan een rivier, omdat dat de gemakkelijkste en snelste manier was om weer in de stad te komen. Voorbeelden zijn de buitenhuizen aan de Vecht en de Amstel, maar ook aan de Kromme Rijn hebben diverse buitenhuizen gestaan. Bloemerwaard stond ook dichtbij de Kromme Rijn. 

De nazaten van Jeremias Casteleijn hebben Bloemerwaard lange tijd gezamenlijk in bezit gehouden. Uiteindelijk werd alles verkocht aan Allard Rudolph van Waay, een van die nakomelingen. In 1773 verkocht hij alles aan Andries Oortman, een rijke “medicine docter” uit Utrecht. Met zijn komst begon een periode van ongekende uitbreiding. Hij kocht veel land in Bunnik (en Odijk) en verhuurde die uiteraard aan boeren.

Vanaf 1801 veranderde er veel. In 1801 werd Bloemerwaard verkocht aan Gijsbertus Achterbergh. In 1820 verkocht die alles weer aan Joseph Leijdel. Het huis werd tussendoor verhuurd aan verschillende personen, zoals C.J. van Hengst, baron De Geer en Van Ewijck. In 1860 kocht J.C. Strick van Linschoten het, en in 1899 werd het weer verkocht aan H.J. Blokhuis. Die woonde er maar kort, want in 1905 werd het al weer doorverkocht aan Van Beeck Calkoen, burgemeester van Bunnik. Die verkocht het in 1940 weer aan de heer Orie. De oorlog is dan uitgebroken, en de Duitsers vorderden het huis. Na de oorlog zaten de Canadezen er nog een poosje in, totdat ze in 1946 vertrokken. De bewoners wisselden elkaar dan af. Onder andere heeft de RK kleuterschool er in gezeten, en meester Jarich van der Zee woonde er ook een poosje. Nadat Anton van Dam (van Vrumona) erin had gewoond komt het tenslotte in 1954 in handen van de familie Van der Tol, die er nog steeds woont. 

Van het uiterlijk van het oude huis Bloemerwaard is weinig tot niets meer over. In de oorlog was het huis al eens getroffen door een bom, en daarna uitgewoond door Duitsers en Canadezen. Het huis wat er nu staat is gedeeltelijk opgebouwd uit delen van het gesloopte huis, maar het ziet er heel anders uit. (1940)

Koopakte

'Heden de Eenendertigsten December des jaars Achttienhonderdzestig, verschenen voor Bernardus Gertrudus van Heijst Notaris in het tweede arrondissement de personen, Utrecht gevestigd te Wijk bij Duurstede in tegenwoordigheid der na te noemen getuigen De HoogwelGeboren Heer H. Carel Willem Emile Catharinus de Geer, grondeigenaar, wonende te Landgoed te Keijzerberg, onder de gemeente Renkum. 

De welke bij deze verklaarde onder vrijwaring van de wet te hebben verkocht en uitsd… in vollan en vrijen eigendom af te staan en over te dragen aan de HoogwelGeboren Heer Jonkheer Jan Carel Strick van Linschoten, kandidaat Notaris, wonen de te Maarssen, alhier tegenwoordig en in koop aannemende:

De buitenplaats Bloemerwaard, bestaande in Heerenhuizinge, stal en koetshuis, tuinmanswoning, duifhuis, loodsen en een huis met schuurberg, benevens met uitbroei tuinen, boomgaard, bouwland, wandelbosch en water, tezamen groot Zes honderd veertig roeden, twintig ellen, alles staande en gelegen onder de gemeente Bunnik, aan de Provincialen Zandweg van Utrecht op Wijk bij Duurstede, strekkende van Utreg tot in den Krommen Rijn, land aan de eene zijde de Roomsch Catholieke Kerk.'  

Enkele aardige feitjes over Bloemerwaard:

In 1718 werd vlak naast het huis Bloemerwaard de eerste RK kerk van Bunnik gebouwd. Aanvankelijk zal het eruit gezien hebben als een schuur, omdat de RK gemeenschap nog geen kerken mocht bouwen die te herkennen waren als kerk. Dat was na de overgang in 1580 door de Staten van Utrecht verboden. In 1769 had de kerk al een toren, wat blijkt uit een mooie gravure van Lutgers uit dat jaar.

In 1843 was er een aardbeving in Nederland, en in de krant van 10 april 1843 verscheen een artikel waarin Bloemerwaard genoemd werd:

“Deze schok van aardbeving is ook in Utrecht door eenige menschen opgemerkt, en uit Bloemerwaard, nabij Bunnik, schrijft men ons, dat ook aldaar de schok is gevoeld, zoodanig, dat de glazen dreunden, en de ringen aan een ijzeren roede rinkelden. Waarschijnlijk zal deze schudding der aarde ook elders zijn gevoeld.”  

‘Toen was er niks voor jongeren' en 'Jongeren, voorhoede van een nieuwe cultuur’

Ons jongerencentrum in de gemeente Bunnik heet ‘Jongerenwerk De Schoudermantel’. Hoe deze voormalige boerderij De Schoudermantel een jongerencentrum is geworden heeft een turbulent, maar niet minder geestdriftig verleden! De samenleving is in de zestiger jaren een beetje van de kook. Traditionele windsels werden afgeworpen, en het zelfbewustzijn van de jongeren groeit. Inspraak, medezeggenschap, democratisering en politisering zijn dè slagwoorden. Wie het oude verwerpt gaat iets nieuws beginnen. 

Zo kwamen in 1973 ruim 40 jongeren bij elkaar voor de oprichting van de Stichting Open Jongerenwerk. Het zoeken naar een plek voor jongeren werd gevonden! Zij verbouwden met veel inzet en gemeentelijke subsidie de schuur van boerderij “De Beug” in Odijk (van Anton en Lies van Wijk) en hielden daar tien jaar lang feesten.

Ondertussen waren er meer jongerencentra in de omgeving ontstaan, zoals de jeugdcentra in de Barbaraschool in Bunnik (later ‘De Dolfijn’) en op de Brandweerzolder in Werkhoven (later ‘La Bamba’). De St. Open Jongerencentrum werd een samen gaan van ‘De Beug’, ‘Dolfijn’ en ‘La Bamba’ in de stichting Open Jongerencentra Bunnik.

De gemeente organiseerde ook voor jongeren. Want naast de stichting Open Jongerencentra Bunnik was er de “Raad voor Jeugd en Jongeren Bunnik” (1975). Omdat twee stichtingen die hetzelfde doel nastreefden niet handig was, volgde in 1981 een fusie, die leidde tot de oprichting van de Algemene Jeugdstichting Bunnik (AJB).

Deze stichting kon het jeugdbeleid van de gemeente helpen vormgeven en samen de professionele jongerenwerkers (in die tijd Corrie Kok, Wouter van Kouwen en Joke Rederikze) in dienst hebben. Ook andere organisaties op het gebied van jongerenwerk, zoals Yumbo, de scouting, kerkelijke jeugdclubs en de stichting Peuterspeelzalen konden zich aansluiten in een “Raad van aangeslotenen”, die samen het algemeen bestuur kozen. In de loop van de jaren bleven eigenlijk alleen stichting Open Jongerenwerk De Schoudermantel en de stichting Open Jongerencentrum La Bamba uit Werkhoven als actieve aangesloten organisaties over. Daarom besloten de AJB en de twee jongerencentra in 1994 te fuseren in de Stichting Jeugdwerk Bunnik.

De kraakactie Boerderij Schoudermantel, ‘ het punt was gemaakt’

Toen bekend werd dat het contract met jongerencentrum De Beug in 1983 af zou lopen en de eigenaars gezien hun stijgende leeftijd ermee wilden stoppen, en ook het jongerencentrum De Dolfijn in Bunnik dreigde te gaan sluiten, besloten jongeren van De Beug en De Dolfijn een andere boerderij te kraken: De Schoudermantel. Zij hadden gehoord dat de schuur hiervan leeg stond en dat de boerderij een sociaal-culturele bestemming had gekregen dus zij wilden graag dat hier een jongencentrum zou komen. De gemeente was echter meer geneigd het gebouw Dalenoord aan de jongeren toe te wijzen. Die hadden daartegen bezwaar, omdat Dalenoord midden in de bebouwde kom stond. Toen die optie ook leek te vervallen, trokken de jongeren dus naar boerderij de Schoudermantel en hingen het bordje ‘bezet’ erop!

Jan (54) en Anja (51) van Schaik en Sjaquo van Houte waren met vele anderen bij het begin van De Beug en De Schoudermantel.

Anja: toen het contract met De Beug afliep hadden wij geen andere plek om naar toe te gaan. Wij dachten toen: dan moeten we een nieuwe boerderij vinden! Dat begrijp je misschien nu niet, nu is er van alles voor jongeren, maar toen was er niks. Wij hadden één centrum en dat werd voor ons gevoel van ons afgepakt. Wij waren zo kwaad! Toen hoorden we van de Schoudermantel, dat die binnenkort leeg zou komen en een culturele bestemming zou krijgen, en wij besloten de Schoudermantel te kraken. Begin 1982 toog een groep van 20 jongeren naar boerderij De Schoudermantel, die behoorde aan de familie Peek. Zij woonden nog in het voorhuis, maar de schuur was vervallen en stond open, we konden er zo in. Uiteraard kwam de politie langs, en hoewel de politiemensen begrip hadden voor de jongeren, werden ze na één nacht weggestuurd. Maar de kranten stonden er vol van en het punt was gemaakt: eind 1982 verleende de gemeente toestemming om De Schoudermantel om te bouwen tot jongerencentrum.

Zelf bouwen

Veel geld was er niet, dus de jongeren besloten de verbouwing zelf ter hand te nemen – op basis van tekeningen van een bevriende architect. In juli 1983 begon de verbouwing, die door jongeren zelf en het project Mensen zonder Werk ter hand werd genomen. Een enorme klus waar door iedereen veel tijd in werd gestopt. Ook Sjaquo van Houte, medewerker van het eerste uur en nog steeds bestuurslid van De Schoudermantel, herinnert zich deze tijd goed. Er waren allemaal vaklui onder ons, loodgieters, elektriciens, metselaars, timmermannen. Binnen enkele maanden hadden wij het pand klaargemaakt. Er werd een stichting opgericht, de stichting Opbouw Schoudermantel, en later een stichting voor het jongerencentrum zelf, waarvan Sjaquo de eerste voorzitter werd.

De trein

De DJ’s van De Schoudermantel hadden behoefte aan een veilige plek voor alle apparatuur en elpees. Ze hoorden van een uitgaanscentrum in Arnhem waar de DJ-plek in een Cadillac was gebouwd die uit de muur kwam. Met wat brainstormen kwam iemand toen op het idee om een treinkop als DJ-centrum in De Schoudermantel te zetten. De oom van Schoudermantelvrijwilliger Dick Liefting had een bedrijf (“Koek”) dat treinen sloopte. Jan van Schaik en enkele andere vrijwilligers zijn daar naartoe gegaan, hebben een vrachtwagen geleend en op een platte oplegger is de treinkop naar Odijk vervoerd. De vrijwilligers hebben dagenlang de treinkop van binnen leeggemaakt, geschuurd en klaargemaakt tot DJ centrum. Marcel van der Veen maakte daarna prachtige schilderingen op de trein. Jarenlang was ‘de trein’ het symbool en het logo van De Schoudermantel.

Opening

Na een klein jaar van hard werken was het gebouw helemaal klaar voor gebruik en werd het Open Jongerencentrum De Schoudermantel in 1984 feestelijk in gebruik genomen. De voormalige eigenares van de boerderij, mevrouw Cor van Peek (beter bekend als tante Cor) verrichtte de openingshandeling, het doorknippen van een lint. Anja: Dat was geweldig, wij hadden veel sympathie voor deze familie. Het nieuwe centrum was ook bedoeld voor jongeren uit Bunnik, die ook hun eigen centrum De Dolfijn waren kwijtgeraakt. Jan van Schaik: Dat was een goede zaak, want door het samenwerken en samen een biertje drinken verdween de rivaliteit die er altijd was tussen jongeren uit die twee dorpen. Sjaquo: Maar het had ook wat voeten in de aarde, gezien de uiteenlopende muzieksmaken van beiden groepen. In De Beug werd meer hardrock gedraaid en in de Dolfijn niet, dat was meer disco. Maar er werden gesprekken gevoerd en het ging toch lukken. In het nieuwe jongerencentrum was er op vrijdagavond een hardrockavond, op zaterdag een band en op zondagmiddag een disco. We haalden altijd grote acts binnen voor die tijd, herinnert Sjaquo zich met trots, zoals Herman Brood, De Dijk, Margriet Eshuijs, Hans de Booij. En de opkomst was vooral op die avonden groot, soms wel 300 mensen of meer, uit de hele regio. Er kwamen ook avonden dat we ‘vol’ zaten en mensen moesten weigeren. De rest van de week was het centrum ook open, zodat de 60 vrijwilligers en de beroepskrachten zoals Corrie Kok en Piet Daalhof konden vergaderen en dingen konden voorbereiden.

Brand

De Schoudermantel werd gebruikt voor inloop, disco’s en hardrockfeesten, en ook werden vele landelijke bekende bands uitgenodigd, zoals Toontje Lager, De Dijk en anderen. De Schoudermantel werd een bekende plek, waar honderden jongeren op af kwamen. Alles liep op rolletjes, tot die fatale nieuwjaarsnacht van 1 januari 1985. Een – vermoedelijke – vuurpijl raakte het rieten dak en De Schoudermantel brandde tot op de grond af. Anja laat de foto’s van de brand zien, waarbij haar ogen opnieuw vol schieten. Die foto’s doen nog steeds zeer. Heel je levenswerk, je jeugd, je dorp zit er in. Ik heb erbij gestaan toen het afbrandde en heb gehuild als nooit tevoren. We waren gebroken, kapot. Weken hebben we samen bij het afgebrande gebouw gezeten, en samen gehuild, we konden het niet geloven. De gemeente kwam snel in actie en gaf vergunning en geld voor de bouw van een nieuw jongerencentrum, dat in de stijl van de oude boerderij werd opgebouwd. Er kwam opnieuw een trein in, er werden nieuwe platen aangeschaft, en de ‘tweede Schoudermantel’ kon eind 1985 van start gaan. Dat werd gevierd met een feestweek in december.

Samen genieten

Zowel Jan als Anja zeggen veel te hebben geleerd van hun tijd bij De Schoudermantel. Jan: Je leert samenwerken, ook met mensen die je misschien niet zo mag, je leert om te gaan met alcohol, met agressie soms ook, maar vooral: samen genieten, samen lachen en samen huilen. Anja: En het leerde me ook een belangrijke levensles over de betrekkelijkheid van dingen. We hadden zo hard gewerkt en dat was in één nacht weg! Dat gevoel van betrekkelijkheid geeft me sindsdien een bepaalde rust. Toch heeft De Schoudermantel voor Jan en Anja niet meer wat het vroeger had. Jan: Het hoeft niet zo druk te zijn als vroeger, en met al dat bier. Eigenlijk is er nu weinig te doen voor de groep van 14-18 jaar, die nu bij elkaar komen in huizen of schuren. Anja vult aan: Ja, het zou mooi zijn als de jongeren uit deze dorpen net als wij vroeger weer allemaal bij elkaar zouden komen, op één plek.

Ook Sjaquo kijkt tevreden terug op zijn tijd bij het jongerenwerk. Het jongerenwerk in die tijd heeft mij veel levenservaring gegeven, die ik niet ergens anders had kunnen opdoen. Dat je weet hoe je zoiets samen organiseert, hoe je artiesten moet boeken, maar ook hoe je cement moet mixen… We waren trots op ons Jongerencentrum. Ook nu nog vind ik het belangrijk dat er een plek is waar jongeren al vroeg verantwoordelijkheid mogen dragen, en waar ze zelf dingen mogen organiseren waar zij de baas over zijn.

Meer over de trein

De treinkop in de grote zaal is jarenlang het boegbeeld en logo van De Schoudermantel geweest. De oorspronkelijke treinkop was een groene 50er jaren stoptrein, zoals die tot in de jaren 70 nog reden, afkomstig van een Mat46. Na de brand in 1985 is er een nieuwe treinkop gehaald. Die was afkomstig van een Blauwe Engel, de uitvoering DE2. Op de eerste treinkop, die helaas verloren ging bij de brand in 1985, stond een afbeelding van de LP hoes van Bob Seger, met paarden die door de zee rennen. Op de tweede treinkop, die nog altijd in De Schoudermantel prijkt, staat een LP hoes van Meatloaf en een afbeelding van de brandende Schoudermantel.

Quotes:

Rijndert van Scherpenzeel: Ik zelf heb altijd als medewerker meegewerkt en ik vond het leuk in de Schoudermantel!

Bart Koenraad: Ik heb me altijd met veel plezier bezig gehouden met de Schoudermantel. Ik denk dat we er allemaal een beetje volwassen zijn geworden. Mooie tijd!

Corrie van Gogh-Kok: Ik ben 16 jaar beroepskracht geweest in De Schoudermantel en de Dolfijn in Bunnik. Veel meegemaakt, maar een fantastische tijd gehad!

Piet Daalhof: Ik weet nog van de kraakactie, dat we de buitenwereld lieten denken dat we Dalenoord zouden kraken. Eén vrijwilliger is er zelfs ingetrapt, die stond bij de verkeerde boerderij….

Olaf van Gool: In 1987 ben ik voor het eerst over de drempel gekomen in de schoudermantel. Toen had je nog iedere zondag disco middag. Toen ik later vrijwilliger was zijn we ook begonnen met het maken van een praalwagen voor de carnavalsoptocht van Bunnik en Odijk. Het was een mooie tijd!

 

Wat gebeurde er tijdens de Tweede Wereldoorlog in ons dorp? Voor het project Oorlog in mijn dorp zoekt Cultuurplatform Bunnik lokale verhalen en spreekt met ooggetuigen.

Vandaag het verhaal van Albert Polman (79), oud-opzichter van Fort Rijnauwen in Bunnik. Albert werd op landgoed Rijnauwen geboren, toen de oorlog al een jaar gaande was. Met zijn ouders en vier zussen woonde hij in het huis met de rieten kap tegenover de ingang van Fort Rijnauwen. Zijn vader was boswachter en beheerder van tennispark Rijnauwen.

Fusilladeplek

‘Ons huis was in de oorlog niet gevorderd. Fort Rijnauwen werd wèl gevorderd door de Duitsers als munitieopslagplaats. Tijdens de oorlog lieten de Duitsers vrijwel niemand op het fort toe, maar na de oorlog bleek welke gruwelijkheden zich er hadden afgespeeld. Naar schatting zijn hier tussen de 54 en ruim honderd Nederlandse en Belgische verzetsstrijders gefusilleerd. Ook in de jeugdherberg verderop hadden Duitse officieren hun intrek genomen. Zelfs de tennisbanen waren in bezit van de Duitsers. De officieren sloegen graag een balletje op het tennispark, dat door mijn vader werd beheerd.’ 

Daar, niet ver van het hol van de leeuw, groeide de jonge Albert op in het boswachtershuis. In de oorlogsjaren gingen zijn oudere zussen gewoon naar school. Albert vermaakte zich in en rond het huis. Hoewel Albert jong was, kan hij zich nog momenten en verhalen van de oorlog herinneren.

Radio

‘Zo had mijn vader een radio verstopt in huis en dat was streng verboden. Poolse soldaten die voor de Duitsers moesten werken, kwamen hier door het open raam naar de Engelse radio luisteren. Hier verderop bij Tennisvereniging Rijnauwen had mijn vader in het verenigingsgebouw tussen de wanden een zender verstopt. Op een avond zag een officier een kastdeur in een van de dubbele wanden van het verenigingsgebouw openstaan en hij kreeg argwaan. Dagenlang werd mijn vader door de SS verhoord op het kantoor aan de Maliebaan in Utrecht. Gelukkig wist mijn vader ze van zijn ‘onschuld’ te overtuigen en werd hij weer vrijgelaten.’ 

‘Maar goed dat de Duitsers niks door hadden, want wat ze niet wisten was dat mijn vader waarnemend commandant van de ondergrondse Binnenlandse Strijdkrachten (BS) was. Hij sprak er zelf nooit over, maar ik hoorde het later van mijn oudste zus en mijn moeder. Ik herinner me wel de speciale banden om zijn mouwen. De Duitsers hebben de zender overigens nooit gevonden en deze kon dus in gebruik blijven om informatie uit te wisselen met de Engelsen, mogelijk over bombardementen van het spoor of wapendroppings.’  

Geweren

‘Wat mijn vader nou precies deed, weet ik niet. Maar ik weet wel dat er thuis geweren onder de divan lagen. Die geweren en munitie werden verdeeld. Munitie mocht je natuurlijk ook niet in huis hebben, maar mijn vader als boswachter en voormalig jachtopziener mocht dat nog wel. Op een gegeven moment zaten er Duitse soldaten binnen óp de bank terwijl de munitie er ónder lag. Ik herinner me het verhaal dat mijn vader op de fiets uit Zeist kwam met een karretje waarin geweren verstopt waren. Hij werd aangehouden door Duitsers die de weg vroegen en gaf ze een lift. Toen mijn opa bij het Tolhuis in Bunnik, waar hij woonde, mijn vader aan zag komen met de Duitsers schrok hij zich rot. Hij dacht: dit wordt zijn dood. Totdat bleek dat deze Duitsers geen idee hadden en gewoon uitstapten.’

Honger

‘Echt honger hebben we trouwens niet gehad. Mijn vader had een goed salaris en een groentetuin en als boswachter mocht hij overtallig wild afschieten, zoals duiven of konijnen. Het eten werd verdeeld onder de familie. Ook herinner ik me dat boer Van Oostrom die op boerderij De Prins woonde (nu restaurant Vroeg) van alles weggaf wat hij had.’

Bevrijding

‘Bunnik en Utrecht zijn mei 1945 door de Canadezen bevrijd. Wij woonden achteraf, dus ik heb er weinig van meegekregen. Ik herinner me wel dat alle kerkklokken luidden. In Utrecht kwamen de Canadezen via de Biltstraat de stad binnen en werd de bevrijding uitbundig gevierd, zo heb ik later op foto’s en filmpjes gezien. Mijn vader zal er best bij zijn geweest. De Duitsers in fort Rijnauwen en de jeugdherberg hebben plaatsgemaakt voor de Canadezen. Op het weiland achter huis De Eik aan de Vossegatsedijk verrees een groot NSB-kamp.’

‘Na de oorlog beheerde mijn vader als boswachter ook het terrein op fort Rijnauwen, waaronder de voormalige fusilladeplaats. Hij trof er 19 houten palen met kogelgaten aan, waar de verzetsstrijders aan vast werden gebonden. Tijdens de oorlog had mijn vader door het aantal schoten dat hij hoorde kunnen bijhouden hoeveel verzetsstrijders er waren gedood. Vanuit onze slaapkamers zagen we destijds de auto’s van de Duitsers aankomen. Vanaf de Gansstraat werden de verzetsstrijders naar de fusilladeplaats van Fort Rijnauwen gebracht en met een lijkauto werden ze weer weggevoerd.'

Monument

In de jaren 70 werd Albert opzichter van het fort Rijnauwen en werkte hij jarenlang voor Staatsbosbeheer. In die jaren zochten vele nabestaanden contact over hoe hun familie aan hun eind was gekomen. Van 54 personen is de identiteit achterhaald. Bij de executiepalen werd een gedenkmuurtje geplaatst ‘Opdat wij nooit vergeten.’ In 1985 is de klokkenstoel geplaatst en sindsdien vindt jaarlijks de dodenherdenking op het fort plaats. Albert Polman is er vaak bij geweest en hij woont nog steeds in zijn ouderlijk huis tegenover de ingang van het fort. 

De Kromme Rijn Concerten worden sinds 1996 gehouden in de prachtige Oude Dorpskerk te Bunnik, die wegens de akoestiek zeer geschikt is voor kamermuziek. 

Het initiatief voor KRC is in december 1995 genomen door de in Bunnik woonachtige klarinettiste Nancy Braithwaite. Zij nodigde een aantal Bunnikse liefhebbers van klassieke muziek uit om bij haar thuis te praten over het opzetten van een serie kamermuziekconcerten in de Oude Dorpskerk.  Daaruit is een enthousiast bestuur ontstaan met Pieter Moerenhout, voorzitter; Mart Kellermann, vice-voorzitter; Hanneke Cassuto, secretaris; Teus Koops, penningmeester; Bert van Ejjnsbergen, 2e penningmeester; Hennie de Bruin en Ida Knobbe.

Voorzitter Peter Moerenhout, leraar en zanger, ontplooide initiatieven op muziekgebied. Zo had hij reeds het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds opgezet, waardoor hij ervaring had opgedaan met fondsenwerving.

Dankzij de steun van Bunnikse bedrijven, de Gemeente Bunnik, de  BAM, landelijke subsidies, sponsoren en individuele giften, werden deze concerten, uitgevoerd door beroepsmusici, financieel mogelijk. 

Het Arto Ensemble, dat bestond uit twee echtparen, Nancy Braithwaite, klarinet en Oane Wierdsma, piano, plus Prunella Pacey, altviool en Guus Fabius, cello, zorgde voor de muziek samen met hun vele professionele muzikale vrienden. De naam ARTO is samengesteld uit de voorletters van de vier kinderen van de musici, Amarins, Rosina, Tsjalling en Otto. 

Het  “Introductie-Concert“ vond plaats op 19 mei 1996 in de Oude Dorpskerk te Bunnik en was met 80 bezoekers een groot succes. Er werden direct plannen gemaakt voor het eerste seizoen 1996-1997 met als thema “Gedenkjaar Schubert en Brahms”. Tijdens de eerste 10 jaar van KRC traden in de kamermuziek- concerten 35 gerenommeerde  gastmusici op samen met het Arto Ensemble. Daarnaast was er een jaarlijks barokconcert verzorgd door een daarin gespecialiseerd gezelschap.

Naast vertrouwde  componisten zoals Mozart, Haydn, Beethoven, Schubert, Brahms, Schumann, Dvorak, Debussy, Stravinsky en Bartok werden ook klankjuwelen van minder bekende componisten geprogrammeerd. Enkele voorbeelden daarvan zijn Arthur Bliss, Margot Wright, Heinrich Kaminski, Franz Lachner en Alexander Zemlinsky.  Tevens werden werken van de Nederlandse componisten Jan Pieterszoon Sweelinck, Alphons Diepenbrock, Hendrik Andriessen, Leo Smit, Henk Badings, Jan Koetsier, Ton de Leeuw en Willem Wander van Nieuwkerk uitgevoerd. 

Ter gelegenheid van lustrumvieringen nodigt KRC regelmatig hedendaagse componisten uit voor het schrijven van een kamermuziekwerk. Bij KRC zijn  hierdoor wereld-premières gegeven van composities van Thomas Oboe Lee, Willem Wander van Nieuwkerk, Roel van Oosten en anderen.

Na het overlijden in 2008 van pianist Oane Wierdsma, die ook tijdens de concerten op een interessante en humorvolle manier over de componisten en hun werken vertelde, is het Arto ensemble, met de inmiddels tot topartiesten uitgegroeide tweede generatie aan Arto familieleden uitgebreid; violiste Amarins Wierdsma (dochter van Nancy Braithwaite en Oane Wierdsma) en mezzo-sopraan Rosina Fabius (dochter van Prunella Pacey en Guus Fabius).  Naast optredens met hun ouders programmeren Rosina en Amarins tegenwoordig elk seizoen hun eigen concerten met leeftijdgenoten in onze serie. Vanaf 2016 treedt Amarins  Wierdsma jaarlijks in KRC op met haar Barbican String Quartet, dat  in 2019  de eerste prijs in de Joseph Joachim Chamber Music Competition te Weimar won. Rosina Fabius, die in 2018 de Toonkunst Oratorium Prijs won tijdens de finale van het Internationaal Vocalisten Concours in Den Bosch, brengt regelmatig andere vocalisten naar Bunnik. 

