Deel:


‘Ik schrijf gewoon, en wie ’t lezen wil is welkom’.

Thea Beckmann, geboren Petie (Rotterdam 1923 – Bunnik 2004) pakt haar koffer en reist vanuit haar woonplaats Bunnik voor haar boek KRUISTOCHT IN SPIJKERBROEK (1973) naar de plekken waar het allemaal gebeurde.

Zij trekt door het Rijndal tot Straatsburg, slaat dan af om de weg te nemen door het zwarte Woud, ook steekt zij de Alpen over via Karwendel en Brenner om dan via Cremona naar Genua te gaan. Over de balans tussen feiten en fictie zegt Thea Beckman zelf; ‘Accuraatheid in de feiten is alsof je een harnas aantrekt van het verleden, je actieradius wordt hierdoor beperkt.

Maar met dat harnas aan blijf je mens, en hoef je fantasie niet compleet uit te schakelen, zolang je de opgedoken feiten maar geen geweld aandoet.’ Thea Beckman trouwt in 1945 met Dirk Hendrik Beckmann, met wie ze twee zoons en een dochter krijgt. In 1956 zijn zij in Bunnik gaan wonen en hier schrijft Thea haar debuutroman, ANJERS VOOR ADELE, en haar eerste jeugdboek, DE ONGELOOFLIJKE AVONTUREN VAN TIM EN HOLDERDEBOLDER. Allebei werken waarvan zij later zegt dat ze best vergeten mogen worden. ‘Ik moest het vak nog leren’. Zij krijgt meer tijd in de zeventiger jaren wanneer haar kinderen uit huis zijn en komt KRUISTOCHT IN SPIJKERBROEK (1973) uit. Het boek levert haar een Gouden griffel en de Europese prijs voor het beste historische jeugdboek op. Het boek is verfilmd. Het wonen in Bunnik is wonen dichtbij Utrecht. Hier staat zij midden in de middeleeuwen en de volgende stap die ze wil maken is de studie Sociale Psychologie aan de Universiteit in Utrecht. In 1981 studeert ze af. Ze schrijft haar doctoraalscriptie over de invloed van boeken op de jeugd. Het historische kinderboek stond nog in de kinderschoenen. Zo ontwikkelt ze zelf een onderzoeksmethode om deze invloed te meten en komt tot de volgende conclusie; ‘Ofschoon dit onderzoek er niet geheel in geslaagd is de directe invloed van jeugdboeken op jonge lezers aan te tonen, zijn er wel aanwijzingen dat er van enige invloed sprake is, maar ook dat de relatie kind/boek veel gecompliceerder is dan algemeen wordt aangenomen.’

Eén voorval vertelt ze bij bijna al haar lezingen en interviews. In de brugklas van het voortgezet onderwijs werd door de docent DE VIER HEEMSKINDEREN  van Felix Timmermans voorgelezen. Ze had meteen geantwoord dat ze het een geweldig historisch verhaal had gevonden. Enkele maanden later kwam ze erachter dat het boek een navertelde middeleeuwse ridderroman was,  ‘meer legende dan feit’. In Beckmans beleving had Felix Timmermans dus aan geschiedvervalsing gedaan om een mooi verhaal te vertellen. Ze nam het de schrijver erg kwalijk en wilde nooit meer iets van zijn hand lezen, want ze vertrouwde hem niet meer. Toen ze zelf historische jeugdboeken ging schrijven nam ze zich voor dat de feiten moesten kloppen.

Wie zich prompt bedrogen voelde bij het lezen van Kruistocht in Spijkerbroek was Kees Fens (1929 – 2008). Hij vindt haar schrijftaal te modern. Hij vergelijkt het boek met de historische jeugdroman Fulco de minstreel van de auteur Cornelis Johannes Kievit (1892). Deze schrijft het verhaal zo, dat de lezer meteen al in de eerste paar zinnen midden in de 13e eeuw staat. ‘Uit het binnenste van de meester welde het verhaal, en al vertellend vertelde eigenlijk alles en iedereen mee.’

In Thea Beckman haar boeken spreekt vooral het heden een woordje mee in het verleden. In kinderboeken gaat de fantasie nog door en zij doorbreekt de grenzen van ruimte en tijd. In Kruistocht in Spijkerbroek komt een vijftienjarige jongen uit Amstelveen van 1973 via een tijdmachine terecht in het jaar 1212, waarin hij zich aansluit bij de kinderkruistocht. Dit idee berust op de middeleeuwse denkwereld van Christenen die geloofden dat zij eens zouden worden als engelen, wezens tussen hemel en aarde, die al half in de eeuwigheid leefden en die het ene moment in Rome en het andere in Jeruzalem konden zijn. 

Een historisch kinderboek is grensverleggend, heeft meer mogelijkheden dan welk ander genre boek ook. Kinderen worden geconfronteerd met en aan het denken gezet over zaken, problemen en toestanden. (Lea Dasberg, 1981)

Het werk van Thea Beckman is vele malen bekroond. In 2003 ontvangt zij de in het leven geroepen Bontekoeprijs voor het beste historische jeugdboek voor ‘GEKAAPT!’ Het jaar daarna in de nacht van 4 op 5 mei, overlijdt Thea Beckman. De Bontekoeprijs wordt hernoemd tot de Thea Beckmanprijs. Deze prijs wordt elk jaar in het derde weekend van september in Archeon uitgereikt voor het beste historische jeugdboek.

