Welkom op de Dorpscanon-Krommerijn website

WELKOM bij de Dorpscanon van het Kromme Rijngebied

Hebt u een verhaal over uw dorp of stad in het Kromme Rijngebied, dan zijn Uw “Lokale verhalen, lokaal verteld” op deze site zeer welkom! De werkgroep Dorpscanon Kromme Rijn van de Historische Kring bestaat uit lokale vrijwilligers van de drie gemeenten die schrijven over hun dorp of stad.

We nodigen u uit mee te schrijven. U maakt met uw verhaal de rijke historie van het Kromme Rijngebied zichtbaar voor anderen. Hiermee bereikt u oud- en nieuwkomers uit het Kromme Rijngebied. Zij kijken daarna met andere ogen naar hun omgeving. De verhalen op de Dorpscanon Kromme Rijn handelen over elk van de elf dorpen in onze regio.

Hoe doen de lokale schrijvers dit nu al? U ziet op de site een venster met een verhaal. Deze tekst met een paar foto’s of ander visueel materiaal is aangeleverd bij de werkgroep. Deze werkgroep Dorpscanon Kromme Rijn beoordeelt de bijdrage en geeft eventueel suggesties ter verbetering. Het onderwerp waarover u vertelt moet herkenbaar zijn voor andere bewoners, bijvoorbeeld omdat de geschiedenis vertelt van een object wat nog herkenbaar is in het dorp. Dus verover uw omgeving en ga aan de slag! Klik op de knop REAGEREN.

U kunt bij uw onderzoek ook gebruik maken van de kennisbank. U wilt bijvoorbeeld onderzoek doen naar uw familiegeschiedenis, naar de streekgewoonten, de fruitteelt, of landbouw attributen of u wilt meer weten over de gebeurtenissen in bijvoorbeeld de tweede wereldoorlog. Op onze site, en die van de Historische Kring wijst het zich vanzelf naar de verschillende archieven, waaronder het archief van de lokale Werkgroep archeologie Houten van de Historische Kring.

De verhalen uit de Dorpscanon zijn ook letterlijk op de kaart te zetten. De vensters worden steeds aan de bijbehorende locatie gekoppeld. Op deze manier kunnen wandelingen of fietsroutes langs verschillende vensters gemaakt worden, waarbij per locatie het bijbehorend verhaal opgeroepen kan worden door middel van een QR-code.

NIEUW - LEES DE BROCHURE

Er is nu ook een digitale brochure voor het Dorpscanon-Krommerijn-project. Hierin leest u alles over de achtergronden van dit bijzondere project. Voor het inzien van deze brochure klikt u hier.

Nieuws

29-09-2022


Op uitnodiging van de schrijver Dr. K.M. Cohen, in het boek 'De Dam bij Wijk, Geomorfologie van het Kromme Rijngebied omstreeks het jaar 1000', heb ik o.a. van de Johannapolder, later Science Park Utrecht, gekarteerde kaarten kunnen bekijken. Het gehele archief van het fysisch geografisch onderzoek van professor Henk Berendsen is een kijkje waard voor iedereen, zegt Kim Cohen! 

Het proefschrift van Berendsen uit 1982, met de bijbehorende kaartserie is voor ons gebied, het Kromme Rijngebied, de klassieke publicatie. Berendsen combineerde zijn onderzoek, 1973-1982, met veldonderw

7-08-2022


De nieuwe expositie ‘Kastelen, Kruiken en Kloostermoppen’ is de 12e tentoonstelling van de archeologische werkgroep ‘Leen de Keijzer’. De expositie laat de Middeleeuwen in Houten zien aan de hand van archeologische vondsten en waarnemingen. Bijzonder is dat ook in Houten en omstreken een flink aantal kastelen en versterkte boerderijen hebben gestaan, waarvan slechts enkele nog bestaan. Verder wordt er aan tal van aspecten van het leven in de Middeleeuwen aandacht besteed; zoals het leven van de gewone mens als horige, ondergeschikt aan wat de adel besliste over arbei

17-07-2022


De tentoonstelling

Vanaf 9 juli 2022 zijn vijf eeuwen schilderkunst met de Lek en Linge als thema te zien in het Stedelijk Museum Vianen. Het is een ode aan de prachtige natuur van het rivierenlandschap met zijn water en indrukwekkende luchten. Natuur en kunst vallen in ‘Schilders langs Lek en Linge’ prachtig samen.

De tentoonstelling omvat schilderijen, tekeningen en prenten uiteenlopend van zeventiende -eeuwse schilders zoals Jan Meerhout, maar ook kunst van Willem den Ouden en de Viaanse kunstenaar Ary Baggerman. Speciale aandacht is er voor Willem Witsen die

6-05-2022


Op 6 mei wordt de reizende foto-expositie ‘Verborgen koloniaal erfgoed terug naar het volk’ van de Stichting Wooko Makandie, in samenwerking met het Nationaal Archief en Het Utrechts Archief geopend in Slot Zeist.

U ziet beelden uit de jaren ‘50 en ’60 uit verschillende collecties, onder meer van bioloog Con Bruning en de Evangelische Broedergemeente. Via een bijbehorend ‘crowdsourcingsproject’ worden verhalen uit de Surinaams-Aukaanse gemeenschap vastgelegd.

7-04-2022


In de EXPO, in Het Utrechts Archief Hamburgerstraat Utrecht, is weer een expositie, n.a.v. Utrecht 900 en het Water! Ontdek de fascinerende geschiedenis van de het Kromme Rijn-gebied, de Lekdijk, de Utrechtse stadsrechten en bekijk de toekomstplannen voor het waterbeheer in onze regio.

Wist jij dat  Utrecht 900 jaar geleden stadsrechten kreeg? En dat dit alles te maken heeft met water? In de tentoonstelling Water! Vriend of Vijand? stap je een magische onderwaterwereld binnen. Je ontdekt hoe de Utrechters het water al eeuwenlang gebruiken én bestrijden. Een verhaal van i

Uitgelicht

De Oude Dorpskerk ligt op de Antonisbrink en is gebouwd tegen het eind van de 12e eeuw. Het is één van de eerste bakstenen kerken van Nederland waarvan de toren het oudste deel van de kerk vormt. In 1566 is de kerk uitgebreid met een nieuw koor, wat buiten duidelijk zichtbaar is aan de pleisterlaag die niet doorloopt. De kerk was gewijd aan Sint Anthonis. De kerk bezit een orgel, dat is gebouwd door de fa. De Koff uit Utrecht en dateert uit 1912. In de loop van de eeuwen is er het nodige aan de kerk verbouwd.

