Home

WELKOM bij de Dorpscanon van het Kromme Rijngebied

Hebt u een verhaal over uw dorp of stad in het Kromme Rijngebied, dan zijn Uw “Lokale verhalen, lokaal verteld” op deze site zeer welkom! De werkgroep Dorpscanon Kromme Rijn van de Historische Kring bestaat uit lokale vrijwilligers van de drie gemeenten die schrijven over hun dorp of stad.

We nodigen u uit mee te schrijven. U maakt met uw verhaal de rijke historie van het Kromme Rijngebied zichtbaar voor anderen. Hiermee bereikt u oud- en nieuwkomers uit het Kromme Rijngebied. Zij kijken daarna met andere ogen naar hun omgeving. De verhalen op de Dorpscanon Kromme Rijn handelen over elk van de elf dorpen in onze regio.

Hoe doen de lokale schrijvers dit nu al? U ziet op de site een venster met een verhaal. Deze tekst met een paar foto’s of ander visueel materiaal is aangeleverd bij de werkgroep. Deze werkgroep Dorpscanon Kromme Rijn beoordeelt de bijdrage en geeft eventueel suggesties ter verbetering. Het onderwerp waarover u vertelt moet herkenbaar zijn voor andere bewoners, bijvoorbeeld omdat de geschiedenis vertelt van een object wat nog herkenbaar is in het dorp. Dus verover uw omgeving en ga aan de slag! Klik op de knop REAGEREN.

U kunt bij uw onderzoek ook gebruik maken van de kennisbank. U wilt bijvoorbeeld onderzoek doen naar uw familiegeschiedenis, naar de streekgewoonten, de fruitteelt, of landbouw attributen of u wilt meer weten over de gebeurtenissen in bijvoorbeeld de tweede wereldoorlog. Op onze site, en die van de Historische Kring wijst het zich vanzelf naar de verschillende archieven, waaronder het archief van de lokale Werkgroep archeologie Houten van de Historische Kring.

De verhalen uit de Dorpscanon zijn ook letterlijk op de kaart te zetten. De vensters worden steeds aan de bijbehorende locatie gekoppeld. Op deze manier kunnen wandelingen of fietsroutes langs verschillende vensters gemaakt worden, waarbij per locatie het bijbehorend verhaal opgeroepen kan worden door middel van een QR-code.

NIEUW - LEES DE BROCHURE

Er is nu ook een digitale brochure voor het Dorpscanon-Krommerijn-project. Hierin leest u alles over de achtergronden van dit bijzondere project. Voor het inzien van deze brochure klikt u hier.

Nieuws

25-05-2022


Op 25 mei 2022 bezoeken 11 schrijvers van de Dorpscanon van de Kromme Rijnstreek het RAZU in Wijk bij Duurstede. Het archief heeft een bijzondere collectie die we zullen bewonderen. Aktes, oude kaarten en foto's waar we een verhaal aan willen koppelen!  

Lokale geschiedenis en Verhalen op de Dorpscanon van het Kromme Rijngebied als ook op de site van het RAZU vertelt het verhaal over de Kromme Rijnstreek. Wij roepen u op als schrijver van uw lokale geschiedenis! Reacties zijn welkom. 

Help ook het RAZU mee om de Coronacrisis te archiveren! Foto’s, bewege

6-05-2022


Op 6 mei wordt de reizende foto-expositie ‘Verborgen koloniaal erfgoed terug naar het volk’ van de Stichting Wooko Makandie, in samenwerking met het Nationaal Archief en Het Utrechts Archief geopend in Slot Zeist.

U ziet beelden uit de jaren ‘50 en ’60 uit verschillende collecties, onder meer van bioloog Con Bruning en de Evangelische Broedergemeente. Via een bijbehorend ‘crowdsourcingsproject’ worden verhalen uit de Surinaams-Aukaanse gemeenschap vastgelegd.

7-04-2022


In de EXPO, in Het Utrechts Archief Hamburgerstraat Utrecht, is weer een expositie, n.a.v. Utrecht 900 en het Water! Ontdek de fascinerende geschiedenis van de het Kromme Rijn-gebied, de Lekdijk, de Utrechtse stadsrechten en bekijk de toekomstplannen voor het waterbeheer in onze regio.

Wist jij dat  Utrecht 900 jaar geleden stadsrechten kreeg? En dat dit alles te maken heeft met water? In de tentoonstelling Water! Vriend of Vijand? stap je een magische onderwaterwereld binnen. Je ontdekt hoe de Utrechters het water al eeuwenlang gebruiken én bestrijden. Een verhaal van i

5-04-2022


ZEIST – Afgelopen zaterdag, 2 april 2022, werd de eerste locatie van de expositie van het Rampjaar 1672 in de provincie Utrecht feestelijk geopend.

In de bibliotheek in Zeist aan de Markt 1, werd de rondreizende expositie ingeluid met een prachtig historisch verhaal verteld door Bastiaan de Zwitser, waarin hij ons meenam naar Zeist ten tijde van het Rampjaar. Verder is als onderdeel van de expositie door de bibliotheek een boekenstand neergezet met werken omtrent het Rampjaar, voor wie nog meer te weten wil komen wat er nou precies gebeurd is in die tijd. 

De EXPO

5-04-2022


Adellijke officieren in de strijd tegen de Zonnekoning

Op 7 juni is in de Domkerk een herdenking gepland van Willem Joseph baron van Ghent.

Dit is een samenwerking van Platform rampjaarherdenking 1672-2022, de Domkerk, de Vereniging van (oud) officieren der mariniers Willem Joseph baron van Ghent, en historische vereniging Oud-Utrecht.

Dr. Renger de Bruin spreekt bij deze bijeenkomst over vice-admiraal en Domkanunnik Van Ghent, de slag bij Solebay, en zijn grafmonument in de Domkerk. Het onderstaande artikel van Renger de Bruin geeft een beeld van de adellijke offici

Uitgelicht

Wat gebeurde er tijdens de Tweede Wereldoorlog in ons dorp? Voor het project Oorlog in mijn dorp zoekt Cultuurplatform Bunnik lokale verhalen en spreekt met ooggetuigen.

Vandaag het verhaal van Albert Polman (79), oud-opzichter van Fort Rijnauwen in Bunnik. Albert werd op landgoed Rijnauwen geboren, toen de oorlog al een jaar gaande was. Met zijn ouders en vier zussen woonde hij in het huis met de rieten kap tegenover de ingang van Fort Rijnauwen. Zijn vader was boswachter en beheerder van tennispark Rijnauwen.