`Een stappende haan als zinnebeeld van waakzaamheid`

Burgemeester Willem Jabes van Beeck Calkoen loodste de drie gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven door naar de vernieuwing van de twintigste eeuw. Hoe deed hij dit?

Willem Jabes werd op 25 maart 1871 in Utrecht geboren als zoon van Aarnoud Willem van Beeck Calkoen en jvr. Pauline Albertine Ram. Hij trouwde op 14 november 1901 in Zeist met jvr. Adrienne Johanna Margaretha Repelaer; dit huwelijk werd op 3 december 1930 ontbonden. Het echtpaar kreeg vier zoons. Hij overleed op 13 februari 1945. 

Stammend uit een bekende Utrechtse familie, waarin grootvader Aarnoud Jan en vader Aarnoud Willem  in Utrecht vele functies op politiek, kerkelijk en bestuurlijk gebied hadden bekleed, deed Willem Jabes rechten aan de Utrechtse universiteit; in 1898 volgde zijn doctoraal examen. Hij studeerde af met een promotie op stellingen.

Hij werd opgeleid in de secretarie in Zeist. Hier bleek al snel dat Willem Jabes ijverig en nauwgezet was. In 1899 kwamen er een paar kenmerken bij die paste bij het burgemeesterschap. Hij was 2e secretaris geworden van het hoofdbestuur van het Genootschap voor Landbouw & Kruidkunde. Volgens de burgemeester van Zeist vervulde hij deze betrekking met de meesten ijver, bekwaamheid èn welwillendheid, terwijl ook zijn aangename beleefde manieren en makkelijke wijze van omgang een uitstekende indruk hadden gemaakt bij alle leden van genoemd hoofdbestuur.

Met deze overtuigende woorden werd Willem Jabes in 1901 burgemeester van de gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven. Deze gemeenten hadden sinds 1850 samen één burgemeester. In 1897 was voor de drie plaatsen een nieuw gemeentehuis gebouwd in het centrum van Bunnik. Van Beeck Calkoen kon zijn werkzaamheden dus in een mooi nieuw gebouw beginnen. Hij vond het belangrijk om ook in Bunnik te wonen en verhuisde kort na zijn benoeming naar het centrum van het dorp. In 1905 werd hij eigenaar van de fraaie buitenplaats Bloemerwaard met de bijbehorende landerijen, gelegen tussen de Schoudermantel en de Kromme Rijn. Inmiddels was hij getrouwd met Adrienne Repelaer; het echtpaar kreeg vier kinderen; Aernoud Willem, Frans Jabes, Philip Jan en Johan Adriaan Paulus.

‘Ik ga niét van het schip af!’

Een wapenfeit uit de loopbaan van Van Beeck Calkoen was de invoering in 1913 van het gemeentewapen van Bunnik; een stappende rode haan als zinnebeeld van waakzaamheid. Een jaar later brak de Eerste wereldoorlog uit, die het rustige Bunnik niet ongemoeid liet. De inwoners kregen te maken met inkwartiering en distributie. Bovendien lag het dorp middenin het gebied van de Hollandse Waterlinie, zodat ontruiming dreigde. Van Beeck Calkoen zei later zelf over die moeilijke periode, dat de gemeente heen en weer getrokken werd tussen het staatsgezag, het militaire gezag en haar eigen belang. In 1918 volgde het gevaar van een revolutie in Nederland. Predikant De Vrijer herinnerde zich later, dat hij aan de burgemeester had gevraagd: ‘En als ook over onze gemeente de revolutie-golf komt?’ Hij antwoordde rustig; ‘Ik ga niét van het schip af!’

Plichtsgetrouw stond Van Beeck Calkoen aan het roer van zijn gemeenten, Bunnik, Odijk en Werkhoven. Dat dit werd gewaardeerd door de bevolking, blijkt wel uit de huldiging bij zijn 25 jarig jubileum in 1926. Vlaggen waren uitgestoken, en het stadhuis was feestelijk versierd met bloemen en palmen. In optocht van ruiters met sjerpen, de plaatselijke afdelingen van arbeidersvakverenigingen met hun vaandels en enkel muziek- en zangverenigingen, begeleidden de jubilaris naar het gemeentehuis. Na afloop van een bijzondere raadsvergadering vond een huldiging plaats in het gebouw de Grondslag. Hij kreeg een ingelijst tegeltableau, dat dorpsgezichten en wapens voorstelde rond het portret van de burgemeester, met aan weerszijden twee figuren die lief en leed symboliseerden. Het cadeau van de ambtenaren was een marmeren inktstel.

Naast het burgemeesterschap bekleedde Van Beeck Calkoen twintig jaar lang diverse andere functies. Hij was lid van Provinciale Staten, buitengewoon lid van Gedeputeerde staten, dijkgraaf van het hoogheemraadschap Lekdijk Bovendams, commissaris van de N.V. Provinciale Utrechtsche Elektriciteitsmaatschappij, lid van het dagelijk bestuur van de Stichting Drinkwaterleiding Zuid-Utrecht, voorzitter van de Schippersschool te Vreeswijk en voorzitter van de Tuberculosecommissie voor Bunnik, Odijk en Werkhoven. Een koninklijke onderscheiding kon voor een man met zoveel verdiensten niet uitblijven. In 1936 werd Van beeck Calkoen bevorderd tot officier in de orde van Oranje-Nassau.