Er is een tijd geweest dat Bunnik nog geen eigen kerk had. Ergens in de 12e eeuw zullen de dorpelingen de koppen bij elkaar hebben gestoken om een klein houten kerkje te bouwen, eigenlijk maar een kapel. Het enige gebouw dat men in dorpen goed kon bouwen, was een boerderij of boerenschuur en deze kapel zal dus wel meer op een boerenschuur geleken hebben; misschien met een wat hoger dak en wat grotere ramen, maar onmiskenbaar lijkend op een boerenschuur.

Het gebouw

Het gebouw op zich had weinig belang, maar als symbool was het erg belangrijk. Het was een teken dat de Bunnikse gemeenschap op weg was naar zelfstandigheid want de kapel had vooral betekenis als gemeenschapsgebouw. Hier konden de dorpelingen bij elkaar komen, niet alleen in kerkelijke aangelegenheden, maar ook voor de rechtspraak of om een markt te houden als het buiten te slecht weer was. Men slaagde erin om diverse malen per jaar een priester naar de kapel te 'lokken', dat kon de eigen pastoor uit Zeist zijn, diens kapelaan, de huiskapelaan van een kasteelheer of - en dat is het meest waarschijnlijk - één van de vele rondreizende bedelmonniken die vanuit Utrecht uitzwermden over het platteland.

De toren

De tweede stap was meestal de aanbouw van een toren. Zo'n toren had niet alleen kerkelijke betekenis, maar werd ook gebruikt voor allerlei 'burgerlijke' zaken, zoals uitkijktoren in onzekere perioden en drager voor de klok die het levensritme van de gemeenschap aangaf en waarschuwde bij brand of gevaar. Soms was de toren verdedigbaar en kon de bevolking zich hierin terugtrekken bij een vijandige aanval. Het lijkt erop of de Bunnikse toren ook verdedigbaar was. De ramen op de begane grond zijn onmiskenbaar schietgaten. Het bouwen van de dorpstoren was dan ook geen typisch kerkelijke gebeurtenis, maar iets wat het hele dorp aanging, want de grenzen tussen kerkelijk en burgerlijk Bunnik waren vloeiend en iedere dorpeling was ook vanzelfsprekend lid van de kerk. We mogen de fase van de bouw van de toren op basis van de stenen zo ongeveer rond het jaar 1200 plaatsen. In de 14e eeuw, zal het mogelijk zijn geweest om de houten schuurkerk te vervangen door een stenen zaalkerkje, twee maal zo lang als breed.

Een kerkje van baksteen

Bijzonder is dat de Oude Dorpskerk behoort tot één van de eerste bakstenen kerken van Nederland, samen met de Dom van Utrecht. Het bakken van bouwstenen was noodzaak. Generaties vóór 1200 hadden nog Romeinse stenen tot hun beschikking gehad. Die waren opgebruikt en dus waren de steenfabrieken weer in opkomst. Bunnik had één steenfabriek.

De kerk was aanvankelijk iets kleiner dan hij nu is. De aanwijzingen daarvoor zijn niet alleen te vinden in de archieven, maar het is ook duidelijk als we kijken naar de steenmaten van de muren, (nu bepleisterd helaas), en naar de dikte van de muren.

De kapelaan

De volgende stap was de bouw van een pastorie en de gang naar de pastoor en daarvoor moest men het moment goed kiezen want deze stap was eigenlijk het belangrijkste. De pastoor moest er nu in toestemmen om een kapelaan aan Bunnik af te staan als volgende stap op weg naar volledige zelfstandigheid en dat was voor de meeste pastoors een moeilijke beslissing. Hun - toch al lage - inkomen was afhankelijk van tienden en giften van parochianen en juist het welvarende Bunnik droeg flink bij. In eerste instantie behield de pastoor van Zeist nog zijn inkomsten uit de Bunnikse kerk en mochten de sacramenten waar een vergoeding aan verbonden was ook alleen maar in Zeist bediend worden. Met een dopeling moest men naar Zeist, het huwelijk moesten Zeist gesloten worden en ook begraven mocht nog niet in Bunnik. 'Gratis' sacramenten mochten wel in Bunnik bediend worden. Voor de Mis en de Biecht kon men zo wel in Bunnik blijven want de kapelaan was tenslotte een volledig bevoegd priester en ook de Eurcharistie kon in Bunnik plaatsvinden. Voor het jaarlijkse Paassacrament (Paasbiecht en Paaseucharistie) moest men echter weer naar Zeist. Van beide kanten werd deze situatie als een overgang gezien. De Bunnikers konden zo proeven aan de zelfstandigheid en de bisschop bewijzen dat ze die aankonden terwijl de pastoor van Zeist kon wennen aan het verlies van Bunnik en de Bunnikse inkomsten.

De parochie

Vroeger of later werd deze halve zelfstandigheid door de bisschop omgezet in volledige zelfstandigheid. De kapelaan kreeg dan de status van pastoor, de kapel werd parochiekerk en het dorp een zelfstandige parochie. Dit ging tevens gepaard met het doorsnijden van de financiële banden zodat de tienden, giften en vergoedingen voortaan aan de Bunnikse pastoor ten goede kwamen. Voor de Zeister pastoor was dit een flinke aderlating, niet alleen in financiële zin, maar ook voor zijn prestige. Meestal kwam men overeen dat de pastoor en de moederparochie daarom jaarlijks een zekere vergoeding van de dochter zou blijven ontvangen. Ook in de verhouding tussen Zeist en Bunnik is er sprake van een vergoeding, in dit geval van een gulden die tot lang na de Reformatie betaald is door de kerkmeesters. In de rekeningen van de kerk van Zeist over 1582-1585 komt hij voor (dat was ten tijde van de Reformatie), maar ook in 1630 is er nog sprake van betaling van een pond aan de kerk van Zeist (dat was lang na de Reformatie). Dit bedrag werd jaarlijks op St. Anthonisdag (17 januari) betaald. Deze datum was niet zomaar gekozen, het is een verwijzing naar de beschermheilige van de nieuwe kerk. Wanneer Bunnik tot parochie verheven werd is niet meer na te gaan. Het zal wel in de loop van de 13e eeuw zijn geweest. 

Het oudste gedeelte bevindt zich vanaf de toren tot na het derde raam. Daar zit een kleine sprong in de muur. Dit oudste stuk heeft dikke muren van grote, eind 13e, begin 14e eeuwse kloostermoppen. Aanvankelijk vormde dit stuk de hele kerk en zat er hier een klein koor aan vast.

Als door Europa de godsdiensttwisten raasde ....

Dit koor is in 1566 afgebroken. De kerk is bij deze verbouwing iets verlengd en een nieuw groter koor werd aangebouwd. Hiermee brak de kerk met zijn Katholieke verleden. Het toen bij de kerk getrokken verlengde koor is buiten duidelijk zichtbaar aan de pleisterlaag die niet doorloopt. Het schip, van drie traveeën en het oudste deel van het koor, zouden van oorsprong eveneens 13e eeuws kunnen zijn.