Fusilladeplek

‘Ons huis was in de oorlog niet gevorderd. Fort Rijnauwen werd wèl gevorderd door de Duitsers als munitieopslagplaats. Tijdens de oorlog lieten de Duitsers vrijwel niemand op het fort toe, maar na de oorlog bleek welke gruwelijkheden zich er hadden afgespeeld. Naar schatting zijn hier tussen de 54 en ruim honderd Nederlandse en Belgische verzetsstrijders gefusilleerd. Ook in de jeugdherberg verderop hadden Duitse officieren hun intrek genomen. Zelfs de tennisbanen waren in bezit van de Duitsers. De officieren sloegen graag een balletje op het tennispark, dat door mijn vader werd beheerd.’ 

Daar, niet ver van het hol van de leeuw, groeide de jonge Albert op in het boswachtershuis. In de oorlogsjaren gingen zijn oudere zussen gewoon naar school. Albert vermaakte zich in en rond het huis. Hoewel Albert jong was, kan hij zich nog momenten en verhalen van de oorlog herinneren.

Radio

‘Zo had mijn vader een radio verstopt in huis en dat was streng verboden. Poolse soldaten die voor de Duitsers moesten werken, kwamen hier door het open raam naar de Engelse radio luisteren. Hier verderop bij Tennisvereniging Rijnauwen had mijn vader in het verenigingsgebouw tussen de wanden een zender verstopt. Op een avond zag een officier een kastdeur in een van de dubbele wanden van het verenigingsgebouw openstaan en hij kreeg argwaan. Dagenlang werd mijn vader door de SS verhoord op het kantoor aan de Maliebaan in Utrecht. Gelukkig wist mijn vader ze van zijn ‘onschuld’ te overtuigen en werd hij weer vrijgelaten.’ 

‘Maar goed dat de Duitsers niks door hadden, want wat ze niet wisten was dat mijn vader waarnemend commandant van de ondergrondse Binnenlandse Strijdkrachten (BS) was. Hij sprak er zelf nooit over, maar ik hoorde het later van mijn oudste zus en mijn moeder. Ik herinner me wel de speciale banden om zijn mouwen. De Duitsers hebben de zender overigens nooit gevonden en deze kon dus in gebruik blijven om informatie uit te wisselen met de Engelsen, mogelijk over bombardementen van het spoor of wapendroppings.’  

Geweren

‘Wat mijn vader nou precies deed, weet ik niet. Maar ik weet wel dat er thuis geweren onder de divan lagen. Die geweren en munitie werden verdeeld. Munitie mocht je natuurlijk ook niet in huis hebben, maar mijn vader als boswachter en voormalig jachtopziener mocht dat nog wel. Op een gegeven moment zaten er Duitse soldaten binnen óp de bank terwijl de munitie er ónder lag. Ik herinner me het verhaal dat mijn vader op de fiets uit Zeist kwam met een karretje waarin geweren verstopt waren. Hij werd aangehouden door Duitsers die de weg vroegen en gaf ze een lift. Toen mijn opa bij het Tolhuis in Bunnik, waar hij woonde, mijn vader aan zag komen met de Duitsers schrok hij zich rot. Hij dacht: dit wordt zijn dood. Totdat bleek dat deze Duitsers geen idee hadden en gewoon uitstapten.’

Honger

‘Echt honger hebben we trouwens niet gehad. Mijn vader had een goed salaris en een groentetuin en als boswachter mocht hij overtallig wild afschieten, zoals duiven of konijnen. Het eten werd verdeeld onder de familie. Ook herinner ik me dat boer Van Oostrom die op boerderij De Prins woonde (nu restaurant Vroeg) van alles weggaf wat hij had.’

Bevrijding

‘Bunnik en Utrecht zijn mei 1945 door de Canadezen bevrijd. Wij woonden achteraf, dus ik heb er weinig van meegekregen. Ik herinner me wel dat alle kerkklokken luidden. In Utrecht kwamen de Canadezen via de Biltstraat de stad binnen en werd de bevrijding uitbundig gevierd, zo heb ik later op foto’s en filmpjes gezien. Mijn vader zal er best bij zijn geweest. De Duitsers in fort Rijnauwen en de jeugdherberg hebben plaatsgemaakt voor de Canadezen. Op het weiland achter huis De Eik aan de Vossegatsedijk verrees een groot NSB-kamp.’

‘Na de oorlog beheerde mijn vader als boswachter ook het terrein op fort Rijnauwen, waaronder de voormalige fusilladeplaats. Hij trof er 19 houten palen met kogelgaten aan, waar de verzetsstrijders aan vast werden gebonden. Tijdens de oorlog had mijn vader door het aantal schoten dat hij hoorde kunnen bijhouden hoeveel verzetsstrijders er waren gedood. Vanuit onze slaapkamers zagen we destijds de auto’s van de Duitsers aankomen. Vanaf de Gansstraat werden de verzetsstrijders naar de fusilladeplaats van Fort Rijnauwen gebracht en met een lijkauto werden ze weer weggevoerd.'

Monument

In de jaren 70 werd Albert opzichter van het fort Rijnauwen en werkte hij jarenlang voor Staatsbosbeheer. In die jaren zochten vele nabestaanden contact over hoe hun familie aan hun eind was gekomen. Van 54 personen is de identiteit achterhaald. Bij de executiepalen werd een gedenkmuurtje geplaatst ‘Opdat wij nooit vergeten.’ In 1985 is de klokkenstoel geplaatst en sindsdien vindt jaarlijks de dodenherdenking op het fort plaats. Albert Polman is er vaak bij geweest en hij woont nog steeds in zijn ouderlijk huis tegenover de ingang van het fort. 

De freule aan het woord

Mij is gevraagd om mijn herinneringen over Zeist mee te delen. Ik ben Joanna Margaretha Elisabeth van de Poll (1872-1970). Natuurlijk zit ik, zo aan het eind van mijn leven, vol aan herinneringen. Waar zal ik mee beginnen of waar zal ik eindigen? Eigenlijk ben ik pas vanaf 1880, toen ik 8 jaar was, bewust geworden van hetgeen in Zeist gebeurde; daar kan ik over spreken. 

Zeist was een mooi, rustig bosrijk oud dorp met prachtige buitenplaatsen en herenhuizen. Zoveel van die herenhuizen zijn nu verbouwd tot flatgebouwen. Zoals een oude zeisterse weduwe mij onlangs  schreef: Hoe vindt u het toch dat al die mooie huizen vogelkooitjes worden met zaadbakjes ervoor?

Middelpunt van het eigenlijke dorp vroeger was het Rond met de twee Dorpsstraten. Het eind van het dorp was waar nu de winkel van Kraal staat en waar de eikenhouten bosjes begonnen.Persoonlijk betreur ik het dat er zoveel veranderd is en het dorp een druk roezemoezig stadsbeeld geeft en zijn eigen aardig cachet volkomen verliest. 