Sinds 2011 vindt er elk seizoen een jong talent concert plaats dat regelmatig  wordt verzorgd  door de Fancy Fiddlers, een strijkersensemble van kinderen in de leeftijd van 6-18 jaar o.l.v. de vermaarde vioolpedagoge Coosje Wijzenbeek, bij wie Arto ensemble violiste Amarins Wierdsma ook in haar jeugd heeft gestudeerd. 

Vanaf  het tweede seizoen zijn in de Witte Huisjes achter de kerk, voorafgaand aan de concerten inleidingen gegeven door muziekdocenten Alice van Rossem en Paul van der Reijden. KRC begon ook met lessen aan kinderen op de basisscholen in de gemeente Bunnik over de concertprogramma’s. De kinderen en hun volwassen begeleider hadden gratis toegang tot de zondagmiddag concerten. Enkele generaties kinderen in de gemeente Bunnik hebben op deze manier kennis gemaakt met klassieke muziek. Tijdens de pauze komt het publiek samen voor een drankje in de Witte Huisjes. De concerten zijn een  ontmoetingsplek voor muziekliefhebbers uit de regio.  

Dankzij de inzet  van talloze vrijwilligers, de musici en  bestuursleden, die anno 2021 bestaan uit Kees de Pee, Hans Flipse, Vera Van Brande en Ruth van Houte, is KRC na 25 jaar springlevend. Onze missie is onveranderd om concerten van hoog niveau voor het Bunnikse  publiek te verzorgen.

 

De familie De Pesters

'Lieve Heer Hertog!    Lieve Heer Oom!     Wat zulkse Luy niet van mij maken!'

Toen Jan en Willem Nicolaas Pesters in de jaren na 1780 door de Patriotse pamfletten 'in het nieuws' kwamen, hadden zij reeds een bijna 30 jarige regeringsperiode achter de rug. Uit dat tijdperk was het meest vermaard de oprichting van een 'Correspondentie' in de stad Utrecht door Willem Nicolaas Pesters in 1759. In datzelfde jaar werd de voogdijregeling van kracht, die na de dood van de Gouvernante Anna de Stadhouderlijke bevoegdheden moest bewaren voor haar minderjarige zoon, Prins Willem V. Jan Pesters was bij de totstandkoming van de voogdijregeling nauw betrokken; Willem Nicolaas onderwierp de Utrechtse vroedschap aan zijn wil op het moment dat de voogdijregeling in werking trad; zou de betekenis van de heren Pesters niet daarin gelegen kunnen zijn dat zij stad en gewest Utrecht in de periode 1759-1766 in het stadhouderlijke vaarwater hielden? 

P. Geyl: 'Men denke zich eens in de geest van de regentenstand van de landprovincies in, die daar zeven jaar lang van het ongedacht fortuintje van hun vrijheid genieten om dan op de gestelde datum, als Assepoester op de klokslag van twaalf, in de vergulde knechtschap van de regeringsreglementen terug te keren.'

Maar, betekende de meerderjarigheid van Prins Willem V voor Utrecht wel een terugkeer in 'de vergulde knechtschap der regeringsreglementen' of, was het gewest wel uit de 'knechtschap' ontslagen geweest? Het bewind van de heren Pesters duurt ononderbroken van omstreeks 1752 tot het einde van de eeuw. Het was onveranderlijk Stadhoudersgezind en de periode 1759-1766 vormt daarop geen uitzondering. 

De continuïteit van het Stadshouderlijk bewind na 1747 is altijd min of meer als een vanzelfsprekendheid aanvaard; in werkelijkheid was zij de vrucht van een weloverwogen beleid, zegt K. Potjewijd in 1968 in 'De betekenis en de oorsprong van de positie van Jan Pesters en Willem Nicolaas Pesters in Utrecht in de 18e eeuw tot slot. Voor Utrecht kan zelfs de periode 1759 - 1766 niet als een 'stadhouderloos Tijdvak' beschouwd worden. In hoeverre dit met de andere Gewesten wel het geval is zal onderzocht moeten worden. 

Hoe het begon ...

De familie De Pesters had in de tijd van de Republiek van de Verenigde Nederlanden al een ‘Prinsgezinde’ traditie. Aan het begin van deze traditie staat Mr. Johan Pesters 1620-1703, geboren in Maastricht. Hij onderhandelde in 1674 namens Stadhouder Willem III met de comte d’ Estrades, afgevaardigde van de Franse koning, die het toen samen met de koning van Engeland, gemunt had op de ondergang van de Republiek. Johan Pesters behoort sindsdien tot de naaste medewerkers van de Stadhouder-Koning. Johan Pesters en zijn vrouw Maria Ghijsen (1637-1713), burgemeestersdochter, krijgen 6 kinderen. In 1674 verlegt hij zijn domicilie naar Utrecht. Burgemeesters en vroedschap verlenen Johan Pesters en zijn gezin bij resolutie van 15 december 1678 het burgerschap van de stad. In 1682 verwerft hij de Heerlijkheid Cattenbroek, gelegen tussen Bunnik en Zeist. Nazaten zullen daar, op het landgoed De Niënhoff, tot in de 20e eeuw verblijf houden. 

Johan Pesters(1620-1703) koopt in 1674 van de Staten van Holland een hofstede en landgoed De Niënhoff. Hij mocht zich Heer van Cattenbroeck noemen. De boerderij wordt een herenhuis ten tijde van deze Johan Pesters, want er is in 1681 op de muurijzers van de boerderij  sprake van een verbouwing van de boerderij. In februari 1703 is hij in de Kloosterkerk in Den Haag begraven. 

Na de dood van Johan Pesters dient ook zijn zoon Jacob (1662-1739) het Huis van Oranje als Raad en Rekenmeester der Domeinen van wijlen prins Willem III. Jacob Pesters en Catharina van Beaumont krijgen één zoon Jan. Er speelde een afwikkeling van de erfenis van de Stadhouder-Koning. De werkzaamheden van Jacob Pesters vallen in de tweede Stadhouderloze periode. Gedurende deze periode raakt Jacob Pesters in een proces verwikkeld met ook een politieke achtergrond. Het gaat om een proces, dat gevoerd is in een tijd dat men in Den Haag leden van de Stadhouderlijke familie ‘met de nek aankeek’ 1 

Wie de in 1735 op last van het Hof van Holland gedrukte processtukken doorkijkt, vindt daarin veel elementen die in een opera buffa niet zouden misstaan. De aanleiding is vervat in het volgende fragment uit de aanklacht d.d. 30 mei 1727:

‘En het is conform aan de waarheid dat, juffrouw De Win in het voorjaar van het gepasseerd jaar 1726 eenigen tyd by haar goed vrienden tot Utrecht gelogeert geweest synde, in de Geselschappen of Assemblées, soo als men die noemt, sig ook wel den meesten tyd hadde laten vinden den Persoon van Jan Pesters. En dat eenigen tyd daarna was gedivulgeert mogelijk en wel aparentelijk door Jan Pesters die tenminste door syne conduites ende voorgeven daartoe aanleiding hadde gegeven als hebbende gedebiteerd dat hij verscheyde presenten presentselijk aan Juffrouw de Win soude hebben gedaan, dat er tussen Juffrouw de Win en Jan Pesters eenige familiariteiten souden wesen gepasseert dewelke tot desavantage van Juffrouw de Win strekten.’ enz..

Zoon Jan, van Jacob Pesters, wordt in 1736 bij het vonnis ‘Uit de provinciën van Holland, Zeeland, Utrecht en West-Friesland gebannen voor het leven’. De vader wordt ten naaste bij ter dood veroordeeld. Hij wordt ‘met het zwaard over het hoofd’ gestraft, een symbolische terechtstelling die blijkbaar ook in de 17e eeuw in zwang was. 

De brieven van Jacob aan zijn zoon Jan: 

'Le porteur de cette carte vous dirai l'etat ou je fuis, qui ne me permet pas de vous en dire d'avantage. (De drager van deze kaart zal je vertellen in welke staat ik vlucht, waardoor ik je niet meer kan vertellen.) 24 februari 1730

Tegen de veroordeling van de vader gaat dan zijn broer Mr. Willem Pesters in beroep. De volgende zinsnede uit zijn Request werpt op de gang van zaken een merkwaardig licht; in oktober 1734 is Jacob Pesters in verzekerde bewaring gesteld. Willem Pesters schrijft in zijn Request: 

‘Dat ter zelfder tijd alle syne effecten en papieren ten overstaan van Heeren Commissarissen van den Hove versegelt syn.’ 

Mr. Willem Pesters schrijft verder in zijn request dat vervolgens na het verhoor van zijn broer …

‘ 2 Heeren Commissarissen van den Hove, en somstijds één alleen present synde, geassisteerd met den Procureur Generaal en de Griffier van den Hove, eenige dagen aan den anderen ten Huyse van den gedetineerde, sonder dat iemand vanwege den gedetineerde of van desselfs familie present is geweest, alles weder hebben ontsegelt, veele papieren geëxamineert en ook verscheyde meegenomen.’ 

Brieven tussen Jacob Pesters, zijn zoon Jan Pesters en andere personen. 3 en 4

Jacob Pesters is door zijn broer op deze manier van het schavot gered. Jacob en zijn vrouw, overlijden beide te Den Haag, hun zoon Jan sterft in 1781 in Parijs, ongehuwd. 

De derde zoon van Johan Pesters Mr. Nicolaas Pesters (1671-1723) is lid van de Vroedschap; als zodanig werkte hij ook mee aan de voorbereiding van het Vredescongres dat in 1712-1713 in Utrecht gehouden werd.

Het succes van de Vrede van Utrecht was mede te danken aan de gelijkwaardige behandeling van overwinnaar en overwonnene en het grote belang dat werd gehecht aan het behoud van het machtsevenwicht. Het verdrag markeerde ook het einde van de Republiek als grootmacht, geïllustreerd door de woorden van de Franse onderhandelaar Melchior de Polignac; Nous traiterons sur vous, chez vous, sans vous ('Wij onderhandelen over u, bij u, zonder u'). Bijzonder aan deze historische gebeurtenis was dat de anderhalf jaar durende onderhandelingen omlijst werden door kunst- en cultuuruitingen.

In 1723 komt Nicolaas Pesters te overlijden, zijn vrouw achterlatend met twee minderjarige zoons: Jan (Jean) Pesters (1716-1797, en Willem Nicolaas Pesters (1717-1794). 

Deze 2 kleinzoons van Johan Pesters hebben de zaak van de Stadhouder in de provincie Utrecht, gedurende de tweede helft van de 18e eeuw, trouw gediend. De ‘Prinsgezinde’ broers krijgen in stad en gewest Utrecht na 1752 overwegende invloed en halen zich de haat van de Patriotten op de hals. Patriotse pamfletschrijvers beschuldigen twee broers Pesters. 5

Mr. Jan Pesters

Omdat mr. Jacob Pesters een verbannen zoon heeft gaat de titel Heer van Cattenbroek naar zijn neef Jan. 6

Het huwelijk van Jan met Adriana Everardina Godin (1737-1795) heeft plaats in de zomer van 1747 in Bunnik, en enige maanden na het herstel van het Stadhouderschap in het gewest Utrecht. De verbintenis met één van de eerste magistraatsfamilies uit de stad Utrecht is voor de familie Pesters zeker van belang geweest. Een reactie van een tijdgenoot, als de anti Pesterse pamflettencampagne in 1782 losbarst geeft duidelijk aan. ‘dat die luyden daerdoor soo eene vlak hadden gekregen, dat sij nog haar jongens, nog meisjes seer gemakkelijk konden uittrouwen.’ Deze opmerking kan alleen maar betrekking hebben gehad op de kinderen van Jan Pesters. Zijn broer Willem Nicolaas Pesters heeft slechts één zoon gehad, en deze was in 1774 al getrouwd. Daarentegen had Jan in 1782 twee huwbare dochters en twee zoons die nog niet getrouwd waren. Eén van die zoons van Jan is Willem Nicolaas Pesters (1754-1831), achterkleinzoon van Johan Pesters, die in 1813, bij het vertrek van de fransen en de terugkeer van Oranje, in Utrecht behoort tot de mannen van het eerste uur. Hij bekleedde geen functies tijdens de ‘Franse tijd’. Maar als de Prins van Oranje uit Engeland terug komt, wordt de familie Pesters weer in genade aangenomen hetgeen resulteert in de toekenning van het predicaat ‘Jonkheer’, in 1814. Jan zelf zal in 1795 onder de druk van de omstandigheden uit de bediening van zijn verschillende ambten treden. Na ruim anderhalf jaar zal hij de inval van de Fransen overleven. In 1796 overlijdt hij op de Niënhoff. 

Zijn broer Mr. Willem Nicolaas krijgt ook te maken met de pamflettenmachinerie. Hij wordt beschuldigd van een anti-Stadhouderlijke gezindheid. Maar Willem Nicolaas Pesters weet het vertrouwen van de Stadhouder te winnen en te behouden. Zijn invloed op het Utrechtse stadsbestuur wordt voelbaar in 1752, en in 1759, als na de dood van de gouvernante de voogdijregeling ten behoeve van de minderjarige Willem V in werking komt krijgt hij macht in de stad. In de steden, zoals in Utrecht, bestond het college, de vroedschap, uit regenten met een wetgevende macht. De regenten tekenen een overeenkomst waarbij hun families zich verzekeren van plaatsen in de vroedschap. Aan het hoofd van die ‘Correspondentie’ staat in het midden van de 18e eeuw Willem Nicolaas Pesters; sindsdien is zijn macht in de stad Utrecht nagenoeg onbeperkt. In 1766 wordt Willem Nicolaas Pesters door Keizer Jozef II verheven tot Rijksbaron van het Heilige Roomse Rijk. In 1753 was hij in het huwelijk getreden met Isabella van Westreenen. Zodoende wordt Willem Nicolaas Pesters verwant aan mr. A.F. Godin, die toen Burgemeester van Utrecht was. Het is bekend dat in de jaren na 1780 ook in de stad Utrecht door de Patriotten sterk geageerd is tegen de bevoegdheden van de Stadhouder. Willem Nicolaas Pesters werkt eraan mee om in de jaren 1759-1766 de Stadhouderlijke bevoegdheden te bewaren; na de meerderjarigheid van Prins Willem V in 1766 blijft zijn invloed in de Stad Utrecht even groot als zijn Stadhouderlijke gezindheid; het is duidelijk dat de kritiek van de Patriotten hem niet bespaard kon blijven; in 1782 barst  een lawine van anti-Pesterse pamfletten los. Genoemd moet worden: ‘Biographia Ultrajectina of Gulde Legende van de Stichtse Sinterklaas’. In de figuur van Pesters wordt het Stadhouderlijk regiem, met name zoals dat verankerd lag in het Regeringsreglement van 1674, aangevallen. De pamfletschrijvers spuien tegelijkertijd aantijgingen van persoonlijke aard. Inmiddels komt aan de patriotten-activiteit in 1787 een abrupt einde. Willem Nicolaas werd door een beroerte getroffen; in november 1794, twee maanden voor de inval van de Franse revolutionaire legers op het gebied van de Republiek, overlijdt hij aan de gevolgen ervan op zijn buiten, de ‘Wulperhorst  onder Zeist.  

De lijn gaat door van Jan Pesters naar zijn zoon Willem Nicolaas Pesters (1754-1831).  

Lieve Heer hertog!   Lieve Heer Oom!    Wat zulkse Luy niet van mij maken!

Deze woorden worden in de ‘Gulde Legende’ in de mond gelegd van de zoon van Jan Pesters, (1716-1796). Als hij in 1754 geboren wordt is de invloed van zijn vader in het College van Geëligeerden en die van zijn oom Willem Nicolaas in de Stad Utrecht al gevestigd. Sedert 1774 maakt Mr. Willem Nicolaas Pesters deel uit van de Vroedschap van de Stad Utrecht; vanaf 1781 heeft hij ook zitting in het College van Geëligeerden; in 1782 volgt zijn benoeming als Gecommitteerde ter Staten-Generaal voor het gewest. Door de Patriotten wordt Mr. Willem Nicolaas Pesters als Prinsgezind gedoodverfd; een genuanceerd beeld van zijn houding in die voor de stad utrecht zo bewogen dagen kan hier niet gegeven worden. 

De gebeurtenissen in het jaar 1795 maken aan de twintigjarige politieke activiteit van deze regent een voorlopig eind. De volgende twintig jaar zal Mr. Willem Nicolaas Pesters op zijn buiten doorbrengen, in Bunnik, zonder een actief aandeel te hebben in de vele transformaties die het oude gebouw van de Republiek der Verenigde Nederlanden tussen 1795 en 1813 moest ondergaan. Wanneer echter op 29 november 1813 de franse troepen de Stad Utrecht ontruimen en op diezelfde dag een provisioneeel bestuur voor stad en gewest wordt gevormd, vinden wij Willem Nicolaas Pesters weer actief; op 30 november 1813 wordt hij gekozen tot President van het Provisioneel provinciaal bestuur. 7 

Een lang leven is deze bestuursvorm niet beschoren; in Den Haag oordeelt men het beter de zaken nog even ongewijzigd te laten. Utrecht bleef dus deel uitmaken van het Departement van de Zuiderzee. In maart 1814 zal hierin verandering gebracht worden. 8 

De ‘Souvereine Vorst’, later Koning Willem I, belast Mr. Willem Nicolaas Pesters nu met de bevoorrrading van de vreemde troepen die de Franse legers op hun terugtocht achtervolgen; een even moeilijke als ondankbare taak. In de nieuwe Staten-Generaal, waarin de Grondwet van Maart 1815 voorzag, vertegenwoordigt Mr. Willem Nicolaas Pesters met twee anderen de provincie Utrecht. Koning Willem I verheft in 1816 Mr. Willem Nicolaas Pesters en zijn wettige nakomelingen in de Nederlandse Adelstand met de titel van Jonkheer. 9 In 1856 wordt de familienaam Pesters gewijzigd in De Pesters. 10

Aan het einde van de Langstraat in Bunnik bevindt zich woongemeenschap De Kamp. Ter gelegenheid van het 30 jarig bestaan in 2015 werd de geschiedenis van de Woongemeenschap De Kamp beschreven in een boekje . De geschiedenis van De Kamp vóór 1985 werd slechts summier beschreven. In dit stukje meer over de voorgeschiedenis.

Volgens de registers van het oudschildgeld  was in 1536 de heer Van Gaasbeek de eigenaar en Dirck Claesz de gebruiker van wat nu De Kamp is. Ergens tussen 1536 en 1566 kwam het in bezit van de heren en vrouwen van Beverweerd. Dat blijft zo tot 1763 wanneer het huis, bakhuis en berg en omtrent 422 roeden boomgaard voor een bedrag van fl. 325,- verkocht worden aan Jacob Schuts. In 1772 kocht Jan Pesters de grond en de bebouwing, en in 1782 koopt hij de erfpachtcanon af. In deze familie blijft het dan tot 1957. De laatste boer, Teunis Lokhorst, kocht De Kamp toen van Harmanna Bonificia Aleida Conringh Roessingh, de weduwe van Gerhard Jacob IJssel de Schepper. In 1978 verkocht de weduwe van Teunis alles aan een projectontwikkelaar. Die deed er niets mee, en in 1985 werd alles verkocht aan de Woongemeenschapp De Kamp.

De grond waarop De Kamp stond verwisselde in de loop der eeuwen dus maar een paar keer van eigenaar. De bebouwing erop was van de pachters. 

In het boekje over De Kamp staat dat de eerste bewoner en eigenaar waarschijnlijk Cornelis Teunisz van Rooyen heette. Dat is niet juist. Hij was zeker niet de eerste bewoner. 

De eerste pachter waarvan wij de naam weten is Dirck Claesz. Dit was een van de grootste pachters in Bunnik destijds, alhoewel hij ook veel grond in eigendom had. Hij woonde waarschijnlijk op De Brakel. In 1536 wordt hij genoemd als pachter van een halve morgen land aan het einde van de Langstraat. Hindrick Dircksz volgde hem op. Waarschijnlijk was dit zijn zoon, maar dat is niet geheel zeker. Deze Hindrick Dircksz was in 1599 nog steeds de pachter. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Dirck Hendricks.

Voor 1648 werd Cornelis Teunis van Rooyen pachter. Zijn dochter Jannigje Cornelis van Rooyen nam de huur daarna over. Ze was in 1695 getrouwd met Claas Hendrikse op de Laar, ook wel Claas op het kampje genoemd. Claas en Jannigje werden opgevolgd door dochter Maria van Laar.

Daarna volgt een reeks van kettinghuwelijken: dat zijn huwelijken waarbij een weduwe opnieuw trouwt, haar weduwnaar trouwt ook weer enzovoorts.

Maria van Laar trouwde in 1732 met Jan Zegersz van Herpen. Na Maria’s overlijden hertrouwde Jan  in 1750 met Jannigje Cornelisdr van de Leemkolk. Toen Jan Zegersz overleed, hertrouwde zijn weduwe met Barent Hensman. In 1763 verkochten ze hun huis aan Jacob Schuts, een rijke koopman uit Utrecht. 

In 1772 werd alles verkocht aan Jan Pesters. Hij kocht de bebouwing, en hij kocht de erfpachtcanon in 1782 af. Vanaf dat moment was hij dus volledig eigenaar van zowel de grond als de bebouwing die erop stond. 

De pachter na Barent Hensman en Jannigje Cornelisdr van de Leemkolk was Gerrit Janse van Beek, getrouwd op 13 mei 1760 met Catharina van Schaik. Vanaf augustus 1772 was Willem Dirksze van ’t Nederend de pachter. Hij werd begraven op 15 mei 1798, en bij de aantekening van zijn begrafenis staat er bij dat hij woonde op De Kamp. 

Van 1796 tot 1818 woonden Hendrik Breeschoten en zijn vrouw Dirkje de Greef op De Kamp. Daarna neemt een familie Van Schaik het over: eerst Arie van Schaik, en daarna zijn zoon en dochter Jan en Petronella. Zij bleef als laatste over, en overleed uiteindelijk in 1901. Eerst neemt Reijer Lokhorst de pacht over, en daarna zijn zoon Teunis Lokhorst. De boerderij was inmiddels helemaal vervallen, en een nakomeling van de familie De Pesters besluit een nieuwe boerderij neer te zetten. Die nakomeling was op dat moment Gerhard Jacob IJssel de Schepper, zoon van Carolina Elisabeth de Pesters, kleinzoon van Jan Everard de Pesters en Jacoba Margaretha van Hengst. 

Lokhorst woonde er overigens niet alleen. Uit het kadaster blijkt dat er verschillende dienstboden en knechten op de boerderij woonden.

Als laatste bijzonderheid over De Kamp de naam. Uit de rekeningen van de rentmeester van Beverweerd blijkt dat het enige stuk land wat Beverweerd had rond 1710 in het gerecht Bunnik De Kamp was. Uit de rekeningen van Beverweerd  blijkt dat het land waarop toen Jan Zegersz van Herpen woonde niet De Kamp heette, maar het “goet ten Rijn” . Hij en later zijn weduwe moesten 12 gulden erfpachtcanon betalen aan Beverweerd. Later werd dit 14 gulden.

Nu is er natuurlijk ook het “goed ten Rijn” zoals we dat tegenwoordig kennen, liggende in Vechten. Hierin is nu de keuken van restaurant de Veldkeuken gevestigd. Dit kan niet hetzelfde zijn als het “goet ten Rijn” uit de rentmeestersrekeningen. Het goed ten Rijn te Vechten was minimaal vanaf 1418 een achterleen wat het huis Rijsenburch te leen had van het huis Beverweerd . Het goed Ten Rijn in Vechten was in 1802 in het bezit gekomen van Jan Balthasar Strick van Linschoten en was ruim 51 morgen groot. Dat is een heel andere orde van grootte dan het huisje van Jan Zegersz van Herpen van een halve morgen. De bewoners van het goed ten Rijn in Vechten tenslotte waren in 1750 Steven van Rijn en zijn eerste vrouw Christina van Vechten.

We moeten dus aannemen dat De Kamp aan het einde van de Langstraat eerst het “goet ten Rijn” heette, en pas later De Kamp.

Op 5 mei herdenken we elk jaar de tweede wereldoorlog. Wat gebeurde er tijdens de Tweede Wereldoorlog in ons dorp? Voor het project Oorlog in mijn dorp zoekt Cultuurplatform Bunnik lokale verhalen en spreekt met ooggetuigen. 

Jean de Greeff, oud-boswachter van de Niënhof in Bunnik, vertelt over zijn kinderjaren. Jean werd in 1939 geboren op het landgoed De Niënhof, waar zijn familie generaties lang zorg draagt voor het beheer.

Jean groeide tijdens de oorlogsjaren op in het witte huis aan de Grote Laan, niet ver van de vijver bij de ingang van het landgoed. Deze koetsierswoning maakte oorspronkelijk deel uit van het herenhuis van de familie De Wetstein Pfister, met 64 kamers en de allure van een kasteel, dat in 1927 grotendeels was gesloopt.

,,Wij waren met zes kinderen, later groeide ons gezin uit tot elf kinderen. Ik was de middelste. Al vroeg in de oorlog werd een deel van ons huis gevorderd door de Duitsers, die tenslotte vlakbij zaten op Fort Rijnauwen. Ze vielen gewoon ons huis binnen en pikten de mooiste kamer in. Overdag zaten wij in de keuken. Boven hadden mijn ouders een slaapkamer met de meisjes. Wij sliepen als jongens allemaal op zolder. In de rest van het huis zaten de Duitsers.

In het begin waren er soldaten in groene pakken, die waren nog wel aardig. Later kwamen de soldaten in de zwarte pakken, dat waren de SS’ers. Mijn moeder stak niet onder stoelen of banken dat ze moeite had met de Duitsers in haar huis. Als voormalig lerares sprak ze prima Duits en andere talen. Over de Grote Laan kwamen vaak stadse mensen of Roma met paard en wagen langs op zoek naar eten. Mijn moeder gaf al haar voedselbonnen weg, behalve die voor suiker.

Achter ons huis lag een boerderij, waardoor wij genoeg te eten hadden. Boer Blitterswijk deelde melk met ons en als mijn vader een konijn schoot deelde hij dat weer met hen. Ik ben opgegroeid met de konijntjes. Het waren er duizenden, een plaag. We ruilden konijntjes voor een knipbeurt bij de kapper. Toen de jonge zoon van Blitterswijk met de soldaten mee moest voor de Arbeitseinsatz wist mijn vader dit te voorkomen, omdat hij nodig was op het land.

Gijzelaar

Vanaf een jaar of drie ging ik naar de nonnenschool in het klooster op de plek waar nu Bunninchem staat. Ik herinner me punniken en prikken bij zuster Lidwiena. Na schooltijd speelden en hielpen we op de boerderij. Er was altijd wat te doen: eieren rapen, graan binnenhalen, op het paard zitten, prachtig. Iedereen noemde me John, want Jean konden ze niet uitspreken. Er speelden ook Joodse meisjes mee. De Duitsers liepen er ook, maar hadden er geen erg in. Na de oorlog waren de meisjes weer weg. Toen hoorde ik dat ze ondergedoken zaten op de boerderij.

We speelden ook regelmatig met de kinderen van burgemeester Van de Weijer, die in het witte huis verderop aan de Grote Laan woonde. Ook dit huis was gevorderd door de Duitsers. Ze waren veel rijker dan wij en hadden een soort nanny die voor de kinderen zorgde. Van de Weijer maakte een ondergronds blaadje met oorlogsberichten, dat stiekem in de bus werd gedaan. Mijn ouders lazen het ook." Van de Weijer moest als burgemeester weg en is door de Duitsers samen met honderden andere notabelen als gijzelaar jarenlang vastgezet in Kamp Beekvliet in Sint-Michielsgestel.

Parachutisten

,,Ik herinner me dat er wel eens parachutisten bij ons op zolder sliepen. Ze spraken Engels, dat weet ik nog. En dat terwijl de Duitsers in ons huis zaten. Ook was er een schuilkelder bij de fundamenten van het gesloopte herenhuis naast ons. Bij een razzia of controle hebben zich hier mensen verstopt. Er zaten ook onderduikers, hoewel ik ze zelden zag. Ik herinner me ook dat er wel eens mensen boven in de schuur tussen het hout zaten. Toen tijdens een controle de Duitsers de ladder opkwamen, lukte het ze gelukkig om stil te blijven zitten. Ze zijn niet ontdekt, maar het was heel spannend.