Het is tekenend voor de kerkelijke situatie zoals we die nog uitgebreid zullen tegenkomen, dat de storm van godsdienstoorlogen die in de 16e eeuw over Utrecht en de rest van Europa raasde, geheel aan Bunnik voorbij ging. Hier werd niet geredetwist, hier bouwde men voor de Heer een nieuw koor! Het koor was relatief vrij groot, zeker als we bedenken dat Bunnik een gewone parochiekerk had zonder kapittel of koorgeestelijken en dat het koor dus maar voor één man bestemd was. Die pastoor had in lengte van de kerk gemeten twee ramen ter beschikking, de bevolking drie. Het was een mooi groot koor maar wel gebouwd volgens degelijke principes. Terwijl men in Odijk al in 1548 een rank gotisch koor in gebruik nam, hield Bunnik het op de romaanse stijl. De ramen waren er vrij klein en voorzien van rondbogen, de muren dik. Hoewel de romaanse stijl al enkele eeuwen uit de mode was, heeft men vermoedelijk toch voor deze stijl gekozen om de kerk een eenheid te laten blijven. In Odijk had men in 1548 van het zaalkerkje een kruiskerk gemaakt en bij een dergelijke aanbouw was een gotisch dwarsschip met koor minder storend dan in het in Bunnik zou zijn geweest. Om het koor te betalen werd een akker land verkocht. Er volgden meer verbouwingen.

Bij een verbouwing omstreeks 1840 werden koor en kerk één door het verlagen van het plafond van het koor. De inrichting met de blikrichting in de kerk was wel tot de 19e eeuw hetzelfde gebleven. De pastoor, later de dominee, stond nog in het koor, terwijl de kerkgangers onder de toren binnenkwamen. In 1839 werd besloten die blikrichting van de kerk te veranderen. Ook de buitenbepleistering dateert uit die tijd. De toren kreeg bij een restauratie in 1938-1939 zijn huidige tentdak. Een restauratie van de kerk volgde in 1954-1955, waarbij de laatste resten uit de kerk werden verwijderd. Die laatste resten herinnerde nog aan een oud gebruik van laatste rustplaats in en rond de kerk. De koperen lessenaars en lichtarmen op de kansel en de voorlezersplaats zijn uit de late 17e eeuw, zichtbaar en aanwezig.  

Het orgel

Het eerste orgel, een groot barok-kabinetorgel is in 1828 gekocht bij de orgelbouwen Jonathan Bätz in Utrecht en op 21 mei 1828 ingewijd. Vanaf 1830 was er met Bätz een onderhoudscontract. De koster/voorzanger, de enige die blijkbaar enig besef van muziek in het dorp had, werd tot organist benoemd. Aanvankelijk kreeg hij hier geen salaris voor, maar in 1832 krijgt hij als aanmoediging van de kerkvoogdij een gratificatie van 10 gulden. Het schijnt een leuk orgeltje te zijn geweest, maar het stond op de kerkvloer en leed erg door het vocht. Daarom werd bij de verbouwing van 1839 voor het orgel een balkon tegen de toren aan gebouwd en kwam de windkast in de toren. In 1911 had het zijn beste tijd gehad. Nadat orgelstemmer Sanders verklaard had er nu ook niets meer aan te kunnen doen als het ding vals klonk, werd besloten om informatie bij G. Spit in Den Haag  in te winnen over een nieuw orgel. In 1912 schreef De Koff als laagste in voor 2020 gulden en kreeg de opdracht een nieuw orgel te  bouwen. Jan De Koff was een meesterknecht van Witte die weer meesterknecht was van Jonathan Bätz. Het was zijn eerste zelfstandige opdracht die hij er bepaald niet slecht vanaf bracht. Hij bouwde een ‘ouderwets, vroeg-romantisch orgel met een prachtige donkere klank en een mechanische overbrenging. Hij kreeg de opdracht om het oude orgel te verkopen en als hij er 300 gulden of meer voor zou beuren, mocht hij 10% provisie houden. Dat lukte hem helaas niet. Het orgeltje werd voor 200 gulden verkocht aan de Gereformeerde kerk van de Bilt. Het orgel heeft nog de originele kleuren van 1911. Dit heeft een reden, want na de verkoop van het oude orgeltje werd besloten dat er wel een fraaier frontje voor kon dat 125 gulden extra kostte. Tijdens de restauratie van 1954/55 werd het door De Koff helemaal ingepakt om nat worden te voorkomen. De Koff leverde toen een klein huurorgeltje voor de Grondslag waar de kerkdiensten tijdelijk gehouden werden. Daarna gaf de architect opdracht om het orgel helemaal wit te schilderen, maar de schilder, die de opdracht niet vertrouwde, vroeg een bevestiging aan de kerkvoogden, hetgeen hem op een compliment van de kerkvoogdij en een uitbrander van de architect kwam te staan. Het orgel bleef zoals het was. Tot 1971 was het orgelspel langzaam en zwaar van klank, hoewel het in de vorige eeuw nog langzamer was. De stijl van Feike Asma was populair, de meeste registers gingen open tijdens de gemeentezang en de organist ‘greep’ graag in de toetsen. Ad de Jong was de laatste die de muziek wel ritmisch, maar erg langzaam speelde als teken van eerbied. Na het afscheid van organist Ad de jong en de invoering van het Liedboek voor de kerken spelen de organisten een stuk sneller. Ad de jong nam zijn voorspelen vaak uit de Hervormde Bundel van 1806 en speelde op verzoek graag iets van Johannes de Heer. De huidige organisten maken meer gebruik van Bach en de moderne Franse componisten, waarvan de muziek beter aansluit op de muziek van het Liedboek. 

Predikanten

De ideale predikantenloopbaan begint meestal in een klein dorp, gaat daarna via een wat grotere plaats naar een stad. Grote steden zoeken als predikant meestal iemand die al in twee of drie kleinere plaatsen heeft gestaan en daar voldeed, kleinere plaatsen kijken in de dorpen en de dorpen kiezen voor een pas-afgestudeerde predikant. Bunnik heeft in 1874 een jonge predikant die over zo'n geweldig preektalent bleek te beschikken dat zijn vroegere hoogleraren op zondag met plezier in Bunnik naar hun leerling kwamen luisteren. Ds. Welter heeft het later dan ook tot hofprediker bij Koningin Wilhelmina gebracht!  