Zeer te betreuren is de verhouding tussen de mensen onderling . Vroeger was het heel merkwaardig. Er was een heel groot verschil in stand. Daarentegen een veel grotere band tussen die mensen onderling. Veel meer persoonlijke belangstelling en vriendschap voor elkaar. Nu is dit nog slechts bij enkelen over gebleven. Op "Beek en Royen", waar wij 92 jaar gewoond hebben, kenden wij alle families in de Dorpsstraten. Wij wisten van elkaar de verjaardagen. Wij keken wie er kwam en wie er niet  kwam, niet uit nieuwsgierigheid maar uit interesse. De rust van het dorp kunt u zich zeker niet voorstellen. 

De kinderen knikkerden op straat. Er was helemaal geen gevaar. Mijn vader gooide wel eens een paar chocolaadjes naar beneden om ze te paaien. Zij speelden haasje – over, over de paaltjes van de Laan van Beek en Royen. Zo stil was het dat wij 's avonds in de zomer aan de voorkant op straat konden theedrinken en het aardig vonden als er eens een wagen voorbijkwam of een equipage van de buitenplaatsen. 

Een cultureel leven was er in Zeist eigenlijk niet. Dat is pas begonnen in 1870. Toen de oprichting plaats had van de afdeling Zeist van de Maatschappij van Toonkunst door mr E.B. Labouchère en mijn vader. In 1882 volgde de oprichting van de Harmonie door mijn vader, Herman Meerdink en Herman Lentz. Vóórdien was er steeds het prachtige orgelspel van Herman Meerdink in de kerk en alleen de kerkmuziek bij de Hernhutters. 

Hoe zeer men eigenlijk in die tijd behoefte had aan muziek bleek uit het feit dat tijdens de repetities van de Harmonie in de Nieuwe Sociëteit, die op de hoek van de Hogeweg en de Donkere Laan stond, een groot publiek daarnaar kwam luisteren, steunende op hun rijwielen; een paard en wagen dat er langs kwam, moest maar een eindje om rijden, want ze wensten niet gestoord te worden.

Een groot verschil was er ook tussen armen en heel rijken. Er was geen armenzorg. Alles kwam eigenlijk neer op de weldadige dames, de gezusters Voomberg, mevrouw Van Loon van "Hoog Beek en Royen", mevrouw Pauw 5) van "Pavia" en mevrouw Labouchère van het Slot. Uitgaande van het principe de rechterhand mag niet weten wat de linker doet. De dames deden liefdadigheid in alle stilte .

Veel dankbaarheid was er niet. De dames hadden hun vaste dagen, waarom men mocht komen, eigenlijk bedelen. Op de dag dat mevrouw Van Loon het uur had om hen te woord te staan, verzamelden de vrouwen zich allemaal op de hoek van de Laan van Beek en Royen en de Oriebergseweg. En wij konden vanuit onze open ramen de commentaren horen over die arme mevrouw Van Loon, en arm was zij in dat opzicht, die ongezouten besproken werd . Zo kwam er eens een harde stem, die riep toen zij terug kwam: "Nou dat mens, dat kreng, heeft vandaag maar weer f 1,-- gegeven".

Langzamerhand werd duidelijk dat die arme gezinnen de betrokken dames schromelijk voor de gek hielden. En zij namen een Zeistenaar om controle uit te oefenen. Ook dat hielp niet. Later werd Armenzorg opgericht en de dames waren doodongelukkig dat de particuliere liefdadigheid aan banden werd gelegd en dat zij in het vervolg een verklaring moesten ondertekenen van alles wat zij gaven. Maar dit was hoognodig en droeg bij om bedrog tegen te gaan. Gelukkig dat de sociale zorg in steeds betere banen werd geleid. Zo waren er op allerlei gebied verbeteringen aangebracht die thans onmisbaar zijn en die ik zeer zeker erken. Veel moois van vroeger behoort tot het verleden en daar kan ik nog wel eens zeer naar terug verlangen. 

‘Elke plaats had toen haar eigen dorpsgekkies’

Gaarne zou ik nog iets willen vertellen van de types die Zeist vroeger had. Elke plaats had toen haar eigen dorpsgekkies. Ook Zeist. Men liet ze kalm hun gang gaan. Nu zouden ze opgenomen worden in een inrichting, maar die bestonden vroeger nog niet. En bejaardentehuizen waren er ook nog niet. Er was een zekere jongeman van ongeveer 20 jaar, voor zover als ik mij herinner, Jantje van de Achterheuvel. Hoe zijn achternaam was, weet ik niet. Een treurig uiterlijk , hangende traanogen en een hinkende manier van lopen, maar doodgoed. Zo betrouwbaar dat vrouwen die op een drukke dag geen raad wisten met hun kinderen hen geheel aan hem toevertrouwden. Jantje, die met de kinderwagen er op uit ging, kwam weer vrolijk en vriendelijk terug met het kind, goed verzorgd en op tijd thuis. Geen mens die hem kwaad deed, ook geen jeugd . Dan was er Keesje Post. Die was heel anders . Het was een onschuldige gek, maar die de malste dingen verzon. Eens had hij kans gezien om in de molen op de Bergweg een zak met meel te veroveren. Hij strooide het meel uit op de grond en wentelde zich daarin. Spierwit kwam Keesje te voorschijn. Hij nam toen een paraplu waar alle zijde uitgetrokken was, zodat alleen de baleinen overbleven en bond aan elke balein een dode rat. Zo kwam hij langs ons huis. Wij, kinderen, hadden natuur lijk dolle pret, maar men liet hem kalm gaan. Later is hij in het slootje van de  Blikkenburgerlaan gevallen en verdronken. 

Bij de brand van de Broedergemeente onlangs is mij weer te binnen geschoten wat Keesje ook eens deed. Er was een binnenbrandje in een huis op het Zusterplein. Mijn broer  ging er heen en hielp van alles, dus kostbaarheden; uit het huis te halen. De politie stond nog niet bij de brug om de mensen tegen te houden. Keesje ging er ook heen en ging eens kijken of er niets te pakken was in de keuken. Toevallig was er net een verjaardag geweest, dus Keesje vond klieken van de taart en flessen wijn. Hij ging met zijn kornuiten midden op het Zusterplein in het gras zitten en ze deden zich heerlijk te goed en lieten de hele boel maar branden.

Nu komen er een paar Zeistenaren, die waren niet krankzinnig maar toch wel een beetje vreemd . Daar had je Zwarte Hans, die was zwart van haar en heel klein. Ook zwart in alle rimpels van haar gezicht, want daar kwam nooit een spons bij te pas. Zij werd een paar keer per jaar door mijn moeder aangeroepen om de gele steentjes van het trottoir, waar het gras tussen groeide, schoon te maken. De goede ziel deed dat op haar knieën op een oud stuk tapijt en met behulp van een kromme spijker. Als alles schoon was, werd zij zelf later geschrobd en met loog afgewerkt. Dan was er Piet de Peel, die in een tentje in de schaatsenrijders tijd met een pot rokende turf op de Blikkenburgervaart borrels en warme dranken verkocht. Dan was er juffrouw Lutteberg, genaamd Lut, die leefde in adoratie van de gezusters Van Loon, Pauw en Labouchere. Urenlang stond zij te wachten bij het hek van "Hoog Beek en Rooyen" om maar een glimpje op te vangen als mevrouw Van Loon thuis kwam. Dan was er Cornelia Jansen, die in 1885 nog geen afstand kon doen van haar crinoline. Die prachtig schaatsen reed, buitenover tot groot vermaak van de zoons van Labouchère van het Slot, die reden met haar, maar konden alleen met de hand de hare bereiken vanwege de crinoline en zo zwierden zij met haar in brede slagen over de Slotvijver, tot groot vermaak van het publiek. 