Het fijne weet ik er niet van. Mijn vader heeft er nooit over gesproken. Maar ik ben er wel van overtuigd dat er iets heeft plaatsgevonden. Ik had er na de oorlog misschien meer naar moeten vragen. De oorlogsjaren hebben mijn vader zeer aangegrepen. Hij overleed begin jaren 60 onverwacht aan een hartinfarct toen ik 24 jaar was. Toen ik zijn werk overnam, vertelden vrienden van hem me over de oorlog. Ze spraken over een soort lijn naar De Biesbosch waar Engelse piloten in het geheim langs werden gevoerd. Mijn vader zou er samen met een landeigenaar en zoon van de politie onderdeel van zijn geweest. Landgoederen zijn geschikte verstopplekken.

Bevrijding

Mijn grootste herinnering is het hoge water aan het eind van de oorlog. De Duitsers hadden op de vlucht de waterlinie in gebruik genomen. De Grote Laan en alle weilanden stonden onder water. Ik moest op blote voeten naar de nonnenschool. Wat ook veel indruk maakte, was dat de Duitsers de paarden van onze buurman wilden hebben om te vluchten. Het ging er hard aan toe. Toen ik als 6-jarige zag dat de oude boer klappen kreeg, werd ik verschrikkelijk kwaad en ging mijn moeder halen. Zowel de paarden als het tuig waren verstopt onder de Douglassparren in het bos. Ze zijn niet gevonden. Naderhand heb ik de buurman geholpen ze weer terug te halen.

Kort voor de bevrijding kwamen er honderden vliegtuigen over. Het was een groot geraas. Ik stond op bed uit het dakraam te kijken naar alle lichtjes. Er is nog een vliegtuig naar beneden geschoten, dat lang naast het huis heeft gelegen. Ook waren er voedsel droppings. Ik heb nog zo’n groot voedselpakket zien liggen op de Rijnoever met allemaal mensen eromheen. Wij kinderen verzamelden de stroken zilverpapier die ook door de vliegtuigen werden uitgestrooid. Eerder al kregen we het Zweedse wittebrood, wat een traktatie!

Van de bevrijding herinner ik me de tanks op de Grote Laan met de Canadezen. Voor mijn vader ruilden we eieren voor sigaretten. En wij kregen kauwgom, dat was een belevenis. De kerkklokken luidden overal. Mijn moeder gaf al haar kinderen een zilveren dubbeltje met Wilhelmina, ik heb het nog steeds. Na de bevrijding mochten we weer spelen in het hele dorp en hoefden we geen rekening meer te houden met spertijd. In deze tijd van corona is het ook alsof er een schot is gelost. Er vallen doden en mensen zijn minder vrij. De pandemie maakt voor jongeren een beetje invoelbaar hoe het is om minder vrijheid te hebben."

Huis Burbank

Vanaf 1950 tot eind jaren 60 woonde mijn familie in het houten huis aan de Vrumonaweg. Twee honderd meter er vandaan lag het bedrijf van familie Van Koeveringe. Ik was 5 jaar oud toen ik begon met die plek regelmatig te bezoeken; er was altijd wel iets dat mijn aandacht trok daar, in 1959.

Het huis waarin de familie Van Koeveringe woonde, een villa, was groot. Gelegen aan de Schoudermantel nummer 6, geschilderd in wit, met een grote tuin erom heen en op de achtergrond die grote garage. Op de voorgevel stond het woord “Burbank”.  Nou had ik zo mijn eigen opvatting als 6 jarige over wat dat woord betekende. In het Bunnikse jargon betekent “beuren” of “geld beuren” het verdienen van geld. Dus ik vond mijn eigen definitie van dat woord als zijnde “een bank waar veel geld te verdienen was of veel geld was”.

Er moest op de een of andere mysterieuze manier daarbinnen veel geld te vinden zijn waar niemand ooit zijn handen aan kon krijgen. En dat beeld paste precies bij de oude Van Koeveringe. Hij was ongeveer 1,80 meter hoog, rookte vaak een sigaar en kon voor langere tijd verdwijnen om dan weer plots en victorieus in een van zijn Amerikaanse limousines het pad voor het huis op te rijden, kennelijk na een succesvolle business deal.

Het was pas later dat ik begreep wat Burbank betekende, een stad nabij Los Angeles.

Tot 1960 was Van Koeveringe eigenaar van een 100 meter lange broeikas. En daarbinnen groeiden perzikplanten. Die broeikas stond tot ongeveer 10 meter van ons huis. En er waren constant mensen bezig om alles op orde te houden. Speciaal in de lente en zomer maanden was de temperatuur daarbinnen niets minder dan tropisch! En de geur van perzikken bloesem was betoverend. En die perzikken waren de beste.

Van Koeveringe had vijf kinderen. Twee dochters, Zus en Wilma, en Kees, Ad en Rene.

Zus had de gewoonte om in een van de limousines, een Desoto, te springen voor wat boodschappen in het dorp. Een van mijn zussen was zo gelukkig om regelmatig met haar mee te rijden het dorp in of zelfs naar Zeist of Utrecht. Karin verdween zichtbaar als kleine meid achterin die immense ruimte van de Desoto waarmee Zus Van Koeveringe vol gas en met opspringend grint van het erf afreed.

Ad en Kees Van Koeveringe waren bekend in het dorp voor een ding alleen: ze reden races op een 50cc motorbike. Kees, 19 jaar en Ad, 17 jaar oud, hadden zelf de racer in elkaar gezet, compleet met een JLO block en een immense carborateur. En op een koele avond in de zomer konden ze plotseling zo maar opdagen met dat ding, aan het begin van de asfaltweg naar de Vrumona. Op volle snelheid ging die over 120 km/uur en vloog als een mechanische mug over de weg, blij dat ie eindelijk weer eens op volle toeren kon draaien. Kees heeft er zelfs de TT in Assen mee gereden.

In de grote garage werkte een sleutelaar genaamd Co de Ridder. Hij woonde pal aan de overkant van de Schoudermantel. Ik heb hem nooit zonder olie of smeer op zijn gezicht en handen gezien. Co was een nog al zwijgzame mechanicien maar hij had ook andere kanten. Zo kon hij, ter afleiding, in een oude USA Army Jeep stappen, die ergens in de grote garage geparkeerd stond, om dan met volle vaart tussen de bomen van de appelboomgaard achter de garage te gaan racen. Hij nodigde mij eens uit voor zo`n wildwest toer en ik kan me nog goed herinneren dat ik me aan alles wat vast zat beet hield, alsof mijn leven ervan afhing. Dat allemaal in 1960.

De firma Van Koeveringe had ook een benzinepomp, de mooiste in het dorp. Met een 10 meter hoog Caltex reklamebord dat, wanneer het donker was, oplichtte en van verre te zien was. Wilma zat vaak in het piepkleine kantoortje bij de pomp om aankomende klanten meteen te helpen met benzine, olie, etc. Het was daar dat ik vaak de populaire muziek van toen over de transitorradio hoorde, Elvis! Dat maakte het hele plaatje volledig; voor mij als grote kleuter was de firma Van Koeveringe een Amerikaans universum in het midden van een klein, Nederlands dorp.

Een unieke plek bij het dorp Bunnik is Vechten. Hier bouwden de Romeinen een versterking, het castellum Fectio, de oudste versterking in Nederland. Hoe zag het leven eruit van een Bataaf in dienst van de Romeinen in en rond een Romeins castellum, en hoe stond hij tegenover de Romeinen waarmee hij samenwerkte? Speuren naar sporen van dit Romeins verleden is geluk hebben. In dit rivierengebied zijn deze bewaard gebleven onder een dikke kleiaag. Wanneer er een droge zomer voorkomt worden contouren zichtbaar, zoals in 2003 ...

Via luchtfoto’s is rond het Romeins castellum in Vechten veel zichtbaar geworden. Het zijn mogelijke tracés van Romeinse wegen, oude meanders van de Kromme Rijn, de vroegmiddeleeuwse Marsdijk en een bouwwerk. Vragen borrelen naar boven ... 

De Romeinen legden aan de zuidoever van de Rijn allerlei militaire installaties aan. Deze bestaan uit castella voor circa vijfhonderd soldaten, kleinere fortificaties en wachttorens, een doorgaande verbindingsroute over land en een legioenskamp met een elitekorps van vijfduizend militairen. Bij Vechten, bij het castellum Fectio, was dit elitekorps van 5000 man gelegerd. 

In de Historiën geeft Tacitus een gedetailleerde beschrijving van de zogenaamde Bataafse Opstand, die duurde van 69 tot en met de herfst van 70. Dit is een belangrijk geschreven bron uit de Romeinse omgeving die ons iets vertelt over het leven van de ‘Germanen’ buiten het Romeinse rijk, een volk dat door de Romeinen kennelijk als exotisch werd beschouwd omdat alleen over hen zo’n duidelijk verhaal is geschreven. 

Tacitus beschrijft hun deelnemen aan grootschalige expedities tegen de Germanen aan de overkant van de Rijn, die tot even voor het midden van de eerste eeuw plaats vonden. Deze organiseerden zij zelf en op eigen kosten. Hier is weinig van bekend. Maar in 43 werd de Bataafse militaire inbreng aan het Romeinse leger anders georganiseerd: vanaf dat moment werden de Bataafse soldaten geplaatst in reguliere troepenformaties. Dit hield in dat soldaten tegen betaling in vaste dienst werden genomen voor een periode van 25 jaar. Na afloop kregen de afgezwaaiden het Romeins burgerrecht. Het waren uiteindelijk de Bataven die het grootst aantal soldaten van alle stammen in het noordelijke Gallia Belgica leverden. Zij vormden de kern van de strijdmacht van het Romeinse leger in Noordwest Europa. De Romeinen beschouwden hen als elitetroepen. Ze werden bijvoorbeeld ingezet bij de verovering van Britannië onder keizer Claudius. Het Bataafs zijn was in de Romeinse tijd een label waar het stond voor loyaal, dapper en strijdvaardig en synoniem voor Germaan, stoottroeper, goed te paard en te zwaard. 

In de beschrijving van Tacitus werden deze soldaten meegetrokken in een machtsstrijd tussen twee Romeinse bewindsvoerders Julius Civilis en Vespasianus. Deze machtsstrijd vormden een aanleiding voor de zogenaamde ‘Bataafse opstand’. De Historiën van Tacitus zijn 35 jaar later geschreven en geven geen zekerheden over de waardering van de Bataven voor het Romeinse imperium, of hun opvattingen over aan welke kant zij streden in het leger van de keizer, en zelfs niet over hun weinig geïntegreerde ‘Germaanse’ karakter, zegt Hans van Rossum 1.Tacitus geeft de Romeinse visie op de Bataven in specifieke omstandigheden en hoe de Romeinen daar tegenaan keken. De opstand kreeg pas een nationaal bevrijdingskarakter toen het nieuwe bewind in Rome was geïnstalleerd. De grote legermacht die toen in Noordwest Europa de orde kwam herstellen richtte zich immers ook tegen de Bataven. Door de geheel eigen dynamiek van de conflicten was een nieuwe situatie ontstaan. 

Bij opgravingen kunnen vondsten weer nieuwe verhalen opleveren, zoals de bokshandschoenen van een soldaat gevonden in het Romeinse castellum Vindolanda in Engeland uit de periode 90 – 120 2  In dit castellum Vindolanda zaten de soldaten uit België en Nederland. Daarbij kwam de vondst van duizenden in het Latijn geschreven teksten op schrijftabletten, afkomstig van de prefect van de negende Bataafse eenheid. Flavius Cerialis.De schrijftabletten geven een beeld van het dagelijks leven met brieven van soldaten die om sokken en ondergoed vragen, een uitnodiging is er voor een verjaardagsfeestje aan de echtgenote van de commandant van het fort, verzoeken om betaling, lijsten met geleverde goederen en inzet van troepen. Het type brieven is exact hetzelfde als dat bewaard is gebleven van Romeinen als Cicero en Plinius. Als deze prefect, deze Bataaf, iets gedaan wilde krijgen, hanteerde hij dezelfde sociale strategie, die van de ‘kruiwagencultuur’, als de Romeinse elite. 

Tacitus en de Vindolandateksten laten twee verschillende kanten van de werkelijkheid zien. Tacitus weerspiegelt de Romeinse waarneming in een noodsituatie en is een goede bron als we willen weten hoe de Romeinen in zo`n geval over de Bataven dachten, de Vindolandateksten laten een waarneembare buitenkant in een doorsneesituatie zien.   

‘Ik schrijf gewoon, en wie ’t lezen wil is welkom’.

Thea Beckmann, geboren Petie (Rotterdam 1923 – Bunnik 2004) pakt haar koffer en reist vanuit haar woonplaats Bunnik voor haar boek KRUISTOCHT IN SPIJKERBROEK (1973) naar de plekken waar het allemaal gebeurde.

Zij trekt door het Rijndal tot Straatsburg, slaat dan af om de weg te nemen door het zwarte Woud, ook steekt zij de Alpen over via Karwendel en Brenner om dan via Cremona naar Genua te gaan. Over de balans tussen feiten en fictie zegt Thea Beckman zelf; ‘Accuraatheid in de feiten is alsof je een harnas aantrekt van het verleden, je actieradius wordt hierdoor beperkt.

Maar met dat harnas aan blijf je mens, en hoef je fantasie niet compleet uit te schakelen, zolang je de opgedoken feiten maar geen geweld aandoet.’ Thea Beckman trouwt in 1945 met Dirk Hendrik Beckmann, met wie ze twee zoons en een dochter krijgt. In 1956 zijn zij in Bunnik gaan wonen en hier schrijft Thea haar debuutroman, ANJERS VOOR ADELE, en haar eerste jeugdboek, DE ONGELOOFLIJKE AVONTUREN VAN TIM EN HOLDERDEBOLDER. Allebei werken waarvan zij later zegt dat ze best vergeten mogen worden. ‘Ik moest het vak nog leren’. Zij krijgt meer tijd in de zeventiger jaren wanneer haar kinderen uit huis zijn en komt KRUISTOCHT IN SPIJKERBROEK (1973) uit. Het boek levert haar een Gouden griffel en de Europese prijs voor het beste historische jeugdboek op. Het boek is verfilmd. Het wonen in Bunnik is wonen dichtbij Utrecht. Hier staat zij midden in de middeleeuwen en de volgende stap die ze wil maken is de studie Sociale Psychologie aan de Universiteit in Utrecht. In 1981 studeert ze af. Ze schrijft haar doctoraalscriptie over de invloed van boeken op de jeugd. Het historische kinderboek stond nog in de kinderschoenen. Zo ontwikkelt ze zelf een onderzoeksmethode om deze invloed te meten en komt tot de volgende conclusie; ‘Ofschoon dit onderzoek er niet geheel in geslaagd is de directe invloed van jeugdboeken op jonge lezers aan te tonen, zijn er wel aanwijzingen dat er van enige invloed sprake is, maar ook dat de relatie kind/boek veel gecompliceerder is dan algemeen wordt aangenomen.’

Eén voorval vertelt ze bij bijna al haar lezingen en interviews. In de brugklas van het voortgezet onderwijs werd door de docent DE VIER HEEMSKINDEREN  van Felix Timmermans voorgelezen. Ze had meteen geantwoord dat ze het een geweldig historisch verhaal had gevonden. Enkele maanden later kwam ze erachter dat het boek een navertelde middeleeuwse ridderroman was,  ‘meer legende dan feit’. In Beckmans beleving had Felix Timmermans dus aan geschiedvervalsing gedaan om een mooi verhaal te vertellen. Ze nam het de schrijver erg kwalijk en wilde nooit meer iets van zijn hand lezen, want ze vertrouwde hem niet meer. Toen ze zelf historische jeugdboeken ging schrijven nam ze zich voor dat de feiten moesten kloppen.

Wie zich prompt bedrogen voelde bij het lezen van Kruistocht in Spijkerbroek was Kees Fens (1929 – 2008). Hij vindt haar schrijftaal te modern. Hij vergelijkt het boek met de historische jeugdroman Fulco de minstreel van de auteur Cornelis Johannes Kievit (1892). Deze schrijft het verhaal zo, dat de lezer meteen al in de eerste paar zinnen midden in de 13e eeuw staat. ‘Uit het binnenste van de meester welde het verhaal, en al vertellend vertelde eigenlijk alles en iedereen mee.’

In Thea Beckman haar boeken spreekt vooral het heden een woordje mee in het verleden. In kinderboeken gaat de fantasie nog door en zij doorbreekt de grenzen van ruimte en tijd. In Kruistocht in Spijkerbroek komt een vijftienjarige jongen uit Amstelveen van 1973 via een tijdmachine terecht in het jaar 1212, waarin hij zich aansluit bij de kinderkruistocht. Dit idee berust op de middeleeuwse denkwereld van Christenen die geloofden dat zij eens zouden worden als engelen, wezens tussen hemel en aarde, die al half in de eeuwigheid leefden en die het ene moment in Rome en het andere in Jeruzalem konden zijn. 

Een historisch kinderboek is grensverleggend, heeft meer mogelijkheden dan welk ander genre boek ook. Kinderen worden geconfronteerd met en aan het denken gezet over zaken, problemen en toestanden. (Lea Dasberg, 1981)

Het werk van Thea Beckman is vele malen bekroond. In 2003 ontvangt zij de in het leven geroepen Bontekoeprijs voor het beste historische jeugdboek voor ‘GEKAAPT!’ Het jaar daarna in de nacht van 4 op 5 mei, overlijdt Thea Beckman. De Bontekoeprijs wordt hernoemd tot de Thea Beckmanprijs. Deze prijs wordt elk jaar in het derde weekend van september in Archeon uitgereikt voor het beste historische jeugdboek.

Kasteel Cammingha in Bunnik is een van de vele kastelen in het Krommerijn gebied. Het ligt aan de Kromme Rijn, wat verscholen achter de Landgoederij, aan de Camminghalaan te Bunnik. Vanaf het jaagpad langs de Kromme Rijn kun je het het beste zien.

Kasteel Cammingha dateert oorspronkelijk uit de 14e eeuw. Alleen heette het toen geen Cammingha, maar de Beesde. 

Aanvankelijk was het bezit van de familie Van Beesde. Wanneer het in bezit is gekomen van de familie Van Lockhorst is niet bekend, maar waarschijnlijk is dat rond 1525 geweest. Rond die tijd trouwde een van de dochters van Laurensz Jansz van Beesde, genaamd Margaretha, met Frederick de Voocht van Rijneveld en gingen ze samen op Blikkenburg bij Zeist wonen. De familie Van Lockhorst heeft het kort daarna in bezit gekregen. Dit blijkt uit een briefje uit 1534 waarin staat dat hij (Gerrit van Lockhorst) nog nooit belasting had hoeven te betalen en hij stuurt zijn pachter, Joost Mathijssen, met dit briefje naar de Staten van Utrecht. In dit briefje staat dat Joost van jonker Van Lockhorst een boerderij huurde, genaamd het huis De Beesde, in Bunnik. De famllie Van Lockhorst was een adellijke familie die zijn oorsprong had in de omgeving van Leusden. Net als andere adellijke families hadden ze overal in de provincie Utrecht land, en her en der ook wat versterkte huizen. Voor zover bekend woonde de familie Van Lockhorst niet op het kasteel, maar ongetwijfeld zullen ze er geweest zijn om te kijken hoe het met hun bezit gesteld was, of ze stuurden een rentmeester om de pacht te incasseren.

Tot 1645 was het kasteel en de boerderij in bezit van de nakomelingen van Vincent van Lockhorst, die overleed voor of in 1592. Alles wordt dan verkocht aan Balthazar van Buren. Hij was getrouwd met Beatrix de Waal van Vronestein, en zij was weer een rechtstreekse nakomeling van Frederick de Voocht van Rijneveld en Margaretha Laurensdr van Beesde. 

Uit deze tijd stamt waarschijnlijk ook de aanbouw met het trappenhuis. Op de foto is dit het rechterdeel, waarin de deur zit. Balthazar en Beatrix kregen één zoon, Frederick Ignatius van Buren. Hij is geboren op het kasteel. Zijn dochter Petronella Jacoba van Buren trouwde in 1707 met Wytze Watze van Cammingha, en zo is het kasteel aan zijn huidige naam gekomen. In het allereerste doopboek van de RK kerk in Bunnik staan op de eerste bladzijden de namen van de kinderen die in Bunnik gedoopt zijn. 

De boerderij naast het kasteel, ook de Beesde genaamd, diende voor het inkomen te zorgen waarmee het kasteel onderhouden werd en uiteraard ook als inkomen voor de eigenaren. 

Aanvankelijk woonde op de boerderij de familie Van Beesde. Al vroeg in de 16e eeuw is er sprake van Joost Mathijssen die er dan woont. Joost was een van de grotere boeren in het dorp, en ook bijvoorbeeld schout van Bunnik en Vechten. Na hem werd een familie Van Schaijk pachter, en als hun  laatste nakomelingen (Arien en Maria Verheul) achterblijven met de pacht, wordt de familie Peek pachter van de Beesde. We hebben het dan over 1762. Ze bezitten het tot de huidige dag.

Kasteel en boerderij worden in 1773 verkocht aan Jan (de) Pesters, de eigenaar van de Niënhof, heer van Kattenbroek. Een van zijn nakomelingen, Coenradina Carolina Theodora, trouwde in 1885 met baron Gijsbert Carel Duco Reinout van Hardenbroek. Na een auto ongeluk, waarbij Coenradina overleed, verkocht de baron alles aan Frans Jan Hendrik de Wetstein Pfister. Die was alleen geinteresseerd in de opbrengst van het land, en onderhield het kasteel niet. In 1958, als het kasteel op instorten staat, koopt de familie Peek het kasteel en laat het prachtig restaureren.

De zogenaamde tuinmanswoning aan de linkerkant op de foto is daarbij met een verdieping verhoogd. Na nog wat reparaties en moderniseringen in latere jaren is kasteel Cammingha nu samen met de boerderij de Beesde onderdeel van de Landgoederij, en je kunt er feesten en evenementen houden. Het wordt geëxploiteerd door de Brothers Horeca Groep.

In de jaren zestig kregen we een aantal keren ijsvrij, zoals dat dan heette, vrij van school voor een ochtend of middag om te gaan schaatsen op de ijsbaan. Met dank aan juffrouw Hegge, toen.

Ik begon het schaatsen op een paar nieuwe friese doorlopers maar die bevielen me niet omdat ze niet snel genoeg waren. Mijn vader kocht een paar “houten noren” bij Van Echtelt en die waren goed genoeg. En ik schaatste er op los op de ijsbaan.

Nu waren we lid van de vereniging “De Nienhof”. Dat waren we al in de zomer, toen de verkoop begon. En zo kon ik vol trots mijn lidmaatschapskaartje laten zien aan het loket bij de ingang van de baan aan een vreemd figuur die ik helemaal niet kende.

Bij de ingang stond een kantinekeet, waar Kees en Mien Van Manen koffie en hun specialiteit, warme chocolademelk, verkochten. Langs de muren stonden banken waar je op neerplofte om je benen wat rust te geven.

De ijsbaan was verdeeld in een middendeel, voor de artistieke kunstrijders, en een ovaal eromheen voor de snelschaatsers. Dat middendeel, daar was Willem Hoogstraten altijd heer en meester terwijl hij met vrouwelijk gezelschap rondzwierde over het ijs.

Als je geluk had en je was er tegen de middag, dan kon je Klaas Van Ommeren zien schaatsen, een semi-prof die in de stijl van Kees Verkerk over het ijs vloog. Of een van de Edelbroek broeders.

De vereniging was altijd up-to-date met de muziek die uit de loudspeakers kwam. Die zes loudspeakers hingen elk hoog aan een paal terwijl hits als “We can work it out” van de Beatles uit de speakers kraakten. Er was niets beters dan dat en dat was fantastisch!

En aan de overkant van de aanliggende Grote Laan stond de mooie villa van de notaris. En vlak bij de ingang stond de boerderij van De Wit. De waterpomp achter het loket pompte non-stop water onder het ijs.

Na het schaatsen, wanneer ik naar huis liep, voelde ik mijn benen niet meer; maar dat gevoel had ik de volgende dag weer terug en meer dan dat, ik kon haast niet lopen van de spierpijn. En m'n vader zei dat dat normaal was, na een eerste dag op het ijs. Hij had gelijk en ik was er elke nieuwe dag dat het vriesde opnieuw, op die grote, Bunnikse ijsbaan!

Wim Becker (1781-1845) was meesterknecht op de smederij van Johannes Bringenberg (1751-1810) op de (Anthonis) Brink. In 1829 begon Wim Becker zijn eigen smederij in een daglonerswoning op de Molenweg, die hij huurde van Jacomina Bringenberg (1776-1854). De smederij lag aan het begin van de Molenweg op nummer 29 en had als bijnaam ‘t Oortje (vernoemd naar de oude boomgaard die daar lag) Op dezelfde plek was tot december 2019 de Hubo doe-het-zelf winkel van Derk Frederiks gevestigd.

Na het overlijden van Wim Becker in 1845 werd de smederij overgenomen door Gijsbert de Heus (1809-1878). Gijsbert de Heus woonde in De Bilt en was werkzaam bij Wim Becker als smidsknecht. Hij trouwde met de dochter van zijn baas. Na Gijsbert de Heus is de smederij tot ongeveer 1880 in handen geweest van Pieter Rikkelman (1849-1934). Ook Pieter Rikkelman was smidsknecht, ook hij trouwde met de dochter van zijn baas, Gijsbert de Heus.

In 1866 was er op de Molenweg, net voorbij de molen een nieuwe smederij van de meestersmid Cornelis Roodvoets (1830-1892). De zaken gingen goed en in maart 1866 vroeg hij om een smidsknecht en ‘eenigzins bekend met het boerenwerk en het beslaan van paarden’. Bij de geboorte van zijn zoon Adrianus Roodvoets in 1855 stond Cornelis al genoteerd op de geboorteakte als hoefsmid te Bunnik. De smederij was een goed lopend bedrijf en volgens opgave in 1887 waren er 4 arbeiders in dienst.

Cornelis Roodvoets kreeg totaal 15 kinderen, waarvan er 3 vroegtijdig overlijden. Cornelis werd maar 62 jaar en na zijn overlijden namen zijn zoons het werk in de smederij over. De vrouw van Cornelis, Willemina van Raven, nam de zakelijk leiding. Ook in 1898 werd een smidsknecht gevraagd die bekwaam is in het hoefbeslag en in het boerenwerk. Hiervoor kon er geïnformeerd worden bij de weduwe van C. Roodvoets.

Zijn zoon Cornelis Roodvoets (1863-1921) doet aangifte van het overlijden en als beroep wordt omschreven ‘grof en hoefsmid’. Van de 9 broers blijven alleen Cornelis en zijn broer Jacob Jan Roodvoets (1868-1956) werken op de smederij als smid. Jacob Jan blijft op de smederij wonen en zijn broer Cornelis verhuist naar Utrecht. Jacob Jan Roodvoets is behalve meestersmid ook gemeente-ontvanger en Kerkvoogd bij de N.H. Kerk in Bunnik.(1901)

Jacob Jan Roodvoets had geen kinderen om de smederij over te nemen. De smederij wordt overgenomen door één van de smidsknechten, Derk de Geest (1878-1965). Derk was op 15 jarige leeftijd in 1893 in dienst getreden bij smederij Roodvoets. In 1924 neemt hij het bedrijf over onder de naam `Smederij de Geest`, dat later de toevoeging `& zoon` kreeg. (Lees Smederij De Geest).

Jacob Jan Roodvoets overlijdt in 1956 en zijn graf op de algemene begraafplaats in Bunnik wordt gekenmerkt door een smeedhek om zijn graf.