Tien predikanten

1 1596-1601 Ds. Cornelis Jansz. van Cothen

2 1601-1604 Ds. Gerardo Cornelio de Vlieger

3 1615-1619 Ds. Reinier van Oosterzee

4 1622-1626 Ds. Pieter van Deyl

5 1626-1641 Ds. Anthonie van Cauwenhoven

6 1641-1644 Ds. Cornelis van der Lingen

7 1644-1686 Ds. Cornelis van Meerlant

8 1651-1686 Ds. Rutger Coesveld

9 1687-1693 Ds. Everhard Luyting

101693-1700 Ds. Matthijs Heck

JEAN DE GREEFF (1939) 

Jean: ‘Ik ben Jean de Greeff, geboren op 17 oktober 1939 in het voormalige koetshuis op het landgoed De Niënhoff. Mijn werkzaamheden waren begonnen als jachtopziener op het landgoed. In 1974 ben ik benoemd als boswachter van Het Utrechts Landgoed en in 1997 zijn mijn werkzaamheden bij Het Landschap beëindigd. Onze familie is verweven met het landgoed De Niënhoff. Er zijn vier generaties aan jachtopziener/boswachters geweest voor het landgoed. Een meanderende Kromme Rijn kent bochten die uiteindelijk worden afgesneden om weer door te gaan. Over die culturele omslag, van een landgoed De Niënhoff, met zijn bedrijvigheid, naar de Nienhof als bospark, zoals mijn familie deze heeft meegemaakt, wil ik graag vertellen. In mijn grootvader en vader zijn tijd was het in dienst zijn van een baron; houden aan de regels èn was er tevens een gezellige afstand.’ 

Getuigenissen

Aan de keukentafel wijst Jean de Greeff op de kleine getuigenissen; een paar aquarel tekeningen van de jager en de jacht, meegestuurd met kerstkaarten van de familie, uitnodigingen van huwelijken, waar de familie De Greeff beslist niet mocht ontbreken. Een gele stiftpen uit de Verenigde Staten. Ik heb deze gekocht op de reis, die wij aangeboden kregen door de heer M. Van Marwijk Kooy. Een kleinzoon van Coenradina de Pesters is hier ook nog eens geweest. ‘Hij en ik zijn naar de rode beuk gelopen, die door zijn moeder Wendela Elvira De Hooft Graafland is geplant. Een rode beuk staat altijd op een zichtbare en bijzondere plaats, dichtbij het grote landhuis waar zijn moeder is opgegroeid. Hiervoor moesten wij wel eerst door de natuur struinen; door een met klimop overwoekerd struikgewas, en langs omgevallen bomen. Klimop en geknakte bomen als getuigenissen van het feit dat die continuïteit inderdaad was afgebroken. De symboliek voor de familie Van Hardenbroek De Pesters van klimop en de gebroken zuil hadden niet realistischer kunnen worden uitgebeeld. 

Een zichtbaar landgoed

Jean: Ik ben geboren in het oude landhuis aan de Groote Laan. Vanuit mijn slaapkamerraam op de zolder keek ik uit op de Kromme Rijn, op weilanden. Nu zijn het de vijf eilanden aan de Kromme Rijn, bestempeld als de Utrechtse Amazone, een jungle van overhangende takken met veel dood hout. Het water op De Niënhoff, als het parkbos is nu op deze manier met de eilanden zichtbaar en beleefbaar gemaakt. De Niënhoff, samen met Oostbroek, is door de provincie aangewezen als Aardkundig monument met oude rivierlopen die nog herkenbaar zijn in het landschap. Zeker, dit gebied rond De Niënhoff, met een nog jonge bodem, is door die oude Rijn armen, moerasachtig geweest. Het kon zijn dat je ’s winters met de enkels in het water stond.  

De sprengen

Ik heb al die beekjes nog gekend! Zoals het in Zwitserland is, zo waren de bronnen hier ook. Water liep op een natuurlijke manier van de Heuvelrug naar de rivier, naar de Kromme Rijn. Op het gebied tussen Amerongen, Leersum, Driebergen, Zeist waren bronnen, sprengen zoals ze het hier noemden. In de Kromme Rijn was het water zo helder dat je de zeelt vissen nog kon zien paren in het haventje achter de Niënhoff. Maar halverwege de 20e eeuw heeft volgens mij het Waterschap fouten gemaakt bij de regulering van het water van de Heuvelrug naar de Kromme Rijn. 

Pompstations 

Pompstations werden vanaf de zestiger jaren in dit gebied neergezet. Toen er een pomp kwam bij Beerschoten heb ik, samen met Van Marwijk Kooy, eigenaar van het landgoed Vollenhoven, hier nog tegen geprotesteerd, want het was volgens ons een onttrekking van het water op verkeerde punten. We waren bang dat al het water uit de Heuvelrug meteen in dorpen en steden aan de voet van de Heuvelrug zou verdwijnen, en bij De Lage Grond, de grond bij De Niënhoff, zou gaan verdrogen. En dat is ook zo gebeurd. We dachten dat het beter was om het water op een natuurlijke manier naar beneden te laten lopen naar de rivieren toe. Als je de pompen had neergezet bij de rivieren dan zou je het kwelwater, het zuivere water, hebben behouden voor het hele gebied. Een drassige grond met een natuurlijke groei van het hakhout is hèt karakter van dit gebied. 

‘Ik stond al hout te kloven toen ik zes was!’

Het leven in mijn jeugdperiode was eenvoudig, in de zin van dat er weinig werd gekocht, op wat suiker na. Melk haalden we bij de boer. De buurvrouw maakte zelf boter en kaas. De meeste producten hadden we zelf; peren, pruimen en de omliggende boeren hadden appels. We slachtten haasjes, eenden, fazanten en patrijzen. Het was ook een wat harder leven, heel anders dan nu. Je was als kind al veel meer gewend. Je zag dat een koe doodging of hoe een varken geslacht werd. Alleen op zaterdagmiddag was je vrij van school. Ik ging naar de Barbaraschool. Op zondag moesten we naar de kerk, we waren katholiek. Dan ging mijn vader ook mee. Hij zat afzonderlijk van moeder, want mannen en vrouwen mochten niet bij elkaar zitten. Als we uit school kwamen kregen we allerlei taken: aardappels schillen, houthakken, in de groentetuin werken, het kippenhok schoonmaken. 

‘Stropers, het ging er vaak heftig aan toe!’