In de Broedergemeente was een broeder Grasman. Hij deed voor de gemeente boodschappen en bracht de brieven op de post. Het postkantoor was toen in de lste Dorpsstraat. De beambten hadden het niet bijzonder druk. Eén van hen had gemerkt dat broeder Grasman wanneer hij een brief in de bus had gedaan terugliep en telkens omkeek of de brief er wel in lag. Toen Grasman goed en wel bij het Schneiderhotel was, liet de postbeambte de brief weer heel voorzichtig halverwege uit de bus piepen. Zo gebeurde dat enige keren en elke keer vloog die arme Grasman er in en holde weer naar de bus toe. Net als hij het puntje van de brief wou pakken, zakte de brief weer naar binnen. Dit was eigenlijk een onschuldige voor- de-gek-houderij, maar toch nog wel geestig.

Zo, nou is het op!

Afscheid van 'Beek en Royen'

Zeist. Joanna Margaretha Elisabeth ("Zus") van de Poll (1872-1970), ook wel freule Jo genaamd, was van  beroep pianiste en dol op muziek evenals andere leden van haar familie, die in 1861 het Huis "Beek en Royen" aan de 2e Dorpsstraat nummer 56 gehuurd had en later in eigendom verkreeg. Zij was er zich echter ook van bewust dat met haar de protestantse Zeister tak van het geslacht Van de Poll zou uitsterven. Ook realiseerde zij zich dat na de Tweede Wereldoorlog bewoning van "Beek en Royen" door haar alleen niet langer mogelijk zou zijn, niet in het minst om financiële redenen want haar tak was niet erg bemiddeld. Met de N.V. Schokbeton te Kampen, die belangstelling toonde voor  het pand en de tuin aan de Lageweg, was zij reeds sedert 1946 in gesprek. Uiteindelijk resulteerden de onderhandelingen in een verkoop in 1951. Freule Jo verhuisde naar  de Arnhemse Bovenweg 4. 

Tevoren waren alle verre familieleden Van de Poll afscheid komen nemen van "Beek en Royen". De waardevolle spullen (portretten, zilverwerk en porselein) werden ondergebracht in een familie-stichting: Van de Poll-Wolters-Quina Stichting. Onderdelen van het familiearchief op Huize "Beek en Royen" gingen naar uiteenlopende musea en instellingen. Ogenschijnlijk de minst 'waardevolle' onderdelen van haar archief bewaarde zij vooralsnog. Daar had freule Jo andere plannen mee. 

Haar vader, Jhr. E. H. van de Poll (1823-1909) (RNL,GGG) en haar broer Jhr. MI: Dr. F. van de Poll (1860-1937) (R.O.N. met de zwaarden), waren beiden lid van de gemeenteraad Zeist geweest en nauw verbonden met  het muziekleven als voorzitter van  het Koninklijk Zeister Harmonie Muziek gezelschap. De Nederlands Hervormde gemeente te Zeist was het kerkelijk tehuis van de familie maar in politiek opzicht waren vader en zoon Van de Poll liberaal. De familie behoorde tot de regentengeslachten van Amsterdam, die door Koning Willem I in de adelstand waren verheven. Grootvader Frederik van de Poll (1780-1853) was na een ongelukkig optreden als burgemeester van Amsterdam ontslagen. Zijn benoeming tot gouverneur des Konings in de provincie Utrecht zag hij als een rehabilitatie maar ook dit ambt liep minder goed dan gewenst. Na eerdere problemen werd hij in 1850 op voordracht van Thorbecke door Willem III ontslagen. Vader Jhr. E. H. van de Poll was tot 1901 inspecteur bij de Rijksdienst Registratie en  Domeinen. Tevens was hij van 1862-1902 directeur van de Levens-Verzekeringsbank "De Kosmos" te Zeist, waarvan later  het kantoorgebouw letterlijk in zijn tuin werd gezet! Zijn zoon Jhr. E van de Poll (2) was van deze verzekeraar eerst adjunct-directeur en   later commissaris. Het faillissement van  deze maatschappij leidde in 1922 tot de eerste toezichtswetgeving op de levensverzekeraars in Nederland. 

Het prestige van de familie Van de Poll te Zeist had vanwege de nauwe banden met de amateur muziekbeoefening hier niet onder geleden. Deze broer van freule Jo, Frits, was zoals zo velen van adel erg geïnteresseerd in genealogie, familie-en lokale geschiedenis. Vier jaar vóór zijn overlijden had hij in de Zeister Courant van 22 juli 1933 de suggestie gedaan om te komen tot een nieuw historisch museum in Zeist. In het in 1924 door de gemeente Zeist in eigendom verworven Zeister Slot is een zendingsmuseum vóór 1940 van de Zeister Broedergemeente gevestigd geweest. Naar aanleiding van een schenking van aquarellen betreffende het Huis Kersbergen sprak het gemeenteraadslid Geijtenbeek (RKS!') op 15 december 1937 de hoop uit dat "er alle aanleiding zal zijn een blijvende tentoonstelling in het leven te roepen hetgeen een attractie voor deze gemeente zal vormen". Er was dus kennelijk een bredere voedingsbodem voor deze gedachte van Jhr. F. van de Poll. Voorts werkte de Zeistenaar C. Pama aan een geschiedenis van Zeist die in drukproef met het jaartal 1940 in de collectie van het Zeister Historisch Genootschap Van de Poll Stichting aanwezig is. Deze gedachte van  jonkheer Frits kreeg in 1933 geen verdere vorm. Na de Tweede Wereldoorlog pakte zijn zus Jo de idee weer op en in 1949 stond zij in contact met het gemeentebestuur van Zeist om te komen tot een lokaal historisch genootschap, waaraan zij de naam van haar broer wilde verbinden. Op 24 september 1951 werd de Van de Poll Stichting opgericht. Freule Jo fungeerde  als oprichter en tot haar dood als beschermvrouwe. Elf koffers vol met papieren legateerde zij na haar  dood in 1970 aan de door haar gekoesterde Van   de Poll Stichting.