Tijdens zijn bewind maakten de drie gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven een belangrijke ontwikkeling door. Het inwonertal nam toe, riolering, elektrisch licht en waterleiding werden aangelegd, er werd woningbouw gepleegd en er kwamen nieuwe wegen tot stand. De burgemeester kreeg steeds meer zorgen. Het werd moeilijk om de begroting sluitend te krijgen, de belastingdruk was hoog, de landhuizen langs de Kromme Rijn kwamen leeg te staan, waardoor de inkomsten van de gemeente terugliepen, en er was sprake van werkloosheid.

Hoewel Van Beeck Calkoen op 25 maart 1936 de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, wachtte hij met zijn vertrek tot hij 35 dienstjaren volgemaakt had. Uiteraard was er, net als in 1926, een groot feest georganiseerd, dat op 3 oktober plaatsvond. Op het gemeentehuis werd het afscheidscadeau aangeboden, dat bestond uit een serre ameublement met bloemstuk. Om vijf uur ’s middags begon een defilé bij de burgemeesterswoning, waaraan werd deelgenomen door 19 verenigingen uit Bunnik en een muziek muziekkorps uit Werkhoven. Van Beek Calkoen werd toegezongen door ongeveer 300 schoolkinderen, die een reep chocola ontvingen. Het uitvoerige verslag in het Utrechtsch Dagblad vermeldt: ‘Spontaan weerklonk een driewerf hoera voor de scheidende burgemeester, waarvoor deze vriendelijk dankte. De verslaggever wenste de ‘in den dienst vergrijsden burgervader’ een levensavond toe die net zo helder zou zijn als deze mooie herfstdag.

De laatste levensjaren van Van Beeck Calkoen waren echter niet onbezorgd. Zijn echtgenote, die niet had kunnen wennen aan het rustige dorpsleven, was in 1924 uit Bunnik vertrokken; in 1930 was het huwelijk officieel ontbonden. Twee zoons waren al vóór 1936 geëmigreerd, respectievelijk naar Amerika en Zuid-Afrika. Een derde zoon, Frans, was in 1933 burgemeester van Ouderkerk aan den IJssel geworden.

Bloemerwaard werd te groot voor de oud-burgemeester; in 1940 verkocht hij het landhuis. De nieuwe eigenaar liet het gebouw Bloemerwaard met de grond gelijkmaken en een modern huis optrekken. Een groot deel van het bijbehorende land was al onteigend in verband met de aanleg van de A12. Van Beeck Calkoen verhuisde naar Drieberg-Rijsenburg. Daar bracht hij de moeilijke oorlogsjaren door. In 1944 schreef hij aan een van zijn broers: ‘’ de dagen gaan voorbij in troostelooze eentonigheid en eenzaamheid’. Tijdens een fietstochtje met zijn zoon Frans naar Werkhoven bezweek hij aan een ‘hartflauwte’. Willem Jabes werd begraven op de Eerste Algemene Begraafplaats in zijn geboorteplaats Utrecht.

In Bunnik herinnert de Van Beeck Calkoenlaan nog aan deze trouwe burgemeester. 

THEODORUS MARTINUS DE GREEFF (1907 – 1964)

Jean: 'Mijn vader Theo werd geboren in het huis aan de Koppeldijk in Zeist. Hij trouwde in 1933 met Johanna (Annie) Kropman uit Utrecht. Vanaf dat moment krijgt mijn moeder elk jaar een kind. Ik ben de vijfde in het gezin van elf kinderen. In 1926 werd mijn vader als negentienjarige jachtopziener beëdigd, en hiermee was hij de jongste jachtopziener. "Onbezoldigd gemeenteveldwachter" werd dat destijds genoemd. Bij zijn aantreden als jachtopziener bij de familie De Wetstein Pfister werd voor hem een woning gezorgd. Hij kon het huis van de oude koetsier Dorrestein aan de Groote Laan overnemen. Hij werkte zowel voor de familie De Wetstein Pfister, als voor de familie Van Marwijk Kooy van het landgoed Vollenhoven. Mijn vader overleed in 1964.

Afscheid en behoud

Mijn vader, grootvader en ik, leefden in hèt tijdperk van het landgoed. Een tijdperk met alles wat daar nog mee te maken had; het landgoed als bedrijf, een landschapspark, een ensemble aan bebouwing, en een familie met relaties. Vanaf mijn vader zijn tijd, als jachtopziener voor deze familie, brokkelde dat tijdperk af. In 1924 is het landgoed De Niënhoff verkocht aan mr. Frans Hendrik de Wetstein Pfister, eigenaar van het landgoed Heidestein bij Zeist. Bij zijn overlijden in 1926 kwam het landgoed in bezit van zijn twee dochters.

Het roer hebben wij zoveel als mogelijk recht gehouden en hebben o.a. keuzes leren maken op korte termijn. Als kleine jongen was ik daarom een keer zo boos op mijn vader. Er lagen twee beelden van prins Maurits en prins Frederik Hendrik op de zolder van de schuur. De beelden hadden op het bordes van het imposante kasteel gestaan. Op een gegeven moment had hij ze weggedaan. De sokkel heb ik in het park nog neergezet als herinnering hieraan. De andere sokkel is teruggevonden in de tuin van een woning aan de A12. Als de uitbreiding van de stad Utrecht op de loer lag ben ik ook hiervoor gaan liggen. 