In de herfsttijd en winter was mijn vader ’s nachts op pad in het veld in verband met de wildstropers. Hij had een politiehond, hiermee ging hij achter de stropers aan. Tot in de jaren 60 was het hier zeer stil en donker. Als er lichten verschenen op het veld dan wist je dat de stropers met grote lichtbakken bezig waren om het wild mee te verblinden en konden ze schieten. Stropers hadden verschillende manieren om het wild te vangen; zo waren zij in bezit van geweren en buksen, zetten honderden strikken uit. Het wild, zoals hazen, konijnen, maar ook reeën, hadden hun vaste wissels waarlangs ze liepen, respectievelijk door afrasteringen en het hakhout heen. Zo kwam het voor dat een ree gestrikt werd en in het hakhout was opgehangen. Om patrijzen te vangen gebruikten zij slagnetten. Stropers kwamen eerst tegen het donker kijken waar de patrijzen zich ophielden. Ze kwamen dan 's nachts terug om de dieren te vangen als zij sliepen. Patrijzen lagen dan dichtbij elkaar als hoopjes in het veld, meestal was het een paartje met jonge patrijzen. De stroper wist waar het ‘koppeltje’ was en legde daar een vangnet overheen. Het ging er wel eens heftig aan toe als we stropers wilden grijpen. Ik herinner me uit de jaren 60 van de vorige eeuw dat ik als hulpjachtopziener met mijn vader en de andere jachtopzieners probeerde deze stropers in te sluiten. We kwamen langzaam als ring mannen op hen af. Ik weet nog dat mijn vader een stroper vastgreep, maar de tweede stroper stond al klaar met een schaar om mijn vader in de rug te steken. Ik heb de stroper nog weten te overmeesteren!

Ik was op mijn 15e jaar naar de Handelsavondschool in Zeist gegaan. Overdag hielp ik mee op de landgoederen. In 1955 ging ik mijn vader assisteren, vooral bij  de jacht en allerlei andere soorten van werkzaamheden; zoals werken in de grienden en bossen, wekelijks op zaterdag de huur ophalen en loonzakjes bij het personeel brengen. Dit deed ik ook voor het landgoed Vollenhoven en De Hoge Woerd. Aanvankelijk was ik op het landgoed Vollenhoven aangesteld als leerling-griendzichter. Met 19 jaar ging ik in militaire dienst en werd uiteindelijk gelegerd in Soesterberg. Hier regelde ik veel avonddiensten, van ‘vier uur ’s middags tot 12 uur ‘s nachts. Mijn diensttijd hield de ronde in langs objecten die bewaakt werden zoals forten, vliegbases en andere militaire objecten in de hele provincie en controleerde of de plaatselijke bewakers hun werk goed deden. Soms werd ik ingeschakeld als er buitenlandse gasten kwamen; relaties van leden van het koningshuis landden op Soesterberg om naar ons Koningshuis te gaan op paleis Soestdijk. Ik stond dan bij het vliegtuig om te zorgen dat er niets gebeurde. In die tijd stond de Dakota Friendship in de hangar. 

Overdag was ik vrij, dan hielp ik mijn vader op de landgoederen Vollenhoven, de Niënhoff, de Hoge Woerd in Driebergen. Ik deed alles op de fiets en had er wel lol in. 

De IJzeren Boom

In 1969 bouwde ik het huis aan het laantje van De IJzeren Boom dat nu het Albert Nijlandpad heet. Oorspronkelijk liep dit pad van de IJzeren Boom door tot het eind van het landgoed bij de Koelaan. Daar was een hek met deze naam, De IJzeren Boom. Ik ben met de anderen ook van mening dat oude veldnamen zichtbaar moeten blijven.   

De jaren zestig

Ik kwam in de jaren zestig terecht in een turbulente tijd, als in 1974 het landgoed Heidestein aan Het Utrechts Landschap werd geschonken. Vanaf dat moment ben ik door Het Utrechts Landschap aangenomen als boswachter van De Niënhoff. 

Uit mijn netwerk, die mijn familie had opgebouwd, kwam het bericht dat hoogstwaarschijnlijk het landgoed Oostbroek te koop kwam. Er bleek achter de schermen voor die aankoop nog een grote medespeler te zijn. Dit was de universiteit, die graag wilde uitbreiden op het gebied tot aan de Bisschopsweg/Bunnikseweg. Ik heb daar actie aan verbonden. Uiteindelijk, mede door ingrijpen van hogerhand, is het gelukt om deze aankoop naar Het Utrecht Landschap te verwezenlijken. 

Ondertussen was mevrouw De Wetstein Pfister overleden in 1976. Omdat de successierechten in 1978 zo hoog waren is een deel van het landgoed De Niënhoff, groot 90 hectare, verkocht aan Het Utrecht Landschap in mei 1978. Oostbroek en De Niënhoff waren op dat moment een belangrijke schakel geworden voor de ecologische hoofdstructuur. Hiermee is het gebied tussen het hoge gelegen Noorderpark en de Kromme Rijn tot aan Langbroeker wetering behouden gebleven. 

Tegelijkertijd, vanaf 1968, speelde ook de strijd om een grote rondweg om Zeist, Driebergen en Doorn aan te leggen, de S8. Uiteindelijk is besloten om alleen de aansluiting Zeist naar de A28 te maken, maar hier is tegen geprotesteerd door tal van milieugroepen. Uiteindelijk zijn de gemeenten van De Bilt en Zeist overstag gegaan en is de aansluiting met de A28 niet doorgegaan. 

Ik werkte steeds meer als boswachter samen met het Landschap Utrecht. Ik ben trots op wat we hebben bereikt. Zoals de natuurlijke bestrijding op de boomgaarden van Oostbroek en de ecologische verbindingen tussen de verschillende gebieden, die zijn er nog steeds. Ook heb ik een bijdrage geleverd aan het terugbrengen van de natuurlijke oevers van de Kromme Rijn. Toen ik op mijn 57e in 1997 het aanbod kreeg om met vervroegd pensioen te gaan ben ik me gaan inzetten voor het behoud van de natuur in dit gebied. Stil zitten kan ik nog steeds niet. Nu vind ik het ook langzamerhand heerlijk om helemaal vrij en ongebonden te zijn; tijd te hebben voor het onderhoud van mijn eigen buitengebeuren.'

In de middeleeuwen was men voor gezondheidszaken aangewezen op de rondreizende wonderdokter en het kruidenvrouwtje. In 1721 verschijnt barbier Willem Spruijt in het dorp die als meester-chirurgijn actief is.

In 1816 vestigde de eerste arts, dokter Willem Backer, zich in Schalkwijk. Hij was door de gemeente aangetrokken en kwam uit Beusichen. Als gemeentearts werd hij ook betrokken bij de verkeersongelukken op de openbare weg. 

Hoe komt deze arts, begin 19e eeuw, zo snel als mogelijk op de plek van het ongeluk? Iedereen liep afstanden! Maar er kwam in deze eeuw snel verandering in. 

Het vervoer is tot 1851 voornamelijk met de trekschuit naar Utrecht, als je die afstand niet wilde lopen. Per 1 november van dat jaar is er een dagelijkse rit met de diligence van Van Gend en Loos. De spoorwegen nemen het personen vervoer over op 1 november 1868 en vanaf 1932 wordt de autobus naar Utrecht geïntroduceerd. Schalkwijk is dan het begin- en eindpunt van deze busdienst via Houten op Utrecht.