Het  toenmalige bestuur aanvaardde de koffers volgaarne en zette ze in de kelders van  het Zeister Slot. Op 12 maart 1988 verleende het bestuur; op voordracht van het toenmalige lid van de Raad     van Beheer Drs. B. Woelderink, thans directeur van  het Koninklijk Huisarchief te s-Gravenhage, opdracht tot inventarisatie. Het Prins Bernard Cultuurfondsfonds te Amsterdam verleende daartoe een subsidie van f 50.000,-. De Zeister gemeentearchivaris, R.P.M. Rhoen, toen lid van  de Raad   van  Beheer, bracht op 23 november 1990 persoonlijk de elf koffers naar Amsterdam, waar op  het gemeentearchief aldaar Drs. B.R. de Melker aan  het werk toog. Vrijdag 20 juni 1997  kon in de Willem  Pijperzaal van  Hotel "Figi" door    de gemeentearchivaris van Amsterdam de voltooide inventaris aan  mij worden aangeboden. In 1998 verscheen de inventaris in druk (3). 

Voor de historie van het Huis Oranje-Nassau zijn vooral de brieven van  de zussen van freule Jo, Jkvr. F.L.H. (Henriëtte) van de Poll (1853-1946), hofdame sinds 1880 van Koningin Emma en superintendante van de opvoeding van Koningin Wilhelmina in de periode 1891-1896, hofdame du Palais tot het overlijden van   Koningin Emma in 1934 en Dame du Palais honoraire tot haar dood in 1946, en Jkvr. Pauline Louise ("Lou") van   de Poll (1857-1943), Dame du Palais belast met de opvoeding van prinses Juliana (K. B. van  1 december 1909), eervol ontslag bij K.B. van 1 maart 1920 met behoud van  de titel Dame du Palais honorair aan de familie op "Beek en Royen", van groot belang. 

Brieven gekuist ..

Vanaf 1 februari 1880 deed freule Henriëtte dat dagelijks. Deze correspondentie is ook gebruikt met toestemming van het  bestuur door Cees Fasseur voor: Wilhelmina. De jonge Koningin, Uitgeverij Balans, 1998. Freule Jo heeft de correspondentie van haar zusters wel "gekuist". Te grote openhartigheid van de hofdames over leden van het  Koninklijk Huis en de hofhouding is door de censuur van freule Jo geschrapt. Daarmee heeft de briefwisseling een gedeelte van haar historisch belang verloren. Onderzoekers kunnen nu nog slechts gissen naar de verontwaardiging van freule Henriëtte over het gedrag van Koning Willem III! 

Met de verhuizing in 1951 uit "Beek en Royen" kwam een einde aan de particuliere bewoning van  het Huis "Beek en Royen". Voor  de toekomst was de Van de Poll Stichting opgericht met een  kapitaal van f25,-. Op 5 december 1949 had het College van B en  W van Zeist besloten de juridisch adviseur van freule Jo, de advocaat Mr. FA. Beunke, compagnon van Mr. H.L.L. van Hoogenhuyze, op 12 december d.a.v. te ontvangen "ten behoeve van  de vorming van een stichting voor bewaring van oudheidkundige voorwerpen". Bijna twee jaar later had zij het monument voor haar broer Frits opgericht. 

Het Kromme Rijngebied is een van de vier landbouwgebieden die in de provincie onderscheiden worden. Het is een duidelijk afgebakend gebied met een vanouds duidelijk eigen identiteit. De gemiddeld grote, levensvatbare landbouwbedrijven en de overwegend katholieke boerenbevolking zijn de belangrijkste kenmerken daarvan.

Het Kromme Rijngebied behoort tot het landschapstype van het rivierkleigebied. De sterk meanderende Kromme Rijn ontstond omstreeks 1000 voor Christus. Na die tijd traden er door verzanding afvoerproblemen op. Het definitieve einde van de Kromme Rijn als belangrijke Rijnarm vond in 1122 plaats, toen de rivier bij Wijk bij Duurstede werd afgedamd. De afdamming had een beter waterbeheer tot gevolg en leidde tot het ontginnen van de moerassige komgronden.

Het Kromme Rijngebied wordt landschappelijk gekenmerkt door oeverwallen en kommen, die ontstonden doordat de rivier regelmatig buiten haar bedding trad, waardoor er zand en klei afzetting plaatsvond. Door het gewicht van het zand werd dit bij overstromingen dicht in de buurt van de bedding afgezet, terwijl de lichtere kleideeltjes meer landinwaarts bezonken. Zo ontstonden de wat hogere, zanderige oeverwallen en de lage kommen met klei.

In de Romeinse tijd nam de landbouw op de stroomruggen sterk toe. Ook na het vertrek van de Romeinen bleef de bewoning en de landbouw vooral op de hoge stroomruggen geconcentreerd. Hier ontstonden al vroeg plaatsen als Bunnik, Odijk, ’t Goy, Houten, Werkhoven, Cothen en Wijk bij Duurstede.

Door de afdamming van de Kromme Rijn in 1122 bij Wijk bij Duurstede gaat de landbouw in het Kromme Rijngebied een nieuwe fase in. De moerassige komgronden konden worden ontgonnen en er stonden lintdorpen, zoals Langbroek en Schalkwijk, maar ook lintbuurten zoals de Wijkersloot, de Amerongerwetering en de Houtense wetering.

Die ontginningen van moerassige komgebieden waren het gevolg van het ontstaan van een toenemende behoefte aan landbouwgrond vanwege de groei van de bevolking.

De akkerbouw en in veel mindere mate de veeteelt vormt van 1400 tot ongeveer 1850 de belangrijkste bestaansbron. Opmerkelijk is, dat er in Cothen nog een overblijfsel uit die tijd te vinden is, nl. een restant van een vroegere gemeenschappelijke weide. De huidige hoogstamboomgaard in het centrum van het dorp is een restant uit die tijd. Vee van diverse boeren werd ’s avonds naar de gemeenschappelijke weide gebracht, o.a. om diefstal te voorkomen. Het is uniek te noemen dat een dergelijke gemeenschappelijke weide bewaard is gebleven.

Tot de 19e eeuw vindt er vrijwel geen bemoeienis van de mens met het landschap van het Kromme Rijngebied meer plaats die ingrijpende gevolgen voor de landbouw hadden. Wel werd na 1865 in sommige plaatsen de Kromme Rijn rechtgetrokken door meanders af te sluiten. Dit vond o.a. plaats in het kader van de Nieuwe Hollandsche Waterlinie. Daarnaast had de landbouw in Schalkwijk, Houten en Bunnik te maken met de aanleg van vestigingswerken, zoals forten, bunkers en kazematten. Ook werden plaatsen als Houten, Bunnik en Schalkwijk doorsneden door de aanleg van spoorlijnen, zoals Utrecht – Arnhem in 1850 en de spoorlijn Utrecht – Den Bosch in 1868.

De jaren vijftig van de 19e eeuw kenmerken zich door een slechte conjunctuur, maar ook door de opkomst van de fruitteelt in het Kromme Rijngebied wat tot een toename van welvaart bij de boerenbevolking leidde. De akkerbouw nam af, maar ook het weidebedrijf nam in omvang toe.