Marinus Van Marwijk Kooy (1888-1970)

Mijn vader zijn taken op de Niënhoff waren inmiddels uitgebreid door het verzoek van Marinus Van Marwijk Kooy, van het landgoed Vollenhove, om bij hem in dienst te komen als jachtopziener. Marinus van Marwijk Kooy was familie van J. H. Van Marwijk Kooy, die samen met jhr. C.A. De Pesters en W.E. Uhlenbroek, de bierbrouwerij Amstel Bier heeft opgericht in 1870. Zo kreeg mijn vader naast het landgoed De Niënhoff ook de supervisie over het gehele landgoed Vollenhove, plus waar Van Marwijk Kooy nog meer grondbezit had, zoals op De Hoge Woerd in Driebergen met de schaapskooi en in Werkhoven. De heer Van Marwijk Kooy gaf mijn vader opdrachten naast de taak als jachtopziener; zoals de uitbetaling van 15 man personeel van het landgoed Vollenhove, de huur ophalen, de boekhouding bijhouden, grienden aanleggen en afzetten voor de kopers, het park onderhouden. Mijn vader deed dit alles op de fiets. Later had hij een motortje, een DKW.

De jacht

Landgoederen waren plekken van consumptie, waar ook zeker geld bij moest. Twee, drie keer per jaar werd een grote jacht georganiseerd door de jachthouder. In de tijd van mijn grootvader was de jachthouder baron van Hardenbroek als grondeigenaar. Hij was persoonlijk verantwoordelijk voor de wildstand op zijn gronden, waar wel of niet geschoten mocht worden. Dit jachtrecht van De Niënhoff was ondertussen overgegaan op de erfgenamen, de gezusters De Wetstein Pfister. Omdat zij niet deelnamen aan de jacht, was dit jachtrecht verhuurd aan van Marwijk Kooy. En als diens jachtopziener organiseerde mijn vader de jachten en bepaalde hij op welke stukken er werd gejaagd. 

Voor de geschoten hazen, fazanten, patrijzen en konijnen was wel een goede nazorg hoor. Hier werd niet alles op een hoop gegooid maar na de jacht mooi uitgestald bij de boerderij. Daarna ging het in de aanhanger van de jeep die van het landgoed Vollenhoven was. Hendrik, de butler van Vollenhoven, reed de jeep. Hendrik liep altijd rond in een mooi gestreept pakje met een strikje voor. De poelier kwam het wild ophalen en betaalde daarvoor. 

Een jacht was een jaarlijks gebeuren waar mensen uit de hele omgeving aan konden deelnemen en meegenieten. Na afloop van de jacht zaten de drijvers in het achterhuis tussen de koeien op strobalen. Dan werd er erwtensoep opgediend die mijn moeder had bereid en kregen de mannen een biertje en dat was feest. De heren zaten in het voorhuis die werden verzorgd door Hendrik de butler. 

De hond van mijn vader

Elke jager heeft interesse in de hond en in het africhten van de hond voor de jacht. Zo ook mijn vader. Wij hadden thuis drie honden. Hij hield van de staande honden. Een staande hond staat stil en wijst het wild aan. Mijn vader zat in het bestuur van de politiehondvereniging. Op de Niënhoff werd er in 1929 een Voorjaarswedstrijd (Derby) gehouden van Continentale honden voor leden van de vereniging met een Weimarse Staande hond. Deze honden waren geschikt gemaakt voor de drijfjacht. De hoofdfoto is van een politiehondwedstrijd op het landgoed Heidestein van voor de 2e wereldoorlog, waar diverse mensen bij aanwezig waren; zoals politie functionarissen, veldwachters, jachtopzieners en pakwerkers. Pakwerkers zijn mensen die in een leren pak werden gehesen, waar de honden op af werden gestuurd. Ik ben ook wel eens pakwerker geweest! 

In 1952, na de dood van mijn grootvader, werd door mevrouw De Wetstein Pfister voor mijn vader een huis gebouwd aan de Koppeldijk in Zeist, net iets achter het huis van mijn grootvader. Hij heeft hier niet lang meer van kunnen genieten. Hij overleed in 1964.'

`... Maar hij bleef dè predikant!` Wie de Protestantse kerk in Cothen van opzij nadert ter hoogte van het koor ziet een grijze gedenksteen waarop te lezen staat: ‘Uit achting der Gemeente voor haar leeraar W.H. Hajenius 1789 – 1843. Gest. 30 aug. 1846. Binnen in de kerk is een predikantenbord, waarop we dominee Hajenius terugvinden. W.H. Hajenius bekleedde gedurende ruim 53 jaar het ambt van ‘herder en leraar’ van de Ned. Herv. Kerk.

In het bericht over zijn overlijden wordt hij, in de ‘Boekzaal der geleerde Wereld’(1846, 2, p. 383), beschreven: ‘Gul van aard kenden wij hem, tevens als opregt van hart; en zijne opgeruimdheid van geest, die hem bijbleef gedurende de moeilijke en zorgvolle dagen welke hij vroeger alhier doorbragt, verliet hem niet in zijnen ouderdom.’ In een brief aan mijn grootvader Godert Adriaan Hajenius (1869 – 1949) schrijft W.A. van Beeck Calkoen, burgemeester van Cothen, in 1898: ‘In 1843 is Dom. Wijnand Kluever zijn hulpprediker geworden, maar hij (ds. Hajenius) bleef in de pastorie en dé predikant.’ 