‘Opdat wij nooit vergeten’

Het Fort bij Rijnauwen, gebouwd tussen 1867 en 1889, is het grootste en groenste fort van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tot 1970 had het fort een militaire bestemming. Daarna zijn er nog plannen geweest van het vestigen van de sterrenwacht van de Universiteit op het fort, hetgeen na protesten niet is geëffectueerd.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog bezetten de Duitsers het fort en gebruikten het als munitieopslagplaats, maar vanaf 1942 vonden er ook executies plaats van verzetsstrijders uit Nederland en België. Er werden ruim 50 verzetsstrijders gedood. Gedeeltelijk waren zij afkomstig uit de regio Luik in België. De namen van hen van wie wij weten dat ze op deze plaats werden gefusilleerd, staan vermeld op de stenen van het herdenkingsmonument. Omdat er op deze plaats waarschijnlijk meer verzetsstrijders werden omgebracht, is er ook een steen voor ‘de onbekende verzetsstrijder’.

Veel van de verzetsstrijders die op het Fort bij Rijnauwen zijn gefusilleerd, hadden in de gevangenis in de Gansstraat (Utrecht) hun vonnis afgewacht. Anderen kwamen uit de gevangenis aan het Wolvenplein. Ze kregen de gelegenheid om voor het vertrek naar het fort nog een laatste brief aan hun geliefden te schrijven en werden daarna naar het fort gebracht, waar ze door een vuurpeloton om het leven werden gebracht. Op de gevangenis in de Gansstraat is een plaquette aangebracht die aan deze donkere tijd herinnert.

Het monument bestaat uit de herdenkingsplaats zelf, gesitueerd op de voormalige executieplaats en de daar vlakbij staande klokkenstoel met klok.

Al snel na de oorlog werd op de voormalige fusilladeplaats een muurtje opgericht met de tekst ‘Opdat wij nooit vergeten’ en op 9 oktober 1946 werd de eerste steen op het Fort bij Rijnauwen geplaatst door Elisabeth gravin de Liederkerke de Pailhe - de Lichtervelde en Bertha Erkens – Hustings op de plaats waar hun echtgenoten drie jaar eerder werden gefusilleerd. Op het muurtje werden later de namen van G.J. van den Boogerd, A.F. Slot en M.A. Lelivelt toegevoegd. Op 23 februari 1969 werd een individuele steen geplaatst door de nabestaanden van Cees Dutilh. Voor de eerste herdenking in 1980 werd ook voor de gefusilleerden van de Oranjewacht nog een steen bijgeplaatst. Het monument zoals dat gaandeweg ontstond zag er eenvoudig uit. Zo was er alleen maar een vee-kerende afrastering. Daarom werd voor de eerste herdenking in 1980 om de herdenkingsplaats een hekwerk gezet, afkomstig van de Van Seypesteynkazerne in Utrecht. Het monument werd niet goed onderhouden. Na het vertrek van de militairen en ook het burgerpersoneel was er niemand die deze taak op zich nam.

De beheerder, de heer Verrips, heeft ervoor gezorgd dat er, met steun van de Rotary, een Stichting werd opgericht die voor het onderhoud verantwoordelijk zou worden en zorg zou dragen voor de jaarlijkse herdenking. Zo startte op 12 februari 1981 de Stichting Herdenkingsmonument Fort bij Rijnauwen. Navorsing leidde tot 22 nieuwe namen van op het fort gefusilleerde mannen. Daarvoor werden vier stenen bijgeplaatst, drie stenen met namen en één voor de onbekende verzetsstrijder. Voor de viering van 40 jaar bevrijding in 1985 is hard gewerkt om het monument te voltooien. Er kwam een klokkenstoel met klok. De klokkenstoel werd ontworpen en vervaardigd door een bestuurslid van de Stichting, de heer J.A. den Ouden; de klok zelf is afkomstig van de Lucaskerk op Kanaleneiland in Utrecht, die in 1983 werd afgebroken. Het geld kwam deels uit de kas van de Stichting, maar een groot deel werd bijgedragen door een Bunniker die onbekend wenste te blijven. In de klokkenstoel is een stuk symboliek verwerkt: de klokkenstoel heeft vier hoekpalen van verschillende lengte en de uiteinden zijn niet afgewerkt. Het verschil in lengte van de palen staat symbool voor de verschillende leeftijden van de gefusilleerden en de ‘ruwe’ uiteinden ervan verwijzen naar de grofheid waarmee hier een eind is gemaakt aan kostbare mensenlevens.

Bij het monument vindt sinds 1980 elk jaar op 4 mei een indrukwekkende herdenking plaats in aanwezigheid van ook Belgische nabestaanden en een vertegenwoordiger van het Koninkrijk België.

De herdenking begint met een stille tocht vanaf de Stayokay naar het fort. Onderweg zijn de klanken te horen van een koor, is er een serene rust en lopen de aanwezigen onder het luiden van de klok in een lang lint het fort op. Naast het Wilhelmus klinkt tijdens de plechtigheid het Belgische volkslied en naast de Nederlandse wordt ook de Belgische vlag gehesen.

De herdenking wordt door een steeds groter aantal mensen bijgewoond. Dat aantal is gaandeweg gegroeid tot 800 - 1000.

Vanaf de viering van 40 jaar bevrijding in 1985 worden ook kinderen met nadruk uitgenodigd om aanwezig te zijn. Dat gebeurt ook in toenemende mate en draagt zo bij aan een waardige herdenking van allen die op het fort hun leven lieten.

 

In de jaren voor 1481 was de spanning in Utrecht opgelopen door de dood van bisschop Rudolf van Diepholt in 1455. De oude tegenstelling was bij de vacaturestrijd van een nieuwe bisschop opgelaaid tussen de Lichtenbergers en de Lokhorsten. De Lichtenbergse partij had vooral veel aristocratische aanhang en voelde zich verwant aan de Hoekse partij in Holland, terwijl de Lokhorsten in het bijzonder werden gesteund door de over het algemeen zeer mondige ambachtslieden; zij stonden als Kabeljauws-gezind te boek. 

De nieuw gekozen bisschop, David van Bourgondië, en Jan van Montfoort als leider van de anti-bisschoppelijke troepen aan de andere kant, stonden lijnrecht tegenover elkaar. Deze Hoekse en Kabeljauwse twisten escaleerden toen de steden Utrecht, Amersfoort en Montfoort vonden, dat de nieuwe bisschop te veel macht naar zich toe greep. Ze kozen vervolgens zelf een eigen landsheer: Engelbrecht van Kleef, en deze nam in 1481 de stad Utrecht in.1  Veel stedelingen uit Utrecht vluchtten de stad uit. 

In Bunnik zien we een glimp van deze oorlog terugkomen in een proces uit de eerste helft van de 16e eeuw. Twee rechtszaken die jaren ná de Stichtse burgeroorlog voor het hof van Utrecht werden uitgevochten over bezit in Bunnik. Wat is er aan de hand.

Het proces in 1533

Er is voor het hof van Utrecht een proces aangespannen door Herman Schijf. Hij staat tegenover Bartolt Jacobsz, de pastoor, en Dirick Jansz en Willem de Cruyff, beiden kerkmeesters te Bunnik. 

De inzet van het proces is wie eigenaar is van een bepaald stuk land, met daarop een huisje. Dit land grensde aan de ene kant aan land van het Regulierenklooster, en aan de andere kant aan de brug van Bunnik.  Het strekte zich uit van de Vordersteghe tot Cornelis Janss Witboems boomgaard toe. Op de kaart zie je de waarschijnlijke ligging. 2

De bewoner van het erfje moest per jaar 3 gulden aan de kerk betalen. Twee guldens waren voor de “papelike proeven” en een gulden was voor de kerk zelf. Uit deze papelike proeven werd het inkomen van de pastoor betaald.

Herman neemt het Hof mee naar de bewoners, familie van hem, die ieder op hun beurt het huis met het erf hebben bewoond, en voldoen aan de verplichtingen van de kerk. Wanneer het moment komt dat de eigenares komt te overlijden, wordt het huis met het erf verkocht. Hier zien we o.a. ook een nieuwe eigenaar, de koster van de kerk, Claes de Bay. Met enige emotie herinnert Herman Schijf het Hof eraan dat zijn vader Ghijsbert het perceel met het huis had gekocht van de koster Claes de Bay. Dit was nog vóór de Stichtse burgeroorlog. Het huis was na zijn koop in 1482 in vlammen opgegaan! Ook zei hij met klem dat het zijn vader was die in het huis heeft geïnvesteerd door het huis na de brand te herbouwen. Herman zijn moeder had hier nog 20 jaar in gewoond, en was het huis met het erf daarna over gegaan op de broer van Herman, Dirck, die er nog woont.  

Het verweer van de kerk in Bunnik was eenvoudig: het huisje had lange tijd leeg gestaan en zij weten alleen dat zij het in 1483 zijn gaan verhuren aan Dirk Schijf. 

De kerk wint vervolgens het proces, maar de Schijven laten het er niet bij zitten. Familielid Ludolph Schijf gaat in beroep. Deze herhaalt nog eens fijntjes wat er is gezegd bij het vorige proces en voegt eraan toe dat er een zekere Lambert, toenmalige pastoor,  de 3 gouden postulaatguldens had vervangen door 3 gouden keurvorsten guldens. 3  Volgens Ludolph was dit nog steeds te zien achterin het missaal, waarin de inkomsten van de kerk werden aangetekend. Omdat Ludolph geen eigendomsbewijs kon overleggen, en de kerk wel een verhuur-overeenkomst, verloor ook hij dit proces. De glimp van de Stichtse burgeroorlog kwam terug in de mondigheid in een veranderende wereld.

Andries Schoemaker was een rijke textielhandelaar uit Amsterdam. Hij leefde van 1660 tot 1735.

Als hobby had hij het maken en verzamelen van afbeeldingen van allerlei gebouwen in heel Nederland. Ook van het Kromme Rijn gebied heeft hij verschillende prenten gemaakt, waarvan één van de kerk in Bunnik. De tekeningen, die hij soms zelf maakte, en soms in opdracht van hem gemaakt zijn, zijn voor zover bekend erg nauwkeurig. Ook van de dorpskerk in Bunnik heeft hij een tekening gemaakt.

Onder de tekening staat een tekst. Het begin ervan luidt als volgt: 

“Bunnik.

Is een dorp behorende onder het over stift of boven stift en onder het aarsdiakenschap van Utrecht. Dit dorp dat tegenwoordig klijn is, hadde een parochiekerk, met een koster, van de inkomsten die den pastoor en koster gehad hebbe, heeft Floris van Weede, als hij in den jare 1580 een lijst daar van maakte, bijna geen bescheijt van geweten en toen wiert er van de pastoorsgoederen niet meer als 15 gl en 6 stuijvers en van des kosters inkomste niet meer als 4 gulden getrocken.

Naderhand is men te weten gekomen dat de volgende goederen en inkomsten aan de kerk van Bunnick toebehoord.” 

Met het “aarsdiakenschap” wordt bedoeld dat de aartsdiaken van het bisdom het recht had om de pastoor te benoemen in Bunnik. 

Floris van Weede was een ambtenaar die, na de Reformatie, er op uit was gestuurd om de inkomsten van kerken in kaart te brengen. De kerken in het sticht gaven echter bijna geen inkomsten op, beducht als ze waren dat hun inkomsten ingepikt zouden worden.

Als de we tekening met het schrijven van Andries Schoemaker erbij halen is allereerst de deur aan de zuidzijde zichtbaar. (Zie afbeelding 1). Bij de restauratie van 2011/2012 is deze teruggevonden (zie afbeelding 2). Ook valt direct op dat het koor (het lagere deel) veel kleiner is dan nu. Dit koor was in 1566 al een keer verbouwd, en daarna nog verschillende keren. Tegenwoordig is het koor even hoog als het schip (het linkerdeel) van de kerk.

Links van de kerk zien we een weg die naar een poort leidt. Die poort was de ingang naar het kerkhof. Er stond een muur omheen, zodat er geen loslopende varkens bij de graven konden komen. Het deel aan de noordkant van de huidige kerk, was inderdaad de begraafplaats. In 1554 wordt de begraafplaats al genoemd, maar ongetwijfeld zal die er zijn geweest vanaf de stichting van de kerk. Later wordt er in de archieven gesproken over “het rooster”. Dit zal een soort wildrooster zijn geweest om de varkens te weren van de begraafplaats.

Interessant is dat er links achter de kerk gebouwen staan. Welke gebouwen dat zijn is niet bekend, maar mogelijk betreft het de pastorie. De voormalige pastorie staat nu aan de zuidkant van de kerk, bij de brug, maar in oude rekeningen is sprake van het trappetje vanuit de pastorie tuin naar het kerkhof. Dat trappetje moest gerepareerd worden. Als het kerkhof aan de noordkant was, dan moet de pastorie ook aan die kant zijn geweest.

Als je de toren bekijkt, dan zie je dat er aan de oostkant (dat is boven het schip van de kerk) een aantal gaten zitten. Hier hadden de duiven hun nesten. De koster had als bijverdienste de opbrengst van duiven: die werden in die tijd veel gegeten.

Voor de kerk, net rechts van de 2 bomen, staat een vierkant bouwseltje. Wat dat geweest is, is niet bekend. Mogelijk een waterput?

Tot slot valt op dat er tussen het koor van de kerk en de Kromme Rijn geen bebouwing is. Dat kan komen doordat de tekenaar deze niet getekend heeft, maar mogelijk heeft er een hele poos geen huis gestaan. We weten dat er in 1764 een huis gebouwd werd (nu het voorste deel van de Witte Huisjes), dus mogelijk heeft er inderdaad geen bebouwing gestaan. 

De derde afbeelding komt ook uit de collectie van Andries Schoemaker en geeft de kerk te Odijk weer. 

 

Bosch Hoeve ligt aan de Kromme Rijn ten oosten van Rhijnauwen op het gebied waar de buitenplaats Rijnsoever heeft gestaan. Er werd een klein parkje ingericht met een vijver en twee heuveltjes, vermoedelijk eind achttiende eeuw. Van 1964 tot eind 1965 kwam ik regelmatig naar boerderij Bosch Hoeve, (Rijnsoever 5), van de familie Miltenburg. Meer specifiek de tweeling Bennie en Leo Miltenburg. Ze hadden drie grotere broers waarvan de oudste broer van in de twintig de boerderij runde samen met hun vader.

Meestal was ik daar op de zaterdagochtend. Ik fietste vanuit Bunnik naar Rijnauwen via de Grotelaan. Na de Grotelaan was er die tweesprong waarvan de weg rechts naar het stierestation van Van Wijk en teeltbedrijf Doeser ging. Ik ging de linkerweg op die de grote boerderij van Van Wijk passeerde aan de linkerkant en de kleinere, witte boerderij van een andere familie Miltenburg (Rijnsoever 3) aan de rechterkant. Dan lag daar dat kleine stukje bos, links, met een klein meertje in het midden, met daar direkt naastgelegen boerderij Bosch Hoeve.Vandaar dus de naam.

In de winter stonden de koeien in de stal en die stal was deel van het woongedeelte van de boerderij. Die koeien, dat waren er ongeveer veertig, een gemiddeld aantal voor een melkboer van die tijd, hielpen mee met het warmhouden van de boerderij; er was geen centrale verwarming aanwezig en de woonkamer/keuken werd direct verwarmd door een kolenkachel. Een bijgelegen grote schuur had een hooizolder en tijdens de winter periode vonden daar korte “gevechten” plaats tussen en op de hooibalen die er lagen. Ik ging altijd in een overall naar de boerderij en die gaf me bescherming tijdens een van die schermutselingen op die hooizolder. We gingen wel eens “op expeditie” het weiland in.

In 1964 was men net begonnen met de eerste gebouwen van de Uithof en je kon de half komplete, hoge bouwsels in de verte zien liggen. In het midden van het weiland stond een oude, houten schuur. De schuur was eigendom van een zekere Job van Schot uit Bunnik. Die oude Job had daar allerlei gereedschappen staan en op de een of andere manier waren we in staat de schuur binnen te gaan, zonder in te breken dan. Het was alsof hij die verzameling uit het oog van de rest van de wereld hield, om later, op een onverwacht moment, aan iedereen die oude ambachtelijke glorie te laten zien. Naast de boerderij lag een appelboomgaard met ster appels. Helaas zien we deze niet meer in de supermarkt. Ze waren half rood van binnen, klein en zoet. Vaak liepen daar de koeien te grazen in de zomer. Er liep een weg langs in de richting van Fort Rijnauwen. Daar gingen we vaak kijken in de zomer want de genie van het leger was daar gestationeerd.

Er lag een groot meer rond die legerplaats en een populaire visplek voor de omgeving. Op bepaalde dagen kregen soldaten de opdracht een pontonbrug aan te leggen van de ene naar de andere oever, ongeveer honderd meter lang. Meestal duurde dat een ochtend en deel van de middag.  Dat kleine bosje, vlak bij de boerderij, had iets magisch. In het midden lag een piepleine meertje, die vol zat met salamanders.Soms passeerde er een groep soldaten van Fort Rijnauwen, die schoten dan een paar losse flodders af. Vaak kwamen er wandelaars langs of  fietsers, op weg naar het Theehuis Rijnauwen. In 1967 kreeg ik plots een airmail brief van Bennie en Leo waarin ze schreven dat ze nu naar Canada waren verhuisd, naar een boerderij die ongeveer vijf keer zo groot was in capaciteit als hun vroegere Bosch Hoeve. Dat was het laatste wat ik van ze hoorde. Ik ben er zeker van dat het hen goed is gegaan in het leven, daar in het onmetelijk grote, onbegrensde Canada.

Mijn vader werd persoonlijk door de grondlegger van de Vrumona, Anton van Dam, in 1950 gevraagd om in dienst te treden bij de Vrumona. Op dat moment waren er slechts een twintigtal werknemers in het bedrijf; het merendeel ervan in de direkte productie van limonade en het bottelen ervan. De bedrijfsnaam Vrumona (1953) verwijst naar het woord VRUchtenliMONAde.

Sinds 1950 tot aan 1980 had mijn vader als taak de interne flow van lege tot volle fles van de fabriek zonder problemen te laten verlopen. Dat heet nu in management terminologie “the logistics manager” maar daar werd toen hetzelfde mee bedoeld als nu.

We woonden vlak bij de fabriek, ongeveer 200 meter er vandaan. Mijn vader wist de hand te leggen op een huis dat oorspronkelijk vanuit Zweden naar Nederland was gestuurd, als onderdeel van de wederopbouw na WW2. Ik heb gedurende mijn huidige verblijf in Zweden diverse copieen van ons eerste huis gezien.

Nou gebeurde het dat ik daar als klein jochie van zes herhaaldelijk door die fabriek heen liep. Er was niemand die hier ooit iets over zei. Zelfs tot bij de vulmachines. Iets wat nu volslagen onmogelijk is, gezien de huidige veiligheidsmaatregelen.

Ik kende een van de direkteuren, dhr. Schalks, een symphatiek persoon. Er was ook een andere direkteur, dhr. Becht, waar ik nooit mee sprak. Daarentegen bezat hij een open Ferrari 250 GT waarmee hij zo af en toe plots van het fabrieksterrein verdween voor een toer in de omgeving.

Op het terrein stonden houten vaten waarin vers geperst sinaalsap zat dat uit Spanje of Italie kwam voor de produktie van SiSi of B3 Sinasappelsap. Ik weet nu na al die jaren waarom dat produkt B3 heette. B3 is één van de belangrijke vitamines die het lichaam nodig heeft. Vanuit Rotterdam kwam de tankwagen met het koolzuur in vloeibare vorm, dat de bubbles maakt in frisdrank. Hoe koud dat wel was heb ik aan den lijve ondervonden. Eens zag ik een blokje ijs bij die tankwagen liggen. Er kwam een soort van verdampings rook vanaf. Omdat ik niet wist hoe koud het wel was pakte ik het beet en prompt brandde ik mijn handen met wat kleine brandplekken. 

Er was een bar in de buurt van de vulmachines waar de te vol gevulde flesjes met cola of sinas werden geplaatst voor gratis consumptie door de medewerkers. Op vrijdag middag na vier uur was ik hier vaak te vinden met vrienden van school, en we dronken ons vol totdat het koolzuur ons de keel uitkwam.

Soms reed ik mee met een van de vrachtwagens van de fabriek, helemaal naar Amsterdam of Rotterdam. Eén van die vrachtwagens is op de foto te zien, die met die afgeronde neus.

Op diezelfde foto kun je ook – verder op - de barakken zien waar toen de direktie en de administratie was gevestigd. Later, in 1962, werd het eerste en grote kantoor gebouwd dat in 1963 werd geopend.

In de periode van 1964 tot 1965 speelde ik vaak voetbal met leden van het kantoor. Dat was gedurende de lunch pauze. Ik at snel mijn lunch thuis en rende dan naar het bijgelegen grasveld waar gevoetbald werd.

Van de boven beschreven set-up is weinig meer over. Alles heeft een rationalisatie ondergaan.

En ik weet als geen ander wat een produktielijn is.

Hoe dicht bij elkaar ligt het geluk en de rampzaligheid van het bezit van een volkstuin. Hoe onvoorspelbaar is de overvloedige oogst van de ene groente en de totale mislukking van de andere. We hebben het allemaal meegemaakt. Het begon voor ons met een tuin in huur van de gemeente Bunnik in de jaren ’70. Het was in de jaren van ETEN VAN MOEDER AARDE, de jaren van gezond eten voor jezelf en vooral voor het milieu, en dan was het eten van je eigen gekweekte groente als je de kans had de hemel op aarde.  We konden ons het goed voorstellen, al die heerlijke kroppen sla, de rode bessen, de tuinboontjes en de bieten. Vers en vol vitaminen. De tegenslagen, daar heb je als je aan zo’n tuin begint nog niet gelijk een beeld van.  Dat we te maken zouden krijgen met lange slechtweer periodes en onze ondeskundigheid. En met de gebruikelijke  aantastingen van de oogsten door ziektes, schimmels en schadelijke beesten.  Maar een treuriger jaar dan 2012 hadden we nog niet meegemaakt.

We hadden het geluk dat we via loting een perceeltje van 150m2 kregen toegewezen, vlak bij het spoor en de A12 en gingen aan de slag. Het viel dus niet altijd mee, dat zelf kweken. Het kostte veel tijd, veel meer tijd dan we gedacht hadden. We voelden ook altijd de dwang:  we moeten deze week zaaien, nu moeten we echt vandaag oogsten. Als we geen water geven gaat alles dood, dus moest het hele gezin pompen en sjouwen met de gieters. Drie weken vakantie leverde meer onkruid dan groenten op,  want minstens een keer per week moet je wiedend de tuin rond wilde je niet dat je zaaisels overwoekerd werden met o.a. kweekgras en heermoes. Doorgewinterde tuinders weten dat, wij moesten dat nog leren. Maar we hadden ook  veel plezier van het tuinieren, de opbrengsten waren vaak verrassend goed. Soms een overvloed, weggeven of toch een diepvriezer aanschaffen was de oplossing. 

Er kwam na een aantal leuke jaren op ons landje een grote verandering. Bunnik  moest uitgebreid worden  met een bedrijventerrein en al gauw werden de volkstuinen daaraan opgeofferd . We kregen een nieuwe plek toegewezen. Hoewel de ligging van dat nieuwe complex heel fijn was: grenzend aan een rivierbos van het Utrechts Landschap, was die verandering niet helemaal een verbetering. De zware kleigrond op het nieuwe perceel was minder geschikt voor tuinieren zoals we het gewend waren.  Zowel het spitten als het wieden ging daar veel meer inspanning kosten. Sommige groenten deden het niet goed, waren vatbaarder dan we gewend waren voor invasies van slakken en rupsen en vreemde kevertjes die alles op aten. We kwamen er gelukkig  bijtijds  achter dat deze Bunnikse  grond heel geschikt is voor fruitteelt, vanouds is de Kromme Rijnstreek een fruitgebied. Zonder giftige bestrijdingsmiddelen kweek  je hier heerlijke aardbeien, bessen, overvloedig kruisbessen, pruimen en de hele zomer door frambozen. 

We genoten van de mooie plek dicht bij de Nienhof. Vanaf het begin daar was het meer geworden dan alleen een groentetuintje er op na houden. Er naar toe gaan was anders dan naar de vroegere tuin aan de spoorweg, niet alleen een uurtje werken maar een uur in de natuur zijn in het gezelschap van vogels, padden,en soms een ringslang.  

Maar dan de konijnen, je zag ze altijd in de omgeving van onze tuinen. Leuk eigenlijk, maar dan wel buiten de hekken, een enkele keer ook er binnen. Ik herinner me nog  dat ene dode jonge konijntje in mijn tuin, een knuffelkonijntje, zo schattig en zo droevig. Maar langzamerhand kwamen er meer en kwam er voortdurend schade zoals een door zo’n beest afgeknabbelde witte kool. En het werd hoe langer hoe erger, in het voorjaar van 2012  wemelde het uiteindelijk van de konijnen, zowel binnen als buiten het volkstuinencomplex, want  ook op de dichtbij gelegen sportvelden vermeerderden de konijnenfamilies zich. Hand-, korf- en voetballers zakten midden in een wedstrijd weg in vers gegraven konijnenholen. Konijnen eten uiteindelijk alles, groenten verbouwen werd zinloos. Het zag er steeds minder leuk uit op het complex, iedereen verzamelde hekwerk, schotten, plastic en gaas om alles af te schermen. Toch wisten konijnen altijd weer een gaatje te vinden waar ze door naar binnen konden om zich te verzadigen aan prille boontjesplanten, pas opgekomen sla of fijne bietenblaadjes. Vooral de jonge konijntjes werden kennelijk door hun ouders gestuurd om  onwaarschijnlijk kleine openingen in de versperringen te nemen.

Tuinieren was toen voor mij daar alleen nog maar een gevecht tegen de konijnen  geworden.   Kon ik vorig jaar nog drie kilo boontjes redden, dit jaar werd de opbrengst nul. Groenten die konijnen lekker vinden zoals boerenkool, raapstelen en sla deed ik niet meer, rabarber,  prei en uien vinden ze niet zo geweldig, de bedden werden daar dus voorlopig mee ingevuld. Gelukkig houden ze niet van fruit, maar helaas wel van de bast van jonge fruitboompjes.

Een medetuinder nam het gevecht met de konijnen letterlijk. Hij vertelde mij dat hij er een in zijn tuin in een hoek had gedreven en gevangen en gedood had. En thuis gebraden. Dat ging me toch wel ver. Maar ik hoopte op een vervelende ziekte onder konijnen of veel natuurlijke vijanden, opgeruimd allemaal. 

 Maar wat handelde die tuinder realistisch: zijn tuin leverde hem een volledige traditionele maaltijd op: aardappelen, groente, vlees. Als alle zestig leden van de volkstuinvereniging  zo’n konijn te pakken hadden genomen, wie weet waren mijn boontjes dit jaar dan gered. Maar wat een bloedige taferelen zou dat opgeleverd hebben.

Toen kwam er twee keer een mailtje. Ga op een bepaalde maandagochtend niet naar je tuin: wegens jacht op de Nienhof en omgeving. Wat roofvogels of vossen niet voor elkaar kregen, na de twee jachtpartijen heb ik geen konijn meer gezien. Ik mis ze niet echt, maar er is een vreemde stilte over ons tuinencomplex gevallen.

 

Wie in de late jaren ’70 als huisvrouw in de gemeente Bunnik andere vrouwen wilde ontmoeten kon ruimschoots terecht in een van de drie dorpen. De Nederlandse Bond voor Plattelandsvrouwen, de Nederlandse Christelijke Vrouwenbond, het Katholieke Vrouwengilde, de Christelijke Plattelandsvrouwenbond Werkhoven/Bunnik, de Katholieke Plattelandsvrouwen Organisatie, de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, Vrouwen in de VVD, de Rooie Vrouwen, de VOS-werkgroep, er waren liefst veertien organisaties gericht op vrouwen. Veel van die clubs organiseerden lezingen, excursies en gezelligheid.