Veel boerderijen die tussen 1850 en 1900 werden gebouwd waren van het zogenaamde T-type. Dit type boerderij laat zien dat het wens van boerengezinnen was om meer ‘gerieflijk’ te wonen. Dit was pas mogelijk bij een zekere welvaart.

In de tweede helft van de 20e eeuw krijgt de landbouw in het Kromme Rijngebied met grote veranderingen te maken. Vanaf die tijd gaan er vernieuwingen in de bedrijfsvoering van de landbouw in het Kromme Rijngebied plaatsvinden. Alles wordt grootschaliger en één man/vrouw maken bij de bedrijfsvoering van veel techniek en machines gebruik. In het bijzonder een florerende tak als de fruitteelt werd verder uitgebouwd en de melkbedrijven namen sterk toe.  Daarnaast verdwijnen er na 1970 de nodige boerenbedrijven vanwege de omvangrijke woningbouw in Houten, Bunnik en Wijk bij Duurstede. Ook worden er boerenbedrijven beëindigd omdat kinderen het bedrijf niet willen overnemen, omdat ze geen interesse in het bedrijf hebben en de voorkeur geven aan een bestaan buiten de landbouw. Gesteld kan worden, dat het Kromme Rijngebied na die tijd verandert van een gebied met een van ouds sterk agrarisch karakter naar een gebied met kenmerken van een verstedelijkt woonkarakter, waardoor de agrarische functie op de tweede plaats komt te staan en de grote intensieve melkbedrijven gaan domineren, o.a. omdat deze tak voor een redelijk stabiel inkomen zorgt.

 

In Nieuws over Oud schreven we dat we de aandacht zouden gaan besteden aan de bevrijding in mei 1945. Naar aanleiding daarvan kregen wij een berichtje van Jan Wieman. Hij wilde wel wat vertellen over zijn herinneringen aan de bevrijding. In dit artikel staan enkele onderdelen uit het interview met Jan Wieman.

Weg bij de spoorbrug

Jan is in maart 1938 geboren in het huis van zijn ouders aan de Rietput (bij de spoorlijn aan de Achterdijk A180). Zijn vader was bij de spoorwegen. Jan vertelt: "Wij woonden toen vlak bij de Culemborgse spoorbrug. Daar was het niet zo veilig om te blijven wonen. Toen zijn we in de oorlog verhuisd, niet verhuisd maar ingetrokken bij mijn opa en oma, van Kool Transport. Dat heette toen Lagedijk [nu Overeind, ce], het huisnummer ken ik nog. Dat was A63. Ik denk dat we toch zeker wel een 2 of 3 jaar aan de Heul gewoond hebben. Want er werd nooit over Schalkwijk gesproken. Altijd, we gaan naar De Heul."

Kind in de oorlog

Jan vertelt dat hij als kind niet veel wist over hoe de oorlog verliep. Hij zag natuurlijk de Duitsers overal in het dorp maar mocht als kind absoluut zelf niet naar de radio luisteren. Van Dolle Dinsdag (6 september 1994) heeft hij niets gemerkt. Zo af en toe hoorde of merkte hij wel eens wat zoals bijvoorbeeld over de spoorwegstaking vanaf 17 september 1944. "Toen is mijn vader nog ondergedoken geweest, toen bij de spoorwegstaking. Dat kwam toen over Radio Oranje 'De kinderen van Versteeg moeten  onder de wol'. Dat was het signaal dat de mensen opgeroepen werden tot de staking." Het verhaal van de spoorwegstaking heeft zijn vader later aan Jan verteld. Jan merkte ook wel eens dat bijvoorbeeld zijn oom Henk Kool regelmatig weg was, hij zat bij het verzet.

Duitsers

Tijdens de oorlog zaten er op verschillende plekken Duitsers in Schalkwijk: "In het café bij Hommelberg daar zaten Duitsers. Daar heeft ook nog een tijdje, zo'n soort kanon of iets gestaan. Maar daarvan heb ik nooit gehoord, of gemerkt, dat daarmee geschoten werd. 

Wat ik wel altijd frappant vond dat die Duitsers vermoedelijk instructies kregen. Dat er zo'n hele groep Duitsers, marcherend met een stoel ergens naar toe gingen en een paar uur later zag je ze weer terugkomen. Dan gingen ze, denk ik ergens heen voor instructie. En dan kwamen ze weer terug. Ze liepen nooit op de Provinciale weg, maar altijd op de Lagedijk.

Regelmatig zag je Duitsers voorbij marcheren. En altijd strak in het gelid. Je zou er een liniaal langs kunnen leggen." 

Op een gegeven moment kon Jan ook niet meer naar de jongensschool, de Henricus-school, in Schalkwijk omdat daar ook Duitsers zaten. 

Als kind hoorde hij alleen maar slechte dingen over de Duitsers. Dan nam je wel eens grote risico's. Jan vertelt over die keer dat er een Duitse legertruck achteruit geparkeerd stond in het steegje naast het huis van zijn opa. "Toen zie ik daar achter in zo'n kastje een blik staan, in die truck. Dus ik griste dat doosje mee. En als de sodemieter achter de auto om zo naar binnen toe en aan mijn oom gegeven. 'Waar haal je dit vandaan?' Ik zeg, van de moffen uit de auto gehaald. Toen kreeg ik op mijn falie 'Kijk uit, dat mag niet!' Maar ja, toen zat er scheergerei in met een doos scheerzeep. Daar waren ze gelukkig mee. Die dingen die weet ik nog wel, als jongen, die er gebeurden.'" 

Fahrrad ruilen?

"Aart Vermeulen was een jaar of vier, vijf ouder dan ik en woonde achter het huis van mijn opa en oma. Zij hadden thuis 10 of 11 kinderen. Die reden op een hele ouwe fiets zonder banden en zo. Toen komt er een Duitser voorbij met een hele mooie fiets. Wij staan daar langs de weg. Daar komt die Duitser aan en Aart komt daar ook op zijn rammelende fiets aan. Zegt ie tegen die Duitser 'Fahrrad ruilen?' Die Duitser, wat hij zei dat weet ik niet, maar hij gaf een snauw in ieder geval."

Inundatie en bouw schuilkelder

Van gevechtshandelingen en bombardementen op de Heul kan Jan zich niets herinneren. Behalve uit de aanwezigheid van Duitsers kwam de oorlog nog op een andere manier dichtbij. Vanaf februari 1945 werden er stukken onder water gezet door de Duitsers. Al eerder was er voor de buurt een schuilkelder gebouwd

"Op de Lagedijk, daar had je het kaaspakhuis en dan twee bruggen verder. Daar is het lager en daar stond de zaak onder water. Daar lagen toen brokken steen, daar lagen planken over, daar kon je overheen lopen. Daar gingen wij dan staan vissen. In de Schalkwijkse Wetering zat toen vrij veel vis. Daar gingen wij staan vissen. 