Willem Hendrik Hajenius was niet de eerste predikant in de familie; grootvader en bet-overgrootvader stonden ook reeds op de preekstoel. Willem Hendrik werd op 1 mei 1761 te Pannerden geboren. Volgens het Album Studiosorum van de Rijksuniversiteit te Leiden werd Willem Hendrik aldaar ingeschreven als student op 15 september 1785. Op 26 juni 1786 werd hij proponent bij de classis van Leiden en Neder-Rhijnland, waarna hij op 10 juni 1789 te Cothen werd beroepen. Die beroeping had trouwens veel voeten in aarde gehad. De acta van de vergaderingen van de classis Rhenen-Wijk lichten ons er uitvoerig over in! 

Op 8 oktober 1788 wordt er door de ‘mansledematen  een drietal opgesteld, te weten de  heer Geelkerken, predikant te Overlangbroek, de heer Hajenius, proponent te Leiden, en de heer Horst, proponent te Utrecht. Op Geelkerken worden zes stemmen uitgebracht, op Hajenius en Horst elk vijf. Cothen telde in die tijd zeventien lidmaten, één was dus kennelijk afwezig. Als Geelkerken echter van de nominatie afziet, stelt gedeputeerde Gobius voor het drietal aan te vullen. Anthony van Kooten, de schoolmeester, is het met Gobius eens. Maar een aantal leden verzet zich hiertegen: Rijk van Eck, diens zoon Gerrit, Willem Middelman en ‘de heer Oudburgemeester A. de Joncheere’ eisen een nieuw drietal. Begin november komen de leden weer bijeen en tenslotte wordt er een nieuw drietal voorgesteld, onder wie Hajenius. Op 11 november verklaart de classis het eerste drietal echter voor wettig, maar op 16 juni 1789 kiest men toch weer een ander drietal: Hajenius blijft erop voorkomen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze nog tijdens dezelfde vergadering door de classis wordt verkozen. De gedeputeerden van de staten ’s Lands van Utrecht hechten hun goedkeuring aan de verkiezing, mits de proponent voldoet aan de kerkorde, d.w.z. een toelatingsexamen. W.H. Hajenius werd op 20 september 1789 door ds. Eickma in het ambt bevestigd.

Cothen als burgerlijke en kerkelijke gemeente

Volgens het Statenarchief nr.1353 telde het dorp in 1808 200 inwoners. In 1812 werd het ambachtsgerecht de Dwarsdijk opgeheven en bij Cothen gevoegd en dat verklaart mede het veel grotere aantal van 521 inwoners in 1815. 80% van de bevolking was Rooms Katholiek, terwijl slechts een 20% tot de Hervormde Kerk behoort; in de gegevens over de kerkvisitatie is gedurende verschillende jaren sprake van een 100 ‘zielen’. 

Dat de kerkelijke gemeente niet erg draagkrachtig was, verbaast ons niet, gezien het reeds genoemde aantal ‘zielen’ en het nog veel kleinere aantal ‘ledematen’: in 1788 waren dat er 17 en dat aantal is ten tijde van Hajenius niet snel gegroeid. Naast het kleine aantal leden speelden ook de sociale omstandigheden waarin deze leden verkeerden een belangrijke rol. Op 17 maart 1817 schrijft burgemeester J. van Eck hierover: ‘De toestand der gemeente is seer armoedig, deselve bestaat uit omtrent 100 zielen waarvan tweederde armoedig is. En het overige een derde zijn alle menschen die van hun handenwerk hun bestaan moeten hebben, maar die ook niet nalaten hunne verarmde kerkgenoten in den dringensten nood zo veel in hun vermogen is te helpen ondersteunen, waarvan ik getuige ben, …’ Op 25 september 1816 wordt de hervormde kerk onvermogend genoemd. Ds. Hajenius vraagt de classis om maatregelen ter voorziening in het hoogst noodzakelijke onderhoud van de kerk en de pastorie; men zal Cothens belangen bij de Koning aanbevelen en hoopt op een toelagen uit ’s Rijks kas. In mei 1818 echter – zo lezen we – vraagt Hajenius een collecte te mogen houden onder de Hervormden in de provincie, omdat het Rijk waarschijnlijk niet op het bovengenoemde verzoek in zal gaan. Het Rijk deed dit echter wel! Op 26 mei 1819 bericht het Directoraat Generaal aan de classis dat de scriba f.2000,¬- zal ontvangen ten behoeve van de gemeente  Cothen.  

‘De arbeider is zijn loon waard’

Een vraag die mij herhaaldelijk heeft beziggehouden, maar waarop ik het antwoord schuldig moet blijven bij gebrek aan gegevens, is de volgende: hoe kwam ds. Hajenius aan de kost? Een gezin met zeven kinderen kan niet van de wind leven! Aangezien de Gereformeerde Kerk oorspronkelijk een staatskerk was, zal het traktement gedurende de eerste jaren van zijn predikantschap van staatswege zijn uitbetaald. Tijdens de Bataafse republiek echter werd de scheiding van kerk en staat geproclameerd en vervielen de staatstraktementen. Pas in 1816 – bij de vaststelling van het algemeen Reglement van de Neder. Herv. Kerk – hervatte het Rijk de betaling daarvan. 