Toch bleek er nog een leemte in het aanbod voor activiteiten voor vrouwen. Overal in Nederland en in de buurgemeenten verrezen ze: Vrouwencafés. Iets dergelijks was er in Bunnik nog niet.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld verenigingen was de café -vorm anders georganiseerd. Er bestonden geen lidmaatschappen of verplichtingen, het waren avonden waarbij vrouwen zomaar konden binnenlopen. Het woord café bleek meer te zijn dan koffie en drankjes consumeren. Er was ook een inhoudelijke invulling op zo’n avond met discussies, een film of een voorstelling. Vanuit de VOS- cursussen (Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving) kwam het initiatief om ook zoiets te organiseren.

Ook andere vrouwen sloten zich hierbij aan en organiseerden het Vrouwencentrum dat in 1979 van start ging in het jongerencentrum De Dolfijn, gevestigd in de oude Barbara school (1895-1985), inmiddels afgebroken. De naam Vrouwencentrum in plaats van Vrouwencafé was gekozen om niet te feministisch over te komen, radicaal was de bedoeling dan ook helemaal niet.

De belangstelling was veel groter dan verwacht ondanks al die vrouwenorganisaties in de drie dorpen. Op de eerste avond liep de zaal vol met belangstellenden, nieuwsgierigen en vrouwen die mee wilden doen met het organiseren.

Een vijftiental vrouwen ging aan de slag om iedere maand een avond op te zetten Dat gebeurde niet door een bestuur. Geen vaste voorzitter of secretaris, vergaderingen leiden of notuleren kon wel bij toerbeurt. Iedereen kon haar talenten ontplooien in een Werkgroep. Thema’s bedenken, spreeksters uitnodigen of een cabaretgroepje, een film huren, publiciteit verzorgen door middel van zelfgemaakte affiches en contacten met het Bunniks Nieuws. Met een kleine subsidie van de gemeente kon maandelijks een avond in de Witte Huisjes in Bunnik gehuurd worden. De belangstelling bleef groot.

Er waren onderwerpen te over die interessant waren voor de doelgroep: vrouwen die meer wilden dan alleen gezelligheid en ontwikkeling. De vrouwencentrumbezoeksters waren geraakt door de vrouwenbeweging met de boodschap: zo gauw de kinderen iets groter worden de maatschappij weer in. Werk zoeken, een afgebroken opleiding weer oppakken of iets nieuws beginnen. En daarbij een andere taakverdeling in het gezin dan de man als kostwinner en de vrouw bezig met de kinderen en het huishouden. Het Vrouwencentrum speelde hier op in. In de doelstelling stond bewustwording van je situatie en assertiviteit: opkomen voor jezelf.

Op de thema-avonden over een bepaald onderwerp, zoals Vrouw en Gezondheid, of Werken Buitenshuis, werd begonnen met een kleine inleiding of een expositie waarna in groepjes uiteengegaan werd om te discussiëren, na afloop napraten en gezellig samenzijn.

Bij bepaalde onderwerpen kwamen er ook cursussen. Befaamd was de cursus Assertiviteit: opkomen voor jezelf. Traditioneel werden vrouwen opgevoed om bescheiden te zijn, dat kon met assertiviteit wel wat minder. Met berusting en tevredenheid kwam je niet ver. Altijd voor iedereen klaar staan was ook een groot goed voor de traditionele vrouw, dat vrouwen ook wel eens nee konden zeggen was een leerdoel bij de cursus.

Het Vrouwencentrum was succesvol wat betreft het aantal bezoeksters en hun enthousiasme. Maar  er was  veel verloop in de Werkgroep. Vrouwen gingen weer werken of studeren en hadden daardoor niet genoeg tijd en aandacht voor het Vrouwencafé. Uiteindelijk ging het aan de eigen doelstellingen  ten onder. Nog enige jaren werd het voortgezet als een Literair Café waar ook mannen welkom waren.

Maar na bijna veertig jaar is de vrouwenbeweging nog niet klaar. Er zijn nog veel kwesties : #Me Too, het glazen plafond, het vrouwenquotum bij aanstellingen, de abortuswetgeving en gratis of goedkopere kinderopvang. In het Vrouwencentrum stonden die nog niet op de agenda.  

Dochters en  kleindochters deden opleidingen en maakten carrière. Vrouwen die vroeger naar het Vrouwencentrum gingen, zie je nu als oppas-oma’s nog wel eens in het dorp met een kinderwagen of een peuter bij de hand.

‘Waar de Prins uythangt’

Restaurant Vroeg, Achterdijk 1 in Bunnik, is voorheen een boerderij en een herberg geweest, met de naam De Prins. Waar komt deze naam vandaan? Net als andere boerderijen uit de 17e eeuw aan doorgaande routes, heeft ook deze boerderij dienst gedaan als herberg. Een verkoopakte met de woorden ‘Waer de Prins uythangt’, vertelt iets meer.12 Er moet een uithangbord van De Prins geweest zijn dat in 1702 aan de gevel heeft gehangen.

Herbergier GERRIT THONIS VAN DOORN 

Nadat de herbergier Thonis Van Doorn was overleden, nam zijn zoon Gerrit de herberg over in 1710. Gerrit was op het moment dat hij de herberg overnam al aan zijn tweede huwelijk bezig. Op 21 november 1698 was hij voor het gerecht getrouwd met Grietje Jansz. Van Harderwijk. Daaruit kunnen we afleiden dat hij katholiek was. De normale manier van trouwen was toen in de openbare (Hervormde) kerk. Wie dat niet wilde (lees: voor de pastoor wilde trouwen) moest eerst trouwen voor het gerecht. Op 2 december 1704 stond hij er opnieuw, nu als weduwnaar. We kennen van hem een dochter, Aagje Van Doorn, die voor het gerecht van Bunnik in 1724 trouwde met Cornelis Van Hogerwoert. Wie van de beide echtgenotes haar moeder was blijft duister bij afwezigheid van een RK-doopboek, maar als de tweede echtgenote haar moeder was, zal ze ongeveer in 1705 zijn geboren en negentien jaar was voor een boerendochter wel erg jong om te gaan trouwen. Het feit dat alle bewoners in de Hervormde Kerk werden begraven zegt niets over het geloof van de overledene. De Hervormde Kerk was ooit als begraafplaats gewijd en het feit dat de kerk al meer dan een eeuw in handen van ‘ketters’ was, maakte die wijding niet ongeldig. Katholieken bleven de kelders die bij de familie of de boerderij hoorden gebruiken. 

In 1702 verkocht het Pestgasthuis de herberg (letterlijk staat er ‘Huis en erf waer de Prins uythangt’, er hing dus een uithangbord met daarop een afbeelding van de prins) aan Tibben Hermansz. Van Schayck uit Utrecht, die hier meer opkocht. 18 Deze verkocht de boerderij aan Hendrik Gerritse Van Segveld met de bepaling erbij dat de boerderij 35 jaar lang geen herberg mocht zijn.19 De reden daarvoor was dat hij aan de andere kant van de weg ook een huis in eigendom had en daar de tapperij heen wilde verplaatsen. Via Hendrik Gerritse Van Segveld kwam de boerderij in handen van de familie Van Tuyll Van Serooskerke 20. In 1748 mocht er weer een herberg worden gevestigd, maar er was toen blijkbaar niemand die daar belangstelling voor had. Ook de naam De Prins ging mee naar de overkant van de weg. 

Kees Vernooy: In de landbouw was er in de 18e eeuw een toename van het bezit van boerderijen en land door rijke burgers, en dit hangt samen met de bloei van de handel in de 17e eeuw. Verschillende handelaren gaan in de Gouden Eeuw boerderijen en land als beleggingsobjecten aanschaffen. De boerenbevolking beschouwen ze daarbij als rechteloos. Ook zijn de boeren in de provincie Utrecht niet in de Staten vertegenwoordigd. De adel vertegenwoordigt daarin vanouds het platteland, maar kan moeilijk als een echte afgevaardigde van de boeren gezien worden. Pas in 1798 worden door de Franse bezetters in de positie van de boerenbevolking verbeteringen aangebracht. 

Faillissement

Vanaf dat moment was er de boerderij De Prins, de voormalige herberg en herberg De Prins, de voormalige boerderij die naast herberg ook als boerenbedrijf werd gebruikt. Beide huizen worden door elkaar De Prins genoemd en dat is verwarrend. 

Gerrit Teunisz. Van Doorn had zich er maar aan te houden dat hij vanaf 1714 geen herberg meer mocht houden. Huurbescherming kende men in die tijd nog niet. Voor de huurders was dat niet zo prettig, maar een huiseigenaar kon toen nog snel een huurder verwijderen die zich misdroeg of de huur niet betaalde. Het liep na de verplaatsing van de herberg snel slecht af met Gerrit Teunisz.. In 1716 moest hij het eerste stuk land dat hij van zijn vader had geërfd verkopen en een jaar later op een ander stuk hypotheek nemen. Hij raakte achter met de betaling van de belastingen en ging het ene gat met het andere stoppen. In 1719 had de schout geen zin om nog langer te wachten. Alles was verkocht en stond onder hypotheek en om de belastingen over 1717 en 1718 te betalen, verkocht de schout zijn gewas te velde 22. Tegen beter weten in probeerde Gerrit Teunisz. het zinkende schip nog drijvend te houden. Hij verliet de boerderij, dat daarna leeg kwam te staan (het was een slechte tijd) en vestigde zich in een keuter boerderijtje dat inmiddels zwaar onder de hypotheek zat. In 1721 moest er opnieuw een openbare verkoping volgen. Met achterlating van nog meer schulden verliet hij het dorp. Faillissement kende men niet, zodat een schuldenaar tot zijn dood achtervolgd werd door schuldeisers die beslag konden laten leggen op ieder bezit dat hij weer wist te vergaren. Openbare verkoping was niet verplicht, zodat een geldlener die als zekerheid hypotheek had laten vestigen, op het moment dat rente en aflossing niet betaald werden, het onroerend goed inpikte en waarschijnlijk de hypotheekakte feitelijk gebruikte als eigendomsbewijs.

De eigenaar van De Prins had na 1721 moeite om de boerderij te verpachten. Overal gingen boeren failliet en in 1721 komen we in de belastinglijst een zekere Teunisz. tegen. Maar voor men er achter was hoe hij verder heette, was hij al weer vertrokken. Na een jaar leegstand duikt de naam Hendrik van Mansveld 25 op, maar ook die had het na een jaar al weer gezien. 

Daarna ging het weer wat beter met de agrarische sector. We zien een afwisseling van pachters uit oude, gevestigde families die aan de boerderij een fatsoenlijke boterham hebben. 

Namen die voorkomen op de boerderij/herberg De Prins zijn: Dirck Kip, Gerrit Teunisz. Van Doorn, Jacob de Cruyff uit ’t Goy, Arie Van Miltenburg, Jonker van Tuyll van Serooskerke, Jan Middelweert, Wijnand de Wit. Gijsbert Jerfaas Hasselman, Cornelis de Gier, Antonie van Oostrom.

 

Onderduikers bij familie Coronel Pokorny

In de Tweede Wereldoorlog waren in het huidige gebied van de gemeente Bunnik op verschillende plaatsen onderduikers ondergedoken. Een van die plaatsen betreft een huis aan de Weg naar Rhijnauwen. De weg hoorde toen bij Bunnik, de huizen aan de rechterzijde van de weg bij de gemeente De Bilt, maar tegenwoordig is het ook Bunniks grondgebied. De weg is een van de toegangswegen naar het Fort bij Rijnauwen, waar zoveel verzetsmensen zijn gefusilleerd. 

Aan de Weg naar Rhijnauwen stonden en staan een aantal huizen. Komende vanaf het theehuis Rhijnauwen richting Utrecht staan ze aan de rechterkant. afb. hoofdfoto

Op nummer 4 N woonde de familie Coronel. De Joodse Pierre Antoine Coronel 1914 - 1945 was opgeleid als marconist voor de oorlog. Tijdens de oorlog werkte hij voor het verzet als marconist en onderhield op die manier contact met het verzet en later met het al bevrijde zuiden. De zender werd verborgen in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis te Amsterdam, en op 25 februari 1945 werd hij bij de zender betrapt toen Duitsers daar een inval deden. Bij het daarop volgende vuurgevecht werd Pierre Coronel dodelijk getroffen. 

Pierre was getrouwd met Adriana Milada Pokorny. In maart 1941 zijn ze gescheiden, maar Milada, zoals ze genoemd werd, bleef in het huis wonen, samen met haar man. In april 1941 wordt het huis verkocht aan A. de Wit. Milada bleef er wonen, en over deze onbekende vrouw gaat dit verhaal. 

Op 23 mei 1945, dus na de bevrijding, werd Milada opgepakt bij de Duits – Nederlandse grens bij Eysden in Limburg, en onmiddellijk gevangen gezet, tot 20 oktober 1945. Wat was er gebeurd? Uit de verhoren die daarna volgden bleek wat er gebeurd was. 

In 1942 had Milada al een aantal onderduikers in huis. afb.4 Dat aantal was eind 1942 al gestegen tot een stuk of 14. Als je nu het huis bekijkt, van buiten en van binnen, dan is het een raadsel hoe er zo veel mensen onder konden duiken in zo’n kleine ruimte. Financieel gezien had ze het ook niet breed. In het Utrechts Nieuwsblad staan diverse malen advertenties dat ze weer iets moest verkopen. afb.2

In 1944 komt het huis steeds meer in de belangstelling te staan van de Duitsers, en Pierre, haar eerdere echtgenoot, adviseert haar om te vluchten. Dat doet ze, en ze besluit om naar Praag te gaan. Daar kwam ze oorspronkelijk vandaan. Het lukte haar echter niet om een visum van de Duitse autoriteiten te krijgen, en uit arren moede besluit ze om in de keuken van een Duitse legereenheid te werken. Dat doet ze van 1 januari tot 14 april 1945. De Duitse eenheid moet dan naar het front, en na wat omzwervingen besluit ze om na de bevrijding weer terug te gaan naar haar huis in Bunnik. Dan wordt ze dus in Limburg gearresteerd.

Uit de verhoren van Milada, documenten van het Nederlands Beheers Instituut, documenten van het Militair Gezag en dergelijke blijkt het volgende:

Een verklaring van Milada zelf:

"Vanaf October 1942 tot October 1943 hebben bij mij in huis 19 joden ondergedoken gezeten. Mijn man en ik werkten beiden voor de ondergrondsche beweging, o.a. persoonsbewijzen vervalschen en levensmiddelenkaarten bezorgen. Tengevolge van het ondergrondsche werk moest mijn man midden 1944 onderduiken en ging in Amsterdam wonen. Daar ook ik gevaar liep door de Duitschers gearresteerd te worden ben ik op 13 December 1944 vertrokken naar mijn familie in Tsjechoslowakije. Door tusschenkomst van een oude vriendin van mij, die verloofd was met een SS-man leerde ik een persoon van de SS kennen, die mij hielp aan papieren voor Duitschland. Ik moest toen naar Duitschland vertrekken met een transport van de SS. Te Komotau/Sudetengau bestemde het transport zijn eindbestemming. Ik moest naar Praag en had daarvoor een apart visum noodig, hetwelk ik niet kon krijgen. Noodgedwongen om levensmiddelenkaarten te bekomen ben ik toen in dienst gegaan bij de SS op 1 Januari 1945 tot 16 April 1945. Na dien datum werd die afdeeling van de SS aan het front ingezet en kwam ik weer zonder werk. Ik bleef echter te Komatau tot na de capitulatie der Duitschers in Nederland. Daarna ben ik gerepatrieerd naar Eysden, waar ik geheel in het kort werd verhoord naar hier overgebracht. In maart 1945 toen ik in Duitschland was ontving ik van mijn moeder een brief, waarin zij schreef, dat mijn man in Februari 1945 bij een poging tot ontvluchting door de Duitschers werd doodgeschoten. Ongeveer een maand geleden ontving ik van mijn moeder in dit kamp een brief, als dat het lijk van mijn man was gevonden in een massagraf te Overveen.”

Een andere onderduiker die alles overleefde verklaarde:

"Ik heb mevrouw Milada Pokorny gekend. Een vriendin van mij was met haar man bij mevrouw Pokorny ondergedoken en op 15 januari 1942 ben ik eveneens met mijn man en kind bij mevrouw Pokorny ondergedoken. Ik ben tot April 1942 daar geweest. Ik ben daar vertrokken omdat we daar een inval kregen en we, hoewel deze goed werd doorstaan, toch bang werden daar langer te blijven. Mevrouw Pokorny heeft ons heel veel geholpen, ook bij dien inval. Bij die gelegenheid heeft ze ons op zolder verborgen; we waren toen met 12 joden daar in huis. Op een tweede keer, toen ik bij een boer in de buurt woonde (dit was omstreeks April 1943), heeft ze ons geholpen te vluchten toen daar weer invallen kwamen. Ze heeft financieel geen voordeel van ons getrokken. Ik weet niet meer precies wat we betalen moesten, doch dit was zeker niet meer dan absoluut noodzakelijk voor ons onderhoud.

Later heeft ze omgang gehad met een Duitsche Militair, doch ik meen stellig, dat dit een geval van verliefdheid op de persoon betrof en geen sympathie met de Duitschers in het algemeen. Ook in dien tijd heeft ze ons nog geholpen door te zorgen voor bonkaarten enz."

Een buurvrouw verklaarde:

"Mevrouw Pokorny heeft gedurende den geheelen oorlog naast ons gewoond en ik heb haar heel goed gekend. Omstreeks begin 1941 merkte ik, dat er bij haar Joden waren ondergedoken. Met enkele van deze Joden kregen wij al spoedig omgang, zoodat wij daardoor ook wel wisten wat er bij Mevr. Pokorny gebeurde. Zover ik weet heeft zij de by haar ondergedoken Joden altijd goed behandeld. In voorjaar `42 of `43 (ik kan niet precies zeggen wanneer het was) was er plotseling huiszoeking bij ons, zoowel als bij haar. Wij hadden niets te verbergen, doch bij Mevr Pokornyv heeft het nogal gespannen. Zij had toen ongeveer 10 of 12 Joden in huis, die door haar op dat oogenblik werden verborgen op een zolderkamertje, waar ze niet zijn gevonden. Na de huiszoekingen hier in de buurt, werden de menschen bang en zijn toen langzamerhand vertrokken. Later, omstreeks einde 1944 is Mevr. Pokorny met een Duitscher, met wien zij toen veel omging, naar Duitsland vertrokken, waarheen weet ik niet en meer kan ik niet verklaren".

En een buurman:

"Ik heb Milada Pokorny heel goed gekend. Zij heeft gedurende den geheelen oorlog hier op no 4N gewoond. Zij heeft gedurende langeren tijd veel Joden in haar huis gehad. Ik meen van begin 1941 tot ver in 1943. Wij wisten dit, omdat wij haar van onze boerderij van melk en dergl. voorzagen. Voorzoover ik weet heeft zij de Joden heel goed behandeld. Op een keer bij huiszoekingen hier in de buurt, vluchten de ondergedoken Joden, onder andere, ook naar mijn woning. Ook heeft zij ze bij een huiszoeking bij haar een maal op de zolder van haar woning verborgen gehouden. Zij had veel voor de menschen (ook in het algemeen) over. Hoewel ze van haar man was gescheiden, leefde hij toch bij haar in huis. Zij heeft het door deze omstandigheid, volgens mijn meening, zeer moeilijk gehad. Dit heeft haar op het einde van den oorlog wat uit het lood geslagen en heeft ze toen omgang gehad met een Duitsch Militair. Hoe of waarom ze naar Duitschland is gegaan, weet ik niet, doch vorenmelde omstandigheid zal daar wel niet vreemd aan zijn geweest. Wij hebben haar altijd volledig vertrouwd.”

En tandarts Van Lankeren (zelf een verzetsstrijder) verklaarde tenslotte:

"Ik heb mevrouw Coronel-Pokorny gekend als patiënte. Ik heb haar gedurende de geheele oorlog gekend. In de jaren 1942, 1943 en 1944 heb ik in perceel Weg van Rhijnauwen 4N zoowel als bij mij thuis verschillende malen Joden behandeld. Als een Jood hier aan huis kwam voor behandeling, kwam mevrouw Coronel de eerste maal zelf mede of wel zij stuurde soms een vertrouwd persoon mede. Als het patiënten betrof met een te specifiek Joodsch uiterlijk dan ging ik naar haar (mevrouw Coronel) huis voor de behandeling. Ik heb mevrouw Coronel als absoluut betrouwbaar gekend.”

De uitspraak van het Tribunaal luidde: afb. 3

Haar straf werd dus bepaald op de duur van haar internering, zodat ze in oktober 1945 als vrije vrouw weer naar huis kon. De straf kreeg ze omdat ze formeel natuurlijk wel in dienst van de Duitsers was geweest. 

Na de oorlog gingen er verhalen dat Milada de boel verraden had en had aangepapt met de SS. Uit de verhoren blijkt dit iets genuanceerder te liggen. Hoewel Pierre Coronel op diverse sites geëerd wordt vanwege zijn verzet, heeft Milada Pokorny nooit de erkenning gehad die ze verdiende. Een eerherstel voor deze moedige vrouw, die in 2000 in Bilthoven overleed.

 

 

De landgoederen Oud en Nieuw Amelisweerd en Rhijnauwen zijn ontstaan in een bocht van de Kromme Rijn. In de Middeleeuwen is er sprake van drie ridderhofsteden. Opmerkelijk is de heuvel die naast het huidige landhuis Amelisweerd ligt waarin zich een ijskelder bevindt. Er is onderzocht of het de plaats is geweest waarop een woontoren heeft gestaan.

Amelisweerd dankt haar naam aan ridder Amelis, die in de dertiende eeuw in dit gebied gewoond heeft. Hij wordt genoemd in een oorkonde uit 1224. Het gebied dat hij in leen kreeg van het kapittel van Oudmunster was een waard. Een waard is een stuk land dat grenst aan een waterloop, in dit geval de Kromme Rijn, en naar dit stuk land noemde Amelis zich: ‘Amelius uten Werde’, = Amelis uit de waard. Waar hij precies woonde hiervan is geen beschrijving overgeleverd. De eerste beschrijving dateert uit 1395. Amelisweerd is dan in drie lenen gesplitst, een westelijk deel, genaamd Groenewoude, dat ook Amelisweerd werd genoemd, een oostelijk deel, het huidige Oud Amelisweerd, dat weer in twee lenen was onderverdeeld. Er waren dus twee stukken naast elkaar gelegen land die allebei Amelisweerd heetten. Het lijkt waarschijnlijk dat beide vroeger één geheel vormden. Aangezien later van Oud en Nieuw Amelisweerd werd gesproken, zou kunnen worden aangenomen, dat de vroegste bewoning heeft plaatsgevonden in het gebied dat nu Oud Amelisweerd heet. Een vergelijkbare ontwikkeling heeft zich voorgedaan in het verderop gelegen Wulven. Dit gebied raakte in de loop van de tijd in verval, waarna verderop een nieuw huis werd gebouwd, dat ook weer de naam Wulven kreeg. Het oorspronkelijke Wulven werd hierna als Oud-Wulven betiteld. 

Van Amelis is bekend dat hij was getrouwd met een zekere Sophia en vier kinderen had; één zoon die eveneens Amelis heette, en drie dochters, Sophia, Hildegond en Jutta. Amelis wordt in eerste instantie in de oorkonden genoemd bij de bisschoppelijke ministerialen. Dit hield in dat hij geen vrij man was, maar dienst moest verlenen aan de bisschop. In 1235 komt hij voor het eerst voor als ‘Amelis miles de Insula’ = ridder Amelis uit de waard. Amelis trad vele malen op als getuige in Utrechtse oorkonden. Verder bezat hij een hoeve te Alendorp. Aan te nemen valt dat hij tot de hogere klassen van de samenleving behoorde. 

Het is niet eenvoudig om een beeld te krijgen van de manier waarop Amelis woonde. Een voor ons vroegst bekende afbeelding van Oud Amelisweerd werd in 1731 door C. Pronk getekend. zie afbeelding 1 Dit is meer dan 500 jaar na de eerste vermelding van Amelisweerd in de eerste oorkonde van 1224. Vóór 1731 is Oud Amelisweerd wel te vinden op kaarten, maar dan alleen aangegeven met een paar boompjes en de naam Melisweerd. zie afbeelding 2 Kaart Bernard du Roy 1676. De tekening uit 1731 van C. Pronk geeft een trapgevelhuisje uit de zestiende eeuw weer, dat net als het tegenwoordige huis dicht aan het water ligt. Het huis is gebouwd op de hoger gelegen oeverwal, die ontstaan is toen de rivier nog regelmatig overstroomde. Verder van de rivier af is de grond lager gelegen; als het huis daar was neergezet zou er overlast van het water zijn geweest. Om dezelfde reden heeft in 1770 Gerard Godard Taets van Amerongen het huidige buitenhuis vlak langs het water, op de oeverwal, gebouwd. Dit had wel tot gevolg dat er aan de rivierzijde van het huis onvoldoende ruimte was voor een koets om te kunnen keren, zodat de imposante oprijlaan niet in het midden bij het huis kon uitkomen maar erlangs moest lopen en zo aan de andere zijde van het huis kwam, waar voldoende ruimte was. 

Motte

Naast het huisje is op de tekening een heuvel te zien, die ongeveer een even grote oppervlakte bestrijkt als het huis zelf en die tot de dakrand van de woning lijkt te reiken zie afbeelding 1. Deze heuvel kan, gezien de steile helling en de hoogte, niet door natuurlijke omstandigheden zijn ontstaan. Nu werden zulke heuvels wel opgeworpen ter verfraaiing van tuinen en parken, maar aangezien het hier gaat om een tekening van een eenvoudig huis uit het begin van de achttiende eeuw, kan in dit geval geen sprake zijn van een heuvel die is opgeworpen als onderdeel van een parkaanleg. Dit gebeurde pas vanaf het einde van de achttiende eeuw bij grote buitenhuizen met een park ingericht volgens de romantische Engelse landschapsstijl. Er moet een andere verklaring voor de functie van de heuvel worden gezocht. Waarschijnlijk is deze heuvel een kunstmatige verhoging, waarop in de dertiende eeuw een woontoren heeft gestaan; een motte. Motte-kastelen komen in Nederland voor vanaf de eerste helft van de twaalfde tot het midden van de dertiende eeuw. De term motte is als verbastering van het Frans terug te vinden in de plaatsnaam Montfoort, een fort op een ‘mont’ heuvel. Het twaalfde-eeuwse motte-kasteel bestond uit een imposante heuvel, met een diameter van 20 tot 45 meter, waarop de grote feodale heren een rond of ovaal kasteel bouwden. Zo’n kasteel werd niet permanent bewoond, maar had een militaire functie en diende als verdedigingspunt en toevluchtsoord in tijden van oorlog. Deze motte-kastelen verloren in de dertiende eeuw hun militaire functie. In deze tijd stonden niet langer enkele ridders tegenover elkaar, maar werden er huurlegers ingezet. Het motte-kasteel bood toen niet meer voldoende bescherming, reden waarom moest worden overgegaan tot de bouw van grote stenen kastelen, die omringd werden door diepe grachten.  

Het gebied dat nu met Amelisweerd wordt aangeduid kwam, na de aanleg van de dam in 1122 vrij voor bebouwing en bewoning. De eerste vermelding was pas in 1224. Het is onwaarschijnlijk dat er in die tussenliggende honderd jaar geen bewoning in het gebied heeft plaatsgevonden. Over mogelijke voorgangers van Amelis is niets bekend. Pas als Amelis de waard in leen krijgt en zich naar deze waard noemt, dan gaat de waard later naar hem heten niet naar één van zijn voorgangers. Mogelijk is juist zijn naam blijven bestaan, omdat hij er een motte-kasteel bouwde, dat status gaf aan het gebied. Omdat dertiende-eeuwse motte-kastelen voornamelijk vanwege hun maatschappelijke functie werden gebouwd zou het ook mogelijk kunnen zijn dat de aanwezigheid van een motte wijst op een ontwikkeling die de bewoner ervan heeft doorgemaakt naar een hogere sociale klasse. In dit geval zou een motte-kasteel ertoe kunnen hebben bijgedragen dat de overgang van Amelis als bisschoppelijk ministeriaal van hereboer naar ridder mogelijk werd. Deze verhoogde status gold ook voor Amelis’ zoon, die ook ridder was. 