Voorbij het kaaspakhuis had je een fruitboomgaard met ouwe bomen. De Hoge Bogaard heette dat, werd het altijd genoemd. Daar hebben ze toen in hun vrije tijd, mensen, ik weet niet wie dat gedaan hebben, een schuilkelder gegraven. Ik weet nog wel dat er balken overheen gingen en een trap gemaakt in de klei uitgestoken. Dat we er een keer in gezeten hebben maar verders niet. Later gingen we er wel spelen. Toen stond er een laag water in en daar zwommen de kikkers in."

Honger en gebrek

"We hebben nooit armoede gekend, wat eten betreft. Mijn opa had een koe. Clandestien werd er dan een varken geslacht, want dat mocht ook niet. Hij had ook een moestuin.

Mijn opa verbouwde ook aardappels. Dan probeerden we wel eens aardappels mee te pikken van hem. Want er kwamen mensen uit de stad. Dan hadden ze een molentje gemaakt. Die kreeg je dan voor een of twee aardappels. Je was toen een jaar of zes.

Mijn opa die ziet een keer dat er een kat doodgereden werd, op de Provincialeweg. Hij gaat er gauw naar toe en die neemt de kat mee en die vilt hij. 

Dagelijks kwamen er mensen uit de stad aan de deur die om eten vroegen, zo maakte mijn oma dagelijks een aantal sneetjes brood klaar die dan gegeven werden. Als de klaargemaakte boterhammen op waren was het voor die dag gedaan. Aan een van hen is toen ook die kat gegeven. Dat mijn opa zei: Ik heb hier wel wat. Het is goed, gegarandeerd, mankeert niks mee. Maar het is geen konijn, het is een kat. Hij zegt: Ik heb de kop er af gesneden, die mag je meenemen. En toen, dat heb ik dan zelf niet meer gezien, maar wel dat die man het meenam. En dat hij een week of 14 dagen later kwam met de mededeling: Hartstikke bedankt, we hebben in jaren niet zo gegeten. Maar dat was een kat.

In de oorlog verbouwde mijn opa zelf tabak. Met een mesje zat hij dan de nerven in te snijden. En dan moesten die bladeren drogen. Kwam niet aan zijn tabaksplantjes. Die waren meer als heilig. Het stonk altijd, die zooi. Ik weet wel dat hij er altijd mee bezig was. In zijn moestuin had hij dan tabaksplanten staan."

De bevrijding

"Op 7 mei kwamen de Canadezen over de Lekdijk uit de richting Wijk bij Duurstede en naar Tull en 't Waal. Ik weet nog waar ik stond. Je had daar aan de Heul die trap naar de dijk toe. Met mijn oom Piet Kool, daar was ik achter op de fiets mee meegegaan. Dat was een broer van mijn moeder. Daar stonden we toen denk ik 10 minuten en toen kwamen de eerste jeeps. 

Wat ik mij ook nog heel goed voor de geest kan halen, dat was een vrouw uit Schalkwijk, Gradda Werkhoven. Die was zo enthousiast en die kreeg een klap van een spiegel van zo'n jeep, en zij ging neer. Ze werd aan de kant in de berm gelegd totdat de Canadezen voorbij waren. Gradda Werkhoven woonde met haar ouders aan de Pothuizerweg, als wij vanuit de Rietput naar de Heul liepen, was het het eerste huisje links van de weg waar de familie Werkhoven woonde.

Ik weet nog dat ik toen, toen ik terugkwam, van mijn moeder op mijn donder kreeg. Hoe ik dat had durven doen. Toen kreeg mijn oom ook nog van mijn moeder een uitbrander."

Na de bevrijding

Hoe en wanneer precies de Duitsers wegtrokken en hoe het zat met Militaire Gezag en de terugkeer naar het normale bestuur en normale leven weet Jan niet meer. Daar lette je niet op als kind van 7 jaar oud. Wel zijn er andere zaken die Jan zich nog levendig herinnert.

"Wat ik me herinner dat er in één keer allemaal vlaggen tevoorschijn kwamen en ook speldjes. Dat ik denk, waar komen die vandaan? Hoe komt dat in een keer? En oranje lintjes. Dat is voor mij altijd onduidelijk gebleven. Het verbaasde mij toen wel. Ik denk, hé hoe kan dat. 

De Duitsers waren weg en wij terug naar de Rietput. Het huis was min of meer heel. De Duitsers hadden er wel huisgehouden. Mijn vader had toen een fiets, een vrij nieuwe fiets. Die had hij op zolder, helemaal boven in de balken gehangen, maar die was ook weg.

Wat ik wel heb gezien, dat er na de bevrijding, bij kapper Vermeulen, aan de Provincialeweg (nu Jhr. Ramweg, ce) dames kaalgeschoren werden die geheuld hadden met de Duitsers."

DDT

Na het vertrek van de Duitsers konden de jongens weer naar de Henricusschool. Een van de dingen die Jan zich nog levendig herinnert, is de komst van onbekenden die op school kwamen controleren op luizen.

"Ik verbaas mij nu eigenlijk nog steeds over. We zaten dan in school. Toen kwamen er mensen, waar die vandaan kwamen weet ik niet. Die keken dan naar je hoofdhuid of zo of er geen luizen zaten. Dan moest je achter elkaar en klas voor klas de gang in. Dan stonden er naast de deur twee of drie mensen met een grote spuit en die spoten aan de voorkant en achterkant onder je kleren met poeder. En achteraf bleek dat DDT geweest te zijn. En denk je, ja jongens, hoe is dat in godsnaam mogelijk. Ik zie me nog staan. Aansluiten en dan ging je weer naar binnen." 

Wapens en munitie

Jan kan zich niet herinneren dat er na de bevrijding her en der nog munitie lag. Toch kwam hij daar mee in aanraking. 

"Die oom van me (Henk Kool), die was altijd onderweg en had van die hulzen waar het slaghoedje nog in zat. Die heeft hij toen bewaard en toen de oorlog voorbij was wilde hij die toch wel tot ontploffing brengen. Als zondags 's morgens opa en oma naar de kerk waren. Daar achter woonde Paul de Kruijf, en daar stond ook een berging met daar bovenop een hooizolder. Die was wel open. Dan had mijn oom zo'n grote steen die daar voor lag. Hij ging dan in de hooiberg. Dan had hij die grote huls. Dan had hij klei gemaakt of stopverf, wat hij ook had. Dan dekte hij dat slaghoedje af. Dan zette hij een ijzeren pen of een spijker en dan dat ding zo laten vallen op die steen. Dan klapte die. Er werden soms wel drie pogingen gedaan voor dat die klapte. Dat hebben we verschillende keren gedaan.