Volgens het Jaarboek van de Ned. Herv. Kerk bedroeg het rijkstraktement van de predikant in Cothen in 1848 f. 700,- ; het is heel goed mogelijk dat ds. Hajenius in 1816 eenzelfde bedrag kreeg, gezien het feit dat het traktement ook lang na 1848 nooit is verhoogd. Het salaris van rijkswege werd overigens wel vermeerderd met een bijdrage van de Synode en met een toelage van de eigen kerkelijke gemeente, maar deze laatste zal, gezien de hierboven genoemde financiële situatie van de gemeente Cothen en haar leden, zeker niet hoog zijn geweest. In 1833 was ds. Hajenius in elk geval slecht bij kas, want in dat jaar leende hij f.50,- uit de kas van de diaconie, een bedrag dat hij later met rente terugbetaalde. Eveneens is bewaard gebleven de akte, waarbij aan ds. Hajenius emeritaat wordt verleend en waaruit blijkt dat het rijkspensioen f.700,- zal bedragen. 

Ds. Hajenius in Classis en Ring

Is het archief van de kerkvoogdij voor wat betreft de ambtsperiode van ds. Hajenius zeer onvolledig, de acta van de vergaderingen van de classis blijken daarentegen een belangrijk bron te zijn. Cothen behoorde tot de classis Rhenen – Wijk. In deze vergaderingen rouleerde het met de voorzitter of de secretaris. Hajenius voelde blijkbaar niet veel voor het voorzitterschap, dan liet hij zich vervangen. Hij was meer een schrijver, en gaf de voorkeur aan de functie van secretaris; zijn duidelijk leesbare, keurige handschrift vinden we herhaaldelijk terug. Naast de notulen van de classis leveren ook de acta van de vergaderingen van de ring Wijk (ingesteld in 1816) interessante gegevens op. Tijdens de eerste vergadering wordt ds. Hajenius tot praetor gekozen voor twee jaar. De vergaderingen hebben twee maal per jaar plaats bij de predikanten thuis en wel op de tweede woensdag in mei en de laatste woensdag in augustus. Men begint om 10.00 uur, er wordt met gebed geopend en ‘de ontvangende predikant zal een koude maaltijd aanrichten bestaande uit ham, brood en wijn’. Wie te laat komt, betaalt zes stuivers boete, niet komen kost twaalf stuivers. In 1818 richt de Ring een leesgezelschap op; per dag moet men dertig bladzijden lezen. Ds. Hajenius bespreekt er regelmatig een bijbel gedeelte. Opvallend is dat hij zich bij het schrijven van die preek bedient van vaste afkortingen, naar het voorbeeld van kopiisten uit vroeger eeuwen. Behalve als lid van de classis en, na 1816 van de ring Wijk, fungeerde ds. Hajenius in de eerste jaren van zijn predikantschap herhaaldelijk als kerkmeester en als schoolopziener (‘scholarch’), zo lezen we in het archief van het Domkapittel. 

Hoe ging het Willem Hendrik Hajenius persoonlijk? Het Gereformeerd huwelijksregister van Cothen vermeldt dat, op 28 augustus 1791 zijn ingeschreven Willem Hendrik Hajenius en Willemina de Ridder, geboren te Amerongen en op 5 september ‘in den huwelijkschen staat’ zijn bevestigd door P. Hugenholtz, predikant te Amerongen. Zij kregen zeven kinderen. Willemina overleed op 13 mei 1809, 41 jaar oud. Op 1 januari 1843 ging Willem Hendrik met emeritaat; in de vroege ochtend van 30 augustus 1846 overleed hij. 

 

Cornelis Everardus Theodorus Vernooy (1888-1957)

Een leven van uitersten.

De Wethouder C.E.Th. Vernooystraat is in Cothen bekend.  Maar wie is deze wethouder Cornelis Vernooy? Cornelis wordt op 24 september 1888 op boerderij de Meerboom aan de Tielseweg te Maurik geboren. Hij is het derde kind van Theodorus Vernooy en Johanna van de Leemkolk en wordt vernoemd naar zijn heeroom Kees van de Leemkolk die in die dagen pastoor van Hamersveld (bij Leusden) was. Zijn vader overleed op 27 januari 1890 aan longontsteking. Kort na het overlijden van haar man vertrekt de weduwe met de kinderen naar de boerderij De Rijnsloot in Cothen. Ze gaan inwonen bij de weduwe Wilhelmina Vernooy-van der Horst - de moeder van Theodorus - en de niet getrouwde broer van Theodorus, nl. Gert Vernooy. Cornelis gaat tot en met zijn 12e jaar in Cothen naar de openbare lagere school en daarna werkt hij, zoals in die tijd gebruikelijk, tot het overlijden van zijn oom Gert in het boerenbedrijf mee. Van Gert Vernooy erft Cornelis in 1912 de boerderij De Rijnsloot. Tijdens de mobilisatie van de Eerste Wereldoorlog brengt Cornelis zijn diensttijd als messbediende in de Hojelkazerne in Utrecht door. Hiervoor krijgt hij in 1926 het Mobilsatie-Herinneringskruis. Na de Eerste Wereldoorlog is hij enkele jaren penningmeester van de Nederlandse Bond van Rooms Katholieke Dienstplichtigen St. Joris. 