Van een motte op Oud Amelisweerd is echter niets bekend, er zijn in ieder geval geen bronnen uit die tijd bewaard gebleven waarin gesproken wordt over een berg of over een motte op Amelisweerd. Maar dit wil niet zeggen dat er geen motte was. Het is mogelijk dat er een motte-kasteel is geweest dat er niet lang heeft gestaan en dat slechts een teken was van een tijdelijke opleving, waarna het misschien al na Amelis in verval raakte en de bewoners de motte verlieten om in een boerderij te gaan wonen.1

Na de vermelding van de zoon wordt Amelisweerd bijna honderd jaar lang nauwelijks in de bronnen vermeld. Pas in 1395 wordt Amelisweerd weer genoemd in een lijst van leenmannen van het kapittel van Oudmunster. Dat Melisweerd na de vermelding van de zoon van Amelis nauwelijks meer in de bronnen voorkomt zou kunnen duiden op de afname van het belang van dit gebied en van haar bewoners. De hogere status kon niet langer in stand worden gehouden, waarna de bewoners de motte verlieten. 

Note 1: Dit beeld komt overeen met de resultaten van een onderzoek dat C. Hoek in de omgeving van Rotterdam heeft gedaan naar de hofsteden Portugaal en Zwartewaal. Hoek heeft weten aan te tonen dat op deze plaatsen in eerste instantie alleen sprake was van een boerderij, waarna het gebied in de dertiende eeuw verrijkt werd met een motte. De motte van Portugaal was in de veertiende eeuw al weer verlaten. De motte van Zwartewaal was  afgevlakt, zodat er in plaats van een woontoren een hele boerderij op kon staan. 

 

Protestant en Katholiek in de 16e en 17e eeuw

De historicus Cees Dekker, auteur van het boek ‘Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen’ neemt ons in zijn lezing mee naar het jaar 1564. Dit jaar was voor de bevolking in dit gebied een jaar zoals alle andere. Een jaar van hard werken voor de landbouwende bevolking, met zo nu en dan een aangename onderbreking vanwege de kermis, die in de meeste dorpen, op verschillende tijden, plaats vond. Wat hier verder gebeurde was steeds een gevolg of een terugslag van de gebeurtenissen elders. 

Hoe de geweldige religieuze beweging, die de Reformatie heet en die de Westerse kerk op zijn grondvesten deed wankelen, het gebied bereikte, zullen wij nagaan door een schijnwerper te richten op vier gebeurtenissen in de periode van ca. 1550 tot 1650. Vier gebeurtenissen, die de evolutie niet hebben bepaald. Het illustreert wel de intensiviteit, waarmee de geloofsbeleving gepaard ging. De protestantse linnenwevers uit Wijk bij Duurstede, zowel als de Schalkwijkse Katholieken uit 1651 hadden veel voor hun geloof over. En dan het feest in Odijk, die hadden hun nieuwe pastoor ingehaald! Heer Evert Aelbertsz., opvolger van Willem Blom. Er waren onder de bevolking verdedigers van het oude, en fervente aanhangers van het nieuwe, met daartussen een grote massa, die pastoor Evert Aalbertsz. van Odijk tot hun patroon zouden hebben kunnen kiezen, die het oude niet geheel loslaten, het nieuwe niet bij voorbaat verwerpen, die de kat uit de boom kijken, of die zoals ds. Rommius, alweer uit Odijk, de zaken op veilige afstand gade slaan en een keus uitstellen. Wat gebeurde er? 

We gaan een kijkje nemen op de Achterdijk, die destijds, met zijn verlengde, de Trechtweg (nu Provinciale weg) de enige verbindingsweg tussen Utrecht en Wijk bij Duurstede. Het is 27 augustus 1564 in de vooravond. De arbeiders zijn nog bezig met het binnenhalen van de oogst, hoewel de klokken in de torens van Werkhoven, Odijk en Bunnik al hebben geluid voor de vespers. Er komt een kleine stoet aan uit de richting Wijk bij Duurstede. Voorop te paard de stadsschout van Wijk, met het stadwapen op zijn borst, daarachter nog drie ruiters, dienaren van de schout, en achter elk van hun drie paarden een man, gebonden aan een paard, blootshoofds, op blote voeten, vastgeklonken in ijzeren handboeien. De arbeiders, die juist naar huis gaan, weten wie de geboeiden zijn; op de Werkhovense processie heeft men er al over gefluisterd: drie Wijkse poorters: Jan Hendriksz. uit Cothen, kleermaker, Jan Jansz., stoeldraaier, vader van 6 kinderen, en Hendrik Hermansz., linnenwever. Achtenswaardige lieden, broeders van hun ambachtsgilde, maar beschuldigd van de misdaad van ketterij: Wat hebben zij eigenlijk gedaan? 

Dank zij het criminele sententieregister van het Hof van Utrecht weten wij het precies! Jan Hendriksz. van Cothen is met Pasen niet ‘te biechte ende ten Heyligen Sacremente’ geweest. Hij heeft twee maal een geheime vergadering te Maurik bijgewoond in het huis van een zekere Aert Dirksz. en éénmaal een dergelijke bijeenkomst te Buren, waar gelezen werd … in het nieuwe testament! Jan Jansz. en Hendrick Hermansz. hebben al twee jaar hun Pasen niet meer gehouden, laatstgenoemde heeft dezelfde geheime bijeenkomsten bijgewoond als Jan Hendriksz. van Cothen, maar heeft bovendien ‘zeeckere quade boucxkens’ gelezen, die door zijn vrouw uit angst zijn verbrand. Jans Jansz. had ook een dergelijk boekje. Hij is maar éénmaal in Maurik geweest, maar naar een zéér geheime vergadering ‘waer eenige disputatien gehouden waren off men die jonge kinderkens behoorden te doopen off nyet’. Kennelijk een bijeenkomst van Doopsgezinden. De schout had zijn plicht gedaan. Een zo openlijk zondigen tegen de plakkaten kon niet in Wijk zelf berecht worden, vandaar de spectaculaire tocht over de Achterdijk regelrecht naar het kasteel Vredenburg, de strafgevangenis van Utrecht.  Hoe liep dit verder af? 

Wel niet ongunstig. Na een half jaar gevangenschap werden de Wijkenaren in de gelegenheid gesteld hun dwalingen te herroepen. Dit deden zij meteen. De tekst is bewaard gebleven. 

‘Ick Jan Hendricksz. van Cothen belije ende bekenne dat ick getwijffelt hebbe aan dat H. weerdige sacrament des autaers, aen dat H. ampt der missen, aan die aanbedinge ende eer, die men den sancten ende die sanctinnen Gods doet, ende versaeck ende abjureer dees voorgenoemde heresieën als godlose dwalinge wesende tegen dat oprecht Christelijck gelove, belovende mitsdeesen mij voortaen te dragen in alles zo een goed Christenmensche ende een gehoorzaam kind der heiliger Catholijcker Roomscher kercke schuldig es te doene. Soe helpe mij God ende alle zijne heiligen. 

De bekentenissen werden opgestuurd naar de centrale regering te Brussel en begin maart 1565 kwamen er bij het Hof van Utrecht drie oorkonden binnen, gesteld op naam van koning Filips II en voorzien van zijn groot zegel in rood. De drie Wijkse poorters werden hiermee gratie verleend op de volgende voorwaarde: zij moeten in het openbaar eerst te Utrecht, daarna op de markt te Wijk onder het aanroepen van Gods naam hun dwalingen herroepen, als straf moeten zij iedere zondag en iedere verplichte heilige dag gedurende een jaar de hoogmis en de predicatie in de kerk van S. Jan Baptist te Wijk bij Duurstede bijwonen, na dat jaar moeten zij een certificaat van de pastoor aan het Hof van Utrecht overhandigen.  

In een tijd waarin elders in de Nederlanden, vooral in Vlaanderen, Brabant en Holland, duizenden kennis namen van de Calvinistische leer, blijven de Kromme Rijnders gezags- en leergetrouw. Over het peil waarop hun kerkelijk en geestelijk leven stond zijn we niet ingelicht. Maar dat het iedere zondag naar de kerk gaan als gerechtelijke straf kon hanteren, spreekt boekdelen over de kerkgang in het algemeen.  

Waren er Calvinisten? Op het platteland hebben wij er geen bewijzen voor. De drie Wijkse gevangenen kan men nauwelijks zo noemen, maar een andere Wijkenaar was het zeker. Dirk Cornelisz., van beroep eveneens Linnenwever, bezocht in 1565 en 1566 bijna dagelijks de Calvinistische geheime bijeenkomsten en predicaties. Op 25 augustus 1566 toen de beeldenstorm Utrecht bereikte, ging hij ijlings naar de stad en deed mee in de Buurkerk, waar hij o.a. een altaar omver trok. In tegenstelling met zijn plaatsgenoten weigerde Dirk Cornelisz, zijn nieuw geloof af te zweren. Hij werd veroordeeld tot de doodstraf, te voltrekken door het koord, als voorbeeld voor anderen. Bij alle narigheid die de Reformatie met zich mee had gebracht had de Kromme Rijnstreek één martelaar voortgebracht en dat was een Protestant!

Lezing van Dr. C. Dekker tijdens het vijfjarig bestaan van de Historische Kring tussen Rijn en Lek. De lezing vond plaats in 1971 op kasteel Beverweerd bij Werkhoven. 

`Een stappende haan als zinnebeeld van waakzaamheid`

Burgemeester Willem Jabes van Beeck Calkoen loodste de drie gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven door naar de vernieuwing van de twintigste eeuw. Hoe deed hij dit?

Willem Jabes werd op 25 maart 1871 in Utrecht geboren als zoon van Aarnoud Willem van Beeck Calkoen en jvr. Pauline Albertine Ram. Hij trouwde op 14 november 1901 in Zeist met jvr. Adrienne Johanna Margaretha Repelaer; dit huwelijk werd op 3 december 1930 ontbonden. Het echtpaar kreeg vier zoons. Hij overleed op 13 februari 1945. 

Stammend uit een bekende Utrechtse familie, waarin grootvader Aarnoud Jan en vader Aarnoud Willem  in Utrecht vele functies op politiek, kerkelijk en bestuurlijk gebied hadden bekleed, deed Willem Jabes rechten aan de Utrechtse universiteit; in 1898 volgde zijn doctoraal examen. Hij studeerde af met een promotie op stellingen.

Hij werd opgeleid in de secretarie in Zeist. Hier bleek al snel dat Willem Jabes ijverig en nauwgezet was. In 1899 kwamen er een paar kenmerken bij die paste bij het burgemeesterschap. Hij was 2e secretaris geworden van het hoofdbestuur van het Genootschap voor Landbouw & Kruidkunde. Volgens de burgemeester van Zeist vervulde hij deze betrekking met de meesten ijver, bekwaamheid èn welwillendheid, terwijl ook zijn aangename beleefde manieren en makkelijke wijze van omgang een uitstekende indruk hadden gemaakt bij alle leden van genoemd hoofdbestuur.

Met deze overtuigende woorden werd Willem Jabes in 1901 burgemeester van de gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven. Deze gemeenten hadden sinds 1850 samen één burgemeester. In 1897 was voor de drie plaatsen een nieuw gemeentehuis gebouwd in het centrum van Bunnik. Van Beeck Calkoen kon zijn werkzaamheden dus in een mooi nieuw gebouw beginnen. Hij vond het belangrijk om ook in Bunnik te wonen en verhuisde kort na zijn benoeming naar het centrum van het dorp. In 1905 werd hij eigenaar van de fraaie buitenplaats Bloemerwaard met de bijbehorende landerijen, gelegen tussen de Schoudermantel en de Kromme Rijn. Inmiddels was hij getrouwd met Adrienne Repelaer; het echtpaar kreeg vier kinderen; Aernoud Willem, Frans Jabes, Philip Jan en Johan Adriaan Paulus.

‘Ik ga niét van het schip af!’

Een wapenfeit uit de loopbaan van Van Beeck Calkoen was de invoering in 1913 van het gemeentewapen van Bunnik; een stappende rode haan als zinnebeeld van waakzaamheid. Een jaar later brak de Eerste wereldoorlog uit, die het rustige Bunnik niet ongemoeid liet. De inwoners kregen te maken met inkwartiering en distributie. Bovendien lag het dorp middenin het gebied van de Hollandse Waterlinie, zodat ontruiming dreigde. Van Beeck Calkoen zei later zelf over die moeilijke periode, dat de gemeente heen en weer getrokken werd tussen het staatsgezag, het militaire gezag en haar eigen belang. In 1918 volgde het gevaar van een revolutie in Nederland. Predikant De Vrijer herinnerde zich later, dat hij aan de burgemeester had gevraagd: ‘En als ook over onze gemeente de revolutie-golf komt?’ Hij antwoordde rustig; ‘Ik ga niét van het schip af!’

Plichtsgetrouw stond Van Beeck Calkoen aan het roer van zijn gemeenten, Bunnik, Odijk en Werkhoven. Dat dit werd gewaardeerd door de bevolking, blijkt wel uit de huldiging bij zijn 25 jarig jubileum in 1926. Vlaggen waren uitgestoken, en het stadhuis was feestelijk versierd met bloemen en palmen. In optocht van ruiters met sjerpen, de plaatselijke afdelingen van arbeidersvakverenigingen met hun vaandels en enkel muziek- en zangverenigingen, begeleidden de jubilaris naar het gemeentehuis. Na afloop van een bijzondere raadsvergadering vond een huldiging plaats in het gebouw de Grondslag. Hij kreeg een ingelijst tegeltableau, dat dorpsgezichten en wapens voorstelde rond het portret van de burgemeester, met aan weerszijden twee figuren die lief en leed symboliseerden. Het cadeau van de ambtenaren was een marmeren inktstel.

Naast het burgemeesterschap bekleedde Van Beeck Calkoen twintig jaar lang diverse andere functies. Hij was lid van Provinciale Staten, buitengewoon lid van Gedeputeerde staten, dijkgraaf van het hoogheemraadschap Lekdijk Bovendams, commissaris van de N.V. Provinciale Utrechtsche Elektriciteitsmaatschappij, lid van het dagelijk bestuur van de Stichting Drinkwaterleiding Zuid-Utrecht, voorzitter van de Schippersschool te Vreeswijk en voorzitter van de Tuberculosecommissie voor Bunnik, Odijk en Werkhoven. Een koninklijke onderscheiding kon voor een man met zoveel verdiensten niet uitblijven. In 1936 werd Van beeck Calkoen bevorderd tot officier in de orde van Oranje-Nassau.

Tijdens zijn bewind maakten de drie gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven een belangrijke ontwikkeling door. Het inwonertal nam toe, riolering, elektrisch licht en waterleiding werden aangelegd, er werd woningbouw gepleegd en er kwamen nieuwe wegen tot stand. De burgemeester kreeg steeds meer zorgen. Het werd moeilijk om de begroting sluitend te krijgen, de belastingdruk was hoog, de landhuizen langs de Kromme Rijn kwamen leeg te staan, waardoor de inkomsten van de gemeente terugliepen, en er was sprake van werkloosheid.

Hoewel Van Beeck Calkoen op 25 maart 1936 de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, wachtte hij met zijn vertrek tot hij 35 dienstjaren volgemaakt had. Uiteraard was er, net als in 1926, een groot feest georganiseerd, dat op 3 oktober plaatsvond. Op het gemeentehuis werd het afscheidscadeau aangeboden, dat bestond uit een serre ameublement met bloemstuk. Om vijf uur ’s middags begon een defilé bij de burgemeesterswoning, waaraan werd deelgenomen door 19 verenigingen uit Bunnik en een muziek muziekkorps uit Werkhoven. Van Beek Calkoen werd toegezongen door ongeveer 300 schoolkinderen, die een reep chocola ontvingen. Het uitvoerige verslag in het Utrechtsch Dagblad vermeldt: ‘Spontaan weerklonk een driewerf hoera voor de scheidende burgemeester, waarvoor deze vriendelijk dankte. De verslaggever wenste de ‘in den dienst vergrijsden burgervader’ een levensavond toe die net zo helder zou zijn als deze mooie herfstdag.

De laatste levensjaren van Van Beeck Calkoen waren echter niet onbezorgd. Zijn echtgenote, die niet had kunnen wennen aan het rustige dorpsleven, was in 1924 uit Bunnik vertrokken; in 1930 was het huwelijk officieel ontbonden. Twee zoons waren al vóór 1936 geëmigreerd, respectievelijk naar Amerika en Zuid-Afrika. Een derde zoon, Frans, was in 1933 burgemeester van Ouderkerk aan den IJssel geworden.

Bloemerwaard werd te groot voor de oud-burgemeester; in 1940 verkocht hij het landhuis. De nieuwe eigenaar liet het gebouw Bloemerwaard met de grond gelijkmaken en een modern huis optrekken. Een groot deel van het bijbehorende land was al onteigend in verband met de aanleg van de A12. Van Beeck Calkoen verhuisde naar Drieberg-Rijsenburg. Daar bracht hij de moeilijke oorlogsjaren door. In 1944 schreef hij aan een van zijn broers: ‘’ de dagen gaan voorbij in troostelooze eentonigheid en eenzaamheid’. Tijdens een fietstochtje met zijn zoon Frans naar Werkhoven bezweek hij aan een ‘hartflauwte’. Willem Jabes werd begraven op de Eerste Algemene Begraafplaats in zijn geboorteplaats Utrecht.

In Bunnik herinnert de Van Beeck Calkoenlaan nog aan deze trouwe burgemeester. 

DERK DE GEEST (1878-1965)

Derk trad op 15 jarige leeftijd in 1893 in dienst bij smederij Roodvoets te Bunnik. Hij maakt op 5 januari 1898, “na vijf en een half jaar eerlijke en trouwe dienst”, een uitstapje naar de Rijwielfabriek Wilhelmina te Zeist. Op 27 augustus 1898 keert hij met een getuigschrift bankwerker weer terug naar de smederij. In 1924 neemt hij het smederijbedrijf over van de heer Roodvoets, onder de naam "Smederij de Geest", dat later de toevoeging & zoon kreeg.

HENDRIK DIRK DE GEEST (1906 – 1993)

Na de lagere school in Bunnik hielp hij enige tijd de tuinman van de Niënhof. Daarna volgt hij van april 1920 tot april 1923 op de Ambachtschool in Utrecht een opleiding tot machinebankwerker die hij “met goeden uitslag heeft gevolgd”. Bovendien verwierf hij bij het verlaten van deze school “een eersten prijs voor goed gedrag en ijver”. Van 1923 tot 1942 werkt hij bij zijn vader Derk de Geest in de smederij. Per 1 januari 1942 neemt hij deze van zijn vader over. In verband met een hem overkomen ongeval op 1 oktober 1973, een aanrijding waarbij hij zijn rug brak, heeft hij zijn bedrijf niet meer kunnen voortzetten en officieel op 1 mei 1974 beëindigd.

Het bedrijf Smederij de Geest

In de “Kamer van Koophandel en Fabrieken” stond het bedrijf ingeschreven als “Grof-, Hoef-, Huis- en Kachel- smederij”.

Als een zeer onvolledige opsomming van werkzaamheden kan worden genoemd: sier-smeedwerk, zoals een hek om de oude Nederlands Hervormde pastorie, vogels op een grafzerk, wijnrekken, een bijzettafeltje, lectuurbakken, een fraaie trapleuning in het huis van zijn dochter etc.

Ook banden om de wielen van “mallejan’s” voor Houthandel Van Dam, gesmede nagels/spijkers voor bouwwerkzaamheden, tegelmallen voor de Betonfabriek Destrebecq.

Het herstellen en - in het oogstseizoen dagelijks vooral ’s avonds - slijpen van maaimessen voor loonwerkers die de weides voor de boeren maaiden.

Als hoefsmid besloeg hij niet alleen de paarden, maar maakte ook zo nodig eigenhandig (orthopedische) hoefijzers voor de hoeven van de paarden, die - veelal in de voor de smederij staande “hoefstal” - de bewerking van de hoeven ondergingen.

Kachels en haarden (hout- of kolenkachels, géén olie-) werden meestal met de handkar bij de klanten opgehaald, in de smederij schoongemaakt, zo nodig gerepareerd of onderdelen vernieuwd (bijvoorbeeld de ‘mica’ ruitjes) en daarna (per handkar of bakfiets) weer teruggebracht naar de eigenaar. Ook werden haardplaten gemaakt, waarmee zomers de schoorsteen in de kamer werd afgedekt, en pijpen voor (nieuw) geleverde haarden en kachels; daarvoor stond een speciaal apparaat in de smederij, waarmee van een vlakke plaat een pijp werd “gerold”. 

Onder de noemer Huissmederij vallen b.v. het (met een zgn “loper) openmaken van sloten (waarvan de sleutel kapot of zoek was); het herstellen van sloten, laswerk van allerhande gebruiksvoorwerpen, (b.v. ook kinderfietsjes/steps). Het laswerk gebeurde eerst door middel van carbid, waarmee acetyleengas werd geproduceerd, waar dan “autogeen” mee werd gelast. Later kwam dat gas in flessen vanuit de fabriek (Loos & Co). Bij de verbranding van het gas ontstond een steekvlam, door de hitte daarvan kon metaal worden bewerkt. 

Al het werk ging “op rekening”(1 of 2x per jaar), die vaak na maanden pas werd betaald (of zelfs helemaal niet!) Grote klanten: Gemeente Bunnik, rijkswaterstaat, Houthandel van Dam, Betonfabriek Desterbecq e.a..

Opa D. de Geest woonde met zijn vrouw in het linkse deel van een dubbel woonhuis aan de Molenweg. Dit pand is afgebroken bij de aanleg van de zuster Spinhovenlaan. (Zoon) H. D. de Geest woonde (vanaf 1934 tot 1959) met zijn gezin in één van de eerste nieuwgebouwde huizen aan de Molenweg, schuin tegenover de smederij. Na het overlijden van de Laatste Roodvoets-telg, kocht en verhuisde Henk met zijn gezin naar, het veel oudere huis grenzend aan de smederij aan de overkant.  

 

 

Restaurant Vroeg, op de hoek van de Achterdijk met de Provincialeweg in het buurtschap Vechten, was vroeger een boerderij met de intrigerende naam De Prins. Het is een monumentale dwarshuisboerderij uit de 17e eeuw. Samen met Hofstede Wiltenburg, gelegen aan de overkant aan de Provincialeweg, is de boerderij een belangrijk restant van de laat- 17e eeuwse bebouwing van het buurtschap Vechten. De naam de Prins herinnert aan een bezoek van Prins Willem III van Oranje aan de herberg met de naam De Prins. 

De oudste gegevens over deze van oorsprong herberg boerderij beginnen bij de naam Rijsoort. De naam Rijsoort komt al voor op de lijst van het Oudschildgeld uit 1599 1, een belasting van Karel V. De bewoner was toen Willem Janse Raeymaeker, van wie het een en ander bekend is. Zijn grafsteen ligt in de Hervormde Kerk, Kerkpad 1 te Bunnik en voor degenen die daar ’s zondags kerken: in het gangpad rechts ter hoogte van de deur naar de consistoriekamer. Op de grafsteen staat dat hij is overleden op Sinte Nicolaes 1717 (6 december). Maar we weten nog wat meer van hem omdat er in 1601  voor schout en schepenen een familiecontract werd gesloten 2. Zijn echtgenote Marrichgen was toen overleden. Van zijn kinderen waren de oudste twee meerderjarig. We weten hun naam omdat zoon Cornelis Raymaecker die met Agatha getrouwd was, zijn zus Grietgen Raymaecker, gehuwd met Gijsbert Dirksz., uitkocht uit de erfenis van hun beider moeder. Het kan zijn dat Cornelis na 1616 de boerderij had overgenomen, maar zeker weten we dit niet. 

Franse inval

Van het midden van de zeventiende eeuw dateren een paar losse vermeldingen. Zo had Hendrik Geerkens uit kampen in 1649 de helft van het huis in eigendom. Hij maakte in 1649 voor schout en schepenen van Bunnik zijn testament 3 omdat hij op dat moment ‘sieckelijk van lijf en leden’ was. Hij legateerde daarin de helft van De Prins aan het Pestgasthuis te Utrecht met een vruchtgebruik voor zijn zuster Catharina. De andere helft ging in 1663 een aantal malen van de hand tot het in bezit kwam van Dirk Hermansz. Kip die ‘aan de Ganssteegh’ woonde, de Gansstraat te Utrecht. Of er een familierelatie tussen Kip en Geerkens is, is onbekend. Kip moet rond 1670 zijn overleden 5. Uit zijn huwelijk met Petertjen Duyffhuis 5 waren geen kinderen geboren of ze waren allemaal al voor de ouders overleden. De erfenis was nog niet verdeeld toen een ramp ons gebied overspoelde. De Fransen trokken in 1672 het land binnen. Omdat noch de stad, noch de provincie Utrecht te verdedigen waren, gaf de stad zich al snel over. Al het platteland om de stad heen werd door de soldaten geplunderd en heel veel huizen gingen in vlammen op. Zo ook Rijsoort. Bij de restauratie van kort geleden werd het stucwerk afgebikt en kwamen er in de onderste lagen stenen tevoorschijn van vóór 1672 die zwart geblakerd waren 6. Ook Rijsoort werd dus in 1672 in brand gestoken. We weten dat ook uit de archieven 4. Weliswaar staat er niet met zoveel woorden dat er een brand is geweest, maar in 1672, 1673 en 1674 krijgt er niemand een belastingaanslag als bewoner8. Dat is een teken dat het huis toen niet bewoond was. Pas in 1675 komen we weer een bewoner tegen

In 1675 was de herbergier Thonis Dirkse van Doorn in het huis getrokken. Blijkbaar 9 waren de erfgenamen van Dirck Kip er in geslaagd om voldoende bouwmaterialen en geld bijeen te brengen om het huis weer bewoonbaar te maken zodat het verhuurd kon worden. Inmiddels hadden de Fransen alles geroofd wat er te roven viel en kon de burgerbevolking terugkeren. 

Herbergier THONIS DIRKSZ. VAN DOORN ( - 1710?) en het Utrechtse Pesthuis

In 1677 werd het Utrechtse Pesthuis eigenaar van de herberg 10. Vanaf dat moment is er een sluitende lijst met bewoners, terwijl het eigendom in grote lijnen te volgen is 11. De naam De Prins herinnert nog aan de Herberg De Prins, aan de tijd dat Prins Willem III (1650-1702) hier had gelogeerd. Wanneer Zijne Hoogheid er precies geslapen heeft weten we niet, maar het moet geweest zijn tussen 1677, toen de naam Rijsoort nog in gebruik was en 1702, toen de Prins is overleden en er een uithangbord aan de gevel hing met daarop een afbeelding van de Prins 12. Na zijn huwelijk met Mary (II) Stuart, in 1677, vertrok Willem evenwel naar Engeland waar hij tot haar overlijden in 1695 bijna steeds vertoefde. Na 1695 was hij weer af en toe in ons land. De overnachting, waarvan in de overlevering sprake is, zal dus wel tussen 1695 en 1702 plaats hebben gehad. In 1675 was de herbergier Thonis Dirksz. Van Doorn in het huis getrokken. Uit een toevallige vermelding uit 1692 weten we dat Thonis toen ziek in bed lag, maar weer opkrabbelde. Echt geweldig zal de herberg op dat moment niet gelopen hebben want anders had hij vast zijn vrouw in 1696 niet met het ‘slegte kleet’ laten begraven 14. Als het even kon huurde je daarvoor het ‘middelkleet’ of nog liever het ‘beste kleet’. Hij was enkele malen schepen van Bunnik en ook al kon hij De Prins niet kopen, hij had wel ander land op Vechten in eigendom 15. Thonis is waarschijnlijk in 1710 overleden 16. Zijn zoon Gerrit nam de herberg over 17. 