In het buitenland is in 1885 de Duitser Carel Benz met het bouwen van de eerste automobiel in zijn fabriek in Mannheim bezig. Der Wagen ohne Pferde! De heer M.W. Aertnijs uit Nijmegen importeert de eerste auto hiervan als verkoop-object in Nederland. Hij komt, op de 2de zondag van september in 1897, vanuit Mannheim Nijmegen binnen rijden met de Velocipède, een eenvoudige tweezitter. Later komen er ook meer comfortabele modellen bij, met en zonder overkapping.

De bakermat van het automobilisme in ons land is Nijmegen. In 1888 wordt de "Noviomagnum", zoals zijn uitvinder P. van Rijn het noemde, gelanceerd. Het voertuig werd door stoom voortgedreven. De man was een geweermaker van de schutterij in Nijmegen. Erg veel snelheid had het voertuig niet, en de verlichting bestond uit een kaarslantaarn. 

Schalkwijk

Terug naar Schalkwijk. In 1870 volgde dokter Willem Nuijens de huisarts Willem Backer (1816-1870) op. Hij nam zijn intrek in huize "Rustenburg", het latere gemeente huis aan de Provinciale weg. In 1892 liet hij een woning met praktijkruimte voor zichzelf bouwen, Villa Nuijens. De windwijzer op het dak kreeg de letter N niet van Noord maar van Nuijens! Hem werd een toelage van 200 gulden per jaar toegekend, mits hij de schutters en de behoeftigen behandelde.  

Hij bezocht zijn patiënten met de koets. Een foto van dokter Nuijens in zijn koets hebben we niet. Wel een foto uit 1904 met van links naar rechts zijn dochters Naatje, Kee en Annabel. Hij bezat naast deze koets ook nog een Tilbury en een gesloten koets en had hiervoor nog vier paarden.

Zou dokter Nuijens de eerste automobiel bezitter van Schalkwijk zijn geweest? Of was het misschien zijn opvolger dokter Lucas A. Veeger?

Dokter Veeger volgde dokter Nuijens in 1907 op. Hij valt op omdat hij de eerste inwoner van Schalkwijk is met een telefoon. Dokter Veeger blijft pionieren want in 1914 is hij de eerste huisarts met een auto. 

Hij bezat een driewieler auto, maar dat beviel niet zo goed, dus schafte hij een motor aan. Daarmee bezocht hij zijn patiënten in de hele omgeving, want zijn praktijk was erg groot; Schalkwijk, Culemborg, Houten, Werkhoven en Cothen. Van dokter Veeger en zijn vrouw hebben we wel een foto.

Het was ook dokter Veeger die in 1922 de plaatselijke afdeling van het Wit-Gele Kruis oprichtte, de eerste R.K. vereniging van deze aard ten noorden van de grote rivieren. Ook zijn vrouw hielp mee in de praktijk. Zo geeft zij voedingsadvies aan Schalkwijkse gezinnen die in 1920 “uitgeputte Weensche kinderen” opvangen.

Wie was de eerste met een auto? In ieder geval had een arts in de 20e eeuw al snel een auto om patienten thuis te bezoeken. 

In 1930 wordt Willem Jansen aangesteld. Hij blijft tot na de Tweede Wereldoorlog. Jansen wordt in 1947 opgevolgd door arts Thomkins. Thomkins is in eerste instantie gemeentearts, maar wordt uiteindelijk huisarts. Willem Renckens (weer een Willem) volgt in 1970 en Van Steenis in 1994.

Zowel de inwoners van Tull en ’t Waal als ’t Goy vielen onder de huisarts van Schalkwijk.

Voor het project Schalkwijk in Woord en Beeld, dat in samenwerking is met de Dorpscanon van het Kromme Rijngebied, zoekt verhalen en foto's uit Schalkwijk Toen en Nu. Reageer met uw verhaal!

Huisartsen in Schalkwijk:

1816 – 1870   W. Backer (gemeente-arts)

1870 – 1907   W. Nuijens (gemeente-arts)

1907 – 1930   L. Veeger 

1930 – 1947   W. Jansen

1947 – 1970   C. Thomkins

1970 – 1994   W. Renckens

1994 – heden W. van Steenis

Schalkwijk, augustus 1939 - mei 1945

Op 28 augustus 1939 werd de algemene mobilisatie afgekondigd. Op een ochtend zag ik onze buurjongens Co van Wijk en Willem Seelen bepakt en bezakt op de bus stappen. Ze moesten de kwartieren in gereedheid brengen voor de gehele mobilisatie. Er ging een rilling door me heen. 

Weldra waren de forten Honswijk, Snel, Korte Uitweg en Tull en ’t Waal vol met soldaten. Alles was paraat en eigenlijk wende dat ook wel weer heel snel. ’s Avonds was het druk in het dorp en vooral ook in de dorpscafés. Avond aan avond stond ik uitsmijters te bakken; twee boterhammen, goed belegd met ham, twee eieren en een augurk voor de prijs van 65 cent. Een kop koffie kostte 8 cent. We kregen al gauw vaste kanten en dat was best gezellig. Elke avond schoven er wel een paar jongens aan de piano en dan werd er volop gezongen. Zo ging het een hele tijd goed, al werd het minder leuk toen de verloven werden ingetrokken. ’s Zondags was het dan extra druk want dan kwamen de vrouwen en meisjes, de moeders met baby’s en anderen bij hun  jongens op bezoek. We kookten soep, bakten uitsmijters en maakten papjes voor de kinderen. Ze kwamen allemaal uit het gebied rond Arnhem en Nijmegen. Maar ’s avonds bij het vertrek rolden er vaak dikke tranen. Alles was zo onzeker. Niemand wist hoe dit zou aflopen. 

Ook met kerstmis waren de verloven ingetrokken. Aan het eind van het jaar wilden twee onderofficieren, die in het dagelijks leven banketbakker en kok waren geweest, bij ons in de keuken oliebollen en appelbeignets bakken. Ze hadden ieder een grote schort van Tante Coba voor om hun mooie buitenmodelpakjes te sparen. Hun baksels gaven vele soldaten toch even een feestelijk gevoel. 

Op de forten waren geen douches. Maar daar was het volgende op gevonden. Twee keer per week kwamen er twee grote Rode Kruisauto’s met in elke wagen tien douches. Die werden achteruit bij ons voor de schuur gereden. In de schuur konden de soldaten zich uitkleden. Sommige militairen hadden muziekinstrumenten meegenomen. Daar werd een muziekkorps van gemaakt en met de muziek voorop marcheerden de mannen naar de baden. Daarna dronken ze bij ons koffie en soms deden we er een cognacje in. Dat mocht wel niet, maar ja, er mocht zoveel niet.