Op 21 november 1916 trouwt Cornelis met Anthonia Johanna Maria van Bemmel. Anthonia van Bemmel was op 28 mei 1888 als dochter van Thomas Johannes van Bemmel en Anna Maria Gerarda van Leeuwen geboren op boerderij De Vogelpoel in Wijk bij Duurstede. Uit dit huwelijk wordt op 4 september 1917 hun zoon Theo geboren. 

Liefde voor paarden

De Rijnsloot waarop Cornelis boerde, kan het beste in zijn tijd als een gemengd bedrijf getypeerd worden. Een belangrijke plaats in zijn bedrijf namen de paarden in. Hij stond bekend als een goede fokker, wat samenhangt met het feit dat hij ook een bekend hengstenboer was. Kort na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij landelijke bekendheid met de door hem gefokte keurhengst Maarschalk die hij aan G. Top in Woudenberg verkocht had. Zijn grote kennis van paarden had ook tot gevolg dat hij dikwijls als keurmeester of jurylid bij paardenkeuringen en concoursen optrad.

Maatschappelijke betrokkenheid

De maatschappelijke betrokkenheid van Cornelis Vernooy kan o.a. toegeschreven worden aan de positie die de grote boeren in het Kromme Rijngebied tot in het midden jaren vijftig van de vorige eeuw in het maatschappelijk leven innamen. Na het huwelijk stopten ze met werken en waren daardoor dikwijls actief in gemeenteraden en in boerenorganisaties. In dat kader moeten ook de vele functies die Cornelis bekleedde, gezien worden. Zo was hij, in willekeurige volgorde weergegeven langdurig gemeenteraadslid (bijna 45 jaar!), wethouder en locoburgemeester van de gemeente Cothen. In 1910 werd Cornelis op 22-jarige leeftijd lid van de gemeenteraad van Cothen en op enkele jaren onderbreking na bleef hij tot zijn dood lid van de gemeenteraad. Na de oorlog maakte hij ook deel uit van de zogenaamde Noodraad van Cothen.

Bekijken we de lijst van functies, dan zien we dat Vernooy zowel plaatselijke, regionale als landelijke functies vervulde. Het is dan ook niet vreemd dat Cornelis een bekendheid genoot die zich tot ver buiten de grens van de gemeente Cothen uitstrekte. Zo was hij medeoprichter en bestuurslid van de fruitveiling ‘Wijk bij Duurstede en omstreken’, bestuurslid van de Fok- en controlevereniging, voorzitter van het Wit-Gele Kruis, de laatste katholieke voorzitter van het liberale Utrechts Landbouw Genootschap (ULG), bestuurslid van de landbouwcoöperatie Veelust in Wijk bij Duurstede, mede-initiatiefnemer in 1922, van één van de eerste busondernemingen in het Kromme Rijngebied (WABO),  medeoprichter en bestuurslid van de Coöperatieve fruitkoelcellen in Wijk bij Duurstede, Hoogheemraad van het waterschap Lekdijk Bovendams, Heemraad van het waterschap ‘het Gemene land van Cothen’, maakte deel uit van de raad van commissarissen van de Stichtse Olie- en Lijnkoekenfabriek (SOL) te Utrecht, bestuurslid en voorzitter van de coöperatieve brandverzekering,  secretaris van de Cothense Raiffeisenbank, beschermheer van de Cothense voetbalvereniging Fortissimo, bestuurslid van de VLN (Vereniging Landbouwtuigpaard Nederland).

Cornelis Vernooy kan niet zomaar gezien worden als een vertegenwoordiger van het sterk behoudende katholieke boerenestablishment van zijn tijd. Zo was hij de eerste Cothenaar die een motor aanschafte, nl. een Douglas. Begin jaren vijftig reed hij enige tijd op een bromfiets - een Mosquito - rond. Opvallend was ook zijn kenmerkende verschijning in het openbare leven: een driedelig pak met een Engelse bolhoed op zijn hoofd; een boerenkiel en een pet droeg hij nooit. Het beste kan Cornelis getypeerd worden als een sociaal-liberale boer. Het sociale blijkt uit zijn betrokkenheid bij het wel en wee van de Cothense gemeenschap en vooral bij mensen aan de onderkant van de samenleving. Zijn liberale instelling komt naar voren uit het open staan voor kansen en ontwikkelingen, maar ook uit het feit dat hij moeite had om te leven binnen de katholieke zuil. Hij had grote moeite met het feit dat hij onder druk van de katholieke kerk zijn lidmaatschap en voorzitterschap van de plaatselijke afdeling van het liberale ULG (Utrechts Landbouw Genootschap) moest opgeven. Hij onderhield namelijk zowel met katholieke als protestante boeren vriendschappelijke relaties en hield niet van een verzuilde hokjesmentaliteit. Verder behoorden ook middenstanders en intellectuelen tot zijn vriendenkring. Zijn liberale opstelling blijkt ook als hij onder protest van collega-boeren grond beschikbaar stelt om in september 1929 de oprichting van de Cothense voetbalvereniging Fortissimo mogelijk te maken. Overigens had hij aan het beschikbaar stellen van een voetbalveld wel een bepaling verbonden. Zijn koeien mochten de hele week op het voetbalveld lopen, behalve op de uren dat er getraind of gevoetbald moest worden! 

Na een zware beroerte in het najaar van 1956 overlijdt Cornelis op 16 januari 1957 in het Antoniusziekenhuis in Utrecht. Zijn ziekbed had zelfs tot gevolg, dat er vanwege trombose een been geamputeerd moest worden. 