Namen die voorkomen op de boerderij/herberg De Prins zijn: Dirck Kip, Gerrit Teunisz. Van Doorn, Jacob de Cruyff uit ’t Goy, Arie Van Miltenburg, Jonker van Tuyll van Serooskerke, Jan Middelweert, Wijnand de Wit. Gijsbert Jerfaas Hasselman, Cornelis de Gier, Antonie van Oostrom.

 

Langs de provinciale weg tussen Bunnik en Utrecht ligt, ingeklemd tussen deze weg en de spoorlijn Arnhem – Utrecht, een eeuwenoude boerderij met de naam Runnenburg. Vroeger was het een grote boerderij met veel land, tegenwoordig is het verbouwd tot appartementen en is er vrijwel geen land meer bij. De boerderij is nu ingeklemd tussen de spoorlijn en de Provinciale weg.

De vroegste gegevens: de Broederschap

De oudste geschiedenis van deze boerderij is zoals zoveel boerderijen in nevelen gehuld. De geschiedenis is echter met zekerheid terug te vinden tot zeker 1470. Via via kunnen we mogelijk zelfs terug gaan tot het begin van de 15e eeuw.

Om tot 1470 terug te gaan moeten we echter eerst naar 1537. De toenmalige eigenaar, Adriaen Hermans, verklaarde toen dat hij de boerderij met een hoeve land gekocht had van de Broederschap van de Heilige Drievuldigheid.

De broederschap van de Heilige Drievuldigheid werd gesticht in 1446 door Gerrit die Keijser en zijn vrouw Heijlwigen Tijman Jansdr. Het doel was het opdragen van twee missen per week op een altaar in de Buurkerk, en verder het doen van zielmissen voor de overleden broeders. Op zondag na Bartholomei (feestdag van het altaar, waarop de broederschap gevestigd werd) werd een mis opgedragen en een feestmaal gehouden. Er mochten 33 broeders zijn, bij voorkeur uit de nakomelingen van de stichter, en 2 procurators, die de broederschap zouden besturen.

Over het land wat de broederschap bezat moest natuurlijk belasting betaald worden, en onder andere in 1470 wordt er een lijst gemaakt van de belastingplichtigen van het zogenaamde morgengeld. We lezen in 1470 dat er voor een hoeve land behorend aan een altaar in de Buurkerk 16 stoters aan belasting betaald moest worden. Omdat dit de enige vermelding van een altaar in de Buurkerk is van een hoeve land, kunnen we ervan uit gaan dat dit de bewuste hoeve is.

Intrigerend is een kwitantie van 10 november 1467, waarin Willem van Zijl verklaarde dat hij aan deze broederschap een halve hoeve land verkocht had, gelegen te Vechten, waarvan de andere helft al aan de broederschap toebehoorde. In de fundatiebrief uit 1446 van de broederschap wordt het land te Bunnik/Vechten niet genoemd. Waarschijnlijk had de broederschap de helft van de hoeve dus verworven tussen 1446 en 1467, en de andere helft van de hoeve in 1467. Als we teruggaan naar de lijst van het morgengeld van 1434 zien we dat in 1434 Geryt Snoeck en de erfgenamen van Geryt die Witten samen een hoeve bezitten.  Daarvoor had Jan Holl deze hoeve. Alhoewel het niet 100% zeker dat het over hetzelfde perceel gaat kunnen we stellen dat we met de geschiedenis van deze boerderij terug kunnen gaan tot het begin van de 15e eeuw.

Runnenburg

Vanaf de zestiende eeuw is de eigendom en zijn de gebruikers bijna continu te volgen.

Het Regulierenklooster in Utrecht had rond 1500 al veel land in Bunnik. Een van hun pachters was Adriaen Hermans. Hij werd vanaf 1490 al genoemd als landgenoot bij diverse transacties te Bunnik en Vechten en vanaf 1510 als pachter van de Regulieren. Behalve pachter had hij ook land in eigendom, namelijk de hoeve land die hij dus van de broederschap gekocht heeft.

In 1520 droeg Adriaen Hermans zijn hoeve land op aan Gijsbert van der Haer. Die gaf het land dezelfde dag weer in erfpacht aan Adriaen Hermans. In 1537 verklaarde Adriaen Hermans dat zijn hoeve land moest vererven op zijn twee zonen, Cornelis Adriaens de oude en Cornelis Adriaens de jonge. Zijn twee dochters, Adriaenke en Alijdt, werden uitgekocht voor f 100 elk. 

In 1538 volgden de beide Cornelissen hun vader op. Direct erna, op 3 juni 1538, werd de hoeve land verkocht aan Willem, vrijgraaf van Rennenberg, en zijn twee zonen Frans en Karel. Op 5 december 1544 verkocht Willem, graaf van Rennenberg, heer van Zuijlen en Oldenhoorn, deze hoeve land aan het Regulierenklooster.

De boerderij Rennenberg, of Runnenburg zoals deze nu heet, komt daarmee aan zijn naam.

Tot 1743 bleef Runnenburg eigendom van het Regulierenklooster en diens opvolger het Burgerweeshuis. In 1742 en 1743 werd een groot deel van het eigendom van de Regulieren verkocht. Runnenburg met het bijbehorende land werd op 28 mei 1743 aan Ciprianus Berger getransporteerd. Hij had het al in 1742 op een publieke veiling gekocht van het Burgerweeshuis. 

Na zijn overlijden werd het in 1785 verkocht aan Willem van Rossum en zijn erfgenamen. Waarschijnlijk in 1865, bij een openbare veiling, werd Runnenburg verkocht aan het RK Parochiaal Armbestuur. Die bleef tot in de 20e eeuw eigenaar van Runnenburg.

Omschrijving bij de verkoping van 1785

Toen in 1785 Runnenburg verkocht werd door de erfgenamen van Ciprianus Berger aan Willem van Rossum, werd er een omschrijving gegeven van wat er verkocht wordt. De omschrijving luidde toen als volgt:

Een schoon welgelegen hofstede genaamd Renneberg bestaande in een hoeve lands, met huijs, twee bergen, schuur, schaaphok, duijvenhuijs, drafkuijl, bakhuijs en boomgaard, bepootinge en beplantinge daar op staande, zijnde hof en thinsgoed van de Domainen s Lands van Utrecht, op de speciale last van twee guldens vijff stuijvers voor Hofgeld daar jaarlijks uijtgaande. Mitsgaders nog 24 mergen land, strekkende van de Groeneweg, tot aan de Rijsbruggerwetering toe, alsmede nog 10 mergen land, strekkende van de Bunnikse weg, tot aan de Vordelsloot toe. Voorts 7,5 mergen land gelegen op den Hoogen Eng, strekkende van de Groeneweg tot aan den Bunnikse weg toe. Nog 2 mergen land, strekkende als evengemeld. Eindelijk 10 mergen en ’s negentig roeden land, en alsdus te zamen en in ‘t geheel groot 69 mergen 390 roeden. zoo boomgaard, weij als bouwland, verongeldende maar voor 65 mergen, edog zoo groot en kleijn. als alle de voorsz Landerijen en derzelver strekkingen en belendingen gelegen zijn, onder den Gerecht van Bunnik en Vechten, werdende derzelver Hofstede en landen in huure gebruijkt bij Cornelis Jansz Davelaar en Neeltje van Schaik Echtelieden, voor de zomme van 850 guldens jaarlijks eens geld, dewelke daaraan nog huure hebben tot Primo January en Primo Maij 1800. Welke huur den koper zal moeten uijthouden, volgens de huurcedulle den 19 February 1780 voor de Notaris Jan Tieleman Blekman en getuijgen binnen Utrecht gepasseert, waartoe bij deeze werd gerefereert.

Opvallend is het schaaphok en de drafkuil. Er zijn weinig tot geen boerderijen in Bunnik waarbij dit vermeld wordt.

De boerderij is nu, anno 2021, verbouwd tot appartementencomplex. Aan weerszijden van de gang over wat vroeger de deel was zijn kleine appartementjes gebouwd. Het voorhuis werd in zijn geheel verhuurd. In dit voorhuis zijn een paar elementen nog bewaard gebleven, zoals een 18e eeuwse (?) haard en een middeleeuwse kelder.

 

Restaurant Vroeg, hoek Provincialeweg met de Achterdijk, kent een lange geschiedenis aan bewoners. De bewoners van boerderij - herberg De Prins komen vanaf hier zelf aan het woord. Mevrouw R. van Oostrom en Marion Miltenburg: de familie van Oostrom in de 19e en 20e eeuw en de familie Van Miltenburg in de 18e eeuw. Wanneer zij in deze bijzondere boerderij terug komen als gasten van Restaurant Vroeg dan hebben beide een speciaal familieband gevoel met deze locatie.

ELIAS HENDRIKSZ. VAN MILTENBURG (1690 – 1761) EN CORNELIA PETERSDR. VAN ZIJL (1700-1769)

Jacob de Cruyff uit ’t Goy nam de boerderij in 1723 over 26 en trouwde in datzelfde jaar voor gerecht en pastoor met Cornelia van Zijl, dochter van een grote boer, Peter van Zijl van de boerderij Ter Hul in Bunnik. Ongeveer tegelijk met de geboorte van het derde kind in 1728 overleed Jacob de Cruyff. Met drie kleine kinderen een boerderij voortzetten is moeilijk en om de pacht niet te verliezen stond ze een half jaar na de doop van het laatste kind met Elias Hendriksz. Van Miltenburg voor het altaar.  Zo te zien ging het hen voor de wind. Elias is actief bij de aankoop en pacht van land en boomgaarden. Om 1751 bewerkte hij maar liefst 82 morgen land en hij had 9 koeien. (De Prins heeft een vrij klein deel) 27. Hij betaalde keurig zijn belastingen en zijn aanslag was niet mis. Ook in de liefde ging het voor de wind. Ze kregen samen acht kinderen, waarvan er maar twee overleden. Het jaartal 1748 (waarin men na 35 jaar weer een herberg mocht beginnen) ging ongemerkt voorbij. Cornelia Van Miltenburg- van Zijl wordt in 1761 voor de tweede keer weduwe en zette de boerderij voort tot ze in 1769 bij haar man in de eigen grafstede in de oude dorpskerk van Bunnik werd begraven. Na haar overlijden nam zoon Arie van Miltenburg De Prins over 28. Maar hij moest delen met al de broers en zusters die waren blijven leven. En hoewel hij erg veel land bewerkte, er vier dienstboden op na hield en een zeer hoge belastingaanslag kon betalen, liep het toch niet goed af.

Marion Miltenburg uit Houten is een rechtstreekse afstammeling van Elias Hendrikse Van Miltenburg (1690 – 1761). Hij is 8 generaties terug haar rechtstreekse voorvader. Elias Van Miltenburg heeft deze boerderij van 1729-1769 gepacht. Hun zoon Arie is in 1738 geboren op boerderij De Prins. Na een grote brand (in een akte teruggevonden, zie afbeelding) moesten zij gaan wonen in hofstede Wiltenburg.

Henk Reinders: In 1780 vertrouwde Jonker van Tuyll van Serooskerke de zaak niet en werd de pacht niet verlengd. Arie van Miltenburg ging naar een kleinere boerderij, De Marsch aan de Marsdijk 29. Hij begon stukjes grond te verkopen30 en zo ging het van kwaad tot erger. In 1793 werd zijn echtgenote met het beste kleed begraven. Het eerste wat de schout liet doen was direct na het overlijden de oudste dochter uit huis halen en bij Hendrik Nierhof onderbrengen 31. Het laat zich raden waarom alleen de huwbare dochter uit huis wordt gehaald en de kleine broertjes en zusjes mochten blijven .. Toen de overheid in 1793 iedereen met een bezit van meer dan 1000 gulden een extra belasting oplegde voor de landsverdediging 32, ging men zijn deur voorbij. Twee jaar later was de nood nog hoger gestegen en moesten ook de minder gefortuneerden meebetalen aan de oorlog. Arie van Miltenburg werd wel aangeslagen, maar betaalde niet. De aap kwam in 1798 uit de mouw. Hij had het ene gat met het andere gestopt en de belasting als sluitpost gebruikt. Na veel zeuren zette Mr. Carel van hees, de schout, er in 1898 een punt achter. Hij was toen maar liefst f 3577 schuldig aan belastingen en leningen en gaf de schout een jaar later toestemming om niet alleen het gewas te velde, maar ook de hele inboedel te verkopen 33.

Marion Miltenburg: Arie verhuist naar een kleinere boerderij op de Slagmaat, “De Marsch”. 

Namen die voorkomen op de boerderij/herberg De Prins zijn: Dirck Kip, Gerrit Teunisz. Van Doorn, Jacob de Cruyff uit ’t Goy, Arie Van Miltenburg, Jonker van Tuyll van Serooskerke, Jan Middelweert, Wijnand de Wit. Gijsbert Jerfaas Hasselman, Cornelis de Gier, Antonie van Oostrom.

Geen knecht op mijn boerderij…

Boerderij-herberg De Prins kende vele bewoners voordat het in de 21e eeuw Restaurant Vroeg werd. 

JAN MIDDELWEERT 1749-1803 CORNELIA VAN SCHAIK 1758-1836

Jan Middelweert had ondertussen van Jonker Van Tuyll Van Serooskerke De Prins kunnen pachten. Hij kwam van buiten het dorp, uit Veldhuizen onder Vleuten. In 1781 trouwde hij voor het gerecht van Oudwulven met Cornelia Van Schaik uit Oudwulven. Uit de stukken krijgen we de indruk dat hij -wat je noemt- een herenboer was. Hij liet zijn knechten vele hectaren grond bewerken terwijl hij zelf als schepen zich met hogere zaken bezig hield 34. In tegenstelling tot zijn voorganger had hij geen enkele moeite om de speciale oorlogsbelasting 35 te betalen. Hij bezat ver over de duizend gulden en zijn echtgenote ook, zodat ze beiden moesten betalen. Belasting betalen was een van de weinige dingen waar vrouwen altijd volledig aan mee mochten doen. Oud werd Jan Middelweert niet. Op zijn 54e werd ook hij bijgezet in de Hervormde Kerk. Zijn weduwe was tien jaar jonger en blijkbaar nog aantrekkelijk genoeg. Want ze werd door haar meesterknecht Claes Blaas uit Schalkwijk ten huwelijk gevraagd. Maar het huwelijk kon geen genade vinden in de ogen van Van Tuyll van Serooskerke en de pacht werd met onmiddellijke ingang opgezegd. 

Familie De Wit

De Jonker had een gegadigde die meer vermogen bezat: Wijnand de Wit die er bijna 30 jaar, van 1804 tot 1833, op zat. De boerderij was daarna nog bijna twee eeuwen in handen van rijke particulieren die elders woonden. Na het overlijden van Wijnand de Wit zette zijn weduwe het bedrijf nog tot 1841 voort. Toen zij in 1841 bij haar man op het nieuwe katholieke kerkhof aan de Schoudermantel in Bunnik was begraven, besloten haar beide ongehuwde zoons samen het bedrijf voort te zetten. De broers Antonie en Willem de Wit hadden het samen best. Zij werkten overdag op het land, handelden wat in vee, smoorden een pijpje en zagen in 1844 met afgrijzen hoe hun land over de volle breedte werd doorsneden met een spoorlijn. ’s Avonds werden ze verzorgd door een eveneens ongehuwde huishoudster (op leeftijd, we houden het netjes) die hun sokken stopte, het eten kookte en de was deed, zonder dat ze ook maar iets te vertellen had. In 1861 zetten ze een punt achter het bedrijf. Samen met hun huishoudster gingen ze naar een burgerhuisje in de stad 36. Toen kwam de eerste hervormde boer op de boerderij, Gijsbert Jerfaas Hasselman in 1877, opgevolgd door een andere hervormde pachter, Cornelis de Gier. 

Namen die voorkomen op de boerderij/herberg De Prins zijn: Dirck Kip, Gerrit Teunisz. Van Doorn, Jacob de Cruyff uit ’t Goy, Arie Van Miltenburg, Jonker van Tuyll van Serooskerke, Jan Middelweert, Wijnand de Wit. Gijsbert Jerfaas Hasselman, Cornelis de Gier, Antonie van Oostrom.

 

FAMILIE VAN OOSTROM

In 1884 kwam tenslotte de familie op de boerderij van Antonie van Oostrom. Hij woonde er maar liefst 43 jaar, tot 1927. Na zijn overlijden zette zijn echtgenote de boerderij nog tot 1935 voort. Hun zoon G. van Oostrom boerde er ook lang, van 1935 tot 1961 en na hem zijn weduwe, mevrouw Van Oostrom-Spithoven. In 1964 kwam Toon van Oostrom op de boerderij. Inmiddels was het bedrijf erg ongunstig komen te liggen. Door de toenemende verkeersdruk raakte hij ook in 1995 weer land kwijt voor de verbreding van de snelweg. Nadat hij de boerderij onlangs kon kopen en deze met steun van de gemeente Bunnik aan de buitenkant prachtig heeft laten herstellen, waarbij de eerder genoemde brandsporen uit 1672 tevoorschijn kwamen en een oude deur die was dichtgezet, heeft hij nu besloten om het bedrijf de oude bestemming, restaurant, terug te geven. En nu maar hopen dat de fransen niet opnieuw Utrecht willen veroveren….! 

Ria van Oostrom: Mijn man, Antoon van Oostrom, (1939 - 2011), heeft het met de beslissing om de familieboerderij te moeten verkopen eerst moeilijk gehad. De  boerderij ligt aan de Provinciale weg, en op den duur ongunstig door de toenemende verkeersdrukte. Wanneer de verbreding van de snelweg plaats vindt in 1995 raken we steeds meer land kwijt. We besluiten te verhuizen naar het huis ernaast. Antoon hakt dan de knoop door de boerderij te verkopen. We zien het verbouwd worden naar een prachtig restaurant. Hij heeft er dan helemaal vrede mee. We hebben samen nog een half jaar van dit restaurant kunnen genieten. Hij is 71 jaar geworden. Als ik ga wandelen loop ik altijd terug via de boerderij, nu Restaurant Vroeg. Een serveerster vroeg mij laatst, ‘Ria, vind jij het niet moeilijk? Nee hoor, zei ik, want ik geniet van de gedachte dat het toch nog een beetje van ons is, wetende dat Anton trots was op de boerderij en nu op dit restaurant `Vroeg`! 

‘Een boerderij heeft in mijn leven altijd een belangrijke rol gespeeld’  

Ik ben Ria van Oostrom van der Horst. In 1941 ben ik geboren op de boerderij in Cothen als oudste van de 10 kinderen. Ik sloeg de kleuterschool over, en tijdens het eerste schooljaar werd ik achterop de fiets naar school gebracht. Een paar jaar later gingen wij met meerdere kinderen lopend naar school. Dit was drie kwartier lopen. Uit school moesten wij als kinderen allemaal klusjes doen op de boerderij. In de zomer zag je dan ook het verschil tussen de kinderen van de boerderij en zij uit het dorp; wij waren bruin, de andere kinderen niet. Dat vonden wij wel eens moeilijk. In de winter, als de wegen glad waren, kwam mijn opa met het paard en de arreslee ons van school ophalen. Het paard had onder de hoefijzers scherpe punten voor grip op de weg en een mooi tuig om met koperen bellen. Zo kon je hem van verre aan horen komen. Mijn opa trakteerde ons dan met véél rondjes door het dorp, en hadden we als kinderen altijd plezier! Ik ben daarna naar de huishoudschool en de modevakschool in Bunnik gegaan. Mijn moeder moedigde mij aan met de woorden: ‘jij moet studeren!’ Deze naaischool van de zusters was destijds gevestigd op de eerste verdieping van een huis van de Jozef-stichting, Huize Agatha, een nonnenklooster. Het stond op de plaats van het huidige Bunninchem in Bunnik aan de Provinciale weg. Maar ik kon het helaas niet afmaken, want mijn moeder overleed toen ik 15 jaar was en in zo’n situatie kom je gewoon naar huis en zorgde je als oudste voor je broers en zussen.   

Antoon van Oostrom leerde ik kennen als broer van een vriendin. We kregen verkering. Hij was de oudste zoon en woonde op de boerderij de Prins. Ik deed ondertussen de boerinnen leergang want van een boerin wordt verwacht dat zij mee helpt op de boerderij en kwam met mijn eerste diploma thuis. Na een paar jaar trouwen Antoon en ik, ik was toen 23 jaar en kregen drie kinderen. Liesbeth, Gerard en Wim. Ik noem ze altijd onze prinsen en prinses van de Prins! 

Een meisje trouwt meest ook in de familie. In de familie trouwen betekent dat ik ook met Antoon zijn moeder en zusje onder één dak kwam te wonen. Anderhalf jaar later trouwt mijn schoonzusje. Mijn schoonmoeder heeft tot haar dood in 1975 bij ons gewoond. Vanaf ons huwelijk is de boerderij dus dubbel bewoond geweest, waarbij de kaaskamer rechts verbouwd werd tot woonkamer en keuken en er een tweede voordeur en raam kwam in de rechter zijgevel. Je ziet het nu als de plaats waar je ijs en friet kunt kopen. Op het erf van de Prins kun je de twee vee schuren uit de 19e eeuw nog zien en was er een 20e eeuwse hooiberg, die drie voorgangers heeft vervangen. De boerderij heeft dan ook jarenlang een agrarische bestemming gehad. We hadden 30 koeien, kippen, 300 schapen, en wat fruitbomen om te verzorgen. De deur van de boerderij de Prins stond altijd open; zo hebben we onze Boerenbond feesten en de Carnavals- en  Muziekvereniging Victoria in het Achterhuis op bezoek gehad.

Mijn man heeft het pand altijd als zodanig altijd willen onderhouden en opknappen. Maar de eigenaar, baron van Rijckevorsel, heeft dit tegengehouden. Wij zijn door hen een keer uitgenodigd op het ‘Slotje’ in Neerbosch bij Nijmegen, en zij zijn ook aanwezig geweest op ons huwelijk. 

Uiteindelijk, in 1980, kopen we de boerderij en kunnen we, met hulp van de gemeente Bunnik, de buitenkant prachtig laten herstellen. Tot onze verrassing komen we bij het bikken van de gepleisterde buitenkant van de boerderij zwartgeblakerde stenen tegen en een dichtgemetselde deur. Henk Reinders komt samen met de heer Bangma langs. 

Dat de zwart geblakerde stenen tevoorschijn zijn gekomen bij de restauratie aan de boerderij doet vermoeden dat de Fransen ook hier hebben huisgehouden, al staat dit nergens in de archieven zo genoemd. Wel weten we dat deze boerderij daarna een aantal jaren leeg heeft gestaan. Uit de archieven blijkt o.a. wel dat niemand van de bewoners op deze boerderij van 1672 tot 1675 een belastingaanslag heeft gekregen. In 1675 komt er weer leven tevoorschijn. De erfgenamen van Dirck Kip hebben Rijsoort opnieuw opgebouwd, en in 1677 werd het Utrechtse Pesthuis eigenaar van de herberg.

Namen die voorkomen op de boerderij/herberg De Prins zijn: Dirck Kip, Gerrit Teunisz. Van Doorn, Jacob de Cruyff uit ’t Goy, Arie Van Miltenburg, Jonker van Tuyll van Serooskerke, Jan Middelweert, Wijnand de Wit. Gijsbert Jerfaas Hasselman, Cornelis de Gier, Antonie van Oostrom.

 

Hoe heeft deze munt zijn weg gevonden naar de Achterdijk in Bunnik? Het was een lange weg, want de munt ziet er versleten en geoxideerd uit. In de werkplaats in Harderwijk zwaait Johan Alewijn nog net de scepter in het jaar 1635. Johan Wijntgens neemt gedurende het jaar het stokje van hem over. Wat is er gebeurd? 

De munt is een duit met een verhaal over geslagen duiten in 1635, in de tijd van de Republiek der Nederlanden. Op de ene kant staat het wapen van Gelderland en nog nèt is iets van een tekst te lezen in de rand! Wat het verhaal interessant maakt is juist deze tekst. De goede lezer leest CONCORDIA RES PAR CRES GEL (eendracht maakt macht of eendracht maakt kleine dingen groot) òf  IN DEO SPES NOSTRA? De eerste tekst maakt het verschil! 

Kees Pannekeet: Te Harderwijk werd in 1626 net als in Holland en West-Friesland een serie duiten gestart. In Holland en West-Friesland bleef het bij de jaren 1626 en 1627, maar in Gelderland liep de serie met tussenpozen door tot 1636 en mogelijk tot 1640. Het voorschrift voor deze duiten was een ordonnantie van de Staten van Gelderland van 1626. Zij moesten worden geslagen op de voet van Hollant en West Frieslant’. Volgens deze voet moesten er 116 stuks uit een mark worden geslagen wat een gewicht oplevert van ca. 2,12 gram per stuk. De verantwoordelijke muntmeesters voor deze serie waren Johan Alewijn (1606-1635) en Johan Wijntgens (1636-1653). De munt met 1635 kan door Alewijn als Wijntgens zijn geslagen en is waarschijnlijk niet te achterhalen.

Mogelijk kan de grote of kleine 5 in het jaartal een teken van onderscheid zijn. Een muntmeester wilde aantonen dat bepaalde munten wel of niet van zijn hand waren. Want klachten zijn er inderdaad geweest over de duiten. In juni 1640 kreeg men te Harderwijk het verzoek om 30 à 40 duiten ter beschikking te stellen voor onderzoek vanwege mogelijke knoeierijen met duiten door muntmeester Johan Wijntgens. De munten van 1640 werden ‘schraal’ genoemd, mogelijk ook van 1635 en 1636. 

De uitvoering van de duiten is zoals begin zeventiende eeuw gebruikelijk was in vele andere provincies en steden. Zij dragen op de ene zijde de provincienaam in het Latijn met daaronder het jaartal, het geheel omgeven door een bloemkrans. De andere zijde toont het Gelderse wapen geplaatst binnen een veelpas. Op de vroege jaren (1626 en 1628) kan dit wapen van een grote of kleine uitvoering zijn. Op de latere jaren is dit wapen steeds groot uitgevoerd. De tekst op deze zijde is IN DEO SPES NOSTRA, onze hoop is in de Heer. Deze spreuk is afkomstig uit Psalm 62:8.

Al enige tijd is bekend dat er duiten uit deze serie bestaan van het jaartal 1633 met de afwijkende tekst: CONCORDIA RES PAR CRES GEL. Tot mijn genoegen kon ik enige tijd geleden een exemplaar met de afwijkende tekst aanschaffen. Nog groter was mijn vreugde dat het hier geen exemplaar betrof van 1633, maar een met het jaar 1636. De tekst is niet meer volledig leesbaar maar duidelijk zijn de letters ...CORDIA RES ... GEL te zien. Wat is nu precies de reden geweest van deze tekstvarianten?

In 1636 was er echter een verovering die gevierd kon worden. In dat jaar was er ‘Blytschap op de veroveringe vant geweldich fort van ’s-Gravenweert’. Deze plaats is vlakbij Kleef gelegen en behoorde lange tijd tot Neder land. In die tijd werd het ‘Schenkenschans’ genoemd en tegenwoordig behoort het bij Duitsland. De schans was in 1586 door Maarten Schenk van Nydeggen aangelegd en werd gezien als de toegangspoort tot de Republiek. Op 27 juli 1635 was de schans door de Spanjaarden onder kolonel Einholts op de Republiek veroverd maar op 29 april 1636 moest zij weer worden overgegeven aan Willem van Nassau, in dienst als veldmaarschalk onder Frederik Hendrik. Mogelijk zijn er dus te Gelderland kleine oplagen ‘feestduiten’ met de tekst CONCORDIA RES PARVAE CRESCVNT (eendracht maakt macht of eendracht maakt kleine dingen groot) geslagen om overwinningen te vieren. De spreuk was door de Staten Generaal in 1579 als het devies van de Unie aangenomen. 