Toen wij weer bij de Rietpunt woonden, kwam mijn oom. 'Ik kom even was visjes vangen.' Toen had hij een handgranaat en die gooide hij in de Rietput. Binnen de kortste keren kwam er van alles boven. Toen ging hij met een zak met vis weg."

Kind na de oorlog

"Na de oorlog ging je de polder in, slootje springen en snoeken strikken. Met een koper draadje snoeken strikken. Toen zaten ze er echt, het water was toen nog helder. Gewoon een bonenstaak had je dan. Eerst een touw en dan koperdraad en dan een strik en dan heel voorzichtig, als je een snoek zag staan, heel voorzichtig voor zijn kop langs. En dan net achter zijn kop omhoog. Dat lukte vrij regelmatig. Om aan een koperdraadje te komen sloopten we een dynamo van een fiets. Dat was na de oorlog. School en verders had je niks.

Wat je ook deed, is spelen met de jongens van Vermeulen. In het kaaspakhuis had je planken waar de kaas op lag. Die moesten eens in de zoveel tijd schoongemaakt worden. Dat gebeurde in de Wetering. Dan werd er een soort vlot gebouwd van die kaasplanken. Die dreven dan gewoon als één vlot in de wetering.

Voor jongens van onze leeftijd, acht, negen jaar, was dat een prachtige speelplaats."

Auteur: Christ Essens

Boerderij De Vogelpoel is een grote boerderij met een gracht en staat in de  buurt van de Lek en dichtbij de bekende sluizen, waar het Amsterdam-Rijnkanaal de Lek kruist. 

Boerderij De Vogelpoel van Toon van Bemmel aan de Wijkersloot, werd in de tweede wereldoorlog een centraal punt in het Wijkse verzet. In Wijk bij Duurstede was Toon van Bemmel (1902-1989), een van de belangrijkste mensen in het verzet. 

Toon van Bemmel: ‘De avond voordat de Duitsers ons land binnenvielen, hoorde ik Hitler over de radio zeggen: ‘Wij zullen de neutraliteit van Nederland nooit schenden.’ De volgende morgen rond vier uur, toen wij zaten te melken, zei ik tegen de knecht en de dienstbode: Melken jullie maar rustig door, ik ga even naar de radio luisteren. Toen ik die had aangezet, hoorde ik meteen: Luchtwacht-post hier, luchtwacht-post daar. Ik ging weer terug om verder te melken en zei: Wij zitten in oorlog. Vanaf dat moment heb ik meteen mijn standpunt ingenomen en gezegd: ‘Ik zal nooit iets voor die Moffen doen, maar zoveel mogelijk tegenwerken!' 

‘Het was kenmerkend voor Toon van Bemmel dat hij zich met alle energie, maar ook compromisloos, inzette voor zaken en personen waarin hij heilig geloofde’, schrijft Kees Vernooy in Utrechtse biografieën over hem. Toon was de jongste zoon uit  een gezin van acht kinderen. Na de dood van zijn ouders werd hij boer op de Vogelpoel. Als lid van de Landstormvrijwilligers bekwaamde hij zich  in het omgaan met wapens. Als aanhanger van het Huis van Oranje en gezagsgetrouw vaderlander was bij het begin van de oorlog maar een ding voor hem mogelijk: hij ging in het verzet. 

Toen de oorlog in volle gang was richtte men in Wijk een O.D. (‘Ordedienst’) op. Van Bemmel was daar ook bij. Naast Van Bemmel zaten in de Wijkse OD: veearts Ad van Sprundel, Daan Verroen, beheerder van het parochiehuis aan de Markt en kapper Wout Jansen. De OD  vond de Vogelpoel een veilige plaats voor het verzet. Daarom werd daar het hoofdkwartier van het ondergronds verzet gevestigd. De leiders van de groepen doken daar ook onder, de bijeenkomsten voor de besprekingen vonden er plaats. Het ging meestal om zo’n dertig personen. Er werd gesproken over overvallen, over de opslag van munitie, radio’s en dingen die niet in de handen mochten vallen van de Duitsers. Er stonden ook twee auto’s voor de zogenaamde K.P.-ploegen. Hiermee werden overvallen uitgevoerd. De overvallen waren vooral gericht op bonkaarten, die gebruikt werden om ondergedoken  gezinnen te helpen. 

Toon van Bemmel: 'Op een avond kwam de Heer Barte, opzichter van Rijkswaterstaat van de Sluizen in het Amsterdam-Rijnkanaal bij ons onderduiken. De volgende dag vertelde hij in vertrouwen, dat hij de sleutels van de sluizen op een bepaalde plaats in het Kanaal had gegooid. Want als de Duitsers die sleutels in handen hadden gekregen, hadden ze alles onder water kunnen zetten tot Amsterdam toe. Later hebben we nog zakken vol met kaarten en tekeningen daar weggehaald en bij ons op een goede plaats weggeborgen. En de goede man had een onderdak. In juli 1943 werd onze burgemeester vervangen door een NSB-Burgemeester, Beek van Calsveld genaamd, voorheen kaascontroleur in Woerden. Onze Burgemeester Naud van der Ven moest met zijn gezin het Veerhuis waar hij woonde, verlaten. Hij probeerde elders een onderdak te krijgen, maar dat lukte niet. Toen kwam hij op de Vogelpoel. Omdat ik met alle zekerheid wist, dat hij voor 100% Hollander was, zei ik tegen hem: ‘Laten we maar eens rondkijken of er een mogelijkheid is hier voor U om te wonen.’ De boerderij was groot, en toen hij alles had gezien, was hij blij en nam hij, met zijn vrouw en zijn dochtertje, zijn intrek bij ons. Ook hadden Canadese vliegers er een schuilplaats. En Joden, als ze op een ander adres niet meer veilig waren, kwamen naar de Vogelpoel. Bijvoorbeeld de familie Worms had daar een schuilplaats, nadat hun oude plek in het parochiehuis, te gevaarlijk bleek te zijn. 

U moet begrijpen, dat we overal mee te doen kregen, zoals opslag van wapens, die dan weer naar andere plaatsen moesten worden vervoerd. Het was een groot district, zelfs de spoorbrug van Culemborg viel er onder. We hadden allerlei soorten munitie, springstoffen, handgranaten tot onze beschikking. Een actie was ook het in stand houden van de zenders waarmee de boerderij een belangrijke spil werd in de pilotenlijn, die via boer Van Wijk piloten bij het Beusichemse Veer de Lek overzette. Door het verzet had men met veel zaken te maken. Op een dag zei burgemeester Naud van der Ven : ‘Mijnheer van Bemmel, ik weet wel, U kunt nooit nee zeggen, en ik twijfel er niet aan of u genoeg bidt.' 

Na de oorlog werd Van Bemmel in de nood-gemeenteraad benoemd en bleef raadslid tot 1966; tot 1958 was hij loco-burgemeester.

 


Locatie