Op 10 mei 1940 brak werkelijk de oorlog uit, en werd alles anders. De soldaten die hier al die tijd hadden geoefend, moesten op stel en sprong verhuizen naar Rotterdam, terwijl ze niks van die afwisten. Bij ons vlogen de bommenwerpers over en begon het water al snel te stijgen. Voor we het wisten zaten we allemaal in Vreeswijk in de schuiten voor zand en grind. In het midden stonden wel zes kinderwagens met een baby erin. Langs de kanten lagen de mensen. Ze hielden om de beurt de babyflesjes in hun handen om ze iets op te warmen. De schuit met de zusters werd beschoten. De zusters deden niets anders als bidden. Alles en iedereen was vol angst en vrees. 

Toen we de volgende morgen in Utrecht aan de muntkade weer aan wal mochten, kregen we thee of koffie van omwonenden. Voor de kinderen was er melk. Ondertussen werd Rotterdam gebombardeerd. Alles brandde daar. De papieren van Vroom & Dreesman dwarrelden bij ons neer. We konden niet verder, maar we mochten ook niet terug naar Schalkwijk. We moesten de nacht in Tivoli doorbrengen. We sliepen in het stro en het verbaasde me dat sommige mensen zich volledig gingen omkleden en hun nachtjapon aantrokken. Ik zag ook een vrouw die een grote zak met banden om haar buik had gebonden. Toen ik vroeg wat erin zat zei ze: ‘Och, kind, daar zit ons fijn in, goud en juwelen.’ De volgende dag mochten we weer naar huis.

Thuisgekomen stond alles nog onder water. Tussen de bomen door moest de weg lopen, ook al zag je hem niet. Thuis was alles opengebroken en veel dingen waren weg. Bovenop de bedden lagen overal soldaten. Toen ze ons zagen waren ze eerst heel erg verward. Ze wisten niet dat de oorlog voorbij was, en Nederland bezet gebied was geworden. Sommigen begonnen te brullen, huilen kon je het niet noemen, om hun kameraden en om hun thuis. Bij de evacuatie van Schalkwijk, Tull en ’t Waal, op 13 mei 1940, werden ze opgehaald. Ze moesten maken dat ze wegkwamen voordat de Duitsers hier zouden zijn.

’s Avonds ronkten zware motoren ons erf op. Dat waren de Duitsers. We konden ze niet verstaan, maar het was hen aan te zien dat ze regelrecht van het front kwamen. In het begin ging alles nog redelijk goed, maar al spoedig werden paarden, auto’s en fietsen gevorderd. Alles ging op de bon en velen moesten onderduiken omdat ze anders in Duitsland te werk gesteld zouden worden. We hadden drie onderduikers. Het werd steeds benauwder. Er waren voortdurend razzia’s en huiszoekingen want de Duitsers vertrouwden die Hollanders niet.

Op een morgen vonden ze tijdens een huiszoeking bij van Wijk, onze buren, de mooie pet van Co. Ze vroegen aan zijn zus of die pet van een broeder was. En zij zei; “Ja”. Natuurlijk was de vervolgvraag: ‘Waar is die broeder?’ Zus riep in paniek dat hij op het land was. Ze zou meegaan om hem aan te wijzen. Ze hoopte de Duitsers te misleiden. Maar dat mislukte. Co liep hun recht in de amen. Hij werd meegenomen en naar het kamp Amersfoort gebracht. We riepen allemaal in koor dat hij thuis niet gemist kon worden, want hij had een ‘alte kranke Vater.’ Maar men luisterde niet. Co had zich moeten melden. Dat had hij niet gedaan, dus hij was een echte onderduiker. Tante Coba de Groot gooide haar laatste troef in de strijd: ‘Als jullie zorgen dat hij terugkomt, krijgen jullie schnaps van mij.’

Twee dagen later kwamen ze terug om de schnaps te halen. Ze zeiden; ‘Der junge Bauer kommt bestimmt wieder.’ Ze kregen geen schnaps want Co was nog niet terug. We baden met elkaar dat hij thuis mocht komen en zie daar; op de negende dag van onze noveen, op zondagmorgen kwam Co van Wijk ons dorp binnengefietst. We konden onze ogen niet geloven. ’s Maandags kwamen ze opnieuw om schnaps vragen. Toen konden we natuurlijk niet langer meer weigeren. 

De oorlog werd grimmiger. Vanuit de steden kwam elke dag een eindeloze stroom van hongerige mensen ons dorp binnen. Ze kregen erwtensoep en bruine bonensoep en we deelden boterhammen uit. De mensen waren er dankbaar voor. Op een morgen kwam een vader met twee zonen van 12 en 14 jaar ons dorp binnen. Ze kwamen uit Amsterdam en duwden een platte kar. Ze hoopten in de Betuwe eten te krijgen. We kookten havermoutpap. De jongens aten goed, maar de vader had geen trek. Die man was volkomen uitgeput. Twee dagen later kwamen ze weer bij ons terug. Ze waren erg bedroefd. Op hun platte kar lagen aardappelen en bieten, maar onder een kleed ook hun dode vader. Ze namen hem mee naar Amsterdam. Zoiets is haast niet te geloven, maar het is echt gebeurd. 

Op een dag werd de spoorwegovergang zwaar gebombardeerd. De weduwe Van Hengstum zat met al haar kinderen in de kelder. Niemand raakte gewond, maar hun huis was wel volkomen vernield. Naast de familie Van Hengstum woonde de familie Van Speldere. Mevrouw Van Speldere was altijd al een beetje vreemd. Tijdens het bombardement was ze buiten gebleven. Toen de bommen in de spoorsloot vielen, ontstond er een enorme modderfontein. De wijzers van de kerkklok op de Brink waren niet meer zichtbaar. Zo hoog was de bagger opgespoten. Mevrouw van Speldere was zo zwart als roet. Het was een wonder dat ze nog leefde. Haar man kwam met haar over de brug aanzetten. ‘Rie’, jammerde hij, ‘kijk nou hoe vreselijk mijn vrouw eruit ziet.’ Ik heb haar in een grote teil met water gezet. De modder kwam zelfs uit haar oren. In de kast van Tante Coba vond ik nog een hemd, een broek, een rok en een jak. Toen was ze weer een beetje toonbaar. Er gebeurde veel narigheid, maar ook wat een grote impact had op ons als directe omgeving. 