Cornelis is in Cothen begraven op de katholieke begraafplaats aan de Kerkweg. Enkele jaren na zijn dood besluit de gemeenteraad van Cothen een straat naar hem te vernoemen. Dit wordt de wethouder C.E.Th. Vernooystraat. 

Wind in de zeilen

Eén van de beeldbepalende gebouwen in het huidige Wijk bij Duurstede is de walpoortmolen Rijn en Lek. Gebouwd in 1659 door leerhandelaar en- looier Anthony van Eyndhoven op de Leuterpoort. Daarvoor moest de Leutertoren, een van de 7 torens in de middeleeuwse stadsmuur van Wijk (deels) gesloopt worden.

Anthony van Eyndhoven was in die tijd één van de belangrijkste ondernemers in Wijk bij Duurstede.

Na de pestepidemie in 1636, waarbij 1/5 van de Wijkse bevolking stierf en veel – juist vermogende– burgers de stad verlieten, was het met de economie snel bergafwaarts gegaan. De magistraat, het toenmalige stadsbestuur, was naarstig op zoek naar nieuwe bedrijvigheid. 

Op Anthony’s verzoek om een runmolen te mogen bouwen op de Leuterpoort werd dan ook zonder problemen en met een aantal zakelijke voordelen akkoord gegeven.

Alle werkgelegenheid was welkom.

Een runmolen vermaalt eikenschors tot run, eikenschorspoeder, onmisbaar voor het looien van leer.

Zo’n jaar of 10 floreerde Anthony’s zaken. Naast de runmolen bezat hij veel (luxe) onroerend goed en handelde hij in leer, stenen, teer en was “Elderman” van het Crispijngilde, het gilde dat alle ambachten die met leer te maken hadden overkoepelde.

Hij moet toen als een “echte gouden-eeuwer” tot de rijke elite van Wijk behoord hebben. Echter ook in de Gouden Eeuw waren er ups en downs.

Tegenwind

De Franse inval in het rampjaar 1672 heeft Wijk zwaar getroffen. Toen de Fransen in 1673 vertrokken lieten ze een berooid en deels verwoest Wijk achter. Toen in 1674 een verwoestende orkaan die door Utrecht raasde en ook een deel van Wijk trof, schatte de magistraat dat 1/3 deel van de huizen in de stad was verwoest of vervallen. 

Voor Wijk bij Duurstede was de Gouden Eeuw dan ook definitief voorbij. De runmolen, nu graanmolen heeft de tand des tijds met pestilentieën en orkanen echter doorstaan. De molen heeft vele eigenaars gekend, van wie Abraham van Son, die de molen kocht van de dochter van Anthony van Eyndhoven (1683) de meest kleurrijke was. De molen is lang in het bezit geweest van de familie Van Son. Zij behoorden ook tot de Wijkse elite en zaten in de Magistraat, het toenmalige stadsbestuur. Van Son had vaak hooglopende conflicten met de Magistraat, ook betreffende de runmolen.

Van run- naar korenmolen

Toen rond 1817 de korenmolen op de walmuur bij de Waterpoort werd afgebroken en ook de oude standaardmolen buiten de Veldpoort werd gesloopt, is de runmolen in eerste instantie ook en later alleen maar als korenmolen gebruikt.

In 1824 werd de molen gekocht door Jacobus Johannes de Heus. Via ingewikkelde constructies bleef de familie tot 1915 eigenaar of mede-eigenaar van de molen. Het was echter geen winstgevend bedrijf meer. Er waren steeds meer gemechaniseerde maalderijen. De gebroeders Anton en Pieter de Heus die de molen rond 1900 exploiteerden schaften een stoommachine van 24 paardenkrachten aan om de concurrentie het hoofd te kunnen bieden. In 1942 verkocht de familie De Heus de molen aan drie landbouwers (Bart Schoenmaker, Gerrit Jan van Dijk, Jan Lokhorst) die er een aantal jaren nog een min of meer winstgevend bedrijf aan hadden.  

Beeldbepalend monument

Door de snelle mechanisatie stonden er langzamerhand vele beeldbepalende windmolens ongebruikt te verkrotten. Een groep vooraanstaande Wijkse burgers vond dat de molen Rijn en Lek niet goed beheerd werd. De eigenaren hadden meer aandacht voor hun stoommalerij dan voor de molen. Uiteindelijk slaagden zij erin te bewerkstelligen dat de molen werd overgedragen aan de net opgerichte vereniging De Hollandsche Molen, die tot doel had en heeft de instandhouding van oude windmolens te bevorderen. Op 28 november 1929 werd de molen aangekocht door De Hollandsche Molen voor fl 3000,-. De coöperatieve graanhandel Rijn en Lek van Schoenmaker, Van Dijk en Lokhorst huurde de molen voor fl 150,- per jaar. Nog steeds is De Hollandsche Molen de eigenaar van de korenmolen Rijn en Lek. Tegenwoordig wordt de molen alleen nog door vrijwillige molenaars gedraaid. De molen heeft de afgelopen jaren grondige professionele restauraties ondergaan. De laatste in 1997 – 1998 (geheel nieuwe kap). In het voorjaar van 1998 werd de molen feestelijk heropend door Prins Claus, beschermheer van De Hollandsche Molen.

De molen Rijn en Lek is als enige walpoortmolen in Nederland, en beeldbepalend gebouw in Wijk bij Duurstede, een Rijksmonument.