In deze tijd blijkt dat de Provincie ook zelfstandig eigen munten hadden geslagen met eigen teksten, zonder de toestemming van de generaal-meesters en de Staten-Generaal. Dit blijkt uit de VOC munten. Het bovenstaande kan een andere reden zijn geweest voor de Gelderse duiten met de afwijkende tekst. De mogelijke opdrachtgever kan de VOC zijn geweest met goedkeuring door de Staten van Gelderland. Om in geval van externe opdrachtgevers de kosten nauwkeurig te kunnen berekenen heeft de muntmeester mogelijk de duiten voorzien van een gewijzigde tekst. Door deze gewijzigde tekst kon hij de exemplaren onderscheiden van de andere. Dat er maar zeer weinig duiten zijn teruggevonden met de afwijkende tekst kan er op wijzen dat zij zijn uitgevoerd naar elders wat muntslag in opdracht van de VOC als optie ook zeer aannemelijk maakt.

WILLEM HERMANUS VAN ETTEKOVEN (1884 – 1947) Generatie 1

In 1910 begint Willem Hermanus Van Ettekoven de bakkerij in de Witte Huisjes, aan het Kerkpad in Bunnik. De versnelling van de maatschappij in het dorp is al zichtbaar met de opkomst van de middenstanders. In het boekje `Een Dorpsbakker` vertelt Willem jr. over 83 jaar bakkerij Van Ettekoven over deze veranderingen.

Wim Van Ettekoven: De geschiedenis van de bakkerij in de Witte Huisjes in Bunnik is begonnen in 1811, met  de eerste bakker Jan Lodder. Daarna volgden o.a. Cornelis Van Rennes, de familie Middelman en Willem Van Ettekoven. Mijn opa, Willem Hermanus Van Ettekoven, krijgt van zijn neef Dirk Gijsbertus Middelman de gelegenheid in 1910 de bakkerij over te nemen. Uit het huwelijk van Willem met Cornelia van Delft werden twee kinderen geboren: Carel Frederik (12 augustus 1912 (mijn vader) en Gerrit Cornelis (17 juni 1921).

Opa liet door de schilder van het dorp een bord maken, dat op palen in de tuin aan de kant van de Kromme Rijn geplaatst werd, met het opschrift ‘Brood-, Beschuit- en Kleingoedbakkerij’ en daaronder in kleinere letters ‘W.H. Van Ettekoven’.  Alles was nog kleinschalig. Men bakte enkel brood en voor de zondag wat luxere broodjes en beschuit.

Om in de winkel van bakker Van Ettekoven te komen, moesten de klanten vanaf de brug langs het winkeltje van kruidenier Knoppers naar beneden langs het water. In de winkel stond een houten toonbank met daarop een weegschaal en daarachter planken met heerlijke trommels met koekjes. De koekjeszakken hingen met een touwtje aan een plank boven de toonbank. Het hart van de bakkerij was de oven. Verder was er een trog, een werkbank, een simpele weegschaal met losse koperen gewichten en wat klein gereedschap, zoals wat losse stekertjes, broodbussen, bakplaten en een deegrol. In de hoek van de winkel stond een grote beschuitbus en aan de muur hing een bord met de volgende tekst:

De tarwe, het edel graan,

Dat op den akker groeit,

Door ’s landmans vlijt gezaaid,

Door ’s hemels dauw besproeid

Bak ik het brood

Beschuit en krakeling

Voor burger en voor boer

En ook voor vreemdeling.

Er kwamen maar weinig klanten in de winkel. Bijna al het brood werd bij de mensen aan huis bezorgd. Als de winkelbel ging deed Cornelia Van Ettekoven van Delft, mijn omoe, zoals ze door ons kleinkinderen altijd werd genoemd, haar  werkschort af en een nette schort voor. Zij was een goede maar wat rusteloze vrouw, erg netjes en altijd aan het poetsen en boenen in huis. Omoe kon niet stilzitten, zij liep altijd op een sukkeldrafje van de keuken naar de schuur om een emmer te halen en dan nog een keer heen en weer voor een bezem. Ze heeft heel wat emmertjes water uit de Kromme Rijn geschept. Het verhaal gaat dat zij eens zo gehaast bezig was de stoep te schrobben dat ze, toen ze naar de Kromme Rijn snelde voor een emmertje water, niet meer kon stoppen en pardoes in het water plonsde.

In de tijd dat opa in de Witte Huisjes een bakkerij begon, bakte hij niet alleen het brood voor de verkoop, hij stookte ook de oven voor mensen. Vooral voor de boeren uit de omgeving die het brood thuis maakten en het bij de bakker lieten afbakken voor een bakloon per brood. Veel agrariërs kochten of verbouwden zelf graan dat zij thuis bewaarden. In de vochtige huizen van toen bleef het ongemalen graan beter houdbaar. Men liet dan het graan in kleine porties malen of ruilde met de molenaar graan tegen meel. Bij hen thuis werd een kweek van zuurdesem gecultiveerd waarmee men het brood liet rijzen. Het kneden van het deeg en het laten rijzen gebeurde thuis en de kinderen brachten voor schooltijd het kant en klare deeg in een bakvorm bij mijn opa. Allengs raakte het thuisbakken van brood in onbruik en kochten de mensen steeds vaker brood van de bakker. Vermoedelijk is ook het gebruik van verse bakkersgist, dat de bakker gebruikte en waardoor zijn brood luchtiger was, hierop van invloed geweest.

Willem Van Ettekoven stond bekend als een kwaliteitsbakker. Bij Van Ettekoven kwam geen margarine in huis maar werd uitsluitend met roomboter gebakken. Oom Kees weet nog dat hij als kind eens van een Blue Bandkistje een karretje had gemaakt met wieltjes eronder. Opa wilde het karretje met de margarinereclame echter niet op het erf hebben, want dan zouden de mensen kunnen denken dat de koekjes van bakker Van Ettekoven met margarine werden gebakken.

De handel zat opa in het bloed

Omdat de Witte Huisjes achter de kerk oorspronkelijk een kleine boerderij was geweest, was rondom het huis een ruim erf waar opa kippen  en varkens hield. Het oude brood en bakkerijafval diende om de varkens vet te mesten. Als ze goed in het vet zaten, werd er één geslacht voor eigen gebruik en de andere werd verkocht om van dat geld weer jonge biggen te kunne kopen. De handel zat opa in het bloed. Achter de Witte Huisjes was een hooiberg, waar onder het dak takkenbossen werden opgeslagen. Opa pachtte jaarlijks een stuk griend bij de Niënhof en in Oostbroek en omgeving. Muin van Soest, bijgenaamd ‘dove Muin’, ging de griend in om het hout te kappen. Het werd gesorteerd in lange stukken voor bonenstaken en de twijgjes werden tot takkenbossen gebonden. Verder diende de echte grote stukken tot stuthout voor appel- en perenbomen. Er werden ook wel eens een paar zogenaamde laarzenknechten van gemaakt. Op het erf stonden al die spullen opgeslagen met een bordje erbij ‘te koop’.

Het brood werd uitgevent in het dorp en de wijde omgeving. Voor de klanten die ver weg woonden koste het bezorgen veel tijd.

Eén van de eerste knechten bij opa was Toon Kramer. Een jongen met een blozend gezicht die altijd geneigd was kattenkwaad uit te halen. Toon kon de zaak versieren. Melkboer De Hartog kwam iedere morgen in de bakkerij melk brengen. Op een keer hadden ze bij opa een varken geslacht en Toon vroeg om het staartje. Opa bromde nog wel ‘wat moet je ermee’, maar toen hij Toons plannetje hoorde, speelde hij het spelletje mee. De volgende dag kwam De Hartog die, zoals gewoonlijk, even bleef praten. Opa pruimde en vroeg hem of hij ook een pruimpje tabak wilde. Dat was voor Toon het goede moment om bij De Hartog het staartje met een wasknijper van achter aan zijn jas te knippen. De Hartog ging daarna naar het huis van de dominee, de buren van opa. Huishoudster Trui opende de deur en gaf haar bestelling op. Toen De Hartog zich omdraaide begon ze te gillen van de lach. De Hartog was zo kwaad dat Toon nooit meer naar de melkboer durfde te komen om brood te brengen. 

Een huisvriend van mijn grootouders was dominee Knier. Van 1938 tot 1948 was hij predikant in Bunnik en woonde in de hervormde pastorie naast de Witte huisjes. Vaak was dominee op vrijdagavond druk met het maken van zijn preek voor de komende zondag. Als hij dan wat vertier nodig had, liep hij bij opa de bakkerij binnen voor een praatje. Ukkie, de broer van dominee Knier, kwam ook vaak even binnen, niet allen om te praten maar ook omdat hij het leuk vond een handje mee te helpen. Opa woonde pal naast de kerk maar kwam iedere zondag als laatste binnen. Hij zat altijd op de achterste bank, een bank met gordijntjes. Hij had de gewoonte iedere zondag op te schrijven uit welk bijbel gedeelte dominee las, met de datum erbij. Na de dienst kwam dominee vaak koffiedrinken en wat napraten over de preek. Opa kon hem dan precies vertellen wanneer hij jaren terug, over dezelfde tekst had gepreekt!

In 1935 liet mijn opa, samen met kapper Van Dam (de vader van Jan Van Dam) en elektrohandelaar Van Rheenen, vier panden onder één kap bouwen aan de Dorpsstraat. Het werd het tweede verkooppunt van bakkerij Van Ettekoven en er was voor ons gezin ruimte genoeg om er te wonen.

De tijd na de oorlog was voor mijn opa en oma een moeilijke tijd. Nederland zat in de jaren na de oorlog met het vraagstuk van de onafhankelijkheid van Indonesië. Alle onderofficieren van voor de oorlog, de tijd van de mobilisatie, werden opgeroepen om naar Indië te gaan. Als sergeant kreeg ook hun zoon Carel een oproep. Hij is nog naar Den Haag geweest om uitstel te krijgen, maar zijn aanvraag werd afgewezen en zou over veertien dagen moeten vertrekken. Dit bericht kwam voor opa als een zware slag. Ze werkten prettig samen in de bakkerij, met het gevaar dat hij hem misschien nooit meer zou zien. Opa kreeg op weg van de winkel in de Dorpsstraat naar de bakkerij bij het hek van de pastorie een beroerte. Na negen dagen in coma te hebben gelegen is opa, Willem Hermanus Van Ettekoven, op 23 april 1947 overleden. Hij is 63 jaar geworden. Carel was vanaf die dag vrij van militaire dienstplicht en hoefde niet naar Indië. Na het overlijden van opa kwam omoe bij hun zoon Carel aan de Dorpsstraat in huis wonen. Zij heeft nog tien jaar geleefd en is overleden op 1 oktober 1958.

CAREL F. VAN ETTEKOVEN (1912 - 1976) Generatie 2

Carel Van Ettekoven, die in 1933 was getrouwd met Maria De Geest, was een man van zijn tijd. Met zijn vooruitziende blik wist hij zich prima aan te passen aan de nieuwe tijd van de versnelling en schaalvergroting van het dorp Bunnik. 

Wim Van Ettekoven: Begin 20e eeuw woonden de Bunnikers nog verspreid op boerderijen en minder in de kom, het dorp. Het hield voor mijn vader Carel en zijn broer Gerrit in dat zij na schooltijd moesten meehelpen in de bakkerij, vooral bij de bezorging van brood werden zij ingeschakeld. Het brood werd uitgevent in Bunnik en in wijde omgeving. Dit kostte veel tijd. Voor al deze klanten die ver weg woonden gebruikten ze een transportfiets met een mand voorop en voor de klanten in Bunnik een duwkar. Aan het stuur hingen tassen waarin rollen beschuit en koekjes. Deze zouden anders tussen het brood in de mand beschadigen. Het was een hele zorg om alles goed bij de klanten te krijgen, vooral bij regen en wind moest je ware kunstgrepen toepassen en alles toedekken om het brood en je spullen droog te kunnen afleveren. En dan te bedenken dat in die tijd een heel brood 19 cent kostte. Mijn oom Kees, opa’s jongste zoon, weet zich nog te herinneren dat er klanten waren die iedere dag een halfje brood kochten. Zij betaalden de ene dag tien cent, en de volgende dag negen. De mensen letten toen ook al flink op de kleintjes. Hij weet nog van een klant die met een verjaardag altijd een beste bestelling deed, maar er werd wel bij gezegd: ‘bakker, de koekjes niet te groot en de gebakjes niet te klein.’ Koekjes werden per gewicht verkocht en gebakjes per stuk, vandaar. De aanschaf van een bakfiets was al een hele verbetering. Bruin- en witbrood konden netjes gesorteerd in de grote bak worden gezet met nog een laag brood er dwars bovenop en voor bij-artikelen was een aparte ruimte.

Met behulp van enkele cursussen had vader zich verder in het bakkersvak bekwaamd. Voor het echte contact met vakgenoten sloot hij zich aan bij de Zeister Bakkersvereniging. Deze stond onder leiding van bakker Van Ingen. Van Ingen was geen gewone maar een herenbakker, een man met gezag. Als er vanuit de Zeister Bakkersvereniging vakcursussen georganiseerd werden, zocht men een grote en goed ingerichte bakkerij uit. Mijn vader heeft zijn aanvullende cursussen gevolgd bij bakkerij Dorresteijn aan de Hogeweg. 

In 1947 nam mijn vader definitief de bakkerij over. Een jaar na opa’s dood liet hij een bakkerij achter de winkel in de Dorpsstraat 44 bouwen. Daarvoor moest geld worden geleend en vader dacht dit even bij de BOAZ- bank te doen. Dat viel echter tegen. In deze tijd hadden de agrariërs het nog voor het zeggen; in de gemeenteraad in Bunnik als ook in het bestuur van de BOAZ-bank. Dit zou in de vijftiger jaren veranderen. Nu kwamen zij nog persoonlijk in de Dorpsstraat kijken of de aanvraag wel verantwoord was. Kennelijk vonden zij van niet want ze wezen de lening af. Later heeft de directeur, de heer Gijs Van Wijgerden, waar vader min of meer mee bevriend was, de aanvraag er toch doorgekregen. Mijn vader genoot van het bouwproces. Zodra hij maar kon ging hij na zijn werk meteen door met het regelen. De bakkerij werd ingericht met een BAKO heet-wateroven met twee bakruimten, een moderne investering voor die tijd, en verder kwam er een nieuwe deegmachine en een klutsmachine. De oven werd gestookt met briketten. 

We kregen het steeds drukker in de bakkerij. Na de tweede wereldoorlog kwam de bevolkingsgroei in een versnelling. Er was een babyboom, maar ook woningnood, met als gevolg dat de nieuwbouw in het dorp op gang kwam. Bunnik werd al gauw een ‘slaapdorp’ genoemd. Maar voor de bakker was het goed. Er waren in 1947 in Bunnik 6 bakkers. Bij ons werd de BAKO oven ingeruild voor een LIVAKO oven waar in één keer 156 broden in werden gebakken. 

Vader was een echte broodbakker met als specialiteit: gevlochten broodjes in allerlei variaties. Hij was aangesloten bij de Nederlandse bakkersbond en ieder jaar ging hij naar de landelijke bijeenkomst ervan. In 1958 werd die gehouden in Arnhem. Als thema stond centraal de ‘parallellisatie’. De tijd dat de mensen alleen groenten bij de groenteman, vlees bij de slager en brood bij de bakker konden kopen, was immers voorbij. Met één diploma mochten wederverkopers brood, vlees, groenten en allerlei andere levensmiddelen verkopen. De opkomst van de supermarkt was daar. Het aantal verkooppunten waar men brood kon kopen breidde zich uit. Het was moeilijk personeel nog te krijgen. Overal staken de bakkers de koppen bij elkaar en ging men over op wijksanering. 

Zo niet in Bunnik. Mijn vader was een vooruitstrevend man. Hij voorzag dat aan het bezorgen van brood een keer een einde zou komen en dat de winkelverkoop belangrijk zou worden. Zeker voor een bakkerswinkel als de onze, die op zo’n centraal punt in het dorp gevestigd was. Daarom liet mijn vader in 1961 de winkel met het magazijn groots verbouwen en moderniseren. Het feit dat de winkel veel drukker zou worden, bracht met zich mee dat ook de verantwoordelijkheid van de bakkersvrouw zou groeien. Het werk in de winkel, het contact en meeleven met mensen was voor mijn moeder haar lust en haar leven. Mijn moeder was ook een prima zakenvrouw. Tot op hoge leeftijd heeft zij bij ons in de winkel gestaan en nadat zij niet meer in de winkel werkte, maakte ze nog graag de kas op en telde het geld. 

In 1962 staken in Bunnik enkele bakkers, waaronder ook mijn vader, de koppen bij elkaar, voor de oprichting van een inkoopvereniging voor bakkers, waarbij de initiatiefnemers in de avonduren op pad gingen om bakkers voor te lichten over de voordelen van gezamenlijk inkopen. Het werd een groot succes; op 10 januari 1962 werd de coöperatieve inkoopvereniging `Het Backershuys` opgericht. Dit initiatief is uitgegroeid tot een organisatie die ongeveer 800 leden telt. Vanuit de organisatie is ook het C.A.D., De Centrale Accountantsdienst ontstaan. Vele aangesloten bakkers laten hun bedrijfsadministratie verzorgen door medewerkers van het C.A.D. Ik ben er trots op dat mijn vader tot één van de oprichters van het Backershuys gerekend mag worden en tien jaar lid is geweest van de Raad van Toezicht. Mijn vader was een vooruitstrevend man. 

Zijn zaak werd in 1966 omgezet van een éénmanszaak in een VOF, een vennootschap onder firma. De boekhouding deed hij altijd zelf. Toen hij zich al niet meer zo goed voelde vond mijn moeder dat hij de kinderen meer bij de zaak moest betrekken. Hij had al vroeg last van zijn benen. Om zich toch nog een beetje nuttig te voelen bezorgde hij ’s middags met de auto nog een wijkje buitenaf. We hoorden dat vader in de auto bleef zitten en op de claxon drukte zodat de mensen naar de auto kwamen. Soms bleef hij lang bij de mensen praten, omdat dat nog een verzetje voor hem was. Hij overleed in 1976 op 64 jarige leeftijd. Hoogtepunten in zijn bakkersleven waren de verbouwing van de winkel in 1961 en samen met moeder uitgaan met de bakkersvereniging van Zeist. 

WILLEM H. VAN ETTEKOVEN 3e generatie

Bij het sluiten van de zaak in 1993 kijkt Wim Van Ettekoven terug en begint een boekje te schrijven over 83 jaar bakkerij Van Ettekoven. ‘Een Dorpsbakker’, met op de voorkaft de drie broodjes dat symbool staat voor de 3 generaties Van Ettekoven.

Wim Van Ettekoven: Het was vanzelfsprekend dat ik de bakkerszaak zou voortzetten nadat mijn vader was overleden. Ik was tenslotte mijn hele leven betrokken geweest bij de bakkerij.

Als kleine jongen mocht ik al bij opa iedere zaterdagmiddag het erf bij de bakkerij aanvegen en kreeg dan een vierkante stuiver. Tijdens de hongerwinter was ik een jochie van 11 jaar. We woonden bij de winkel aan de Dorpsstraat. Ik zat vaak bij slager van Wijk, onze buurman, en keek naar het slachten van het vee. In de oorlogsjaren werkten slagers samen. Bij slager Van Wijk kookten ze in een grote wasketel met een houtvuur eronder grote hoeveelheden soep. Iedere vrijdagmorgen vond die soep veel aftrek. Iedereen kon het kopen, maar de mensen moesten wel zelf een pan meenemen. Ik zie het nog voor me; steeds werden er vijf mensen tegelijk achterom binnengelaten. De slager zelf stond bij de deur om af te rekenen en vulde vanuit de grote ketel de pannetjes van de mensen, het aantal scheppen naargelang de grootte van het huishouden. Onder de ketel moest worden gestookt en tegelijkertijd moest er in de soep worden geroerd. Dat mocht ik doen. 

We hadden een gezellig gezin. Ruud, Riet en ik zijn allemaal naar de school gegaan in de Maatschapslaan, de Victoriaschool. Toen ik naar de eerste klas ging,  had mijn moeder geen tijd om mij weg te brengen, maar gelukkig kwam iedere morgen Greet Scherpenzeel langs om mij mee te nemen. Als ik uit school kwam stonden de tassen met brood al klaar in de gang om door mij en later ook door Ruud en Riet te worden weggebracht naar de klanten. Zo leerden we al vroeg de handen uit de mouwen te steken. Hetzelfde geldt voor de tijd dat ik op de MULO in Utrecht was. Op zaterdagmorgen stond ik vroeg op om mee te helpen in de bakkerij, waarna ik in vliegende vaart naar Utrecht, naar school fietste om als laatste de klas binnen te komen. De conciërge, de heer De Ru, verzuchtte: ‘Bunnik is binnen, nu kan de deur op slot. 

Na de lagere school, mijn MULO diploma en het middenstandsdiploma, ben ik aan de vakgerichte opleidingen begonnen. Het banketbakkersdiploma derde en tweede bediende, het patroonsdiploma brood en banket, en daarna gespecialiseerde cursussen voor marsepein, chocoladewerk, koude schotels, puddingen enzovoort. 

Toen ik al mijn diploma’s had moest ik in militaire dienst. Ik werd hier kok/menagemeester. Ik kreeg al gauw op aanvraag officieel zakenverlof voor de vrijdag, omdat er in die tijd geen hulp voor de bakkerij te krijgen was. Ruud, mijn broer, is na zijn schooltijd op kantoor gekomen bij Van Straten en Boon. We konden altijd een beroep op hem doen, vooral rond de feestdagen. Hij was overal inzetbaar, zowel in de bakkerij als in de winkel. Riet is na haar middelbare school thuis gekomen en heeft dertig jaar meegewerkt in ons bedrijf. Omdat zij meestal in de winkel hielp, kende zij bijna alle klanten waarvan vooral de kinderen haar voorkeur had. Ze kende hun namen, wist wanneer ze jarig waren en hoe oud ze werden. Naast het winkelwerk bracht zij vaak bestellingen weg en als het nodig was bezorgde ze ook het brood. Met de auto vond ze altijd leuker dan met de bakfiets. Autorijden is nog steeds een hobby van haar. 

Na mijn diensttijd ben ik bij mijn vader in de bakkerij gekomen. Hij was blij met mijn hulp, want als gevolg van de uitbreiding van het dorp, groeide ook de klantenkring. Ons werk bestond uit broodbakken, luxe brood en gebak maken en het bezorgen van het brood bij de klanten. 

Wij bakkers kwamen praktisch alle dagen bij dezelfde mensen. Ik kwam veel bij de mensen achterom de keuken of bijkeuken binnen. Aan de keukentafel werd meer verteld aan de bakker dan aan de dominee of pastoor. Van sommige klanten had ik de huissleutel en keek ik zelf in de broodtrommel om te zien wat men nodig had. Had ik weinig brood, dan legde ik ook weinig neer. Op andere dagen kreeg ik te horen: ‘bakker had zeker veel brood gisteren.’ In het dorp had je ook mensen die we tegenwoordig de sociaal zwakkeren noemen. Zij konden niet met geld omgaan en moesten dus worden geholpen. Zuster Spinhoven, de wijkverpleegster van het Groene Kruis heeft veel gedaan voor deze mensen. Ik kreeg van haar bijvoorbeeld de opdracht om bij een gezin iedere dag anderhalf brood neer te leggen. Eens per week rekende zuster Spinhoven dan met mij af. Ook is het me overkomen dat ik brood kwam brengen bij twee oude mensen die zo ziek waren dat de één niet meer uit de bedstee kon komen en de andere niet meer in staat was van de divan op te staan. Ik heb toen vlug zuster Orelia van het Wit-Gele Kruis gewaarschuwd, die er naartoe is gegaan. Met het verdwijnen van het bezorgen van brood en melk is deze vorm van sociale controle ook verdwenen. 

We hadden week-, maand-, maar ook pofklanten. Wat betalingsgewoonten betreft is er met de komst van de supermarkt veel veranderd: als een klant te weinig geld bij zich heeft, moet hij nu een paar boodschappen terugleggen. Wij maakten bij het bezorgen nog briefjes van maandag tot en met vrijdag voor de hoeveelheid brood en koekjes die de klant ontvangen had. We telden op vrijdagavond de bedragen op de briefjes op, zodat we alleen de aankopen van zaterdag erbij hoefde te tellen. Als het regende vlekten die briefjes erg en was het afrekenen een ellendig gedoe. 

Na de oorlog waren er zes bakkers in Bunnik gevestigd; Van der Belt, Maasdijk, Schriekenberg, Kortleve, Van Dijk en Van Ettekoven en met elkaar zijn we gekomen tot een vakantieregeling. Jaarlijks kwamen we ruim voor de zomer bij elkaar en spraken we af wie welke weken zou sluiten. We zorgden ervoor dat in het dorp iedereen in de gelegenheid was om niet ver van huis, brood te kunnen halen. 

Het bezorgen van brood kostte veel tijd en energie, vooral ook omdat veel klanten ver weg woonden.  In 1970 hebben wij onze klanten moeten melden dat wij helaas met het bezorgen van brood moesten stoppen. De tijd was er kennelijk rijp voor. De bakker, de groenteboer en later ook de melkboer verdwenen uit het straatbeeld. Aan de klanten werd een folder uitgereikt; ‘Tot onze spijt moeten wij u berichten dat, in verband met het vertrek van een onzer medewerkers, het ons onmogelijk is uw dagelijks brood bij u aan huis te bezorgen, dit gezien de moeilijkheden die alom heersen met het personeelsvraagstuk. 

40 dienstjaren bij 3 generaties Van Ettekoven

Op 29 april 1980 was de heer H.F. Bouter 40 jaar bij ons als bakker in dienst. Ik ben naar het gemeentehuis gegaan om een koninklijke onderscheiding aan te vragen, maar het bleek dat ik te laat was met het indienen van dat verzoek. Op dat moment hadden wij in Bunnik een wethouder als loco-burgermeester, de heer Muis. Deze heeft zich erg ingezet om de papieren toch nog op tijd rond te krijgen. Daags voor de uitreiking kreeg Bunnik een nieuwe burgemeester, de heer Steegman. Het uitreiken van de ridderorde aan de heer Bouter zou zijn eerste officiële daad worden. Een volkomen verraste heer Bouter ontving van hem de eremedaille verbonden aan de Orde Van Oranje Nassau in ’t Zilver. 

Op 1 juli 1988 ben ik een compagnonschap aangegaan met de familie Laseur. We hebben vijf en een half jaar op prettige wijze samengewerkt en nu is de tijd gekomen om de zaak aan hen over te doen. Ik heb altijd gezegd dat ik na mijn zestigste verjaardag wilde stoppen.

We hebben altijd aardige medewerkers in de bakkerij gehad, zoals Wim Meiske, Peter Vermeulen, die nu een eigen bakkerij heeft in Zeist, de heer Westerhout heeft ongeveer tien jaar bij ons gewerkt nadat hij was gestopt met zijn eigen bedrijf, Pieter Roskam begon bij ons in de bakkerij en is later proefbakker geworden bij Meelfabriek MENEBA, een goede baan, Arie Vuurens, onze banketbakker, Hans Van Scherpenzeel is na het behalen van zijn MBO-diploma in Wageningen chef geworden bij bakkerij Do Schat, Erik Verboom is na enige jaren bij zijn vader in de zaak gekomen, Martin Schaap werkt al vanaf 1985 bij ons, terzijde gestaan door Michael Van Eyk, onze banketbakker. Ook wil ik nog Geertrui Seldenrijk nog noemen, omdat zij Riet ruim 20 jaar terzijde heeft gestaan. 



Nomineer een onderwerp voor deze dorpscanon

Graag stellen we iedereen in staat om mee te denken over de inhoud van de dorpscanon van Bunnik. Middels een digitaal formulier kunt u aangeven welke onderwerpen in deze dorpscanon niet mogen ontbreken en waarom. Met een nominatie helpt u ons bij het compleet maken van deze dorpscanon.

Wel is het nodig dat u ook uw contactgegevens invult zodat wij contact met u kunnen opnemen om uw voorstel met u te bespreken.

Via onderstaande knop gaat u naar het digitale formulier waarmee u uw nominatie kunt aanmelden.

Met vriendelijke groet,
Meike de Vries en Erik Alsema