Bij de klompenmakersfamilie Hulshof waren Joden ondergedoken. De klompenmaker en zijn vrouw hadden zelf geen kinderen, maar de ondergedoken vrouw was in verwachting. De vrouw van de klompenmaker speelde de hele zwangerschap mee. Ze wikkelde lakens en doeken om zich heen en toen het zover was, ging zij in bed liggen, terwijl boven haar hoofd op zolder een kindje werd geboren. Dokter Jansen was op de hoogte. De hele buurt dacht dat hij de klompenmakersvrouw ging helpen, maar hij ging een verdieping hoger. De volgende dagen kwamen de buren op bezoek met melk en eieren en in een hoekje van de kamer stond de wieg met het kindje. Het leek wel een film. Alles verliep goed tot weken later de Duitsers onverwachts een inval deden. Iedereen werd meegenomen en iemand heeft ooit meer iets van hen gehoord. Er was veel grote droefheid in de oorlog. 

Op een gegeven moment leden de Duitsers zware verliezen. De eerste meidagen waren angstig, maar op 5 mei kwam het bericht dat Hitler de oorlog had verloren. Er liepen nog volop soldaten in het dorp. Ze gooiden handgranaten in de Wetering en alle vissen kwamen dood naar boven. Sommige mensen waren helemaal dol van vreugde, die gingen zingend en dansend de weg op. Wij hielden ons nog maar even gedeisd. Het feest was gauw over toen soldaten op de trip Jan van Dijk doodschoten. Hij had jaren ondergedoken gezeten en nu was hij te vroeg voor de dag gekomen. Op 7 mei 1945 is Schalkwijk bevrijd. 

Iedereen die deze verhalen zelf heeft meegemaakt, zal ze nooit vergeten. Ik hoop dat ik de lezers die ze niet hebben meegemaakt van één ding kan overtuigen; nooit, nee, nooit meer oorlog! 1

Het wapen van Schalkwijk/Dorpszicht

Gelegen tegenover de Brink van Schalkwijk stond sinds 1950 Het Wapen van Schalkwijk. Sinds 2016 is naast deze locatie PAND Pannenkoek verschenen. Voorloper was café Dorpszicht van de familie van Bijlevelt, dat in de tweede helft van de 19e eeuw hier stond. In Dorpszicht vergaderde het gemeentebestuur van Schalkwijk, voordat er een eigen gemeentehuis was. Dorpszicht had een doorrijschuur.2

Onlangs zijn twee unieke oude kaarten, die in het bezit waren van Jean de Greeff, geschonken aan het RAZU, (Regionaal Archief Utrecht Zuid), in Wijk bij Duurstede. 2 Op de twee kaarten staat het landgoed De Niënhoff weergegeven zoals dat er in 1832 en 1837 uitzag. Op deze kaart, gemaakt door Jhr. Jan Everard de Pesters, is te zien dat niet alleen het huidige wandelgebied onderdeel uitmaakte van het grondbezit van deze rijke familie, maar dat ook Cattenbroeck, het gebied tussen Bunnik en Zeist, hierbij hoorde. 

De vroegste vermelding van de Niënhoff, dateert uit de 12e eeuw toen het vermeld werd als een “uithof”, dat wil zeggen een agrarisch bedrijf, behorend bij het klooster Oostbroek. De Niënhoff betekent een nieuw hof, dat door het klooster werd gesticht aan de zuidzijde van deze Rijn-meander. In die tijd liep de Rijn in een grote meander vlak onder Zeist langs (“Zeister oever”) de Niënhoff. 

Het klooster ging ten onder door de Hervorming en de boerderij wisselde door overerving en verkoop vele malen van eigenaar, maar zijn naam heeft het gebied altijd behouden. In de Franse tijd, dus in de late 17e eeuw, wordt geschreven over ‘huyzinge en hofstede’ van de Nieuwen hof die zwaar beschadigd waren. Rond die tijd kwam het landgoed Niënhof in bezit van de familie (De) Pesters, die er tot in de 20e eeuw zou wonen.

De familie De Pesters was een invloedrijke familie waarvan de leden een belangrijke rol spelen in landsbestuur en het bestuur van de Provincie en de stad Utrecht. 

Jhr. Jan Everard de Pesters, zoon van Willem Nicolaas, heeft in 1832 en 1837  kaarten opgetekend om een overzicht te verkrijgen van de familiebezittingen. 

De tekst op achterzijde van één van de kaarten luidt: “Plan van de Buitenplaats De Niënhoff, van de Hofsteden de Nienhoff, de Brakel en verdere landerijen gelegen onder de Gemeente van Bunnik, Opgeteekend door J.E. Pesters, 1837.” Deze kaart (zie afbeelding X) laat onder meer de oorspronkelijke inrichting van de tuin zien, zoals ontworpen door de tuinarchitect Leonard Springer, die door heel Nederland het ontwerp van stadsparken en buitenplaatsen op zijn naam heeft staan.

De tweede kaart heeft als beschrijving: “Plan van twee hofsteden en verdere landerijen gelegen op het Zeister oever en in de Lage grond onder de gemeente van Zeist. Opgetekend door J.E. Pesters 1832.“ Deze kaart (afbeelding X) toont het hele landgoed waaronder dus ook “de Lage Grond”, het meer noordelijk gelegen deel van het landgoed dat helemaal tot aan het huidige Zeist-Couwenhoven liep. 

Een halve eeuw na Jhr. Jan Everard, kwam in 1882 het landgoed in bezit van Jkvr. Coenradina de Pesters. Haar echtgenoot baron Gijsbert van Hardenbroek liet in 1892-94 een nieuw landhuis bouwen, waarbij een door L.A. Springer ontworpen tuin in Engelse landschapsstijl met slingervijver aangelegd werd.1, 2 Het oude achttiende-eeuwse landhuis aan de Grotelaan werd verbouwd tot koetsierswoning. Dit gebouw zou tegen het eind van de 20ste eeuw worden gerestaureerd en uitgebreid tot excursiecentrum van Het Utrechts Landschap. 

Nadat baron Gijsbert Van Hardenbroek zijn echtgenote in 1923 verongelukte, verkocht van Hardenbroek zijn bezittingen in Bunnik aan Frans de Wetstein Pfister, eigenaar van Heidestein, en verhuisde naar Driebergen. Naar verluidt was het landhuis niet erg comfortabel en niet voorzien van elektriciteit, maar er moest wel jaarlijks een hoge belasting voor betaald worden. Na de dood van de Wetstein Pfister liet zijn dochter in 1929 het gebouw daarom slopen.1. De restanten van het kasteel werden hergebruikt voor woningen in de Maatschapslaan in Bunnik. Een vensterbank van het Landgoed de Niënhoff op kaarten uit 1837

In 1978 is het landgoed aangekocht door het Utrechts Landschap. Sinds eind jaren 90 heeft het landgoed De Niënhoff de status van “Aardkundig Monument” vanwege de oude meanders van de Rijn die het gebied gevormd hebben en die deels weer zichtbaar zijn gemaakt.

Referenties:

1 Saskia van Ginkel, Bunnik - geschiedenis en architectuur, Zeist, 1989


Locatie